CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Bijlage 1 vast te stellen BP.pdf

Besluitvormend 11 juli 2023, gemeente GoirleBij agendapunt: 6: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Goorweg ong. AANGENOMEN21.453 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

G E ME E N T E G O IR L E

B E ST E M MI N G S PL A N G O O R W E G O N G . (R IE L )

GEMEENTE : GOIRLE BESTEMMINGPLANNUMMER : N L . I M R O . 0 7 8 5 . B P 2 0 2 2 0 0 4 G O O R W E G O N - v g O0 1 SCHAAL VAN DE VERBEELDING : 1:1000 STATUS PLAN : vastgesteld D A T U M T E R V I S I E L E G G I N G O N T W E R P : 23 februari 2023 t/m 5 april 2023 DATUM VASTSTELLING : DATUM UITSPRAAK ABRS : DATUM INWERKINGTREDING : DATUM ONHEROEPELIJKHEID : NAAM EN ADRES OPSTELLER : ORDITO, NIEUWSTRAAT 87 5126 CC TE GILZE

PLANTOELICHTING

2

INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING 1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.

Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer

5 5 6 6 7

2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.

Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Technische infrastructuur Nieuwe situatie Stedenbouwkundige inpassing

8 9 9 11 12

3. 3.1. 3.2. 3.3.

Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Gemeente

14 17 23

4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.

Thematische beleidskaders Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen Verkeer en parkeren

27 28 30 33 33

5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8.

Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Kabels, leidingen en straalpad Geluid Lucht Geur Bodem Natuur

35 38 42 43 45 46 49 50

6. 6.1. 6.2.

Water Beleid Huidige en toekomstige situatie

54 58

3

7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.

Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel

60 60 60 62 63

8. 8.1. 8.2.

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

65 65

Bijlagen 1. Stedenbouwkundig inrichtingsplan 2. Standaard Verantwoording Groepsrisico 3. Akoestisch onderzoek verkeerslawaai 4. Quickscan Natuurwetgeving 5. Stikstof onderzoek 6. Omgevingsdialoog 7. Eindverslag inspraakreactie 8. Verslag overleg Besluit ruimtelijke ordening 9. Toelichting Staat van bedrijfsactiviteiten

4

HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1.

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan betreft de realisatie van een woning op het perceel Goorweg 1 te Riel (gemeente) ter plaatse van een bestaande loods. Op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ kent het perceel reeds een woonbestemming. Echter geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen (woningen) dat per bestemmingsvlak niet meer dan één woning aanwezig mag zijn. Binnen onderhavig bestemmingsvlak is reeds de bestaande, monumentale burgerwoning Goorweg 1 aanwezig. De realisatie van een extra woning ter plaatse van een bestaande loods is dan ook in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle heeft op 7 september 2021 besloten mee te willen werken aan een planologische procedure om de realisatie van een woning mogelijk te maken op de plek waar nu een loods is geprojecteerd. Om het planvoornemen te realiseren, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels dit bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridisch planologisch mogelijk gemaakt.

1.2.

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan Goorweg naast nummer 1 te Riel, ten noorden van de dorpskern Riel. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Goirle, sectie K, nummers 177 en 739 (ged.) en kent een oppervlakte van circa 1.500 m2. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door agrarische gronden, aan de noordzijde door de doorgaande weg Goorweg - Zandeind en aan de west- en oostzijde door de bestaande woningen Goorweg 2 en Zandeind 35d.

5

Afbeelding 1 Ligging plangebied

1.3.

Vigerend bestemmingsplan Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, gelden binnen het plangebied de volgende plannen: (Bestemmings)plan

Vastgesteld

Inwerking

ABRvS

Bestemmingsplan Buitengebied Goirle

09-12-2008

24-09-2009

n.v.t.

Bestemmingsplan Buitengebied correctieve herziening

Goirle, 23-09-2014

23-12-2014

n.v.t.

12-03-2019

10-05-2019

n.v.t.

Parapluplan gemeente Goirle

In 2019 is door de gemeente een parapluplan opgesteld. Een parapluplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen. Het parapluplan van de gemeente Goirle geeft extra regels over onder andere terrassen, evenementen, parkeren en ruimte tussen bouwwerken. Een paar onderwerpen hebben betrekking op het planvoornemen. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 3.3 Gemeentelijke beleid. 1.4.

Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven.

6

De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden. 1.5.

Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijke beleidskader van het rijk, de provincie en de gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.

