03 Raadsvoorstel Concept Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2023.pdf
Tekst van het document
Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend. Lid 1 onder h. leefeenheid: Personen die met elkaar een leefeenheid vormen worden geacht elkaar gebruikelijke hulp te verlenen. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende
Zaaknummer 2022-019045
28
Agendapunt:
kinderen of andere huisgenoten. Voor gebruikelijke hulp worden geen voorzieningen verstrekt. Lid 1 onder i. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Lid 1 onder j. pgb: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder k. sociaal netwerk: Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals vrienden, kennissen, buren, medeleden van een vereniging etc. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een cliënt zich meldt met een hulpvraag. Lid 1 onder l uitvoeringsbesluit: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder m. wet: Deze bepaling spreekt voor zich.
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de cliënt de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt
Zaaknummer 2022-019045
29
Agendapunt:
geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de melding en aanvraag- fase zijn opgenomen in het volgende hoofdstuk. Artikel 2. Melding De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. Een inwoner met een hulpvraag gaat eerst in gesprek met het Dorpsteam. Bij het Dorpsteam wordt breed gekeken naar de achtergrond van de hulpvraag, de eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk en andere oplossingen zoals genoemd in artikel 5 Onderzoek lid 1, 2 en 5. Is het probleem hiermee nog niet opgelost, dan wordt een melding gedaan bij de gemeente. Het onderzoek van of namens de gemeente omvat artikel 5 lid 1 tot en met 8, waarbij we voorkomen dat er dubbele uitvraag wordt gedaan.
In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college of een door het college gemandateerde samenwerkingspartner namens het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor. Artikel 3 Cliëntondersteuning De gemeente heeft samen met de formele en informele cliëntondersteuners werkafspraken gemaakt over het tijdig informeren van inwoners over de beschikbaarheid van onafhankelijke cliëntondersteuning. Deze samenwerkingsafspraken zijn vastgelegd in een intentieverklaring. De betrokken partijen zorgen voor bekendheid en vindbaarheid van de onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel 4 Informatie en identificatie Deze verplichtingen staan al in de wet. Ze worden in de verordening opgenomen voor de duidelijkheid. Het vaststellen van de identiteit is met name van belang bij nieuwe cliënten of als de cliënt niet bekend is bij de medewerker. Artikel 5. Onderzoek
Zaaknummer 2022-019045
30
Agendapunt:
Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt ervanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente of een gemandateerde samenwerkingspartner namens de gemeente en cliënt plaatsvindt. In lid 2 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. De toevoeging ‘indien nodig’ geeft aan dat er redenen kunnen zijn om af te zien van een gesprek. In lid 3 staat dat het pgb als mogelijkheid wordt besproken. Wettelijk gezien is zorg in natura het uitgangspunt en een pgb een volwaardig alternatief als de cliënt aan alle voorwaarden voldoet. Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In artikel 5, lid 6 van deze verordening is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt.
In lid 7 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat er besproken is. In de wet is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening Dit hoofdstuk bevat de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura of als financiële tegemoetkoming ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb als hij dat wenst. Daarmee kan hij zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil inkopen. In dit hoofdstuk is ook opgenomen welke regels er zijn voor een pgb en hoe de hoogte van het pgb wordt bepaald. Artikel 6. Aanvraag In dit artikel staat het formele toegangsproces beschreven. De uitvoering kan op onderdelen in de praktijk verschillend ingericht zijn, maar voldoet wel aan de vorm zoals beschreven. Artikel 7. Algemene criteria In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving.
Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te
Zaaknummer 2022-019045
31
Agendapunt:
verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Op basis van lid 3 kan het college nadere regels stellen. Het college kan bijvoorbeeld uitwerken welke regels gelden voor de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht of gebruikelijke hulp. Artikel 8. Voorwaarden en weigeringsgronden Lid 1 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel compenserend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de cliënt een compenserende voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst compenserende voorziening.
