04 20210407 Monitor sociaal domein Goirle.pdf
Tekst van het document
Monitor sociaal domein Goirle Versie Eerste kwartaal 2021
1. Inleiding Deze monitor is een eerste vervolg op de dummy zoals besproken in december 2020. Er vond een eerste verfijning plaats, mede naar aanleiding van de vragen en opmerkingen in de raadswerkgroep. Wat hebben we gedaan: - Rapportage geeft de ontwikkeling per kwartaal weer en gaat over de afgelopen vier jaar (2017 – 2020 plus 1e kwartaal 2021); - Er is een specificatie gemaakt naar leeftijd, aansluitend bij de leeftijdsdoelgroepen in de uitvoering; - We schetsen een context op hoofdlijnen van het sociaal domein gericht op welbevinden, demografische ontwikkelingen en financiële ontwikkelingen en eerste inzicht in financiële prognose; - We maken een uitsplitsing naar zorgsoorten binnen de pijlers Wmo, Jeugd en participatie; - In de bijlage geven we antwoord op de openstaande vragen van de raadswerkgroep en een reactie op het overzicht van indicatoren voorgesteld vanuit de raadswerkgroep.
2. Algemene trends en ontwikkelingen 2.1.
Demografische ontwikkelingen Bevolkingsontwikkeling
30000 25000 20000 15000 10000 5000 0 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 2036 2037 2038 2039 2040
0-19 jaar
20-64 jaar
65-74 jaar
75 +
Totaal
Uit de bevolkingsprognose van de provincie blijkt dat de bevolking in Goirle blijft groeien. In 2040 zijn er 6,23% meer inwoners in Goirle dan in 2017. Het aantal jongeren stijgt tot en met 2040 met zo’n 1,76%. Dit gaat met een jaarlijks geleidelijke lijn. Het aantal mensen in de leeftijdscategorie 20 – 64 jaar (lees beroepsbevolking) daalt in diezelfde periode met 5,54%. De groot ontwikkeling wordt zichtbaar in het aantal ouderen en met name de leeftijdscategorie ouder dan 75 jaar. In de groep 65 74 jaar is een stijging zichtbaar van ruim 3%. Dit gaat met een jaarlijks gemiddelde lijn van zo’n 0,13%. Het aantal ouderen in de leeftijdscategorie ouder dan 75 jaar laat een verdubbeling zien met een jaarlijkse stijging van zo’n 3%. Hoewel het aantal inwoners in Goirle blijft groeien en er een
1
aanwas is van jongeren, laat dit beeld zien dat de vergrijzing (en zeker de dubbele vergrijzing) sterk toeneemt. Wanneer we naar dezelfde gegevens kijken, maar dan voor 30000 de periode tot en met 2025 zien 25000 we een ander beeld. Het grootste effect van de ontwikkeling zien 20000 we in de periode tot en met 15000 2025. In de jaren daarna vlakt de 10000 ontwikkeling enigszins af. Het 5000 aantal jongeren daalt, maar 0 minimaal. Het aantal mensen in 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 de leeftijd van 20 – 64 jaar daalt 0-19 jaar 20-64 jaar 65-74 jaar 75 + Totaal met zo’n 2,3%. Het aantal 65plussers daarentegen stijgt met ruim 24,8%, primair veroorzaakt door een stijging van het aantal 75-plussers. Jaarlijks stijgt het aantal 65-plussers met gemiddeld 2,6% waarvan het aantal 75-plussers een gemiddelde jaarlijkse stijging laat zien van 5,13%. Deze ontwikkelingen bepalen voor een belangrijk deel de autonome groei van zorg- en ondersteuningsbehoefte in de Wmo. Prognose t/m 2025
2.2.
Een beeld van de samenleving
In de visie op het sociaal domein kiezen we de benadering vanuit het concept positieve gezondheid. Positieve gezondheid is een bredere kijk op gezondheid, uitgewerkt in zes dimensies. Deze dimensies zijn: dagelijks leven, kwaliteit van leven, mijn lichaam, meedoen, zingeving en mijn gevoelens en gedachten. Met die bredere benadering dragen we bij aan het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. En om zo veel mogelijk eigen regie te voeren. Vanuit de gezondheidsmonitor van GGD/ GHOR creëren we een beeld van de dimensies. Hierbij maken we onderscheid in de leeftijdsgroep 19 – 64 jaar en 65-plus. In dit overzicht maken we een vergelijk met de vijf kleinere gemeenten binnen Hart van Brabant. Dagelijks leven/ kwaliteit van leven 80 70 60 50 40 30 20 10 0 Algemene kenmerken
Sociaal economische status
Fysieke omgeving
Kwaliteit van leven
Algemene kenmerken
Sociaal economische status
19-64 Goirle
Dongen
Fysieke omgeving
Kwaliteit van leven
> 65 Loon op Zand
Gilze-Rijen
Oisterwijk
Hilvarenbeek
2
Mijn lichaam 80 70 60 50 40 30 20 10 0 Leefstijl: bewegen Leefstijl: roken en en gewicht alcohol
Lichamelijke gezondheid
Leefstijl: bewegen Leefstijl: roken en en gewicht alcohol
19-64 Goirle
Dongen
Lichamelijke gezondheid
> 65 Loon op Zand
Gilze-Rijen
Oisterwijk
Hilvarenbeek
Meedoen 80 70 60 50 40 30 20 10 0 Zelfredzaamheid: leefdomeinen
Zelfredzaamheid: Samenredzaamheid Zelfredzaamheid: sociale uitsluiting leefdomeinen
Zelfredzaamheid: Samenredzaamheid sociale uitsluiting
19-64 Goirle