7

HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. 2.1

Historische ontwikkeling Het dorp Riel is samengesteld uit de gehuchten Brakel, Zandeind en de dorpskom of Kerkeind. Brakel is daarvan het oudste buurtschap, waar al in de prehistorische en Romeinse tijd bewoners gevestigd waren. Zo zijn in 1840 op de heide onder Brakel meer dan 50 urnen opgegraven. Riel is een typisch Brabants esdorp. De dorpen zijn hier niet, zoals in Drenthe, concentrisch van vorm, maar langgerekt. De zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is dat de eerste ontginningsactiviteiten hier al in de 7 e eeuw hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omringd werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd. Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers. In de 12e eeuw kwam er in Riel een opleving in de ontginning van de woeste gronden, doordat een kerkelijke instelling zich hierop toelegde.

Later, toen Brabant door de Staten-Generaal tot Generaliteitsland was verklaard en als een wingewest werd uitgebuit, hadden de boeren weinig reden en mogelijkheden om hun arsenaal uit breiden. De meeste boerderijen ter plaatse dateren uit het einde van de 19 e eeuw, omdat bij een grote brand in 1877 vele hoeven verloren gingen. Riel maakt deel uit van de heerlijkheid Hilvarenbeek, maar lag echter daarvan gescheiden door het grondgebied van Goirle.

8

2.2

Ruimtelijke en functionele structuur De Goorweg in Riel is een afsplitsing van de doorgaande weg Zandeind, welke behoort tot de historische lint Alphenseweg – Kerkstraat – Dorpsstraat – Zandeind, waar de kern aan is ontstaan. Langs het Zandeind en de Goorweg bestaat de bebouwing overwegend uit vrijstaande en aaneengebouwde bouwvolumes. Aan het lint is een mix aan functies (wonen, bedrijven) te zien. In de omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk burgerwoningen. Het plangebied ligt aan Goorweg naast nummer 1 te Riel en is kadastraal bekend als gemeente Goirle, sectie K, nummers 177 en 739 (ged.). Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van het gehuchtje Zandeind. Een bebouwingsconcentratie rondom een Frankische driehoek (een plek waar vroeger het vee werd samengedreven). Langs de Goorweg staan enkele verspreide bomenrijen en bevinden zich ondiepe greppels. Het plangebied grenst aan de noordzijde op de driehoekige structuur en de zuidkant wordt begrensd door het esdek. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door recent gerealiseerde vrijstaande woningen Zandeind 35b, 35c en 35d en aan de westzijde door de bestaande monumentale langgevelboerderij Goorweg 1 (200 m2) met bijbehorend bouwwerk (250 m2). In de langgevelboerderij is als aan huis gebonden beroep een kinderdagverblijf gevestigd.

Het plangebied zelf kent een oppervlakte van circa 1.500 m2 waarop een loods van circa 200 m2 staat. De loods wordt gebruikt voor statische opslag en bestaat uit één bouwlaag met kap en een bijbehorende goot-en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 6 meter. Het perceel bestaat verder uit erfverharding (in- en uitrit loods) en grasland. Het grasland wordt omheind, waardoor deze geschikt is voor het (hobbymatig) houden van dieren, zoals kippen en paarden.

9

Afbeelding 2 Bestaande situatie

Afbeelding 3 Zicht op het plangebied (links: de loods, rechts: woning Goorweg 1)

2.3

vanaf

Zandeind

Technische structuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.

10

2.4

Nieuwe situatie Beoogd wordt om een woning te realiseren op het perceel aan de Goorweg 1 te Riel op de plek waar nu een loods staat. Hiertoe wordt de bestaande loods gesloopt. Om de openheid in het lint zoveel mogelijk te borgen, is een invulling van maximaal twee (vrijstaande) woningen op het perceel stedenbouwkundig passend. De beoogde nieuwbouw woning beschikt dan over een ruime breedte maat die te vergelijken is met de kavels in de directe omgeving, daaronder begrepen de bestaande woning Goorweg 1. Voor het planvoornemen is een stedenbouwkundige inpassing opgesteld, gebaseerd op de ‘Stedenbouwkundige notitie, inbreidingsmogelijkheden kom Riel’. In de navolgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan. De woning wordt gesitueerd in de doorlopende rooilijn van de woningen aan de oostzijde (Zandeind 35b, 35c en 35d). De nieuwe woning krijgt een maximale footprint van 200 m², gelijk aan de te slopen loods. Net als de woning Goorweg 1 zal de woning daarbij bestaan uit één bouwlaag met kap. De nieuwe woning krijgt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter.