De cliënt kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen. Lid 2 In dit lid is opgenomen wat onder een minimum inkomen wordt verstaan en welke beschikbare middelen met dit inkomen verder kunnen worden aangewend om een algemeen gebruikelijke voorziening te bekostigen. Zie verder de toelichting bij artikel 1 lid 1 onder a. Algemeen gebruikelijk in het kader van wonen zijn in principe de volgende onderdelen: verhoogd toilet, +6 en hoger, losse toiletverhogers; handgrepen aan de muur; een (extra) trapleuning; verlichting, elektriciteit in schuur/berging; anti-slipvloer, anders dan speciale tegels; standaard douchezitje, douchekrukje en douchestoel; zendertjes voor automatische deuren; eenhendelmengkranen; keramische kookplaat; thermostaatkranen;
Zaaknummer 2022-019045
32
Agendapunt:
badplank; Deze lijst is niet uitputtend en kan in de loop van de tijd veranderen. Lid 3 Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt. Lid 4 Dit artikel doelt op de meerkosten zoals van het aanpassen van een eigen auto of de meerkosten van vervangen van de eigen auto door een aangepaste auto; meerkosten van woningaanpassingen bij nieuwbouw of renovatie voor zover deze meer dan algemeen gebruikelijk zijn. Uitgangspunt is dat de positie van de cliënt door een maatwerkvoorziening niet beter of slechter moet worden dan daarvoor het geval was. Lid 5 onder a Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht.
Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).
Zaaknummer 2022-019045
33
Agendapunt:
Lid 5 onder b en c Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Lid 5 onder d Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol.
Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 5 onder e De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Voor het treffen van voorzieningen die gericht zijn op meerdere ingezetenen, zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Lid 5 onder f Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. De Wmo 2015 geeft ten aanzien van de voorzienbaarheid niet meer ruimte dan onder de Wmo 2007. Er mag nog steeds niet van een cliënt gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat
Zaaknummer 2022-019045
34
Agendapunt:
toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22-08-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Lid 5 onder g Wmo 2015 artikel 8.6a - Overgangsrecht maatwerkvoorziening luidt: Artikel 2.3.5, zesde lid, geldt tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip niet voor daar bedoelde cliënten: a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd; b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd; c. die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd. Bij Koninklijk Besluit is het tijdstip voor onderdeel c vastgesteld op 1 januari 2017 (Staatsblad 2016, nr. 514). Dit betekent concreet dat het schoonhouden van de woonruimten voor cliënten met een Wlz-Mpt vanaf 1 januari 2017 onder de Wlz valt. Bij Koninklijk Besluit is het tijdstip voor onderdeel b vastgesteld op 1 januari 2020 (Staatsblad 2019, nr. 438). Dit betekent dat ook voor Wlz-gerechtigden die zonder behandeling in een Wlz-instelling verblijven, hulpmiddelen ter verbetering van de mobiliteit onder de Wlz vallen.
Lid 6 onder a Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke
Zaaknummer 2022-019045
35
Agendapunt:
beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Lid 6 onder b Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Goirle en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Ook bij co-ouderschap is er sprake van één hoofdverblijfplaats. In dit geval is dat het adres waar de cliënt in de Basisregistratie personen is ingeschreven. Dat betekent dat de gemeente waar de minderjarige cliënt staat ingeschreven verantwoordelijk is voor voorzieningen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, uitgezonderd voorzieningen zoals bedoeld in lid 7 onder b.
Lid 7 onder a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken in de eigen woning weg te nemen of door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Lid 7 onder b Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Lid 7 onder c Het bezoekbaar maken van een woning is uitsluitend bedoeld voor een cliënt die is opgenomen in een inrichting op grond van de Wet langdurige zorg, om het mogelijk te maken dat deze persoon belangrijke familieleden kan bezoeken. Het gaat dan om één adres,
Zaaknummer 2022-019045
36
Agendapunt:
bijvoorbeeld dat van de ouders of de partner. Bezoekbaar maken houdt in dat alleen de woonkamer en een toilet toegankelijk en bruikbaar gemaakt behoeven te worden voor de cliënt. Bezoekbaar maken gaat niet zover dat een woning logeerbaar gemaakt hoeft te worden, om een overnachting mogelijk te maken. Lid 7 onder d Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304). Lid 7 onder e Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in lid 5 onderdeel e dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is.
Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Lid 7 onder f Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007
Zaaknummer 2022-019045
37
Agendapunt:
(ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 7 onder g Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was.
Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a. Lid 7 onder h Met deze bepaling wil de gemeente stimuleren dat bij nieuwbouw en renovatie van woongebouwen, ook als deze niet specifiek bedoeld zijn voor mensen met een beperking, bij de planning al rekening gehouden wordt met bewoning door ouderen en mensen met een beperking. Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Lid 8 Op grond van de Wmo 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen bij alle gemeenten. De gemeente Goirle heeft de gemeente Tilburg gemandateerd voor de uitvoering van deze taken. Op basis van lid 8 kan de gemeente Tilburg hierbij het door hen vastgestelde beleid hanteren. Artikel 9 De reikwijdte van maatwerkvoorzieningen Lid 1 De onder a tot en met f genoemde maatwerkvoorzieningen voor zelfredzaamheid en participatie kunnen worden ingezet als oplossingen die worden aangeboden door het
Zaaknummer 2022-019045
38
Agendapunt:
Dorpsteam niet tot het gewenste resultaat leiden of als de voorziening niet valt onder de Zorgverzekeringwet en/of de Participatiewet. Lid 2 Met de onder a tot en met e genoemde regels in dit artikel wordt geregeld dat voor woonvoorzieningen de goedkoopst compenserende oplossingen worden ingezet. Ook wordt daarbij rekening gehouden met de eigen verantwoordelijkheid en worden inwoners gestimuleerd om op eigen kracht te zorgen voor een geschikte woning die passend is bij de leefsituatie. Lid 3 In de Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning 2022 zijn de uitvoeringsregels voor de huishoudelijke ondersteuning nader uitgewerkt. Lid 4 onder c De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een cliënt 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 0606-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496).
Als de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om de noodzaak hiervan aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. Artikel 10. Toegang en besluit Lid 1 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening. Lid 2
Zaaknummer 2022-019045
39
Agendapunt:
De inwoner meldt zich met een ondersteuningsvraag bij het Dorpsteam. Door de juiste vragen te stellen kijkt het Dorpsteam eerst of de inwoner het zelf kan, met het eigen netwerk kan, of dat de ondersteuning in de lokale sociale basisstructuur plaats kan vinden. Alleen als de inwoner het niet zelf kan, het sociaal netwerk of voorliggende voorzieningen niet beschikbaar of geschikt zijn, wordt de inwoner bij een ondersteuningsvraag waarvoor een maatwerkvoorziening begeleiding of beschermd wonen nodig is doorverwezen naar de samenwerkingspartner en wordt een melding gedaan bij het college. Het intakegesprek voor een maatwerkvoorziening begeleiding vindt plaats tussen de inwoner en de professional van de samenwerkingspartner, waarbij direct vanuit die expertise doelen worden vastgelegd, voor een bepaalde periode. Dit wordt opgenomen in het plan van aanpak. In dit plan van aanpak staat ook vermeld welke ondersteuning wordt ingezet met welke aard en omvang. Het plan van aanpak is de beschikking. Als de inwoner niet akkoord gaat en hij/zij komt er met de aanbieder niet uit, kan de inwoner met het plan van aanpak gebruik maken van de bezwaar- en beroepsprocedure van de gemeente. Om deze werkwijze mogelijk te maken wordt de contractpartner gemandateerd om namens het college van burgemeester en wethouders te beslissen over de aard en omvang van de ondersteuning.
Het plan van aanpak krijgt hiermee de status van een formeel besluit of beschikking. Deze werkwijze wordt alleen toegepast voor de maatwerkvoorzieningen begeleiding en beschermd wonen via zorg in natura. Voor overige maatwerkvoorzieningen worden beschikkingen op de klassieke wijze afgegeven door het college. Lid 3 Deze bepaling regelt dat van een cliënt wordt verwacht dat binnen 3 maanden de indicatie wordt ‘verzilverd’ door zich te melden bij de aanbieder of de financiële tegemoetkoming of het pgb te besteden. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig gewijzigd is, dat eigenlijk een nieuwe beoordeling nodig is. Voldoet de cliënt niet aan deze voorwaarde, dan kan dit aanleiding zijn om de maatwerkvoorziening in te trekken. De cliënt voldoet dan niet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb (artikel 2.3.10 van de wet). Artikel 11. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. De vorm van de beschikking is vrij. Zoals vermeld in artikel 10 kan dit dus ook een plan van aanpak zijn.