Dongen
> 65 Loon op Zand
Gilze-Rijen
Oisterwijk
Hilvarenbeek
Zingeving/ mijn gedachten en gevoelens 70 60 50 40 30 20 10 0 Mentale gezondheid
sociale omgeving: veiligheid en huiselijke relaties
sociale omgeving: eenzaamheid
Mentale gezondheid
sociale omgeving: veiligheid en huiselijke relaties
19-64 Goirle
Dongen
sociale omgeving: eenzaamheid
> 65 Loon op Zand
Gilze-Rijen
Oisterwijk
Hilvarenbeek
In grafieken zijn allemaal op eenzelfde manier opgebouwd. Het betreft hier een uitsnede uit een landelijk onderzoek waarbij het getal 50 het landelijk gemiddelde aangeeft. Boven het landelijk gemiddelde betekent dat de gemeente beter scoort dan landelijk. Kortom, hoe hoger de score, hoe beter het is. Hierbij valt op dat Goirle zich op vrijwel alle onderdelen goed verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Voor de leeftijdscategorie 19 – 64 jaar scoort Goirle één keer op het landelijk gemiddelde (zelfredzaamheid: sociale uitsluiting in de grafiek “Meedoen”) en twee keer onder het landelijk gemiddelde (fysieke omgeving in de grafiek “Algemene kenmerken/ dagelijks leven” en sociale omgeving: eenzaamheid in de grafiek “Zingeving/ mijn gedachten en gevoelens”). In de leeftijdscategorie 65-plus scoort Goirle drie keer onder het landelijk gemiddelde. Dit is bij fysieke
3
omgeving (Algemene kenmerken/ dagelijks leven), leefstijl: roken en alcohol (Mijn lichaam) en mentale gezondheid (Zingeving/ mijn gedachten en gevoelens). In vergelijk met de regio-gemeenten ontstaat het beeld dat Goirle zich voldoende kan meten met de vijf kleinere gemeenten binnen Hart van Brabant. Iedere gemeente heeft zijn eigen aandachtspunten met uitzondering van de fysieke omgeving. Dit komt eigenlijk in elke gemeente terug als aandachtspunten. Daarnaast valt op dat in het overall beeld Hilvarenbeek sterk scoort. Voor de visie op het sociaal domein laten deze grafieken zien waar er reden kan zijn om te investeren of de inzet te intensiveren. Op basis van deze grafieken is dat vooral op het terrein van de fysieke omgeving, sociale omgeving: eenzaamheid, en mentale gezondheid onder 65-plussers.
2.3.
Financieel beeld op hoofdlijnen
De totalen voor jeugd, Wmo en participatie samen laten zien dat er sprake is van een structureel 30.000 nadelig effect. Dit ontstaat door 25.000 een vergelijk tussen de 20.000 toegerekende rijksmiddelen en de 15.000 uitgaven in het sociaal domein. In 10.000 de grafiek zijn de baten ontleend 5.000 aan een berekening van het 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 ministerie van BZK bij de baten lasten septembercirculaire 2020. Er wordt hier uitgegaan van een toerekening aan de taakvelden, waarbij ook ontwikkelingen als implementatie wet inburgering zijn meegerekend. Sec voor de uitvoering van de wettelijke regeling (de oorspronkelijke integratie-uitkering) is sprake van een dalende (dan wel minder sterk stijgende lijn dan de lasten) lijn in de rijksinkomsten waardoor het verschil tussen baten en lasten steeds groter wordt. De lasten zijn afkomstig uit de jaarrekeningen en begrotingen van de gemeente Goirle. Er is echter ook sprake van ontschotting van de budgetten in het sociaal domein. De budgetten vanuit integratie-uitkeringen en specifieke uitkeringen gaan steeds meer op in de algemene uitkering. Dat betekent dat het Rijk stelt dat er middelen beschikbaar zijn voor de gemeente om tot bepaalde effecten te komen door uitvoering van een wettelijke verplichting.
De wijze waarop de gemeente dit doet en de inzet van financiële middelen is (binnen de bepaalde – wettelijke – randvoorwaarden) is aan de gemeente. Dat betekent dat de eenduidigheid om budgetten te herleiden steeds lastiger wordt, want wat reken je wel of niet toe aan het sociaal domein. Het budget van het Rijk is ten slotte niet gelabeld. Om dan van een tekort te spreken is begrijpelijk voor de discussie. Echter, de algemene uitkering wordt door de gemeente ingezet als algemeen dekkingsmiddel dat zo effectief en efficiënt mogelijk wordt ingezet. De gelden ten behoeve van het sociaal domein zijn onderdeel hiervan. Totaaloverzicht Wmo-jeugd-participatie (bedragen x € 1.000,-)
Van belang is om een goede prognose te bepalen op basis van historische trends en ontwikkelingen. De batenkant laat zich door een individuele gemeente slecht beïnvloeden. In 2019 daalden de baten en deze lijken zich naar de toekomst enigszins te herstellen. Let wel, hierin is geen rekening gehouden met de herverdeling van het gemeentefonds en de verwachte sterke daling op de sociaal domeincomponenten in de algemene uitkering. De prognose zal zich primair moeten richten op de lasten; de uitgaven voor zorg en ondersteuning.