Afbeelding 5: Proefverkaveling (zie ook bijlage 1)

11

2.5

Stedenbouwkundig inpassingsplan Stedenbouwkundige inpassing betekent een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische ruimtelijke kwaliteiten. Mede op basis van de ‘Stedenbouwkundige notitie, inbreidingsmogelijkheden kom Riel’ gelden de volgende stedenbouwkundige uitgangspunten voor de locatie Goorweg 1 Riel: •

De nieuwe woning komt in plaats van de te slopen loods;

•

De nieuwe woning wordt vrijstaand gebouwd;

•

De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 5 meter te bedragen;

•

Het hoofdgebouw dient te bestaan één bouwlaag met een forse kap;

•

De goothoogte bedraag maximaal 4 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter;

•

De woning wordt in de doorlopende rooilijn van de woning aan de oostzijde (Zandeind 35b, 35c en 35d) geplaatst.

•

De woning vormt stedenbouwkundig gezien de beëindiging van het lint langs de zuidzijde van het Zandeind;

•

De woning blijft op voldoende afstand van de bestaande bomen langs het Zandeind/ Goorweg. Hierdoor blijft het zicht op de monumentale langgevelboerderij Goorweg 1, die direct aan de straat staat, in stand;

•

Tussen de nieuwe woning en de monumentale langgevelboerderij Goorweg 1 blijft een ruime zichtlijn behouden richting het achterliggende agrarisch gebied;

•

De nieuwe woning mag een maximale footprint van 200 m² hebben, gelijk aan de oppervlakte van de te slopen loods;

•

Het nieuwe bouwvlak voor de woning heeft een diepte van maximaal 18 meter, conform de naastgelegen woningen aan het Zandeind.

Voorstaande heeft geleid tot onderstaande stedenbouwkundige inpassing en bijbehorende proefverkaveling (zie afbeelding 5). Het volledige stedenbouwkundige inpassingsplan is als bijlage 1 bij de toelichting opgenomen.

12

Afbeelding 4: Stedenbouwkundige randvoorwaarden (zie ook bijlage 1)

13

HOOFDSTUK 3. BELEIDSKADER Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1

Rijk Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld.

Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie De NOVI richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Verdere afweging vindt voor onderhavige planvoornemen decentraal plaats.

14

Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planvoornemen decentraal plaats. AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Conclusie Het Barro heeft geen betrekking op het onderhavige bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen, de ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. 15

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."(artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State woningbouwontwikkelingen vanaf 12 woningen beschouwt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing plangebied Het voorliggende initiatief voorziet in de sloop van een bestaande loods en de realisatie van één burgerwoning. De beoogde ontwikkeling is, de jurisprudentie in ogenschouw nemende, niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder voor duurzame ontwikkeling doorlopen hoeft te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk om aandacht te besteden aan de uitvoerbaarheid en behoefte van het plan.

In paragraaf 4.3 wordt hier nader op ingegaan. Conclusie In paragraaf 4.3 Volkshuisvesting wordt nader beschreven in hoeverre met onderhavige plan wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort. 16

Conclusie De Chw is niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan, omdat dit plan niet kan worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals omschreven in de Chw. 3.2

Provincie Omgevingsvisie Noord-Brabant De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultuur erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de provincie alvast een provinciale Omgevingsvisie gemaakt. De Omgevingsvisie is door de provinciale staten vastgesteld op 14 december 2018 en geeft de belangrijkste hoofdopgaven van het provinciaal beleid ten opzichte van de fysieke leefomgeving tot 2050. Ook geeft de Omgevingsvisie aan op welke manieren de provincie wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken met betrokkenen en de waarden die daarbij centraal staan. De visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat iedere overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan deze regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. In de Omgevingsverordening zijn de kaderstellende elementen uit de Omgevingsvisie vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is: “werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. De vier hoofdopgaven komen voort uit de basisopgave: •

Hoofdopgave I: werken aan de Brabantse energietransitie

•

Hoofdopgave II: werken aan een klimaatproof Brabant

•

Hoofdopgave III: werken aan de slimme netwerkstad

•

Hoofdopgave IV: werken aan een concurrerende, duurzame economie

17

Om de doelen voortkomend uit de hoofdopgaven te bereiken, zet de provincie Noord-Brabant in op een samenhangende ruimtelijke koers. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, SVRO, PVVP). Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks thuis in de programma’s. Conclusie De beleidsmatige uitgangspunten van de visie zijn, voor de aspecten waarop het provinciaal belang in geding is, zijn uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is de vervanger van verschillende provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte. De Omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening bestaat uit de samenvoeging van bestaande regels uit verschillende verordeningen. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve Omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening gaat tegelijk met de Omgevingswet van kracht. De verordening is één van de uitvoeringsreglementen van de provincie om haar doelen te realiseren.