Zaaknummer 2022-019045
40
Agendapunt:
Artikel 12. Regels voor een pgb Lid 1 Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Lid 2 In dit lid onder a, b en c worden weigeringsgronden genoemd voor het verstrekken van een pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk. Het betalen van hulp die anders zonder betaling geleverd zou worden door het sociale netwerk van de cliënt wordt niet wenselijk geacht. Er is dan immers sprake van gebruikelijke hulp. Als de hulp door een mantelzorger meer gaat omvatten dan wat gebruikelijk geacht wordt, is er sprake van bovengebruikelijke hulp. Iedere situatie moet hiervoor apart beoordeeld worden. Het college kan onder meer de volgende vragen onderzoeken: - het type hulp dat wordt geleverd (bijv.
boodschappen doen versus het huis schoonhouden) - de frequentie van de hulp (bijv. 1 keer per maand versus 4 keer per week) - is er sprake van tijdelijke hulp of hulp over een langere periode - de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?) Met name dit laatste geldt als zwaarwegend punt. Als mantelzorg te zwaar dreigt te worden kan mantelzorgondersteuning noodzakelijk zijn. Voorkomen moet worden dat betaling met een pgb een reden is voor mantelzorgers van de cliënt die door (dreigende) overbelasting niet in staat zijn gebruikelijke hulp te leveren, dit alsnog doen. Hierdoor zou met het pgb een onwenselijke situatie in stand gehouden kunnen worden. Beloning van het sociale netwerk moet in elk geval beperkt blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Onder c tot en met g worden weigeringsgronden genoemd die zowel voor hulp uit het sociaal netwerk als voor professionele hulpgelden. In de bepaling onder d over kwalitatief goede ondersteuning wordt mede het resultaat van de ondersteuning bedoeld. Lid 3 en lid 4
Zaaknummer 2022-019045
41
Agendapunt:
In lid 3 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (lid 4). Lid 5 Bij beschermd wonen is het niet mogelijk om een pgb in te zetten voor de wooncomponent omdat juist het gebrek aan regievaardigheden maakt dat beschermd wonen noodzakelijk is. De noodzaak van duurzame ondersteuning bij het beheer van het pgb mag niet betaald worden uit het pgb en deze rol mag niet door de zorgaanbieder worden vervuld. Dit maakt dat voor de wooncomponent van beschermd wonen geen pgb kan worden verstrekt, alleen voor de component begeleiding. Lid 6 Een pgb wordt niet met terugwerkende kracht verstrekt. Er zou dan immers al een betalingsverplichting aangegaan worden zonder dat er een onafhankelijk onderzoek heeft kunnen plaatsvinden naar de motivatie en pgb-vaardigheid van de cliënt en de veiligheid, doelmatigheid en cliëntgerichtheid van de zorgaanbieder. Lid 7 Op basis van lid 5 is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stopgezet.
Lid 8 De maatwerkvoorziening begeleiding is vormgegeven met een taakgericht contract. Dit heeft tot gevolg dat deze maatwerkvoorziening niet meer bestaat uit afzonderlijke producten met een daaraan gekoppeld tarief, waarvan het pgb kan worden afgeleid. Het college heeft daarom voor het vaststellen van de omvang van begeleiding, daginvulling, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf een expertadvies nodig om het besluit inhoudelijk te onderbouwen. De samenwerkingspartner (begeleiding zorg in natura) kan deze rol vervullen. Lid 9 Voor materiële voorzieningen zoals woonvoorzieningen en hulpmiddelen heeft een budgetplan geen toegevoegde waarde. Daarom wordt het pgb voor een zaak op basis van een offerte verstrekt. In het plan van aanpak wordt onder andere het doel van de besteding van het pgb en het pakket van eisen vastgelegd.