4
In de periode 2017 – 2020 stegen de lasten in het sociaal domein met zo’n € 1,5 tot € 2 miljoen per jaar. Vanaf 2021 stabiliseert deze lijn zich en laat zelfs een lichte daling zien. De stabiliserende lijn laat zich verklaren doordat de analyse van de ontwikkeling van de zorgkosten zich vooral richt op het begrotingsjaar en niet op de meerjarenraming. De lichte daling ontstaat door verwerking van het pakket met beheersmaatregelen vanuit de programmabegroting 2021. Er is echter ook een andere realiteit: - Indexering van zorgcontracten jeugd en Wmo met zo’n 3 tot 4% per jaar; - Demografische ontwikkelingen, met name de stijgende leeftijd en levensverwachting; - Onduidelijkheid in hoeverre er sprake zal zijn van een corona-effect en hoe lang dit voelbaar is; - Effect van de inzet van beheersmaatregelen in de breedte van het sociaal domein1. De lijn van inkomen en participatie is dalende. Dit 10.000 is ook een pijler waar 9.000 ingezet wordt vanuit 8.000 7.000 gemeentelijke autonomie 6.000 (denk aan minimabeleid en 5.000 4.000 de uitwerking van 3.000 bijvoorbeeld 2.000 1.000 schuldhulpverlening) als preventief instrument om 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 de groei binnen de Wmo te inkomen en participatie jeugd Wmo beperken.
De verwachting is dat de verdeling binnen het pakket van voorzieningen mogelijk zal wijzigen, het financieel aandeel nagenoeg gelijk zal zijn aan het huidige meerjarenperspectief. Hierbij moet nog een extra inschatting gemaakt worden op het effect van corona op de werkgelegenheid en schuldproblematiek. Uitgegaan wordt hierbij van een groei van zo’n 0,5% per jaar. De sterkste groei op jeugd deed zich voor in 2018 – 2019. Voor de Wmo was dit 2019 – 2020. Opvallend is dat de financiële omvang van jeugd groter is dan de Wmo, terwijl de inzet en het aantal unieke cliënten vele malen lager is. Vanuit de regio zijn vanaf 2018 beheersmaatregelen ingezet die er voor zorgen dat de groei van de zorgkosten jeugd zich op dit moment lijkt te beperken tot de indexering in de contracten (zo’n 3%) en een autonome groei van zo’n 0,5 tot 1,0%. De doelgroep blijft in de komende jaren nagenoeg gelijk in omvang. De trend zal zich doorzetten naar meer complexiteit in de zorgvraag. Lasten naar regeling (bedragen x € 1.000,-)
Voor Wmo moet ook gerekend worden met een indexering van de zorgcontracten met gemiddeld zo’n 3%. Het aantal unieke cliënten in de Wmo is de afgelopen jaren met zo’n 3,5% gestegen. Gezien de ontwikkeling van de doelgroep zal deze stijging zich in de komende jaren voortzetten. Het verschil in autonome groei tussen jeugd en Wmo is vooral ingegeven door de aard van de doelgroep. Jeugdigen groeien uit de aanspraak op een voorziening in het kader van de jeugdwet. Problematiek lost zich op dan wel wordt overgenomen door de Wmo. De Wmo is een regeling waar de problematiek zich mogelijk kan stabiliseren maar niet snel zal verdwijnen. Let wel, dit is een jaarlijkse stijging gerekend vanaf het niveau van 2021. De verwachting is dat de regionale inkoopstrategie voor
1
Het effect van de beheersmaatregelen kan zijn het investeren binnen de ene pijler om een verlaging van inzet/ kosten te zien in andere pijlers. 5
meer grip en kostenbeheersing gaat zorgen. De potentiële effecten hiervan zijn nog onbekend en daarom ook niet meegenomen in deze opzet. In deze grafiek zetten we naast elkaar hoe 30.000 bedragen nu in de 25.000 begroting 2021 en de 20.000 meerjarenraming zijn 15.000 opgenomen, en hoe deze op grond van de 10.000 prognose zouden 5.000 kunnen worden aangehouden. In beide Rek Rek Rek Begr Begr Begr Prog Begr Prog Begr Prog Begr Prog opzetten zijn de 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 effecten van de inkomen en participatie jeugd Wmo beheersmaatregelen zoals ingerekend in de begroting 2021 meegenomen. Dit zijn dan de effecten die optreden als gevolg van afspraken over indexering in contracten en autonome groei van de doelgroep. Voor het maken van een nog accurater prognose zijn aannames nodig over onder meer verzilveringsgraden, uitgestelde zorg, ontwikkelingen in het voorliggend veld/ preventief kader, etc. Prognose sociaal domein (bedragen x € 1.000,-)
2.4.
Overzichtsbeeld van het sociaal domein
Het overzichtsbeeld in het sociaal domein gaat over totalen. In algemeenheid gaat het om het zorggebruik, mede in vergelijk met de vijf kleinere gemeenten binnen Hart van Brabant. Daarnaast gaat het om de inzet op regelingniveau, naar zowel unieke cliënten als unieke cliënten per voorziening. Een unieke cliënt is een cliënt die per voorziening één keer voorkomt. Met uitzondering van het gebruik van 2e 80 lijnsvoorzieningen onder 70 65-plussers scoort Goirle 60 op alle punten boven het 50 40 landelijk gemiddelde. 30 Wat verder opvalt is dat 20 het zorggebruik in Goirle 10 0 hoog is ten opzichte van Gebruik 1e lijns 2e lijns Gebruik 1e lijns 2e lijns de andere regioregelingen voorzieningen voorzieningen regelingen voorzieningen voorzieningen gemeenten. De 19-64 > 65 constatering is Goirle Dongen Loon op Zand Gilze-Rijen Oisterwijk Hilvarenbeek aannemelijk dat inwoners in Goirle de weg naar voorzieningen en regelingen goed weten te vinden. Zorggebruik
De ontwikkeling van het aantal unieke cliënten laat een wisselend verloop zien. Gemiddeld genomen daalde het aantal cliënten in 2017 met 1,66%. In 2018 zette de stijging in met 5,69%, 4,63% in 2019 en 6,14% in 2020. In 2020 wordt dit verklaard door de inzet op TOZO (binnen participatie; 14,4% toename in tweede kwartaal 2020). 2020 wordt in alle opzichten beschouwd als een afwijkend jaar. Voor de periode 2017 – 2019 volgt het aantal cliënten in de leeftijdscategorie jonger dan 19 jaar, een trendlijn van zo’n 6,1% per jaar. De leeftijdscategorie van 19 tot 64 jaar neemt licht af met 0,5% per
6
jaar. De leeftijdscategorie van 65 tot 74 jaar neemt met gemiddeld 5,76% per jaar toe en de groep 75-plus stijgt jaarlijks met 4%. Aantal unieke cliënten naar leeftijd 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 Q1
Q2
Q3 2017
Q4
Q1
Q2
Q3
Q4
Q1
2018 < 19 jaar
Q2
Q3
Q4
2019 19 - 64 jaar
65 - 74 jaar
Q1
Q2
Q3 2020
Q4
Q1
Q2 2021
75 plus
Als trendverloop door de kwartalen valt op dat bij de start van het tweede kwartaal vaak een stijging zichtbaar is van het aantal cliënten en dat dit in het verdere verloop van het jaar weer afneemt. Uit het aantal unieke cliënten per 3.500 regeling kan het 3.000 beeld worden 2.500 afgeleid dat de 2.000 Wmo – in aantallen 1.500 1.000 en gebruik – de 500 grootste pijler is 0 binnen de Wmo. Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Jeugd komt 2017 2018 2019 2020 2021 logischerwijs Inkomen en participatie Wmo Jeugdwet primair voor in de leeftijdscategorie tot 19 jaar. Een aantal voorbeelden van uitgestelde jeugdzorg zien we terug in de leeftijdscategorie 19 tot 64 jaar. Inkomen en participatie laat zich primair zien in de leeftijdscategorie 19 tot 64 jaar (denk aan de beroepsbevolking). Vanwege de bredere benadering van inkomen en participatie komt deze pijler over alle leeftijdscategorieën voor. De Wmo wordt het meest ingezet voor de leeftijdscategorie 75 plus (bijna 50%). Ruim 30% van de voorzieningen Wmo wordt verzorgd voor de leeftijdscategorie 19 tot 64 jaar. Hier is aandacht op zijn plaats. De Wmo is een regeling waar de onderliggende problematiek vaak een voortdurend karakter heeft; eenmaal in de Wmo blijft in de Wmo is een veelgehoorde uitspraak. Aantal unieke cliënten per regeling
Het aantal unieke cliënten per regeling groeit van 2.653 per 1 januari 2017 naar 3.001 per 1 april 2021. Inkomen en participatie volgt hierin voor de periode 2017 tot en met 2019 een dalende trendlijn met zo’n 0,39%. De Wmo groeit met zo’n 3,34% per jaar en jeugdhulp met 7,14% per jaar. Voor jeugdhulp is met name de toename in 2018 opmerkelijk met een stijging van 22,10%.
7
3. Wmo Het aantal unieke cliënten in de Wmo stijgt van Q1 1.577 per 1 januari Q3 2017 naar 1.860 Q1 per 1 april 2021. Er Q3 is sprake van een Q1 jaarlijkse stijging van zo’n 3,04%. Q3 Voor de periode Q1 2017 – 2019 was Q3 dit 3,34%. Het is Q1 onduidelijk in 0 200 400 600 800 1.000 1.200 1.400 1.600 1.800 2.000 welke mate tot 19 jaar 19-64 jaar 65-74 jaar 75 plus corona effect heeft gehad op deze afvlakking in groei of dat dit wordt veroorzaakt door andere factoren. De leeftijdscategorie tot 19 jaar is dalende sinds het tweede kwartaal van 2019. De leeftijdscategorie 19 tot 64 jaar blijft stabiel maar licht stijgend. De grootste stijging is zichtbaar in de leeftijdscategorie 65 tot 74 jaar met een jaarlijks groei van zo’n 5,99%. De leeftijdscategorie 75-plus volgt met een stijging van 4,19%. Relatief gezien is dit zo’n 50% van de totale populatie unieke cliënten in de Wmo. Dat betekent dat een groeiende doelgroep (het aandeel 75 plus in de demografische ontwikkelingen) een groot aandeel heeft in de ontwikkelingen van de Wmo. 2017
2018
2019
2020
2021
Aantal unieke cliënten naar leeftijd
2017
2018
2019
2020
2021
Aantal unieke cliënten per voorziening Q2 Q1 Q4 Q3 Q2 Q1 Q4 Q3 Q2 Q1 Q4 Q3 Q2 Q1 Q4 Q3 Q2 Q1 0
500
Vervoersvoorzieningen
1.000 Woonvoorzieningen
1.500 Rolstoelen
2.000 Gehandicaptenparkeerkaart
2.500
3.000
Hulp bij het huishouden
3.500 Begeleiding
Gehandicaptenparkeerkaarten (inclusief -plaatsen) hoort eigenlijk niet in dit overzicht thuis. Vanwege de ontwikkeling op vervoersvoorziening is dit wel opgenomen. Mogelijk dat – als gevolg van corona – inwoners hun vervoersvoorziening toch meer in eigen beheer gaan organiseren. Voor beide voorzieningen zien we een afvlakking van de ontwikkeling als gevolg van 2020. Echter, het aantal vervoersvoorzieningen blijft stijgen en het aantal gehandicaptenparkeerkaarten blijft dalen. Het aantal woonvoorzieningen is de sterkst groeiende voorziening met zo’n 25%. Mensen worden ouder, wonen langer zelfstandig en maken hun woning levensloopbestendig. Deze ontwikkeling past
8
ook bij het woonbeleid. Wellicht dat hier ook keuzes gemaakt kunnen worden bij de inrichting van het woningaanbod. Op het totaal van de Wmo is het financieel effect hiervan beperkt. De inzet op huishoudelijke hulp is stijgende. Tot en met 2019 was er sprake van een jaarlijkse groei met zo’n 2,93%. In 2020 was er een sterke groei zichtbaar die de trendlijn over de periode 2017 – 2020 zelfs laat stijgen naar zo’n 6,01% per jaar. Een verklaring voor de stijging van het aantal unieke cliënten gaat gepaard met leeftijdsontwikkeling (zie demografische ontwikkelingen), de invoering van het abonnementstarief per 1 januari 2020 en het afschaffen van de poetsbon per 1 januari 2021. In november 2020 werd bekend dat het Rijk niet van plan is om gemeenten volledig financieel te compenseren voor de extra kosten als gevolg van het Wmo-abonnementstarief. Vanuit de VNG is geadviseerd om beheersmaatregelen te treffen, die mogelijk het grijze gebied benaderen tussen wel en niet toelaatbaar. Dit kan daarmee leiden tot bezwaar- en beroepsprocedures. De VNG is bereid hierin ondersteuning te bieden. Het gaat dan om maatregelen gericht op de beheersing van de kosten van de huishoudelijke hulp.
Denk daarbij aan de mogelijkheid om financiële draagkracht te betrekken in het onderzoek, een budgetplafond en wachtlijst in te voeren, een afwijzing op grond van voorzienbaarheid en het inrichten van een algemene voorziening om de eigen kracht te stimuleren. Ongeacht de keuze voor beheersmaatregelen zijn en blijven een zorgvuldige toegangsprocedure en het leveren van individueel maatwerk de centrale uitgangspunten van de Wmo. Begeleiding volgt (zowel financieel als op inzet) op huishoudelijke hulp. De groei van begeleiding was zeer groot in de periode 2017 – 2019 met zo’n 16,86%. Dit wordt vooral verklaard door de groei en 2018 en ook in 2017. Daartegenover staat een sterke daling in 2020, waardoor de trendlijn daalt naar 4,63% stijging per jaar. Het is onduidelijk hoe de piek uit 2018 en de daling uit 2020 (vergelijkbaar in omvang) zich laten verklaren.
4. Jeugd Aantal unieke cliënten 600 500 400 300 200 100 0 Q1
Q2
Q3
2017
Q4
Q1
Q2
Q3
2018
Q4
Q1
Q2
Q3
2019
Jeugdwet
Q4
Q1
Q2
Q3
2020
Q4
Q1
Q2
2021
De ontwikkeling van het aantal unieke cliënten in de jeugdwet laat een wisselend verloop zien. Tot het tweede kwartaal 2020 was er per saldo sprake van een stijging. Deze lijkt nu weer af te nemen. In hoeverre de coronacrisis hiermee verband houdt is niet te zeggen, dan wel wat het effect is van de ingezette beheersmaatregelen.
9
2017
2018
2019
2020
2021
Unieke cliënten per voorziening Q2 Q1 Q4 Q3 Q2 Q1 Q4 Q3 Q2 Q1 Q4 Q3 Q2 Q1 Q4 Q3 Q2 Q1 0
100
200
300
400
500
600
700
Persoonlijke verzorging
Dagbehandeling
Vervoerdiensten
Verblijf (incl. behandeling)
Verblijf (excl. behandeling)
Jeugdhulp ambulant
Jeugdhulp crisis
Jeugdreclassering
Jeugdbescherming
Maatwerkarrangement jeugd
Kindergeneeskunde
Jeugd-ggz
800
Landelijk ingekochte zorg
De ontwikkelingen van het aantal unieke cliënten per voorziening laat zich lastig analyseren vanwege de diversiteit in voorzieningen. Inzet op jeugdhulp ambulant wordt nu veelal binnen maatwerkarrangementen gedaan. Vanaf 2022 is het woonplaatsbeginsel van kracht. Dit zal een nieuwe trend gaan neerzetten op met name de lijn verblijf (inclusief behandeling) en jeugdbescherming. Het aantal unieke cliënten per voorziening stijgt. Met name in 2018 is er sprake van een sterke stijging. Daarna ontstaat er per jaar een stabiel beeld bij een vergelijking per 1 januari van een jaar. Opvallend is dat binnen het jaar een stijging zichtbaar is die dan in het vierde kwartaal weer afneemt. Het sociaal domein kent drie toegangspoorten, die uiteindelijk allemaal Gemeentelijke toegang samenkomen bij de Medisch specialist Jeugdarts gemeente. Dit zijn de Huisarts gemeentelijke toegang (’t Gecertificeerde instelling Loket), het medisch domein Rechter, officier van justitie en het justitieel kader. Geen verwijzer Aandacht gaat hierin 0 50 100 150 200 250 300 350 400 primair uit naar de 2017 2018 2019 2020 verwijzingen via de huisarts. In 2020 is opvallend dat het aantal verwijzingen via de huisarts sterk is gedaald. Mogelijk heeft dit te maken met de verminderde toegankelijkheid (dan wel ervaren drempel) van de huisarts als gevolg van corona. Toegang naar verwijzer
10
5. Participatie Het aantal unieke cliënten naar leeftijd voor participatie 1.200 laat over de periode 2017 – 1.000 2019 een stabiel verloop zien met een lichte jaarlijkse 800 trendlijn van 0,39% daling. In 600 2020 is er vanaf het tweede 400 kwartaal een trendbreuk 200 zichtbaar vanwege de invoering van TOZO. Dit leidt 0 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 tot een zeer sterke stijging. 2017 2018 2019 2020 2021 Tegelijkertijd is afbouw van tot 19 jaar 19-64 jaar 65-74 jaar 75 plus TOZO-regelingen en daarna weer de openstelling voor een nieuwe periode direct zichtbaar in de aantallen met herstel en toename. Het is nu nog onduidelijk hoe de economie en daarmee werkloosheid zich gaat herstellen en in welk tempo. Hier zijn verschillende lezingen over. In 2021 en 2022 zal naar alle verwachting wel rekening gehouden moeten worden met herstel in diverse branches en een vertragend effect op het herstel van de werkloosheid. Aantal unieke cliënten naar leeftijd
2020
2021
Aantal unieke cliënten per voorziening Q1 Q3
2019
Q1 Q3
2018
Q1 Q3
2017
Q1 Q3 Q1 0
200
400
600
800
Basis personen
IOAW/ IOAZ
Bijzondere bijstand
Wet Kinderopvang
Wet inburgering
Minimabeleid/ meedoenregeling
1.000
1.200
Re-integratie
De ontwikkeling voor inkomen en participatie in totaal laat een stabiel verloop zien. 2020 geeft op een bepaalde manier een trendbreuk weer. De basisuitkeringen daalden in de periode 2017 – 2020 met jaarlijks 1,12%. De daling is zichtbaar tot en met het eerste kwartaal van 2020. Vanaf dat moment zien we een stijgende lijn. De IOAW/ IOAZ laat een sterker daling zien van jaarlijks gemiddeld 10,96% over de periode 2017 – 2020. De bijzondere bijstand laat jaarlijks een wisselend verloop zien maar laat een trendlijn zien van zo’n 0,65% gemiddelde stijging per jaar over de periode 2017 – 2020. De inzet op re-integratie stijgt met ruim 9%. Dit is de zorg om te voorkomen dat inwoners in een uitkeringssituatie terecht komen danwel hen begeleiden naar werk vanuit de uitkeringssituatie. Zowel de inzet op de wet kinderopvang als minimabeleid zijn dalende. Minimabeleid jaarlijks met gemiddeld zo’n 16,15%. Het aandeel van de wet inburgering blijft jaarlijks stabiel.
11
Bijlage 1: Voorstel indicatoren In één van haar eerste vergaderingen stelde de raadswerkgroep een overzicht samen met indicatoren zoals deze ontstaan zijn uit een inventarisatie bij de verschillende fracties. In deze bijlage geven we aan welke indicatoren nu in de monitor zitten. Aantal cliënten met een lichte, middel of zware diagnose
-
-
-
-
Toename – afname cliënten per zorgproduct Doorverwijzing via: gemeentelijke toegang/ huisartsen/ gedwongen kader/ overig Toename – afname verwijzingen via: toegang/ huisartsen/ gedwongen kader/ overig, per kwartaal Zorgproducten jeugdhulp vanuit landelijk/ regionaal/ lokaal beleidskader
Zorgproducten Wmo begeleiding vanuit een landelijk/ regionaal/ lokaal beleidskader - Voorzieningen Wmo: rolstoel, vervoer, hulp bij huishouden, woningaanpassing, etc Uitgaven trajecten lichte, middel of zware diagnose (aantallen cliënten x gemiddelde uitgaven voor diagnose)
Lichte, middel of zware diagnose geeft intensiteit of complexiteit van ondersteuningspakket weer. Dit is niet eenduidig voor alle producten (en vergelijkbaar) weer te geven. Daarom wordt dit voor nu niet gedaan. - Zie aantal unieke cliënten per regeling en vervolgens uitgewerkt per regeling. - Alle voor jeugd opgenomen. Zie toegang naar verwijzer. -
Zie vorige
-
Voor aantallen per voorziening zie hoofdstuk jeugd. Uitsplitsing naar kader verwijst naar benchmark mogelijkheid. Zie toelichting bij inleiding. Voor aantallen per voorziening zie hoofdstuk Wmo. Ten aanzien van benchmark zie inleiding. Voor aantallen per voorziening zie hoofdstuk Wmo.