In de Omgevingsverordening vertaalt de provincie kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen.

18

Het plangebied valt volgens de Interim Omgevingsverordening onder de volgende gebieden: •

Diep grondwaterlichaam (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)

•

Geen Attentiezone waterhuishouding (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)

•

Grondwaterbeschermingsgebied – maximale boordiepte 20 meter (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen & instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en - berging)

•

Waterwinning voor menselijke consumptie (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)

•

Bescherming Natura 2000 (Rechtstreeks werkende regels: landbouw)

•

Stalderingsgebied (Rechtstreeks werkende regels: landbouw & instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied)

•

Verbod uitbreiding veehouderij (Rechtstreeks werkende regels: landbouw)

•

Concentratiegebied (Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed)

•

Stedelijk gebied (Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed)

•

Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied (Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid, en – berging)

•

Normen wateroverlast (Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid, en – berging)

19

Stedelijk gebied Het plangebied ligt binnen gronden die volgens de Interim Omgevingsverordening zijn aageduid als ‘Concentratiegebied’ binnen het ‘Stedelijk gebied’.

Afbeelding 6 Uitsnede kaart 3 Interim Omgevingsverordening Noord -Brabant met aanduiding plangebied

Voor het bouwen van woningen binnen het ‘Stedelijk gebied’ geldt als voorwaarde dat dit past binnen de regionale afsrpaken die over wonen zijn gemaakt. Het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik staat hierbij centraal en is uitgangspunt voor elke stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen het ‘Stedelijk gebied’ en dat de ruimte binnen het ‘Stedelijk gebied’ zo goed als mogelijk wordt benut. In paragraaf 4.3 Volkshuisvesting wordt beschreven dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied kent de aanduiding ‘grondwaterbeschermingsgebied’. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet voldoen aan aritkel 3.11 van de Interim Omgevingsverordening om het grondwater te beschermen. Om het grondwater te beschermen is in het bestemmingspaln de aanduiding ‘milieuzone – waterbeschermingsgebied’ opgenomen. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag de verticale diepte van een bouwwerk niet meer dan 3 meter onder maaiveld bedragen.

20

Ter plaatse geldt tevens een omgevingsvergunningplicht voor bepaalde werkzaamheden en activiteiten die schadelijk kunnen zijn voor de grondwaterkwaliteit. Het planvoornemen zelf betreft geen ontwikkeling die schadelijk is voor de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Middels de aanduiding wordt het grondwaterbeschermingsgebied juridisch geborgd. Overige gebieden De overige instructieregels en/of rechtstreeks werkende regels behorende bij de gebieden waar het plangebied onder valt zijn niet direct van toepassing op het plangebied en/of voornemen. Daarnaast geldt voor elke ruimtelijke ontwikkeling de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2, artikel 3.5 van de Interim Omgevingsverordening. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: •

Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6);

•

De waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7);

•

Meerwaardecreatie (art. 3.8).

Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel verstaan.

21

De beoogde woning wordt gerealiseerd binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ en voldoet hiermee aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening. Daarbij wordt voor de toekomstige woning dezelfde footprint van 200 m² als van de bestaande loods aangehouden, waardoor er geen sprake is van een toename in het ruimtebeslag. Gezien het voorstaande kan gesteld worden dat het voornemen voldoet aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit zoals beschreven in artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening. Toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: •

De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;

•

De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;

•

De bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in deze toelichting. Meerwaardecreatie (art. 3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: •

De mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;

•

De bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

22

De realisatie van een nieuwe, duurzaam gebouwde, woning ter plaatse van de oude loods draagt bij aan een verbetering van de fysieke kwaliteit van de bebouwingsconcentratie Goorweg/ Zandeind. Conclusie Gezien hetgeen hierboven wordt beschreven is de voorgestane ontwikkeling in overeenstemming met het provinciaal beleid. 3.3

Gemeente Omgevingsvisie De Omgevingsvisie, vastgesteld op 10 januari 2022, is opgesteld ter voorbereiding op de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat een aantal instrumenten waarmee overheden de doelen van de wet in de praktijk gaan brengen. Eén van de (verplichte) instrumenten voor gemeenten, die voortvloeit uit de aankomende Omgevingswet, is de omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie wordt - samen met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners - de integrale koers uitgezet op weg naar de toekomst, gericht op een fysieke leefomgeving waarin mensen gelukkiger, gezonder en veiliger zijn. De Omgevingsvisie vormt hiermee een leidraad voor de inrichting van de fysieke leefomgeving voor de middel- (5-10 jaar) en lange termijn (>10 jaar). De ontwikkeling is gelegen in het deelgebied ‘Dorpskern Riel’. Dit deelgebied is ontstaan vanuit een historisch woonlint, op de hoger gelegen gronden ten westen van het beekdal, die wordt gevormd door de Kerkstraat – Dorpsstraat – Zandeind. Tussen het historisch dorpslint en de kleine woonwijken bevinden zich in de kern enkele groene, open ruimten. Deze achter-terreinen versterken het groene, landelijke karakter van de Riel en verzachten de strakke dorpsranden van Riel. Delen hiervan zijn ook aangemerkt als particulier waardevol groen. Bovendien blijft het historische dorpslint goed zichtbaar.

Deze cultuurhistorische structuur die Riel een blijvend dorps karakter geeft, moet ook in de toekomst zoveel mogelijk behouden blijven.

23

Een randvoorwaarde binnen dit deelgebied is dat mogelijke ontwikkelingen in en rondom Riel niet voorbij mogen gaan aan het ‘dorps karakter’. Daarbij wordt ingezet op vergroening van verhard oppervlak op openbaar én particulier terrein. Tot slot wordt (samen met eigenaren) gewerkt aan de verduurzaming van gebouwen. Het gaat daarbij om alternatieve warmtebronnen voor aardgas, energiebesparende maatregelen (bijvoorbeeld isolatie) en mogelijkheden tot kleinschalige opwekking van energie (zon op dak).

Afbeelding 7 Dorpskern Riel uit Omgevingsvisie

Beoordeling Het plangebied wordt stedenbouwkundig ingepast, waarmee het planvoornemen afgestemd wordt op de bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het lint Zandeind – Goorweg. Hierdoor wordt het ‘historische dorpslint’ en ‘dorpse karakter’ op deze locatie in stand gehouden. Conclusie De onderhavige ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

24

Bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ vastgesteld op 20 april 2011. Op basis van dit bestemmingsplan kent het plangebied de bestemming ‘Wonen’ en is daarbij aangewezen als ‘gemeentelijk monument’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere wonen, tuinen, aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven alsmede de instandhouding van de op de verbeelding als ‘gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen. Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat per bestemmingsvlak niet meer dan één woning aanwezig mag zijn. Binnen onderhavig bestemmingsvlak is reeds de bestaande, monumentale burgerwoning Goorweg 1 aanwezig.

Afbeelding 8 Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Goirle”, plangebied rood omlijnd

De realisatie van een extra woning ter plaatse van een bestaande loods is derhalve in strijd met het vigerend bestemmingsplan. In 2019 heeft de gemeente Goirle een parapluplan opgesteld. Een paraplubestemmingsplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen. Het parapluplan heeft betrekking op de volgende onderwerpen: •

Terrassen;

•

Standplaatsen;

•

Evenementen;

•

Parkeren;

•

Zendmasten;

•

Ruimte tussen bouwwerken 25

In afbeelding 9 is weergegeven welke artikelen zijn gewijzigd.

Afbeelding 9 Uitsnede van bijlage 1 uit de plantoelichting van ‘Parapluplan gemeente Goirle’

Voor het planvoornemen zijn de gewijzigde onderwerpen parkeren en ruimte tussen bouwwerken relevant. Deze zijn verwerkt in dit bestemmingsplan. Conclusie Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

26

HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema’s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1

Stedenbouwkundige uitgangspunten Om qua schaal en maat aan te sluiten bij de omliggende percelen, is voor planvoornemen een stedenbouwkundig inpassingsplan opgesteld op basis van de ‘Stedenbouwkundige notitie, inbreidingsmogelijkheden kom Riel’. Hieruit volgen de navolgende stedenbouwkundige uitgangspunten. •

De nieuwe woning komt in plaats van de te slopen loods;

•

De nieuwe woning wordt vrijstaand gebouwd;

•

De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 5 meter te bedragen;

•

Het hoofdgebouw dient te bestaan één bouwlaag met een forse kap;

•

De goothoogte bedraag maximaal 4 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter;

•

De woning wordt in de doorlopende rooilijn van de woning aan de oostzijde (Zandeind 35b, 35c en 35d) geplaatst;

•

De woning vormt stedenbouwkundig gezien de beëindiging van het lint langs de zuidzijde van het Zandeind;

•

De woning blijft op voldoende afstand van de bestaande bomen langs het Zandeind/ Goorweg. Hierdoor blijft het zicht op de monumentale langgevelboerderij Goorweg 1, die direct aan de straat staat, in stand;

•

Tussen de nieuwe woning en de monumentale langgevelboerderij Goorweg 1 blijft een ruime zichtlijn behouden richting het achterliggende agrarisch gebied;

•

De nieuwe woning mag een maximale footprint van 200 m² hebben, gelijk aan de oppervlakte van de te slopen loods;

•

Het nieuwe bouwvlak voor de woning heeft een diepte van maximaal 18 meter, conform de naastgelegen woningen aan het Zandeind.

27

4.2

Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europees archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologische erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: •

De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;

•

De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek; het bureauonderzoek en/ of inventariserend veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historische, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijke onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel de site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventuele aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan. 28

Afbeelding 10 Uitsnede IKAW (met rood omcirkeld de globale ligging van het plangebied)

Het plangebied is op de Archeologische monumenten kaart (AMK) niet aangemerkt als een locatie van bekende archeologische waarde. Het plangebied heeft op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) een hoge archeologische verwachtingswaarde. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is derhalve groot. Maar er rust geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ op het plangebied op basis van het vigerende bestemmingsplan. De benodigde grondroerende werkzaamheden vinden uitsluitend plaats ter plaatse van de bestaande loods, daar waar de gronden reeds geroerd zijn. Hierdoor worden er naar verwachting gen archeologische waarden verstoord. Archeologisch onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Ter bescherming van de ter plaatse voorkomende archeologische waarden bij toekomstige werkzaamheden buiten het bouwvlak is in het bestemmingsplan wel een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlak groter dan 100m² en dieper dan 40 cm. Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. 29

Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing In het plangebied komt geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing voor. Rijksmonumenten In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. Gemeentelijke monumenten Het woonhuis aan de Goorweg 1 te Riel betreft een langgevelboerderij. Deze langgevelboerderij is op de gemeentelijke monumentenlijst van gemeente Goirle aangeduid als gemeentelijk monument. Het planvoornemen focust zich op de rechterzijde van het perceel. Bij het slopen van de loods en het bouwen van de nieuwe woning blijft het gemeentelijk monument onaangetast; er wordt geen afbreuk gedaan aan het gemeentelijk monument. 4.3

Volkshuisvesting Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant De ‘Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant’ (Actualisering 2017) geeft inzicht in de veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking van de provincie Noord-Brabant. Deze prognoses zijn voor beleidsmakers op elk maatschappelijk terrein, waaronder woningbouw en volkshuisvesting, van belang. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose neemt het inwonertal van Noord-Brabant toe van 2.513.500 in 2017 tot een maximum van ruim 2.645.000 mensen aan het begin van de jaren ’40. Dit betekent dat de Brabantse bevolking de komende 25 jaar naar verwachting nog met ruim 130.000 personen zal groeien. De woningvoorraad bereikt eveneens een hoger maximum vergeleken met de vorige prognose uit 2014. De hogere bevolkingsgroei speelt hierbij uiteraard een rol. Samen met de vergrijzing en de individualisering leidt dit tot een sterke groei van het aantal huishoudens (en dus woningen). Verwacht wordt dat er in Brabant anno 2050 iets meer dan 1.260.000 woningen nodig zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, ruim 20.000 woningen meer dan de ramingen uit 2014. Dat betekent een toename van een kleine 160.000 woningen ten opzichte van de 1.104.000 die er aan het begin van 2017 in de provincie moeten staan.

De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognoseperiode groeien, al vlakt de groei in de loop van de prognoseperiode wel sterk af. Al met al wacht Brabant de komende tijd nog een flinke woningbouwopgave, met een accent op de eerstkomende jaren. 30

Tot 2030 zal de woningvoorraad nog met ruim 120.000 woningen moeten toenemen, gemiddeld genomen bijna 10.000 woningen (netto) per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te kunnen dringen. In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden. Het beleid richt zich onder meer op: •

Het bouwen van voldoende woningen en;

•

Het voorzien in een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus.

Het is dan ook van provinciaal belang, dat de regionale woningmarkt goed functioneert. Daarvoor worden in regionaal verband afspraken gemaakt. De ‘Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant’ geeft daarvoor, aangevuld met regionale woningbehoefteonderzoeken, waaronder het ‘Woningbehoefteonderzoek Hart van Brabant’ van 2017, de input. Regionale afspraken Hart van Brabant De gemeente Goirle maakt samen met de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk deel uit van de regio Hart van Brabant. Binnen deze regio maken deze gemeenten gezamenlijke afspraken met de provincie Noord-Brabant over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de, hiervoor genoemde, periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg Midden Brabant van 19 december 2018, zijn afspraken gemaakt tussen gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk over het maximum aantal te bouwen woningen tot en met 2027. Op basis van de provinciale behoefteprognose is in de gemeente Goirle de kwantitatieve woningbehoefte voor de periode 2017-2027 840 woningen. Plannen binnen stedelijk gebied waartoe ook het plangebied behoort, behoeven geen regionale afstemming.

31

Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. Op 2 juli 2019 is de Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de volgende ambities benoemd: 1. Doelgroepen: De gemeente luistert goed naar woningzoekenden in de gemeente Goirle. 2. Duurzaamheid: De gemeente wil zorgvuldig omgaan met energie, water en grondstoffen zoals beschreven in het Milieubeleidsplan Duurzaam Goirle 2017-2022. Nieuwe woningen moeten weinig tot geen energie verbruiken en zo min mogelijk CO2 uitstoten. 3. Woonomgeving: De gemeente wil aantrekkelijk zijn voor jong en oud en een prettige alsmede groene omgeving bieden. Dit geldt zowel voor de woning zelf, maar ook voor de locatie, diens omgeving en de voorzieningen. 4. Nieuwbouw: De gemeente wil voldoende en de juiste woningen bouwen en de gewenste woonmilieus toevoegen. De gemeente neemt de woningbehoefte van Goirlenaren als uitgangspunt bij het bouwen en realiseren van nieuwe woningen. Bij de woningprogrammering houdt de gemeente rekening met de woningen en woonmilieus die door verhuizing beschikbaar komen. De woonvisie is tot stand gekomen op basis van een kwalitatief woonbehoefteonderzoek uit 2018 en twee bijeenkomsten (1 in Goirle en 1 in Riel) waar inwoners aan konden geven wat zijn belangrijk vinden in hun woonplaats.

Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente woonmilieus toe die al in relatief ruime mate beschikbaar zijn. Concreet zet de gemeente de komende jaren in op de toevoeging van koopwoningen in middeldure en dure categorieën om een verhuisstroom op gang te brengen.

32

De realisatie van een vrijstaande woning aan de rand van de dorpskern van Riel behoort tot het middeldure tot dure segment. De nieuw te bouwen woning wordt daarnaast zo energiezuinig mogelijk uitgevoerd. Gesteld kan worden dat het planvoornemen aan sluit bij de ambities uit de Woonvisie gemeente Goirle 20192022. 4.4

Groen De gemeenteraad heeft op 23 november 2021 het ‘Programma Groen’ vastgesteld. Dit programma is de opvolger van het Groenstructuurplan van de gemeente uit 2014. In dit plan wordt een lange termijn visie voor het gemeentelijk groen in openbare ruimten gegeven. Ten behoeve van het plan worden geen bomen gekapt die zich bevinden in de openbare ruimte van de gemeente Goirle. De bomen aan het Zandeind vormen in het kader van het Groenstructuurplan een groene erftoegangsweg. In de toekomstige situatie wordt een deel van de omliggende weidevegetatie waar nodig verwijderd. De aanwezige bomen blijven behouden. Vanuit het Groenstructuurplan van de gemeente bestaat er derhalve geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.5

Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema’s verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Ten aanzien van deze thema's is van belang dat het onderhavige bestemmingsplan niet leidt tot een onevenredige toename van de verkeersgeneratie.

33

De nieuwe woning wordt ontsloten via het Zandeind, welke via de Zandstraat, Tilburgseweg en Rillaerse Baan wordt ontsloten door de provinciale weg N630 richting Tilburg. Op basis van de CROW-publicatie kan de verkeersgeneratie van een ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. Voor een vrijstaande woning in ‘matig stedelijk gebied, rest bebouwde kom’ wordt een verkeersgeneratie van minimaal 7,6 en maximaal 8,6 vervoersbewegingen per dag voorgeschreven. Voor de realisatie van een extra woning resulteert het initiatief dus in een toename van minimaal 7,6 en maximaal 8,6 vervoersbewegingen per dag. Het Zandeind/de Goorweg beschikt over voldoende capaciteit om deze minimale toename aan verkeersbewegingen af te kunnen wikkelen. Extra verkeersmaatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de CROW-publicatie. Bij iedere nieuwe ontwikkeling waar nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van woningen wordt gerealiseerd geldt namelijk als voorwaarde dat het parkeren op eigen terrein wordt opgevangen. Volgens het CROW geldt voor een vrijstaande woning in ‘matig stedelijk gebied, rst bebouwde kom’ een parkeernorm van 1,8 – 2,6 parkeerplaatsen per woning.

Dit betekent dat binnen het plangebied voorzien moet worden in minimaal 1,8 parkeerplaatsen en maximaal 2,6 parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte in het plangebied om aan deze eisen te voldoen. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zullen er geen belemmeringen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. Er is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in de benodigde parkeergelegenheid. Bovendien is de verplichting om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform her Parapluplan gemeente Goirle geborgd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan.

34

HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.

Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.

Voorbeelden van objecten met gevoelige functies zijn woningen, ziekenhuizen en scholen.

35

Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgende de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden: 1. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied); 2. Een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een gemengd gebied, aangezien binnen een straal van 300 meter (naast woningen) ook enkele veehouderijen, een boerderijcamping/zorgboerderij, een adviesbureau, een atelier, bedrijfsmatige en hobbymatige statische opslag en een loon-grondwerkbedrijf voorkomen. De minimale afstand per categorie is als volgt: Categorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

36

De volgende bedrijven en inrichtingen zijn in de omgeving van het plangebied aanwezig: Locatie

Soort bedrijf

Cat.

Richtafstand

Goorweg 3

Recreatiewoningen

1

0 meter

Werkelijke afstand 100 meter

Goorweg 3a Goorweg 4 Zandeind 39

Advieskantoor Atelier Teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden Boerderijcamping Veehouderij Zorgboerderij Melkveehouderij Overige opslag Loonbedrijf t.b.v. de landbouw

1 1 2

0 meter 0 meter 10 meter

170 meter 220 meter 190 meter

3.1 3.2 2 3.2 2 2

30 meter 50 meter 10 meter 50 meter 10 meter 10 meter

30 meter

Zandeind 32a

Zandeind 38 Zandeind 41a Zandeind 44

130 meter 400 meter 390 meter

Bij de ontwikkeling van de woning in het plangebied wordt voldaan aan de vereiste richtafstanden tot de omliggende bedrijven en inrichtingen, met uitzondering van de agrarische bestemming Zandeind 32a. Op het perceel is naast een veehouderij sprake van een boerderijcamping en een zorgboerderij. Zowel de boerderijcamping als de zorgboerderij zijn daarbij tevens aangewezen als milieugevoelige functies. Het plangebied ligt binnen de hindercirkel van 50 meter ten aanzien van het aspect ‘geur’. Ten aanzien van de aspecten stof (10 meter), geluid (10 meter) en gevaar (0 meter) wordt wel voldaan aan de richtafstanden. Daarnaast liggen er bestaande milieugevoelige objecten op kortere afstand van de agrarische bedrijfsbestemming, zoals de burgerwoningen Zandeind 32, 34 en 36. Deze woningen grenzen direct aan de agrarische bestemming. De dichterbij gelegen woningen zijn daardoor bepalend voor de (uitbreidings)mogelijkheden van de agrarische bedrijfsbestemming. De beoogde woning vormt derhalve geen (extra) belemmering voor de mogelijkheden van de bedrijfsbestemming. Conclusie Het aspect geur ten aanzien van de nabijgelegen veehouderij kan gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Dit aspect wordt nader beschreven in paragraaf 5.6. Voor het overige volgt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen. 37

5.2.

Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).

38

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10 -6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico’s en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - De kans op een ongeval; - Het effect van het ongeval; - Het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; - De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

39

A58 Z-528-03 Z-528-04

Afbeelding 11 Uitsnede Risicokaart Nederland

Inrichtingen In het plangebied liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour die van invloed is op het onderhavige plangebied. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. De dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd betreft de A58, die op een afstand van circa 800 m van het plangebied is gelegen. Voor deze transportroute is een invloedsgebied van 4 km vastgesteld voor een toxisch scenario. Het plangebied is hier binnen gelegen. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verwoord moeten worden. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleiding (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

40

In de omgeving van het plangebied vindt transport van aardgas plaats via twee buisleidingen (de buisleidingen Z-528-03 en Z-528-04 van Gasunie). Deze leidingen zijn gelegen ten noorden (Z-528-03) en ten oosten (Z-528-04) van het plangebied op een afstand van respectievelijk 1 km en 1,1 km. Het plangebied is derhalve buiten de PR 10-6 contour van de buisleidingen gelegen. Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstanden wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1526/documents/25651