Zaaknummer 2022-019045
42
Agendapunt:
Artikel 13. Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp en huishoudelijke ondersteuning geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener tot het sociaal netwerk van de cliënt behoort. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de cliënt of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. In lid 3 onder a zijn informele hulpverleners bedoeld die niet tot het sociaal netwerk behoren, maar ook niet tot de formele professionals gerekend kunnen worden. Dit zijn bijvoorbeeld personen die betaald huishoudelijke hulp of assistentie bij dagelijkse persoonlijke verzorging verrichten, maar niet tot het sociale netwerk behoren en ook niet voldoen aan de kwalificaties van een formele zorgaanbieder. Artikel 14. Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.
Zaaknummer 2022-019045
43
Agendapunt:
Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een zaak, bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in naturatarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald. Lid 2 Het pgb hoeft niet gebaseerd te zijn op de prijs van een nieuwe voorziening. Met name bij hulpmiddelen kan er een geschikte tweedehands voorziening beschikbaar zijn die goedkoper is dan een nieuwe voorziening. Het pgb wordt dan afgestemd op de resterende economische afschrijvingsduur. Lid 3 Het pgb voor vervoer wordt afgeleid van de natura-voorziening die hiervoor beschikbaar is, namelijk het collectief vervoer. Lid 4 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele hulp, zoals volgt uit artikel 13 lid 2 onder a en b. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Een tarief van 85% van het uurtarief voor zorg in natura bij een gecontracteerde aanbieder is voldoende om op de vrije markt bij tenminste één aanbieder ondersteuning te kunnen inkopen.
Het verschil van 15% met het uurtarief in natura is verklaarbaar doordat een gecontracteerde aanbieder meer administratieve en verantwoordingsverplichtingen heeft aan de gemeente. Een zorgaanbieder in de vrije markt heeft deze verplichtingen niet. Lid 5 Bij het inzetten van een pgb voor informele hulp kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling is geregeld dat het informeel pgb-tarief wordt vastgesteld op 125% het wettelijk minimumloon. De cliënt kan daarmee altijd aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk,
Zaaknummer 2022-019045
44
Agendapunt:
waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend. Lid 6 Het pgb tarief voor huishoudelijke ondersteuning wordt vastgesteld op 125% van het wettelijk minimumloon voor zowel formele als informele hulp. Hiermee is voor verschillende soorten van arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht duidelijkheid over het pgb-tarief. Ook is het uurloon hiermee ongeveer gelijk aan het niveau van een huishoudelijk medewerker die zorg in natura levert. Lid 7 In deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). Tegelijkertijd moet het pgb toereikend moet zijn om de zorg en ondersteuning in te kopen (artikel 2.3.6 lid 1 van de wet). Het college moet daarom in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde voorziening kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen voorziening bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht.
Dit uitgangspunt sluit aan bij jurisprudentie over de hoogte van het pgb (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Artikel 15 Financiële tegemoetkoming Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een cliënt krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. De cliënt is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren zorg dan wel voorziening. In verschillende uitspraken heeft de CRvB aangegeven dat de definitie van maatwerkvoorziening in artikel 1.1.1 Wmo 2015 ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395, CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:396,CRvB 27-3-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1166). Een financiële tegemoetkoming hoeft niet precies toereikend te zijn voor de kosten van een voorziening. Wel moet het een redelijk bedrag zijn dat een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt.
Zaaknummer 2022-019045
45
Agendapunt:
Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen. Artikel 16. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Lid 1 Het college vraagt een bijdrage in de kosten aan de cliënt, zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening in natura, de financiële tegemoetkoming of het pgb. Lid 2 Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing. Voorwaarde voor het kunnen vragen van deze bijdrage in de kosten, is dat dit door de gemeenteraad als zodanig in de verordening is bepaald. Deze bepaling is opgenomen om in het onderzoek naar de goedkoopst passende woonvoorziening alle opties, waaronder verhuizen naar een meer geschikte woning, open te houden. Lid 3 De gemeente kan ook voor het gebruik van een algemene voorziening (behalve voor cliëntondersteuning) een bijdrage in de kosten van de gebruiker vragen. Als de gemeente dit wenst, dan moet dit in de verordening worden geregeld. Artikel 17. Hoogte bijdrage in de kosten Lid 1, lid 2, lid 3, lid 4 en lid 11 In lid 1 is geregeld voor welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen het zogenaamde abonnementstarief van € 19,- per maand geldt.