-
-
Formule is op deze wijze niet eenduidig toe te passen. Toekenning vindt plaats via taakvelden en op basis van prognoses. Dit gaat verder dan p x q. - Wettelijke/ niet wettelijke verplichtingen - Via visie sociaal domein worden beleidskeuzes in beeld gebracht. Hierbij is onderscheid mogelijk tussen wettelijk en niet wettelijk. In P&C-cyclus kan afweging tussen wettelijk en niet-wettelijk worden gemaakt vanuit financieel perspectief. - Trajecten duurder dan € 100.000 - Signaalwerking voor uitvoering. Geen knop om aan te draaien voor raad/college. - Zorgproducten jeugdhulp vanuit een - Zie hiervoor. landelijk/ regionaal/ lokaal beleidskader Tevredenheidsmetingen bij lichte, middel, Bij cliëntervaringsmetingen wordt geen zware diagnose onderscheid gemaakt in type diagnose. Algemeen cliëntervaringsonderzoek jeugd en Wmo (wettelijk verplicht) geeft inzicht in tevredenheid. - Cliënten met toewijzing/ afwijzing - Cliëntervaring wordt gemeten en niet zorgproduct specifiek bij toe- of afwijzing.
12
-
Meting bij cliënten bij begeleiders ‘t Loket
Aantallen cliënten per zorgaanbieder
-
Toename – afname per zorgaanbieder Gemiddelde kosten per cliënt per aanbieder
-
Prognose van de kosten per maand of per kwartaal
Aantallen cliënten/ gezinnen dat meedoet met Maatpact
-
Kosten van voorzieningen Tevredenheid cliënten Vergelijking van de voorzieningen in de oud en de nieuwe situatie Aantal uitkeringsgerechtigden Aanmeldingen schuldhulpverlening Inzet participatie-instrumenten
-
Beschikbaar via evaluatie ’t Loket. Wordt ingebed in cliëntervaringsmetingen algemeen. Er kan een overzicht geleverd worden van aantallen per zorgaanbieder. Nu nog niet opgenomen. - Zie opmerking hierboven - Per zorgaanbieder eigen combinatie van dienstverlening. Daarmee niet vergelijkbaar. - Financiële sturing verloopt op taakveldniveau. Prognose per maand of kwartaal niet werkbaar om met die frequentie te analyseren. Betreft vanuit project zo’n 10 casussen per jaar. Van belang is dat deze aanpak onderdeel wordt van reguliere aanpak. Dan niet meer herkenbaar als maatpactgedachte. - Zie voor maatpact hierboven. Uitsplitsing wel/ niet maatpact is niet mogelijk.
-
Zie overzicht inkomen en participatie Zie overzicht inkomen en participatie Zie overzicht inkomen en participatie
13
Bijlage 2: Vragen raadswerkgroep 1.
Een benchmark met vergelijkbare gemeenten opnemen in de monitor. Dit is reeds gedaan voor het algemeen beeld van de samenleving. Daarbij is een vergelijking gemaakt met de kleinere gemeenten Hart van Brabant. Een benchmark voor de trends en ontwikkelingen binnen de pijlers is nog niet opgenomen. Een benchmark is niet alleen de presentatie van gegevens maar ook een analyse waarom er verschillen en overeenkomsten bestaan tussen de gemeenten. Inzicht in mogelijke kansen kan pas worden gecreëerd als we weten dat de cijfers vergelijkbaar zijn, onder meer op basis van definities en toegepaste rekenmodellen. Gegevens binnen de regio Hart van Brabant zijn beschikbaar en ook op vergelijkbare grondslagen tot stand gekomen als in Goirle. In de volgende ontwikkelstap van de monitor kan dat worden toegevoegd. Bij verschillen tussen gemeenten moet een nadere analyse (ook naar de situatie van de betreffende gemeenten) plaatsvinden om te weten wanneer er sprake is van eventuele kansen. De basisgedachte blijft wel aanwezig. We zoeken steeds naar voorbeelden, tips en best practices bij andere gemeenten. Dit kan ook door het actief volgen van diverse media en andere informatiebrieven.
2.
Regionale cijfers opnemen in de monitor. Zie reactie op vraag 1. Focus voor nu heeft gelegen op het definitieve raamwerk voor de monitor.
3.
De intensiteitencurve bij maatwerkarrangementen laat een trend zien. Er is een verschuiving naar lichtere intensiteiten. Dit onderscheid wordt nu gemaakt voor maatwerkarrangementen. De overige voorzieningen worden nu niet ingedeeld naar zwaarte van de zorg, maar dat kunnen we in een volgende sessie verder uitdiepen. In de versie van december lieten we een intensiteitencurve zien. Die is nu niet opgenomen. Met het verder uitdiepen werd voor ons bevestigd dat het opnemen van intensiteiten focus legt op een klein deel van het totale aanbod. In de Wmo wordt begeleiding weergegeven vanuit arrangementen, een samenstel van ondersteuningsproducten gericht op het bereiken van een resultaatgebied. Bij hulp in de huishouding wordt een uitsplitsing gemaakt naar treden die eventueel aangemerkt kunnen worden als intensiteit. Voor de overige producten is dit niet aan de orde. Bij de voorzieningen jeugdwet worden enkel de maatwerkarrangementen ingedeeld naar intensiteiten. Omdat het gaat om een beperkt deel is er voor gekozen deze niet op te nemen.
4.
De sterke stijging bij Wmo begeleiding heeft vooral te maken met het afschaffen van de poetsbon en de invoering van het abonnementstarief. Ook hier zal nog een kolom of tabel met euro’s naast worden gezet. De gegevens zijn beschikbaar. In de volgende versie zal de inpassing plaatsvinden, aangegeven met € (voor “goedkoop”), €€ (voor “gemiddeld”) en €€€ (voor “dure”) voorzieningen. In deze versie van de monitor vooral ingezet op de eerste opbouw van een prognose in het sociaal domein.
5.
Een tabel met percentages van de kosten is mogelijk, daarbij zie je dan een verhouding van wat we beschikt hebben, niet een verhouding van de reële kosten. We hebben een algemeen inzicht toegevoegd van de financiële ontwikkelingen in het sociaal domein. Daarbij hebben we de ontvangsten van het Rijk afgezet tegen de bestedingen in Goirle. Dit gaat over de werkelijke inkomsten en bestedingen. Mede op basis van demografische ontwikkelingen wordt een eerste inschatting gemaakt van de prognose voor de komende jaren.
14
6.
Wmo begeleiding doen we ook regionaal. Ook de regio heeft een dashboard en dit kan gedeeld worden. Dit kan inderdaad gedeeld worden in de rapportages die hierover vanuit de regio beschikbaar kunnen komen. Daarin zit ook direct de regionale vergelijking.
10. De pilot doorontwikkeling duurt te lang. Vraag aan het college wat de stand van zaken m.b.t. de doorontwikkeling is. Conform afspraak is de pilot doorontwikkeling ’t Loket ingezet met een looptijd van een jaar, tot maart 2021. Op dit moment wordt een evaluatie opgemaakt van de doorontwikkeling. Daarmee doorloopt de pilot het proces zoals afgesproken. 11. De werkgroep wil ook de PGB cijfers van de gemeente Goirle zien. Niet alleen de cijfers ZiN vanuit de regio. Wanneer kan de wethouder de gevraagde PGB-cijfers overleggen? Een eerste aanzet voor de PGB-cijfers was al opgenomen in de monitor versie december 2020. In de verdere doorontwikkeling van de monitor hebben we eerst de focus gelegd op andere onderwerpen. Deze cijfers zijn beschikbaar en onderweg om op te nemen in de versie Q2 2021. 12. Harrie Verbon: “Voor zicht en grip op het sociaal domein zouden normen kunnen worden geformuleerd.” Kunnen we een brainstormsessie over normstelling houden? Met Nicole en wethouder Poos erbij. 1 vergadering niets anders dan deze brainstormsessie. Vragen of de ambtenaren dit willen voorbereiden. Tijdens de raadswerkgroep in december is een korte toelichting gegeven op normstelling. In de rapportage “Grip op het sociaal domein” is een nadere uitleg opgenomen van het belang van concrete doelstellingen waarin de norm is verwerkt.
De indicatoren – aan de hand waarvan deze monitor tot stand komt – zijn vervolgens de meters waarin de stand van zaken kan worden afgelezen. Voorgesteld wordt daarom om de discussie over normstelling te verbinden aan enerzijds de visie op het sociaal domein en anderzijds de verdere verdieping per indicator. 13. Waar zitten de raakvlakken tussen LOT en projectgroepen enerzijds en Regio Hart van Brabant anderszijds? Binnen welke projectgroepen in de regio heeft het LOT inspreekrecht/ zeggenschap? Kan de werkgroep zicht krijgen op de invloedssfeer? Eind 2019 gingen we met de raad in gesprek over het sociaal domein. Op dat moment hebben we het Lokaal Opgave Team (LOT sociaal domein) geïntroduceerd. Wellicht een misverstand, maar het LOT is geen organisatorische eenheid. Het LOT is een andere naamgeving van grip op het sociaal domein in Goirle. Met het LOT, als manier van werken, zorgen we voor borging van de maatregelen in onze dagelijkse methoden en systemen. Onder de noemer van het LOT werken de medewerkers in het sociaal domein samen om naar een fase van grip te komen. Zij doen dit elk vanuit hun eigen rol, expertise en kracht. Het doel van het doel is het creëren van een situatie waarin beheersing mogelijk is. Grip op het sociaal domein is door het tijdig creëren van inzichten. Met name het aspect tijdigheid zorgt voor ruimte om doordachte keuzes te maken.
De ultieme beheersingsdoelstelling van het LOT is om daadwerkelijk een afvlakking te realiseren van de geschetste ontwikkelingen in het sociaal domein. Daarmee is het LOT: - Een intern gespreksplatform - In zichzelf geen beheersmaatregel of financieel wondermiddel - Integrale monitoring op basis van data
15
-
Verbinding tussen beleidsambities, verzamelde data en gekozen maatregelen Geeft – vanuit constateringen en analyse – advies aan management en bestuur gericht op continue verbetering door slimme inzet van (beheers)maatregelen.
14. De werkgroep wil inzicht krijgen in de kostensystematiek in de zorg. Welke tarieven horen er bij de verschillende arrangementen, behandelingen en intensiteiten. Niet om daar als werkgroep over te oordelen, wel om inzicht te hebben en kennis te vergaren. Zie reactie op vraag 4. 15. Verzoek van de werkgroep aan de organisatie om elk werkgroepoverleg 1 of 2 indicatoren uit te diepen en daarvoor een planning aan te leveren. Welke indicatoren worden de volgende vergadering toegelicht? April: financiën en het bepalen van prognoses Mei: unieke cliënten en unieke cliënten per voorziening Wmo Juni: unieke cliënten en unieke cliënten per voorziening jeugd Juli: unieke cliënten en unieke cliënten per voorziening participatie Augustus: demografische ontwikkelingen September: Positieve gezondheid
16