05 Bijlage 2 - Beleidsregels Bodemenergie systemen.pdf
Tekst van het document
Beleidsregel voor bodemenergiesystemen Voor het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem is een melding nodig. Als een particulier een systeem aanlegt voor een woonhuis valt dit onder het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) en moet een melding gedaan worden via het OLO (Omgevingsloket Online). Wanneer een bedrijf een gesloten bodemenergiesysteem aanlegt valt dit onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en moet een melding gedaan worden via het AIM (Activiteitenbesluit Internet Module). Voor een klein bodemenergiesysteem (<70 kW) geldt een meldingsplicht en voor een groot systeem (>70 kW) of een systeem gelegen binnen een door de gemeente aangewezen interferentiegebied geldt ook een vergunningplicht, een Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM). Dat betekent dus én een melding én een OBM. De gemeente is het bevoegd gezag en moet de melding beoordelen. De beoordelingscriteria voor gemeenten staan beschreven in de Handreiking gemeentelijke besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 2), versie 2.4 van 26 maart 2020. Vanaf 1 januari 2024 worden gesloten bodemenergiesystemen op rijksniveau geregeld via algemene regels in paragraaf 4.111 in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). In die rijksregels is geen vergunningplicht meer opgenomen.
Voor de volledigheid wordt hier nog vermeld dat het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Activiteitenbesluit milieubeheer worden ingetrokken vanaf 1 januari 2024. Dit is opgenomen in artikel 6.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Om te zorgen dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geen gat in de regelgeving valt, zijn de vergunningplichten op grond van het oude recht via de zogeheten ‘bruidsschat’ in het omgevingsplan van iedere gemeente geplaatst. Voor gesloten bodemenergiesystemen binnen interferentiegebieden en systemen met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer is op grond van het omgevingsplan een Omgevingsvergunning vereist. De gemeente mag zelf bepalen of zij deze vergunningplichten in het omgevingsplan willen schrappen, behouden of uitbreiden. Voor het aanleggen en het gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van het Bal, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag. Interferentiegebieden De gemeente kan tot inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow) sturen op het plaatsen van gesloten bodemenergiesystemen door het aanwijzen van zogenaamde interferentiegebieden (artikel 2.2b, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). Dit is niet verplicht.
Door het aanwijzen van een interferentiegebied geldt voor alle gesloten systemen (met een capaciteit van minder dan 70 kW) binnen het aangewezen gebied een OBM. De gemeente bepaalt dus zelf wanneer het aanwijzen van een interferentiegebied noodzakelijk of wenselijk is. Nu heeft men interferentiegebieden vastgelegd in de plaatselijke verordening. Het overgangsrecht regelt dat deze verordeningen blijven gelden totdat de regels in die verordening zijn omgezet naar het nieuwe stelsel (dus tot 1 januari 2032; artikel 8.2.11 Invoeringsbesluit Omgevingswet). De grondslag om interferentiegebieden aan te wijzen verdwijnt onder de Omgevingswet. Daarvoor in de plaats komt het omgevingsplan. De gemeente kan met het omgevingsplan gebieden aanwijzen waarbinnen aanvullende regels voor bodemenergie gelden. Sturen op bodemenergie De gemeente krijgt onder de Ow dus meer ruimte om te sturen op bodemenergie en kan de gemeente de aanleg en het gebruik van bodemenergiesystemen reguleren. Daarnaast biedt de Ow kansen om het beleid ten aanzien van aanleg en gebruik van bodemenergiesystemen meer te koppelen aan ander ondergronds ruimtegebruik en energiedoelstellingen van de gemeente. De gemeente doet dat door gebruik te maken van het nieuwe instrumenten van de Omgevingswet, zoals de omgevingsvisie, het programma en het omgevingsplan.
Daarom geldt ook voor de gesloten systemen een vergunning- of meldingsplicht. Een belangrijke reden hiervoor is dat in drukke gebieden met relatief kleine percelen behoefte is aan het doorbreken van het principe "wie het eerst komt, die het eerst pompt". Een andere reden is om daarnaast ook de systemen zo te ordenen dat de schaarse ruimte in de bodem optimaal wordt benut.
Beleidsregels De volgende beleidsregels kan de gemeente hiervoor opnemen: 1. In artikel 4.1136 van het Bal is beschreven dat de milieubelastende activiteit aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem verboden is zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Daarnaast geldt dat als uit de beoordeling van de melding blijkt dat de melding onvolledig is, omdat niet aan alle indieningsvereisten is voldaan, is juridisch gezien geen sprake van een ingediende melding en mag het gesloten bodemenergiesysteem niet aangelegd worden. 2. Een Omgevingsvergunning is vereist voor het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem van meer dan 70 kW en voor gesloten bodemenergiesystemen die zijn gelegen in een interferentiegebied. 3. Een gesloten bodemenergiesysteem wordt op grond van artikel 22.260 van de Bruidsschat omgevingsplan geweigerd, indien het bodemenergiesysteem naar het oordeel van het college zodanige interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van de betreffende systemen, en van de nog aan te leggen bodemenergiesystemen, kan worden geschaad, dan wel anderszins sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie. 4.
De Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem (artikel 22.260 van de Bruidsschat omgevingsplan) wordt op grond van artikel 5.40 lid 2 Ow 1 jaar na indiening door het college ingetrokken als er op dat moment geen gebruik van de vergunning is gemaakt. De reden hiervoor is dat bij het afgeven van vergunningen andere initiatiefnemers worden belet om ter plaatse activiteiten in de ondergrond te ontwikkelen. Om dit dus te voorkomen zal het college gebruik maken van de mogelijkheid om de vergunning na 1 jaar in te trekken wanneer er geen gebruik van gemaakt is. 5. In het kader van het doelmatig gebruik van de ondergrond moet een bodemenergiesysteem binnen één jaar na acceptatie van de melding worden aangelegd. Indien dit niet is gebeurd moet een nieuwe melding worden ingediend. 6. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, vervalt de grondslag voor het aanwijzen van interferentiegebieden. Om de mogelijkheid te hebben om gesloten bodemenergiesystemen te reguleren kan de gemeente in het omgevingsplan bepaalde gebieden aanwijzen waarbinnen specifieke regels voor bodemenergie gelden, zoals een vergunningplicht voor de aanleg en het gebruik van gesloten bodemenergiesystemen.
Daarmee kunnen gemeenten feitelijk de huidige mogelijkheid tot het aanwijzen van interferentiegebieden voortzetten (zie hiervoor ook: https://samendedieptein.nl/bodembeheer-van-detoekomst/bouwsteen-bodemenergie/). Van bodemenergieplan naar omgevingsplan Beleid voor (bodem)energie wordt op dit moment op verschillende manieren vorm gegeven. Nu maakt men gebruik van zogenaamde masterplannen bodemenergie, bodemenergieplannen of warmteplannen. Dit zijn allemaal voorbeelden van beleidsplannen die onder de Omgevingswet als een ‘programma’ worden aangemerkt. Het verdient aanbeveling het beleid op gebied van bodem(energie) en energie(transitie) zoveel mogelijk op elkaar aan te laten sluiten of in samenhang op te stellen.