Uit de wet volgt dat het abonnementstarief verplicht is voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie is er in belangrijke mate sprake van persoonlijke hulpverlening, is arbeid verreweg de grootste kostencomponent, is de continuïteit van de band tussen cliënt en hulpverlener belangrijk voor de ondersteuning van de cliënt en wordt er langdurig gebruik gemaakt van de voorziening. Voorbeelden zijn begeleiding en huishoudelijke hulp. De gemeente kan er daarnaast voor kiezen ook andere algemene voorzieningen onder het abonnementstarief te brengen. Bij de in lid 6 en 7 genoemde algemene voorzieningen is geen sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie en heeft de gemeente ervoor gekozen een andere bijdrage te hanteren.
Zaaknummer 2022-019045
46
Agendapunt:
De bijdrage per was voor de doelgroep die vanwege een beperking op de algemene wasservice is aangewezen, wordt vastgesteld op het niveau van de kosten die iedereen heeft die zelf thuis wast. Het abonnementstarief is verder verplicht voor alle maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van beschermd wonen, de maatwerkvoorziening opvang of andere bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorzieningen. De bijdrage voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt vastgesteld volgens het uitvoeringsbesluit (lid 5). De gemeente Tilburg is gemandateerd voor de uitvoering en inning van de bijdragen. Op grond van het uitvoeringsbesluit is er voor een rolstoel geen bijdrage verschuldigd. Daarnaast kan het vervoer op grond van het uitvoeringsbesluit worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Het gaat hierbij in de meeste gevallen om collectief vervoer en in enkele gevallen individueel vervoer. Het gaat niet om (mobiliteits)hulpmiddelen zoals een aangepaste fiets of een scootmobiel. Reden voor deze uitzondering is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage tarieven worden gevraagd op het niveau van het reguliere OV en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. In lid 2, 3 en 4 is daarom een afzonderlijke bepaling opgenomen over de hoogte van de bijdrage in de kosten voor het collectief Wmo-vervoer.
De Stuurgroep Regiovervoer Midden-Brabant stelt jaarlijks de hoogte van de Wmoreizigersbijdrage van het Regiovervoer vast. Deze bijdrage wordt afgestemd op de standaard- tarieven in het reguliere OV-busvervoer die door de provincie Noord-Brabant worden vastgesteld. De provincie stelt ook de reizigersbijdragen vast voor het vrije reizigersvervoer van Regiovervoer Midden-Brabant. De Stuurgroep Regiovervoer MiddenBrabant is gemandateerd om uitvoeringsbesluiten te nemen namens de colleges van de deelnemende gemeenten in Regiovervoer Midden-Brabant. Lid 9 Vanaf 2020 hoeft er, vanwege de invoering van het abonnementstarief, niet meer voor alle voorzieningen gecontroleerd te worden of de bijdrage de kostprijs te boven gaat. In lid 9 is geregeld voor welke voorzieningen deze controle nog wel geldt. In lid 2 tot en met 7 is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt. Lid 10, 11, en 12 Deze spreken voor zich. Lid 13 Het Dorpsteam omvat algemene voorzieningen op het gebied van welzijn, maatschappelijk werk, MEE, vrijwilligerswerk, jeugd- en jongerenwerk, vluchtelingenwerk, dementieconsulenten, onafhankelijke cliëntondersteuning en een laagdrempelige
Zaaknummer 2022-019045
47
Agendapunt:
loketfunctie voor inwoners met een ondersteuningsvraag op sociaal gebied. Het Dorpsteam Goirle is gesprekspartner en centraal aanspreekpunt voor alle vragen rondom hulp en ondersteuning. Bij Het Dorpsteam Goirle werken verschillende maatschappelijke organisaties samen in opdracht van de gemeente Goirle. Uitgangspunt bij ondersteuning via de gemeente is altijd: wat kan de inwoner zelf, wat kan de omgeving, daarna pas komen oplossingen via de gemeente in beeld. De voorzieningen genoemd onder a, b en c worden ingezet om de inzet van duurdere maatwerkvoorzieningen te helpen voorkomen. Het vragen van een bijdrage hiervoor zou de bereidheid om er gebruik van te maken niet bevorderen. Hoofdstuk 5: Bestrijding misbruik Artikel 2.1.3 van de wet verplicht de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk wordt hier uitvoering aan gegeven. Artikel 18. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening Om niet-gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een pgb te voorkomen is het allereerst van belang dat de cliënt op de hoogte is van zijn rechten en plichten.
