CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

03a Vast te stellen BP Het Hoefke 6.pdf

Besluitvormend 7 maart 2023, gemeente GoirleBij agendapunt: 3: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan ‘t Hoefke 624.325 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.6. Geur Voor de geurbeoordeling van agrarische bedrijven in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt een specifiek toetsingsregime. De Wgv schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten (zoals woningen) en dus voor de ruimtelijke

32

ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Voor wat betreft geurhinder en veehouderijen betekent dit enerzijds dat een goed woon- en leefklimaat moet worden gegarandeerd ten opzichte van geurgevoelige objecten, anderzijds mogen veehouderijen en derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In de Wgv wordt onderscheid gemaakt tussen veehouderijen waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Voor de diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, is bepaald hoe hoog de geurbelasting (uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht) mag zijn op een geurgevoelig object. Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld geldt een vaste afstand conform de Wvg.

Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van ODZOB (plangebied met blauw omcirkeld)

Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt geen nieuw geurgevoelig object of veehouderij mogelijk waarvoor toetsing aan de Wgv noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het wel verstandig om af te wegen of ter plaatse van de bestaande woning een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dit kan met behulp van bovenstaande kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB). Op die kaart is te zien dat de kwaliteit van de leefomgeving als ‘zeer goed’ wordt beoordeeld. Er is dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.7. Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een (historische) bodemonderzoek plaats te vinden. Met dit onderzoek dient de bodem- en

33

grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt geen gevoeligere functie mogelijk dan voorheen. Het perceel wordt in de huidige situatie al gebruikt voor het bedrijf. Ook de veldschuur buiten de huidige bedrijfsbestemming is als zodanig vergund. De vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ is dan ook bedoeld voor het bestendigen van dit gebruik. Aan de zuidzijde wordt bedrijfsbestemming weggenomen waar het perceel niet voor bedrijfsactiviteiten wordt gebruik. Een bodemonderzoek kan dan ook achterwege blijven.

5.8. Milieueffectrapportage Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van he Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.

Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan Gezien de aard en omvang (planologische vormverandering bestemmingsvlak en bestendigen reeds vergunde situatie en geldende bouw- en gebruiksmogelijkheden) van het plan is in dit geval geen sprake van een activiteit die onder het Besluit m.e.r. valt.

34

5.9. Gezondheid 5.9.1. Endotoxinen Volgens de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0 is er een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Zodoende moet worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk. Bovendien komen binnen 2 kilometer van het plangebied geen varkens- en pluimveehouderijen voor. Ten aanzien van endotoxinen is er dan ook geen onaanvaardbaar gezondheidsrisico.

5.9.2. Geitenhouderijen In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderijen Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGOonderzoek zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 tot 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is (Bron: Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen - d.d. 17 oktober 2017).

In het laatste VGO-rapport (VGO 3) is de gevonden associatie tussen pluimveehouderijen en omwonenden echter niet bevestigd. Beoordeling plan Het plangebied is niet gelegen binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het aspect gezondheid in relatie tot geitenhouderijen vormt voor dit plan dan ook geen belemmering.

5.9.3. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet

35

onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Beoordeling plan In de omgeving van het plangebied worden geen gewassen geteeld of gekweekt waarvoor een spuitzone in acht moet worden genomen of waarvoor de spuitzone planologisch beschermd dient te worden. De naastgelegen agrarische percelen vallen onder het beheer van Brabants Landschap. Natuurwaarden staan hier centraal en gewasbeschermingsmiddelen blijven daarbij achterwege. Deze ontwikkeling vormt dan ook geen beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden en wordt niet belemmerd door spuitzones.

36

Hoofdstuk 6.

Water

De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan.

6.1. Beleid 6.1.1. Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Provinciaal Milieu en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen voor het milieu- en waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn: • voldoende water voor mens, plant en dier; • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s en • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

6.1.2. Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het water van onder andere de gemeente Goirle en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt, voor zover relevant, hierna kort besproken: • Waterbeheerprogramma 2022-2027; • Kadernota 2018-2027; • Ruimte voor de Rivier; • Keur Waterschap Brabantse Delta. Waterbeheerprogramma Brabantse Delta 2022-2027 Het waterbeheerplan is het resultaat van een dialoog tussen alle verschillende partners die belang hebben bij goed waterbeheer. Met het programma bepaalt het waterschap de doelstelling en strategie. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de

37

verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Kadernota 2018-2027 Deze nota beschrijft hoe het waterschap onder meer omgaat met een aantal uitdagingen waarvoor ze gesteld wordt. In eerste instantie gaat het om klimaatadaptatie. De effecten van klimaatverandering zijn groter dan door velen gedacht en er zal een tandje bijgezet moeten worden. Een tweede uitdaging is de waterkwaliteit. Het waterschap is inmiddels gestart met het uitvoeren van een eerste serie watersysteemanalyses, die de komende jaren worden uitgebreid. Het waterschap evalueert daarbij de huidige aanpak en combineert dit met de nieuwste, lokale en (inter)nationale kennisinzichten. Daarbij zoekt het waterschap actief de samenwerking met bedrijven, inwoners, terreinbeheerders en medeoverheden. `1 Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren.

Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: • het dempen of wijzigen van een watergang; • het aanleggen van kabels of leidingen; • het planten van bomen en struiken; • het brengen van water in een watergang.

6.1.3. Gemeente Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld. Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het PWR vervult vier hoofdfuncties:

38

•

• • •

Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven. Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).

Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: • We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen; • We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken; • We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering; • We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater.

We streven naar watersysteemherstel; • We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is; • We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen; • We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem; • We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen; • We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: • Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; • Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem; • Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem • We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld; • Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers. Waterberging Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken.

Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling van de openbare ruimte klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als

39

overweging. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² hanteert de gemeente Goirle een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur. Dit zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Daarnaast hanteert de gemeente Goirle bij herontwikkelingen een compensatie van 20 mm waterberging (indien realiseerbaar) conform bui 8 uit de Kennisbank Stedelijk water.

6.2. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet in een vormverandering van een bestaande bedrijfsbestemming zonder dat de omvang ervan toeneemt. Daarmee wordt een reeds bestaande en vergunde situatie juridisch-planologisch verankerd. De bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden blijven behouden. Er is dan ook geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Het plan heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding ter plaatse.

40

Hoofdstuk 7.

Opzet planregels

7.1. Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2. Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Artikel 1. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Artikel 2. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3. Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: • bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; • bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; • nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; • afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; • afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk • zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ; • wijzigingsbevoegdheid. • Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen:

41

Artikel 3. Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden Deze bestemming is opgenomen voor de gronden die vanwege de vormverandering van het bouwvlak niet meer tot de bedrijfsbestemming horen. Deze gronden zijn primair bedoeld voor agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie of als ecologische verbindingszone. Op deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen worden opgericht. Ook bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn maar beperkt toegestaan. Voor bepaalde werken en werkzaamheden in de bodem is een omgevingsvergunning nodig. Artikel 4. Bedrijf Deze bestemming is primair bedoeld voor een bedrijf ten behoeve van beheer en onderhoud natuurgebieden alsmede natuurrecreatieve en educatie activiteiten met bedrijfswoning. In de bouwregels is bepaald wat er zoal mag worden gebouwd en in welke omvang. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, bijgebouwen bij bedrijfswoningen en bouwwerken voor zover het niet geen gebouw betreft (zoals erfafscheidingen). Onder bepaalde voorwaarden kan hiervan worden afgeweken (afwijken van de bouwregels). In de gebruiksregels is bepaald dat het onder voorwaarden mogelijk is een aanhuis-verbonden beroep of bedrijf uit te oefenen.

Mocht de bestemming ‘Bedrijf’ in de toekomst niet meer wenselijk zijn, dan kan de bestemming onder de voorwaarden genoemd onder de wijzigingsbevoegdheid worden omgezet naar een woonbestemming. Artikel 5. Waarde - Archeologie In de regels behorende bij deze dubbelbestemming is aangegeven dat bij bepaalde ingrepen en onder bepaalde voorwaarden eerst nader archeologisch onderzoek vereist is. Door middel van een dubbelbestemming wordt gezorgd dat de mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden worden beschermd.

7.4. Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, aanduidings-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels. Anti-dubbeltelbepaling In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan

42

afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm opgenomen. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn aanduidingsregels opgenomen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels. Algemene procedure regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die burgemeester en wethouders in acht dienen te nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regel over andere eisen.

7.5. Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2). Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan worden aangehaald.

43

44

Hoofdstuk 8.

Uitvoerbaarheid

8.1. Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening moet een exploitatieplan worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorzien, tenzij het verhaal van grondexploitatiekosten over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins, zoals bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, is verzekerd, of, zoals hier het geval is, er geen kosten in het openbaar gebied worden gemaakt. Nu deze laatste situatie zich voordoet kan gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan worden besloten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Het project wordt op kosten van initiatiefnemer gerealiseerd. Het bestemmingsplan is opgesteld op kosten van de initiatiefnemer. Alleen de kosten voor begeleiding van de planologische procedure komen voor rekening van de gemeente (waarvoor leges bij initiatiefnemer in rekening worden gebracht). Omdat het verhaal van kosten daarmee is verzekerd, is het op- en vaststellen van een exploitatieplan niet vereist en kan als zodanig worden besloten. Met initiatiefnemer is een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Er zijn dan ook geen consequenties voor de economische uitvoerbaarheid van het plan.

8.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Inspraakprocedure Conform de Inspraakverordening Goirle heeft het voorontwerpbestemmingsplan voor duur van drie weken voor inspraak ter inzage gelegen. Van de mogelijkheid om een inspraakreactie naar voren te brengen is geen gebruik gemaakt. Het eindverslag is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De inspraakprocedure heeft niet geleid tot aanpassingen van het voorontwerpbestemmingsplan. Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang zijn onder meer Waterschap Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant bij dit plan betrokken. Een verslag van dit wettelijk vooroverleg is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het vooroverleg heeft niet geleid tot aanpassingen van het voorontwerpbestemmingsplan. Zienswijzenprocedure Het opgestelde ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd, na voorafgaande publicatie in het Gemeenteblad. Gedurende de periode van terinzagelegging is het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar geweest op de website

45

www.ruimtelijkeplannen.nl en analoog raadpleegbaar in het gemeentehuis. Niemand heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om zijn of haar zienswijze(n) op het plan kenbaar te maken. Het plan is dan ook niet gewijzigd nadat het als ontwerp ter inzage heeft gelegen.

46

Separate bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3.

Standaard Verantwoording Groepsrisico Eindverslag inspraakprocedure voorontwerpbestemmingsplan Eindverslag overleg ex. artikel 3.1.1 Bro voorontwerpbestemmingsplan

47

Bijlage:

Standaard Verantwoording Groepsrisico Gemeente Goirle

Opdrachtgever: N. Oosterbeek, gemeente Goirle Uitvoering L. Jansen, M. van der Wielen, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Datum 11 januari 2016

Standaard Verantwoording Groepsrisico Inleiding Deze standaard verantwoording groepsrisico betreft alle risicobronnen die kunnen leiden tot een groepsrisico, zoals Bevi-inrichtingen, buisleidingen en autowegen. In deze standaard verantwoording worden binnen de gemeente aanwezige risicobronnen beschouwd, alleen indien hiertoe aanleiding bestaat wordt een specifieke bron specifiek benoemd. Deze standaard verantwoording wordt toegepast op grond van art. 13 voor Wro-besluiten en omgevingsvergunningen Wabo voor afwijken van bestemmingsplan of beheersverordening. Voor het groepsrisico moet worden beschouwd welke populatie wordt getroffen door een ongeval met gevaarlijke stoffen. De gevolgen van het onderhavige bestemmingsplan/Wabo-besluit voor het groepsrisico zijn bekend en vormen samen met de aanwezige mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van in de nabijheid aanwezige personen de basis voor de verantwoording groepsrisico. Voor een verantwoording van het groepsrisico dient de Veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen. De Veiligheidsregio heeft ervoor gekozen om in vooraf bepaalde situaties een standaardadvies af te geven.

In het standaardadvies wordt in het kader van de verantwoording aandacht besteed aan de volgende aspecten: Mogelijk te treffen maatregelen ter verbetering van de veiligheid; Mogelijkheden voor de rampenbestrijding; Mate van zelfredzaamheid van de aanwezigen Dit standaard advies, van 18 december 2015 is betrokken in onderstaande verantwoording. In de volgende paragrafen worden: • Het toepassingsgebied van deze standaardverantwoording nader toegelicht. • De groepsrisico’s van risicobronnen nader toegelicht. • De bestrijding van de calamiteit en de zelfredzaamheid in relatie tot het standaard advies van de Veiligheidsregio nader uitgewerkt. Er wordt afgesloten met een verantwoording. Voor deze standaardverantwoording is verder van belang: • Een ‘relevante toename van het groepsrisico’ is voor Goirle een toename van het groepsrisico van 10% of meer; • De Veiligheidsregio hanteert in haar standaardadvies invloedsgebieden die soms hoger zijn dan wettelijk of bij vergunning op basis van een QRA zijn vastgelegd. Een voorbeeld is het invloedsgebied van een LPG-tankstation. Deze is 150 meter in plaats van 200 meter. Waar dit van toepassing is, zullen wij het standaardadvies van de Veiligheidsregio conform de wettelijk bepaalde of bij vergunning vastgelegde invloedsgebieden hanteren.

Toepassing Deze standaard verantwoording groepsrisico geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen: • Buiten de 750 meter van een niet categoriale Bevi-inrichting1 of indien een kleinere invloedsgebied is vastgesteld en vastgelegd dan geldt deze kleinere afstand én; • Buiten de 200 meter van een categoriale Bevi-inrichting2, autoweg,3 4 of buisleiding5 of indien de wettelijk vastgelegde afstand kleiner is dan 200 meter deze kleinere afstand. Het beleid van de Veiligheidsregio ten aanzien van nieuwe bijzonder kwetsbare objecten is dat deze zoveel mogelijk geweerd dienen te worden binnen 750 meter van een niet-categoriale Bevi inrichting en nieuwe bijzonder kwetsbare objecten binnen 200 meter van een categoriale Bevi inrichting en risicovolle infrastructuur. 1 Inrichting waarvoor een QRA is opgesteld

Inrichting waarvoor vaste afstanden gelden voor plaatsgebonden risico en invloedsgebied (tabellen Revi) Wegen zoals opgenomen in het Basisnet of overige wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt 4 Waterweg en Spoorweg is niet van toepassing 5 Leiding waarop het Bevb van toepassing is 2

3

Daarnaast wordt opgemerkt dat binnen de randvoorwaarden voor het standaard advies van de Veiligheidsregio meer ontwikkelingen zijn toegelaten dan waarop deze standaardverantwoording betrekking heeft. Het betreft ontwikkelingen voor zover gelegen op een afstand van 30 meter tot 200 meter van een categoriale Bevi-inrichting, autoweg of buisleiding. De Veiligheidsregio acht het standaardadvies binnen deze zone alleen niet toepasbaar wanneer sprake is van nieuwe bijzonder kwetsbare objecten. Echter deze ontwikkelingen hebben mogelijk een significante toename van het groepsrisico tot gevolg. Voor deze situaties dient dan ook een verantwoording groepsrisico te worden opgesteld en kan niet worden volstaan met onderhavige standaard verantwoording. Concluderend is het toepassingsgebied van onderhavige standaard verantwoording opgenomen in onderstaande tabel: Tabel: Toepassingsgebied standaard verantwoording bij ontwikkelingen van (beperkt) kwetsbare of bijzonder kwetsbare objecten

Risicobron

Afstand ontwikkeling

Categoriale Bevi-inrichtingen Niet-categoriale Bevi-inrichting Transportroutes Buisleidingen

> Invloedsgebied of 200 m > Invloedsgebied of 750 m > 200 m > Invloedsgebied of 200 m

Voor toepassing van deze standaardverantwoording zijn de afstanden voor niet-categoriale inrichtingen (750 m) en categoriale inrichtingen (200 m) leidend, tenzij het invloedsgebied van betreffende inrichting, transportroute of buisleiding kleiner is. In dergelijke gevallen is het werkelijke invloedsgebied bepalend of verantwoording van het groepsrisico van toepassing is.

Groepsrisico Het groepsrisico als gevolg van aanwezige risicovolle inrichtingen ligt in alle gevallen onder de oriëntatiewaarde. De belangrijkste transportroutes voor gevaarlijke stoffen zijn de A58 en N630. Voor het traject van de A58 ter hoogte van de gemeente Goirle is sprake van een groepsrisico, waarvan de waarde hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, maar lager dan de oriëntatiewaarde. Voor de N630 geldt dat de jaarintensiteiten gevaarlijke stoffen dusdanig gering zijn, dat sprake is van een laag groepsrisico welke onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt. De binnen de gemeente Goirle gelegen buisleidingen, die relevant zijn voor externe veiligheid, betreffen voornamelijk aardgasleidingen. Met uitzondering van de leidingen Z-528-04 en A-657, A-532, welke gelegen zijn aan de zuidzijde van de kern Goirle, zijn alle leidingen gelegen in het buitengebied. Voor de leidingen Z528-04 en A-657, A-532, is sprake van een laag groepsrisico. De waarde voor alle leidingen is gelegen onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen op dusdanige afstand dat de ruimtelijke ontwikkeling, ook indien sprake is van toename van het aantal aanwezigen, niet leidt tot een relevante toename van het groepsrisico.

Bestrijding calamiteit en zelfredzaamheid Scenario’s De scenario’s waardoor het plangebied getroffen kan worden, is afhankelijk van de aanwezige risicobronnen. De meest voorkomende scenario’s welke zich kunnen voordoen, zijn hier beschreven. Toxisch scenario Dit scenario is van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen een giftig (toxisch) invloedsgebied: Er komt een wolk met giftige stoffen vrij die zich verspreid in de omgeving. Deze kan ontstaan als gevolg van: een brand bij een inrichting met gevaarlijke stoffen (giftige verbrandingsproducten, rookwolk).

-

het lek raken van een container/tankwagen/etc. met gevaarlijke stoffen (door uitdamping verspreiding in de omgeving).

Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen ernstige gezondheidsschade oplopen en kwetsbare groepen (longpatiënten) kunnen in het ‘worstcase scenario’ overlijden. Overige gevolgen zijn irritatie van de luchtwegen en branderige ogen. Incident met brandbare gassen Scenario van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen de effectafstanden van een explosie: Een explosie kan optreden bij een LPG tankstation, bij een inrichting of bij het transport van onder druk vervoerd gas (weg). Door het instantaan falen, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeluk, komt de inhoud spontaan en explosief vrij. De stof zal waarschijnlijk ontbranden wat eveneens voor schade zorgt. Het ‘worst-case scenario’ is dat een tank door een externe brand wordt opgewarmd, waardoor deze door oplopende interne druk faalt. Hierdoor komt de inhoud onder zeer grote druk explosief vrij en ontbrandt direct. De warmtestraling en overdruk in de omgeving is direct dodelijk zowel binnen als buiten gebouwen. Op grotere afstand zullen aanwezigen (brand)wonden oplopen. Daarnaast ontstaat schade aan gebouwen zijn als gevolg van de druk. Fakkelbrand Scenario van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen de effectafstanden van een fakkelbrand: Dit scenario treedt op bij transportleidingen voor aardgas.

Door een lekkage, scheur of volledige breuk van de buisleiding kan het aardgas vrijkomen en tot ontbranding worden gebracht door een ontstekingsbron in de nabijheid. Het vrijgekomen aardgas zal hierbij in brand vliegen wat gepaard gaat met een druk en hevige hitte ontwikkeling in de vorm van een fakkelbrand. Door de hitte kunnen personen overlijden en/of brandwonden oplopen. Mogelijk te treffen maatregelen te verbetering van de zelfredzaamheid Afsluitbare mechanische ventilatie bij toxisch scenario De Veiligheidsregio adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd. De detaillering van gevels, ramen en kozijnen volgt uit het Bouwbesluit 2012. Belangrijk is het controleren van een juiste uitvoering hiervan tijdens de bouw. Het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie kan niet middels het Bouwbesluit worden afgedwongen. Om de toepassing hiervan te bevorderen wordt hierover actief gecommuniceerd met initiatiefnemers van bouwprojecten. Risicocommunicatie De Veiligheidsregio adviseert om actief te communiceren met gebruikers/bewoners van het invloedsgebied over de risico’s en mogelijk te nemen maatregelen. Dit vraagt om een actief beleid op het gebied van risicocommunicatie.

Op het gebied van risicobeheersing stelt de Veiligheidsregio in haar beleidsplan zich ten doel extra inspanningen te verrichten op het gebied van risicocommunicatie. Samen met de andere Brabantse Veiligheidsregio’s wordt hiervoor een plan ontwikkeld, waarbij gemeenten nadrukkelijk worden betrokken. Binnen de gemeente Goirle is besloten om de wettelijke lijn te volgen. Dit is ook als zodanig vastgesteld in het borgingsdocument van de gemeente. Ontruimingsplan Het stimuleren van inrichtingshouders om aandacht te besteden aan hun ontruimingsplannen bij externe incidenten draagt bij aan een verhoging van de veiligheid. Instellingen en bedrijven zijn op grond van de Arbowet verplicht een risico-inventarisatie uit te voeren. Uit deze inventarisatie volgt of een BHV-organisatie ingesteld moet worden. Door de handhavers wordt hieraan structureel aandacht aan gegeven bij het uitvoeren van hun toezichtstaken. De Veiligheidsregio heeft in samenwerking met de gemeente Moerdijk een alerteringssysteem voor calamiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven ontwikkeld. De Veiligheidsregio wil dit systeem (CBIS) gaan toepassen voor de gehele Veiligheidsregio. Toepassing van dit systeem zal bewustzijn van gevaren en communicatie bevorderen.

Alle bedrijven binnen de gemeente kunnen zich inmiddels aanmelden voor dit systeem via de website : www.cbisbrabant.nl Mogelijkheden voor de rampenbestrijding

Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Incident met brandbare gassen Noodzakelijk voor het voorkomen van een explosie is. Tijdige aankomst brandweer; Tijdige bereikbaarheid tankwagen of ketelwagon; Tijdige beschikbaarheid bluswater. Inzet waterkanonnen voor tweezijdige koeling tankwagen of ketelwagon. Indien de explosie niet voorkomen kan worden, is het relevant dat er voldoende bluswatervoorzieningen zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is. Aanrijtijden In het geval van een incident in het plangebied is de brandweer binnen de bestuurlijke vastgestelde tijden aanwezig (na te gaan via www.brandweermwb.nl/brandveiligheid/ brandweerbereikbaarheid).

Indien voor het plangebied of een deel ervan niet kan worden voldaan aan de vastgestelde tijden kan aan de hand van de door de Veiligheidsregio ontwikkelde toolbox, maatregelen worden getroffen om de veiligheid te verhogen. Belangrijk hierbij is de informatievoorziening richting de gebruikers/bewoners van een gebied waar de aanrijtijden niet worden gehaald. Toepassing van de toolbox kan een middel zijn om de veiligheid, door zelfredzaamheid en bewustzijn van de gevaren, te verhogen. De gemeente Goirle is voornemens om de toolbox te implementeren. WAS (Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie) Binnen de bebouwde kom van de gemeente is de WAS-dekking veelal voldoende. Daarnaast is NL-alert voor het gehele grondgebied operationeel via mobiele telefonienetwerk. Bluswatervoorziening Binnen de gemeente is een overzicht beschikbaar van de bluswatervoorziening. De Veiligheidsregio heeft deze (grote) bronnen geïnventariseerd. Op grond van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan benodigde bluswatervoorziening. Op verzoek van de Veiligheidsregio wordt, indien het plangebied een nieuw uitbreidingsplan, industrieterrein met BRZO-inrichtingen of een grootschalige ontwikkeling betreft, in dit kader advies gevraagd met betrekking tot bluswatervoorziening. Bereikbaarheid De gemeente heeft een hoofdwegenstructuur voor de brandweer vastgesteld.

Deze hoofdwegenstructuur voldoet aan de eisen die de brandweer hieraan stelt. Mate van zelfredzaamheid van de aanwezigen De zelfredzaamheid van aanwezigen in het plangebied hangt van diverse factoren af. In onderstaande tabel is de zelfredzaamheid voor een aantal standaard functies beoordeeld.

Scenario

Toxisch (giftig)

Explosie

Gebouwtype

Woning Kantoor Detailhandel Bedrijf Bijzonder Kwetsbaar Woning Kantoor Detailhandel Bedrijf Bijzonder Kwetsbaar

Afwegingscriteria Fysieke Zelfstandig gesteldheid heid personen personen + + + + -

+ + + + -

Alarmeringsmogelijkheden personen en aanwezigen +/+ + +/+

+ + + + -

+ + + + -

+/+ + +/+

VluchtMogelijkheden Gebouw & omgeving + + + +/+

GevaarInschattingsmogelijkheden scenario +/+/+/+/+/-

+/+/+/+/+/-

+/+/+/+/+/-

Over het algemeen wordt geconcludeerd dat de zelfredzaamheid redelijk tot goed is. Voor bijzonder kwetsbare objecten waar verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn (zoals kinderdagverblijf en zorginstelling) is de zelfredzaamheid beperkt. Eerder genoemde maatregelen en voorzieningen verbeteren de vlucht- en schuilmogelijkheden en daarmee ook de zelfredzaamheid van personen in het plangebied.

Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er personen in het plangebied worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s, ook na het treffen van maatregelen. De besproken maatregelen dragen wel bij aan het verminderen van de gevolgen die zich voordoen bij een van de besproken scenario’s. De Veiligheidsregio is voldoende ingericht om tijdig de noodzakelijke hulpverleningscapaciteit van de beschreven scenario’s te leveren. Op basis van de beschouwde scenario’s en het gelijkblijvende groepsrisico acht de gemeente het Wro- of Wabobesluit verantwoord.

Eindverslag inspraakprocedure voorontwerpbestemmingsplan “’t Hoefke 6 (Riel)"

Gemeente Goirle Afdeling Ontwikkeling Postbus 17 5050 AA Goirle

INHOUDSOPGAVE

1. Overzicht van de gevolgde procedure 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.

Algemeen Object van inspraak Subject van inspraak Inspraakprocedure

2. Tenslotte

2

1. Overzicht van de gevolgde procedure. 1.1. Algemeen. Artikel 150 van de Gemeentewet draagt de gemeenteraad op een inspraakverordening vast te stellen, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken. Deze verordening is de door de gemeenteraad van Goirle op 20 december 2005 vastgestelde "Inspraakverordening Goirle" (hierna te noemen: de inspraakverordening). Ten aanzien van bestemmingsplannen is op 14 december 2010 door de gemeenteraad besloten inspraak te verlenen. Tevens is een inspraakprocedure vastgesteld (zie paragraaf 1.4. Inspraakprocedure). Conform artikel 5 van de inspraakverordening van de gemeente Goirle, dienen burgemeester en wethouders ter afronding van de inspraak een eindverslag op te maken. Voorliggend stuk behelst dit verslag en bestaat, zoals voorgeschreven in artikel 5, tweede lid, onder a, b, en c, van de inspraakverordening, uit een overzicht van de gevolgde procedure. 1.2. Object van inspraak. Object van inspraak is het voorontwerpbestemmingsplan "’t Hoefke 6”. 1.3. Subject van inspraak. Inspraak is verleend aan ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. 1.4. Inspraakprocedure.

De wijze waarop inspraak wordt gegeven is geregeld in de inspraakverordening, zoals deze door de gemeenteraad op 20 december 2005 is vastgesteld. Artikel 4, tweede lid, van de inspraakverordening bepaalt dat ons college voor één of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure kan vaststellen, waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de inspraakverordening (waarin een standaardprocedure is opgenomen). Van deze mogelijkheid hebben wij op 14 december 2010 gebruik gemaakt, waarbij de volgende inspraakprocedure is vastgesteld. 1. Burgemeester en wethouders leggen het voorontwerpbestemmingsplan, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan, ter inzage. 2. Voorafgaand aan de terinzagelegging geven burgemeester en wethouders in één of meer dag- of nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van de terzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud. 3. In de kennisgeving als bedoeld onder 2, wordt vermeld: - waar en wanneer de stukken ter inzage liggen; - wie in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen naar voren brengen en - op welke wijze dat kan geschieden. 4. Insprekers kunnen bij burgemeester en wethouders schriftelijk een zienswijze omtrent het voorontwerpbestem-mingsplan naar voren brengen.

5. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen bedraagt drie weken. De termijn vangt aan met de dag, waarop het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. De artikelen 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. 3

Het voorontwerpbestemmingsplan met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan hebben gedurende drie weken ter inzage gelegen. Hiervan is kennis gegeven op de gemeentelijke website, in het plaatselijke nieuws- en advertentieblad "Goirles Belang", alsmede op de in de gemeente gebruikelijke wijze door middel van aankondiging van de bekendmaking op het gemeentelijke publicatiebord. Gedurende de termijn van terinzagelegging konden ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden schriftelijk zienswijzen omtrent het voorontwerpbestemmingsplan naar voren brengen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Schriftelijke zienswijzen. Van de mogelijkheid om een inspraakreactie naar voren te brengen is geen gebruik gemaakt.

2. Tenslotte. De inspraakprocedure heeft niet geleid tot aanpassingen van het voorontwerpbestemmingsplan. Dit eindverslag zal ter kennis worden gebracht van de gemeenteraad . Goirle, 27 juli 2022 namens burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, de planologisch-juridisch medewerker,

4

Verslag van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening ten aanzien van het voorontwerp bestemmingsplan "’t Hoefke 6 (Riel)" Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening schrijft voor dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op grond van dit artikel is het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan onderstaande instanties met het verzoek om vóór afloop van de inspraaktermijn te reageren: 1. Provincie Noord-Brabant; 2. Waterschap Brabantse Delta; 3. Ministerie van Defensie; 4. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; 5. Rijkswaterstaat Zuid-Nederland. De ontvangen reacties zijn in onderstaande tabel samengevat weergegeven. In de volgende kolom is de reactie van de gemeente weergegeven en de laatste kolom geeft de gevolgen voor het plan weer. Reactie diverse instanties Reactie gemeente Gevolgen voor het plan 1. Provincie Noord-Brabant. De provincie heeft bij mail van 7 juni 2022 aangegeven geen opmerkingen te hebben. 2. Waterschap Brabantse Delta Het waterschap heeft bij brief van 23 juni 2022 aangegeven geen opmerkingen te hebben. 3.

Ministerie van Defensie Het ministerie heeft niet gereageerd. 4. Ministerie van Economie, & Klimaat Het ministerie heeft niet gereageerd. Rijkswaterstaat Zuid5. Nederland Rijkswaterstaat heeft niet gereageerd.

GEMEENTE GOIRLE

B E S T E M M I N G S P L A N H E T H O E F K E 6, R I E L

: BESTEMMINGSPLANNUMMER : SCHAAL VAN DE VERBEELDING : STATUS PLAN : DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP : DATUM VASTSTELLING : DATUM UITSPRAAK ABRS : DATUM INWERKINGTREDING : DATUM ONHERROEPELIJK : NAAM EN ADRES OPSTELLER : GEMEENTE

GOIRLE

NL.IMRO.0785.BP2021010HOEFKEZES-VG01 1:500 VASTGESTELD 22 SEPTEMBER 2022

PLAN ROS, TORENALLEE 20, 5017 BC EINDHOVEN

PLANREGELS

2

Inhoudsopgave Inhoudsopgave .................................................................................................................3 Hoofdstuk 1.

Inleidende regels .......................................................................................4

Artikel 1.

Begrippen .......................................................................................................... 4

Artikel 2.

Wijze van meten.............................................................................................. 15

Hoofdstuk 2.

Bestemmingsregels .................................................................................. 17

Artikel 3.

Agrarisch - Landschaps- en Natuurwaarden ................................................... 17

Artikel 4.

Bedrijf .............................................................................................................. 20

Artikel 5.

Waarde - Archeologie...................................................................................... 24

Hoofdstuk 3.

Algemene regels ...................................................................................... 26

Artikel 6.

Anti-dubbeltelregel ......................................................................................... 26

Artikel 7.

Algemene bouwregels ..................................................................................... 26

Artikel 8.

Algemene gebruiksregels ................................................................................ 27

Artikel 9.

Algemene aanduidingsregels .......................................................................... 28

Artikel 10.

Algemene afwijkingsregels .............................................................................. 29

Artikel 11.

Algemene wijzigingsregels .............................................................................. 30

Artikel 12.

Algemene procedureregels ............................................................................. 31

Hoofdstuk 4.

Overgangs- en slotregels .......................................................................... 32

Artikel 13.

Overgangsrecht ............................................................................................... 32

Artikel 14.

Slotregel .......................................................................................................... 32

Bijlagen bij regels .............................................................................................................. 34 Bijlage 1.

Staat van Bedrijfsactiviteiten .......................................................................... 34

3

Hoofdstuk 1. Artikel 1.

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: Plan: het bestemmingsplan ‘Het Hoefke 6, Riel’ met NL.IMRO.0785.BP2021010Hoefkezes-vg01 van de gemeente Goirle.

identificatienummer

Bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; aan huis verbonden bedrijf: het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke -geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen- bedrijvigheid dat door tenminste één bewoner in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning of de daarbij behorende bijgebouwen past, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie, in ruimtelijke en visuele zin blijft behouden, en de activiteit ter plaatse kan worden uitgeoefend, waaronder een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit behoort, met dien verstande dat de activiteit niet vergunningplichtig is ingevolge de Wet milieubeheer en is vermeld in categorie 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels) of voor wat betreft de aard en omvang in relatie tot de milieuhinder die de bedrijfsactiviteit veroorzaakt, gelijk gesteld

kan worden met een bedrijf dat behoort tot één van deze categorieën; aan huis verbonden beroep: een beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig of hiermee te vergelijken gebied - niet zijnde detailhandel, dat door tenminste één bewoner van een woning in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie blijft behouden, en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke en visuele uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; afgewerkt bouwterrein: de gemiddelde hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, omringende grond;

4

afhankelijke woonruimte: een (gedeelte van een) bijgebouw, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de (bedrijfs)woning, waarbij dit bijgebouw hoort, en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest; ander werk: een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid; archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling, dat voldoet aan de meest actuele versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), met als resultaat het overleggen van een archeologische rapportage zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden; bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; bedrijf: een inrichting of instelling, gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; bedrijfsvloeroppervlak: de totale binnenwerkse oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke; bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een

terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; begane grond: de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau danwel waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1,50 meter boven meetniveau is gelegen. Onder een begane grondlaag wordt eveneens een souterrain verstaan; bestaande situatie (bebouwing en gebruik): a. legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals deze mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning;

5

b. het legale gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; bevoegd gezag: bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wabo; bijgebouw: een al dan niet vrijstaand gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk; bouwgrens: de grens van een bouwvlak; bouwlaag: een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang van hout, steen of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect en duurzaam met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun

vindt in of op de grond;

6

buitenrijbaan: een niet overdekte piste voorzien van een bewerkte aangepaste bodem waarin training en africhting van paarden kan plaatsvinden; cultuurhistorische waarden: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; dagrecreatie: het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de woning, zonder dat daar een overnachting elders mee gepaard gaat; dak: de bovenafdichting van een gebouw; detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde een supermarkt; dienstverlening: het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; ecologische verbindingszone: een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur); erfbeplanting: visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of

een terrein met een andere functie; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overigen); extensief recreatief medegebruik: een recreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, waarbij de aan de gronden toegekende waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1444/documents/24828