Op basis van dit artikel wordt de cliënt hier op een begrijpelijke manier over geïnformeerd. Het college heeft vervolgens de mogelijkheid om periodiek te onderzoeken of er aanleiding is om de beslissing om een maatwerkvoorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een pgb te verstrekken te heroverwegen (artikel 2.3.9 van de wet). Als hier aanleiding toe is, kan het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet de beslissing vervolgens herzien of intrekken. Als het college een beslissing intrekt omdat de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, dan kan het college overgaan tot het vorderen van de geldswaarde van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in natura, de financiële tegemoetkoming of het pgb (artikel 2.4.1 lid 1 van de wet). Artikel 19. Verrekening Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering is alleen mogelijk wanneer de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93 lid 1 Awb). Deze voorziening is getroffen in artikel 3.3 lid 3 van het uitvoeringsbesluit. Dat artikel geeft het college de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering op grond van de Wmo 2015
Zaaknummer 2022-019045
48
Agendapunt:
met vorderingen op grond van de Wmo (2007) of de Participatiewet. De verrekeningsbevoegdheid in het uitvoeringsbesluit beperkt zich (waarschijnlijk) tot de bijdrage in de kosten en is in het bijzonder opgenomen om de bijdrage voor opvang te kunnen verrekenen met een bijstandsuitkering. Om ook andere vorderingen op grond van de Wmo 2015 te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb, is de bepaling in dit artikel opgenomen. Artikel 20. Afstemming met andere voorzieningen Door de nieuwe werkwijze van de toegang bij het Dorpsteam ontstaat ruimte om te focussen op het zoveel mogelijk laten oplossen van ervaren belemmeringen in het gewone leven door middel van eigen kracht, eigen netwerk, eigen omgeving, informele ondersteuning. Waar nodig door lichte ondersteuning door het Dorpsteam zelf of anderen. Alleen voor zover dit niet volstaat, wordt een beroep op ondersteuning door de samenwerkingspartner (zorg in natura) gedaan. Ook bevordert de toegang door deze manier van werken de integraliteit: enerzijds door de samenwerkingspartner en de lokale sociale basisstructuur dichter bij elkaar te brengen en anderzijds door (leef)domeinoverstijgend zicht te houden op de samenwerking, processen en resultaten. Hoofdstuk 7: Kwaliteit en veiligheid De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders.
De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 21. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In lid 1 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Op grond van lid 2
Zaaknummer 2022-019045
49
Agendapunt:
kan het college dit verder uitwerken door nadere regels te stellen. Het in lid 3 genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet. Voor aanbieders die diensten verlenen via een pgb gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor gecontracteerde aanbieders. Omdat het college geen contractafspraken met deze aanbieders heeft moet de kwaliteit van de aanbieder via het budgetplan en de zorgovereenkomst van de cliënt beoordeeld worden. Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Algemeen Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. De verplichting in het uitvoeringsbesluit om een reële prijs te hanteren, ziet alleen op diensten. Het kan daarbij zowel gaan om diensten in het kader van een algemene voorziening als diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. Het college moet bij de prijsstelling o.a. rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening.
Die specifieke eis geldt alleen voor diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. In het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (lid 2 en 3 van artikel 21). Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen1 en rekentools over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn 1
Bijvoorbeeld Handreiking aanbesteding Wmo, de wet Basistarieven en als onderdeel daarvan het Hulpmiddel onderbouwing bepaling tarief. Publicatie ActiZ, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2013 en de Code verantwoordelijk marktgedrag thuisondersteuning (Kamerstukken II 2014/15, 34 104, nr. 70, blg-576970). Zaaknummer 2022-019045
50
Agendapunt:
immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde.
Het college moet de overheidsopdracht gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet). Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4 lid 3 van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open.
Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen
Zaaknummer 2022-019045
51
Agendapunt:
2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2 Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente.
De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Lid 3 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Lid 4 Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing. Artikel 23. Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar direct melding doen van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde