Bijlage 3 - Archeologisch onderzoek[1]
Tekst van het document
ARTEFACT! RAPPORT 1040
Kloetinge Zwarte Beier 2‐8 Gemeente Goes Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
S. Depuydt E. Coppens
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Colofon Titel
Kloetinge Zwarte Beier 2‐8. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Auteur(s)
S. Depuydt en E. Coppens
Artefact rapport
1040
Status rapport
Definitief Het rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.
Datum
12 november 2025
Projectcode
2025ART77
Projectmedewerker(s)
drs. F.G.R. D’hondt en drs. F. Delporte (veldwerk)
ISSN
2213 7424
Autorisatie
Naam
drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)
Paraaf
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact‐info.nl W www.artefact‐info.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2025 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.
2
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5
1
Inleiding ........................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen............................................................................................. 8 1.3 Beleidskader .............................................................................................................................................. 10 1.4 Plangebied en planvorming ....................................................................................................................... 13
2
Archeologisch bureauonderzoek....................................................................................... 15 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 15 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 16 2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 16
2.2.2
Aardkundige waarden .................................................................................................................. 19
2.3 Historie...................................................................................................................................................... 25 2.3.1
Historisch‐geografische ontwikkeling ........................................................................................... 25
2.3.2
Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 31
2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 31 2.5 Bouw‐ en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 44 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 45
3
Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 47 3.1 Methoden .................................................................................................................................................. 47 3.2 Geologie en bodem ...................................................................................................................................49 3.3 Archeologie ............................................................................................................................................... 50
4
Conclusie en Advies ......................................................................................................... 51 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 51 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 52
Lijst met figuren ........................................................................................................................................................54 Bronnen..................................................................................................................................................................... 55
Bijlage 1
AMZ‐cyclus
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen
Bijlage 3
Tijdstabel
Bijlage 4
Boorstaten
3
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Samenvatting Admiraal de Ruyter Ziekenhuis B.V. heeft het voornemen om nieuwbouw te realiseren op enkele percelen ten oosten van het bestaande ziekenhuis aan de ’s‐Gravenpolderseweg te Goes. Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed heeft een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een TAM‐procedure. In het kader van het bureauonderzoek is een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: Binnen het grootste deel van het plangebied geldt enkel nog een lage verwachting op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de middeleeuwen en/of Nieuwe Tijd in de top van het Laagpakket van Walcheren. In het uiterst westelijk deel van het plangebied geldt wel nog een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische vindplaatsen uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Eventuele vindplaatsen kunnen worden aangetroffen vanaf 0,40 m ‐mv. Voor het uiterst westelijke deel van het plangebied dient de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 (500 m2, 0,40 m ‐mv) behouden te blijven. De afbakening van deze zone is weergegeven in Figuur 22.
Voor het overige deel geldt een lage archeologische verwachting. Voor dit deel van het plangebied kan de dubbelbestemming verwijderd worden en dient geen archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd te worden. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat, ondanks geen vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht voor dit oostelijk deel van het plangebied, relevante archeologische vindplaatsen toch in de bodem verborgen kunnen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Het rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid. De bevoegde overheid heeft echter een afwijkend besluit genomen.
4
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Administratieve Gegevens Projectnaam
Kloetinge Zwarte Beier 2‐8
Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
LOCATIE Provincie
Zeeland
Gemeente
Goes
Plaats
Kloetinge
Adres / Locatie
Zwarte Beier 2‐8
Hoekpunten coördinaten RD Centrum coördinaat RD
NW 52.041 / 389.583 ZW 52.381 / 389.242 52.299 / 389.470
Kaartblad
65G
Kadastraal perceel
Gemeente Goes, Sectie V, Perceel 1418, 615, 794, 658, 605, 602, 604 en 793
Oppervlakte plangebied
Circa 143.320 m²
Vigerende bestemmingsplan
Zorgpark 2018, dubbelbestemming WA archeologie 2, geen graafwerkzaamheden > 250 m2, dieper dan 0,40 m‐mv
NO 52.508 / 389.600 ZO 52.589 / 389.328
BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats
Geen
AMK status
Geen
Archis vondstlocatie
Geen
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen (mail helpdesk d.d. 3‐6‐2025)
OPDRACHTGEVER Naam
Admiraal de Ruyter Ziekenhuis B.V.
Contactpersoon
de heer A. Ceton
BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Goes, College van Burgemeester en Wethouders
Contactpersoon
Dhr. A. Dorleijn
ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam
Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS)
Contactpersoon
Dhr. K‐J. R. Kerckhaert
5
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam
Zeeuws Archeologisch Depot
Adres
Armeniaans Schuitvlot 1, 4331 NL Middelburg
Telefoon
0118 670870
zad@zeeland.nl
E‐depot
EDNA (E‐Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.
Contactpersoon
dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Telefoon
0115 851614
janwattenberghe@artefact‐info.nl
Certificaat
ARC‐010/3 ‐ BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004
ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding
Omgevingsvergunning OPA en TAM procedure
Begin/einddatum veldwerk
16 juni 2025, 17 september 2025 en 24 september 2025
Projectnummer Artefact
2025ART77
Archis onderzoeksmelding
5804528001 en 5836929001
Vindplaats(en)
‐
6
ARTEFACT RAPPORT 1040
1
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
In opdracht van Admiraal de Ruyter Ziekenhuis B.V. heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Zwarte Beier 2‐8 te Kloetinge (gemeente Goes; figuren 1, 2 en 3). De initiatiefnemer heeft het voornemen om nieuwbouw te realiseren op enkele percelen ten oosten van het bestaande ziekenhuis aan de ’s‐ Gravenpolderseweg te Goes. Aanvankelijk omvatte het plangebied drie (delen van) percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Goes, Sectie V, Perceel 1418, 615 (ged.) en 794 (ged.) met een oppervlakte van 36.500 vierkante meter. In tussentijd is evenwel de opdracht gewijzigd. In overleg tussen de opdrachtgever en bevoegde overheid is bepaald dat een TAM omgevingsplan dient te worden opgesteld. Hierbij dienen, aanvullend op het originele plangebied, ook het bestaande ziekenhuisterrein en de zuidelijke helft van het akkerperceel te worden meegenomen. Deze percelen staan kadastraal bekend onder Gemeente Goes, Sectie V, Percelen 794, 793, 573, 604, 602, 605, 615 en 658 en hebben een oppervlakte van ca. 106.820 vierkante meter. Het totale plangebied bedraagt dus 143.320 vierkante meter.
Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2025.
Volgens hoofdstuk 22.2 van het Omgevingsplan Gemeente Goes is het verboden om deze activiteiten uit te voeren. In het kader van een TAM procedure dient een rapport te worden voorgelegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport is volgens artikel 22.22 niet noodzakelijk indien de oppervlakte niet groter is dan 100 m² of indien hiervoor afwijkende regels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en deze niet worden overschreden. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt in bestemmingsplan Zorgpark (2018) een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 vierkante meter én dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Met de nieuwe ontwikkeling zullen de 7
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Daarom dient in het kader van een TAM omgevingsplan een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd.
1.2
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
Conform de AMZ‐ cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot een van de volgende uitkomsten: Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds‐ of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.
Dit omvat de aan‐ of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO‐ proefsleuvenonderzoek (IVO‐P, waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO‐overig (IVO‐O, waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo‐archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.
Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie‐advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch
1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.2, d.d. 14 maart 2022: 4 2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.2, d.d. 14 maart 2022: 4‐5
8
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
Figuur 2 Ligging van het oorspronkelijk plangebied, en aanvullend plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2025.
3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019
9
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Figuur 3 Ligging van het totale plangebied ten behoeve van het bureauonderzoek op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2025.
1.3
Beleidskader
De zorg voor het (archeologisch) erfgoed werd in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 werd de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden, dienden daartoe een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening, c.q. bestemmingsplannen. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) werden de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning.
De bevoegdheid voor archeologische rijksmonumenten bleef echter onveranderd bij het Ministerie van OC&W, i.c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Een gedeelte van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet, waar onder meer de certificering in de archeologie wordt geregeld. Alle regelingen rond (de omgang met cultureel erfgoed in) de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingswet. Daarbinnen dient dus ook rekening te worden gehouden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed dat als onderdeel van de leefomgeving uit 5 elementen kan bestaan: monumenten (gebouwd erfgoed, tuinen, parken), stads‐
10
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, immaterieel erfgoed indien dat verbonden is aan specifieke locaties en dus ook (bekende of verwachte) archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Binnen de Omgevingswet bestaan drie wetsinstrumenten: De omgevingsvisie is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Deze wordt opgesteld door het Rijk, de provincie en de gemeente. Een omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit en kan een brede, drijvende kracht zijn om opgaven uit andere sectoren met elkaar te verbinden. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Dit kunnen regels zijn over activiteiten. Bijvoorbeeld regels over activiteiten in natuurgebieden. In uitzonderlijke gevallen kan de provincie ook regels stellen over de toedeling van functies aan locaties. De provincie moet de kernkwaliteiten van een aantal werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst van werelderfgoed uitwerken in hun omgevingsverordening. Ook stelt de provincie daartoe in de omgevingsverordening regels aan omgevingsplannen.
Het omgevingsplan bevat alle algemene regels die de gemeente over de fysieke leefomgeving binnen haar grondgebied stelt. Er moet daarbij rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en er moet een toereikend beschermingsregime worden opgenomen. Tot slot kan de gemeente (lokale) regels stellen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels. In sommige gevallen kan een initiatiefnemer volstaan met het doen van een melding voordat de activiteit mag worden uitgevoerd. Daarnaast is een beperkt aantal activiteiten vergunningplichtig. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen. Een aanvraag kan enkelvoudig of meervoudig zijn: met 1 aangevraagde activiteit of meerdere aangevraagde activiteiten. De omgevingsplanactiviteit (OPA) kent 2 vormen: 1.
Binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA): dit is een activiteit waarvoor de gemeente in het omgevingsplan bepaalt dat het uitvoeren zonder omgevingsvergunning verboden is. De gemeente regelt in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het omgevingsplan worden ook de beoordelingsregels over het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen. Op basis van deze beoordelingsregels van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit voert de initiatiefnemer de benodigde gedetailleerde onderzoeken uit.
2.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): dit is een activiteit die in strijd is met de regels van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag beoordeelt of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel hiervan is het toetsen van de BOPA aan het geldende beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is een goede motivering van het besluit in afwijking van het beleid nodig. De Omgevingsregeling stelt specifieke aanvraagvereisten voor de BOPA. Onder andere dat de aanvrager de gegevens verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het bevoegd gezag beslist over een vergunningaanvraag. Soms is het bevoegd gezag daarbij verplicht om advies of instemming te vragen. Bij meerdere samenhangende aanvragen bepaalt de coördinatieregeling welk bestuursorgaan de aanvraag coördineert. Soms vindt een activiteit plaats op het grondgebied van meer dan 1 gemeente, provincie of
11
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
waterschap. Het bevoegd gezag is dan de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht. Meestal is de gemeente het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels in het omgevingsplan. Een en ander is afhankelijk van het orgaan dat ze gemaakt heeft. De provincie is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de omgevingsverordening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de waterschapsverordening. Archeologische rijksmonumenten en bevoegd gezag Archeologische rijksmonumenten worden aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Voor de status van rijksmonument is het dus niet nodig om het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie ‘rijksmonument’ te geven. De daadwerkelijke bescherming van het rijksmonument komt tot stand met de in artikel 5.1 lid 1 onder b van de Omgevingswet opgenomen vergunningplicht en de algemene regels in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Gemeenten kunnen aan de locatie van een rijksmonument wel de functie ‘rijksmonument’ geven met het oog op het stellen van andere regels dan de eerdergenoemde vergunningplicht en algemene regels. Daartoe kan de locatie van het rijksmonument ook worden verbeeld in het omgevingsplan. Dergelijke aanvullende regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gewenste of toegelaten gebruik van de locatie.
De regels voor rijksmonumenten(activiteiten) zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Voor een rijksmonumentenactiviteit is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag bij zogeheten meervoudige aanvragen. Dus bijvoorbeeld in combinatie met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan wel recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Indien een aanvraag alleen betrekking heeft op een archeologische rijksmonumentenactiviteit (= enkelvoudige aanvraag) dan bepaalt de Omgevingswet en artikel 4.13 van het Omgevingsbesluit dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bevoegd gezag is. Dat geldt niet indien het rijksmonument in de territoriale zee buiten een gemeente ligt. In dat geval is de minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag. Voor een rijksmonumentenactiviteit die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.
Onderzoeksagenda’s en richtlijnen Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en ‐vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017‐2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld 4 . In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017‐2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd:
Basale harde gegevens en diachrone datasets Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek Verdronken land en dorpen
4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017.
12
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Onderzoek naar infrastructuur Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie van stad en platteland Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps‐ en onderwaterarcheologie Publiekswerking van archeologisch onderzoek
Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.5
1.4
Plangebied en planvorming
Het plangebied (figuren 2, 3 en 4) ligt aan de Zwarte Beier 2‐8 te Kloetinge (gemeente Goes), ter plaatse van het ziekenhuis aan de ’s‐Gravenpolderseweg te Goes. Het Admiraal de Ruyter Ziekenhuis heeft het voornemen om nieuwbouw te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing langs de Zwarte Beier te Kloetinge gesloopt en een parkeerplaats geamoveerd. Het plangebied omvat delen van drie percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Goes, Sectie V, Perceel 1418, 615 (ged.) en 794 (ged.) en beslaat een oppervlakte van 36.500 vierkante meter. De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing te slopen en hier nieuwbouw te realiseren. Informatie over ontgravingsdiepten en funderingsmethoden is nog niet beschikbaar. Dit gebied is eerder onderzocht en wordt op figuur 2 aangeduid als plangebied oorspronkelijk. In tussentijd is de opdracht gewijzigd: in overleg tussen de opdrachtgever en bevoegde overheid is bepaald dat een TAM omgevingsplan wordt opgesteld. Hierbij dienen, aanvullend op het huidige onderzoeksgebied, ook het bestaande ziekenhuisterrein (V794, V793, V573, V604, V602, V605, V615) en de zuidelijke helft van akkerperceel V658 te worden meegenomen. Aan de noordzijde wordt het totale plangebied begrensd door de Zwarte Beier, aan de oost‐ en zuidzijde door landbouwpercelen en aan de westzijde door de ‘s Gravenpolderseweg.
Binnen het plangebied bevindt zich bebouwing, een ziekenhuis, parkeerplaatsen, een heliplaats en landbouwgrond.
5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
13
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Figuur 4 Plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2025). Bron: Esri Nederland
Figuur 5 Nieuwbouwplannen geprojecteerd op de huidige situatie. Bron: Opdrachtgever.
14
ARTEFACT RAPPORT 1040
2
Archeologisch bureauonderzoek
2.1
Methoden
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.2 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.6 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1.4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1.3
Beschrijven huidig gebruik
LS02
1.4
Beschrijven historische situatie
LS03
2.3.1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2.3.2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond
LS02‐03‐04
2.5
Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS04
2.2.2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2.4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2.6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. (Landelijke en regionale) bodem‐, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten Paleogeografische kaarten Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (Specialistische) literatuur Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet‐gesprongen explosieven Lucht‐ en satellietfoto’s Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten Gemeentelijk en/of provinciaal archief Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Gemeentelijke verwachtings‐ en beleidskaarten Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn Amateurarcheologen, AWN
en/of heemkundevereniging Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
6 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019
15
ARTEFACT RAPPORT 1040
2.2
Landschap en geologie
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling7
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden zijn op de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en de Vries zijn gepubliceerd.8 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar wordt, met de ligging van het plangebied, afgebeeld op figuur 4. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) steeg de zeespiegel en vernatte het pleistocene zandlandschap geleidelijk. Plantaardig materiaal werd door het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.
Eerst op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeide laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen Laag (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei deed zich eerst in het westen van Zeeland, maar de grens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces kwam een einde in het Midden tot Laat Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 9 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking werd de strandbarrière opgeruimd en liep het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstond een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. Dit gebeurde ook in het plangebied. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die toen gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden.10 Vanaf het Subboreaal stagneerde de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er zetten zich meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Die wortels zijn een indicatie voor het begin van een periode met veenvorming.
Op de hoger opgeslibde kwelders groeide een dichte rietvegetatie en plaatselijk ging zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het Midden‐ Subboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap dat bestond uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 11 Ook het plangebied maakte deel uit van dit veenlandschap. Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenmilieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kon opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikte het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna trad een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zocht zijn weg richting de zee, in steeds bredere geulen. Hierdoor werd de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, brak de strandwal door en ontstond een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten. Het Veerse gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en Noord‐ Beveland, is wellicht toen ontstaan.12
7
Deze paragraaf is gebaseerd op, en deels overgenomen uit, bureauonderzoeken die Artefact eerder uitvoerde in de omgeving van onderhavig plangebied. 8 Vos & De Vries 2013. 9 Van Rummelen 1978: 62‐64. 10 Van Rummelen 1978: 53. 11 Vos & Van Heeringen 1997: 28. 12 Vos & Van Heeringen 1997: paleogeografische kaart.
16
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
17
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Figuur 6 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos & de Vries 2013.
18
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Tot in de Late IJzertijd werd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse tijd ging de antropogene invloed geleidelijk aan een meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap.13 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteerden in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee kreeg opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf het Midden‐Subatlanticum (circa 250 n. Chr.) kon de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond.14 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hadden ingesneden zijn zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden zijn afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak.
Ook de omgeving van het plangebied bestond omstreeks 800 n. Chr. grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie bood nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgden, vond dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik begonnen de bewoners zich ook met dijken tegen het water te beschermen en werden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuw gewonnen land werd naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kon hoofdzakelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 15 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat leidde tot dijkdoorbraken tijdens stormvloeden, waarbij veel land verloren ging. Het oostelijk deel van Zuid‐Beveland en meer specifiek Reimerswaal, dat na zware stormen aan het einde van de 16de eeuw onder water kwam te staan, is hiervan de bekendste exponent. Bovendien waren er ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland.
De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegde zich zuidwaarts naar de Westerschelde. Reeds eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water kreeg op de verdronken Bevelanden, kon de Westerschelde de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies.16
2.2.2
Aardkundige waarden
Geologie Het plangebied maakt deel uit van het zuidwestelijke zeekleigebied. Op de Geologische overzichtskaart van Nederland17 (niet afgebeeld) bevindt het plangebied zich binnen een gebied met code Na6. Dit duidt erop dat binnen het plangebied het Laagpakket van Walcheren te verwachten is. Dit betreft zeeklei en ‐zand. Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland18 (figuur 7) is het plangebied gesitueerd in een groen gekleurde zone met code D0.2. Dit wil zeggen dat hier sprake is van diep reikende afzettingen van Duinkerke II (Laagpakket van Walcheren volgens de nieuwe nomenclatuur).
13 Vos & Van Heeringen 1997. 14 Vos & Van Heeringen 1997. 15 Dekker 1971: 20. 16 Coen 2008. 17 De Mulder et al. 2003. 18 Van Rummelen 1978a.
19
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Figuur 7 Plangebied (rode polygoon), geprojecteerd op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1978a.
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) is bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket19 leert dat nabij het plangebied twee geologische boringen bekend zijn. Deze worden in blauw en genummerd weergegeven op figuur 5. ‐
In boring B48F0565, gezet op 100 m ten noorden van het plangebied, bestaat de bovenste 1,10 m ‐mv (tot 1,80 m ‐NAP) uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze dekken tot de maximale boordiepte van 7,70 m‐mv (tot 8,40 m ‐NAP) diep reikende geulafzettingen (zand) van het Laagpakket van Walcheren af.
‐
In boring B48F0119, gezet op 50 m ten noordwesten van het plangebied, bestaat de bovenste 1,90 m ‐mv (tot 1,10 m ‐NAP) uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze dekken tot 29,10 m‐mv (tot 28,30 m ‐NAP) diep reikende geulafzettingen (zand) van het Laagpakket van Walcheren af. Hieronder bevinden zich laat‐Pliocene fluviatiele zandafzettingen van de Formatie van Waalre.
Samengevat zijn in het plangebied diep reikende, zandige geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten die oudere lagen diepgaand hebben weg geërodeerd. Bodem Op de Bodemkaart van Nederland20 (figuur 8) ligt vrijwel het hele plangebied in een zone met code gMn15C, hetgeen wil zeggen dat hier sprake is van knippige poldervaaggronden die zijn gevormd in lichte zavel. Het westelijk deel van het plangebied bevindt zich in een zone met code Mn15C en Mn15A. Mn15C duidt op kalkarme poldervaaggronden van lichte zavel. Mn15A duidt op kalkrijke poldervaaggronden van lichte zavel.
19 www.dinoloket.nl: geraadpleegd op 3 juni 2025. 20 Bazen 1987.
20
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Bazen 1987.
Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie onderstaande tabel). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. Binnen het plangebied is sprake van grondwatertrap VI. Dit betekent dat de bodem hier relatief goed ontwaterd is, geschikt is voor landbouw en mogelijk een aantrekkelijke vestigingsplaats was in het verleden. Indeling grondwatertrappen.
grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
GHG in cm ‐mv
(< 20)
(< 40)
< 40
> 40
< 40
40 ‐ 80
> 80
GLG in cm ‐mv
< 50
50‐80
80‐120
80‐120
> 120
> 120
(> 160)
Op de meer gedetailleerde Bodemkaart van de Polder “De Brede Watering bewesten Yerseke” (figuur 9) ligt het grootste deel van het plangebied in een groengekleurde zone met code MOa16, hetgeen wil zeggen dat hier sprake is van zogenoemde oudland‐afzettingen, bestaande uit oude kleiplaatgrond. Centraal door het plangebied loopt een geultje met code MOk3. Dit betekent dat hier sprake is van oudland‐afzettingen, bestaande uit roestige oude kreekruggrond.
21
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Figuur 9 Plangebied (rode polygoon), geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van De Brede Wateringe bewesten Yerseke. Bron: Van der Meer 1952.
De oudland‐afzettingen zijn afgezet vanaf de Laat‐Romeinse tijd (Midden‐Subatlanticum), toen de zee vat had gekregen op het veengebied. De MO‐gronden zijn circa 1.500 jaar oud en worden gekenmerkt door een diepe ontkalking en sterke slempigheid. De oude kleiplaat‐, of MOa‐gronden, vormen hiervan een variant die niet direct op veen ligt, maar op een lichtzavelige of zandige ondergrond. Nadat de oudland‐afzettingen zich hadden gevormd, werd het toen bestaande land meermaals door de zee aangetast. Op plaatsen waar nieuwe getijdegeulen ontstonden, werden delen van het oudland hierdoor opgeruimd. Deze geulen zijn opgevuld met zand en zavel (soms klei). Aan de flanken ontstonden zavelige oeverwalafzettingen op zandige ondergrond; verder van de oeverwal af worden zwaardere zavel‐ en kleigronden aangetroffen. Deze verjonging van het oudland wordt het mariene middelland van de jonge zeeklei genoemd. Hier is de ontkalking meestal minder sterk.21 Geomorfologie Op de Geomorfologische Kaart van Nederland22 (figuur 10) is het plangebied te situeren binnen een zone met code 3K33. Dit betekent dat hier sprake is van een getij‐inversierug.
21 22
Van der Meer et al. 1952: 3‐16. Brus & De Lange 1986.
22
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Figuur 10 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart. Bron: Brus & De Lange 1986.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser‐altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in en rond het plangebied. Op de bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4; figuur 11) is te zien dat het plangebied zich bevindt op een hoger gelegen getij‐inversierug (fluogroen) waarvan de stadskern van Goes ook deel vanuit maakt. Het plangebied en omgeving liggen aanzienlijk hoger vergeleken met zones aan de oost, zuid‐ en westzijde (blauwe zones), waarvan de ligging overeenkomt met gemoerde gebieden op de Geomorfologische Kaart. Indien wordt ingezoomd (figuur 12), worden de hoogteverschillen binnen het plangebied zichtbaar. Het overgrote deel van het plangebied bevindt zich op ca. 0,80 m +NAP. In het centrale deel van het plangebied is het maaiveld hoger gelegen. Hier bevindt zich de heliplaats waarvan het maaiveld zich op ca. 1,40 m +NAP bevindt. De heliplaats wordt omzoomd door een talud van ca. 2,50 meter hoog (tot ca. 3,40 m +NAP). In de zuidwestelijke hoek van het plangebied bevindt zich een akker die ook lager gelegen is dan de rest van het plangebied. Hier bevindt het maaiveld zich op ca. 0,60 m +NAP. Op ca.
500 m ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een circulaire rode verhoging (rode pijl). Het betreft een beschermd rijksmonument met AMK‐nummer 553. Dit terrein bevat resten van een vliedberg/motteberg met mogelijk voorhof. Rondom deze middeleeuwse motteberg heeft zich het gehucht Sint Maarten ter Groe ontwikkeld.
23
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Figuur 11 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4, 0,5 meterraster DTM).
Figuur 12 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Met rode pijl is de motteberg, waarrond het gehucht Sint Maarten ter Groe zich heeft ontwikkeld, aangeduid. Bron: www.pdok.nl (AHN4, 0,5 meterraster DTM).
24
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Samenvattend blijkt uit de bestudeerde aardkundige gegevens dat het plangebied zich bevindt in een gebied dat wordt gerekend tot het oudland, dat zich heeft gevormd vanaf de Laat‐Romeinse tijd/Vroege Middeleeuwen. Hierbinnen bevindt het plangebied zich op een kleine getij‐inversierug. Hierdoor ligt het maaiveld in het plangebied relatief hoog (tot circa 0,80 m +NAP). In het plangebied zijn dagzomende kleiafzettingen (circa 1,1 m dik) van het Laagpakket van Walcheren, op diep reikende zandige geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten.
2.3
Historie
2.3.1
Historisch‐geografische ontwikkeling23
Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch‐inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of sub‐recent gebruik, waarbij ook vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport is gebruik gemaakt van meerdere oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten zijn ontwikkeld met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend van voor deze periode moeten als indicatief worden beschouwd. Bedijkingsgeschiedenis Het plangebied ligt in de polder De Brede Watering Bewesten Yerseke (figuur 13), kortweg de Westwatering genoemd. Dit is een van de grootste en oudste Zeeuwse poldergebieden; de polder wordt dan ook gerekend tot het zogeheten oudland, een term die wordt gebruikt om land te duiden dat werd bedijkt vóór 1200.
Figuur 13 Overzichtskaart met de voormalige eilanden van Zuid‐Beveland in de Middeleeuwen. De rode ster heeft de ligging van het plangebied aan. Bron: Wilderom 1968: 41.
23 Deze paragraaf is deels gebaseerd op, en overgenomen uit, eerdere onderzoeken die Artefact heeft verricht in de
omgeving van het plangebied en, waar nodig, aangevuld met specifieke gegevens.
25
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Volgens historische bronnen werd deze streek getroffen door een geweldige overstroming rond 1134. Deze overstroming zou niet alleen Zeeland hebben getroffen, maar ook de Vlaamse kust en Zuid‐Holland. Na deze inundatie werd een dijk opgeworpen als eerste beveiligingswerk op de noordrand van de kreekrug Wemeldinge – Kapelle – Kloetinge – ’s‐Heer Arendskerke, in een wijde boog rond de centrale punten van aantasting. Het westelijke gedeelte van deze dijk, tussen Goes en ’s‐Heer Arendskerke, is later herhaaldelijk verhoogd en bestaat nog. Van andere gedeelten is niet zeker of ze nog tot in de 16de eeuw als zaaidijk of als hoge weg aanwezig waren. In de 16de eeuw werd deze dijk niet meer als restant van één en dezelfde dijk beschouwd, maar kregen verschillende delen afzonderlijke namen, zoals de Braanjendijk tussen Kapelle en Kloetinge.24 De aanwezige grangiae (grote hoeven) van de Vlaamse Cisterciënzerabdijen op Zuid‐Beveland zorgden mee voor de nodige financiering van de bedijkingsactiviteiten. 25 Ondanks de grote overstromingen in de 16de eeuw bleven de polders onaangetast. Toch werd de oostelijke grens, bestaande uit de Zanddijk en de Molendijk, na de stormvloed van 1530 versterkt tot zeewering, aangezien het oostelijk gelegen poldergebied op dat moment geheel overstroomde.26 Bewoningsgeschiedenis Zeeland werd vanuit Engeland en Vlaanderen al vroeg gekerstend.
Bronnen melden dat Willibrordus in 695 Villam Walichrum, het koningsdomein Walcheren, zou hebben bezocht.27 Omstreeks 800 was er sprake van bewoning op de Bevelanden, vermoedelijk door nomadische schaapherders. Uit oude bronnen over bezittingen van abdijen valt op te maken dat de schapenhouderij een belangrijke economische activiteit was. In het nog onbedijkte land werden stelbergen aangelegd, bestaande uit omwalde drinkputten met zoetwater, die waarschijnlijk ook dienden als vluchtplaats bij hoogwater. 28 Eind 9de eeuw werden ook op verscheidene plaatsen ringwalburgen opgericht, met aarden wal, palissade en gracht; deze zijn onder meer aangetoond in Domburg, Middelburg, Oost‐Souburg, Oostburg en Burgh‐Haamstede.29 In de 10de eeuw waren er op de Bevelanden permanente nederzettingen ontstaan. De hoger gelegen kreekruggen waren uitermate geschikt voor de aanleg van wegen en het stichten van nederzettingen. Ook werden vliedbergen (huisterpen) opgeworpen om op te wonen. Naast het houden van schapen werd ook veenwinning een belangrijke economische activiteit, zowel ten behoeve van zoutwinning als ten behoeve van brandstofvoorziening. Het plangebied is gelegen op ca. 500 m ten noordoosten van een vliedberg/motteberg met mogelijk voorhof. Rondom deze middeleeuwse motteberg heeft zich het gehucht Sint Maarten ter Groe ontwikkeld.
De motteberg is nu nog iets meer dan 4 meter hoog bewaard. Bij booronderzoek door de AWN in 2000 werden geen resten van een omgracht voorterrein aangetroffen maar wel enkele fragmenten Paffrath aardewerk uit de 11de‐12de eeuw. Dhr. Oele, voormalig assistent provinciaal archeoloog, veronderstelde dat het vermoedelijk een tweeperiodenberg betreft. In de gedempte gracht werden puinresten aangetroffen. Samen met het toponiem ‘de Steenhoek’ laat dit veronderstellen dat op de berg mogelijk een stenen toren heeft gestaan. De kapel van Sint Maarten ter Groe was gewijd aan Martinus, bisschop van Tours, als heilige bekend geworden omdat hij zijn mantel deelde met bedelaars. De kapel bediende ook de inwoners van Abbekinderen die via een aarden pad vanuit de Abbekinderenzandweg de kapel konden bereiken. Dit pad liep dwars door de landerijen in de Oosthoek en in 1770 is nog steeds sprake van een dreef langs hoeve Middelhof in Abbekinderen die naar de Groeweg liep. De exacte locatie van de kapel is niet bekend. Het gehucht Sint Maarten ter Groe was voornamelijk gesitueerd in de Oosthoek en Steenhoek. De overloper uit 1559 noemt in de Steenhoek vier huizen en een vijftal hofsteden waarvan vele op vroongronden. Het is moeilijk te duiden
24 Dekker 1971: 100‐101 25 Dekker 1971: 137‐140 26 Wilderom 1968: 115‐116 27 Deckers 2014. 28 Besuijen & De Boer 2019. 29 Van Dierendonck 2009.
26
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
waar deze exact hebben gestaan. In de 18de eeuw kwamen er nog enkele woonhuizen bij en werden sommige zelfs woonhuis en buitenplaats genoemd. Het plangebied bevindt zich ca. 1 km ten zuiden van het dorp Kloetinge. Kloetinge is ontstaan op een relatief lage kreekrug. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat hier in het midden van de 10de eeuw al permanente bewoning was. Na de 11de eeuw werd de natuurlijke verhoging van Kloetinge door de bewoners verstevigd en verder verhoogd, waardoor deze tot een aanzienlijke woonterp uitgroeide.30 In later eeuwen werd de woonheuvel geleidelijk uitgebreid. Ten noordoosten hiervan ontwikkelde zich in de 12de/13de eeuw een tweede, kleinere woonheuvel tot kasteelberg met een gracht en waarschijnlijk een stenen woontoren.31 De parochie van Kloetinge wordt voor het eerst erkend in een oorkonde uit 1216, maar de stichting van de parochie moet al de tweede helft van de 12de eeuw hebben plaatsgevonden, ongeveer gelijktijdig met de parochie van Goes. Beide kerken waren dochterkerk van de Noordmonsterkerk in Middelburg. De parochies van Goes en Kloetinge lagen binnen de invloedssferen van verschillende ambachtsheerlijke families. Zo lag de parochie van Goes in het grondgebied van de heren van Schenge, terwijl Kloetinge in het grondgebied van de heren van Maalstede lag.
Geografisch betrof deze grens waarschijnlijk de Korte Gos.32 De 13de‐eeuwse Geerteskerk van Kloetinge is gewijd aan de heilige Gertrudis van Nijvel (626‐659), de dochter van de heilige Ida, stichtster van de abdij van Nijvel. Deze kerk had een 11de‐/12de‐eeuwse voorganger in de vorm van een houten kapel. Een verband met het oorspronkelijk bezit van Kloetinge door de Nijvelse abdij lijkt daarmee aannemelijk. Voor deze abdij werd het bezit vermeld als zijnde in gebruik voor de zoutwinning.33 De kerk van Kloetinge ontwikkelde zich tot een belangrijke parochie op Zuid‐Beveland. De kerken van Kapelle (1248) en Kattendijke (1251) hadden de Kloetingse kerk als moederkerk en ook de Sint Margarethakapel in ‘s‐Heer Elsdorp en de Sint Maartenskapel in De Groe vielen onder de parochie van Kloetinge. 34 Aan het einde van de 13de eeuw begon een periode van bloei voor Kloetinge, met name omdat het dorp en het omliggende gebied redelijk goed beschermd leken tegen het water. Ook de landbouw vormde nu een belangrijke bron van inkomsten. Zo werd nu een overschot aan graan geproduceerd dat naar de weekmarkt van Goes werd vervoerd.35 De omvangrijke graanproductie maakte dat de heerlijkheid medio de 15de eeuw over vijf korenmolens beschikte.
De ambachtsheerlijkheid Kloetinge was verdeeld in het Noord‐, Midden‐ en Zuidambacht en omvatte naast Kloetinge de gehuchten/buurtschappen ’s‐Heer Elsdorp (in het verleden onder andere ook ’s‐Heer Roelofsdorp, ’s‐Heer Reilofsdorp, Sirhilsdorp en Tserelsdorp genoemd), Bordenloo (in het verleden ook Bordenop en Borreloop), Mannee, Tervaten, Waanskinderen (of Waenskinderen), Blaemskinderen, de Groe en Abbekinderen (ook Apekinderen). De Groe, ca. 500 meter ten zuidwesten van het plangebied, lag in het Zuidambacht. Hier is nog een vliedberg aanwezig. Het is denkbaar dat de vliedberg in de Middeleeuwen de functie van kasteelberg/motteheuvel vervulde. 36 Kasteelbergen werden in de Middeleeuwen aangelegd als omgrachte woonheuvels met een houten of stenen toren bovenop. Ze werden veelal aangelegd op strategisch belangrijke locaties, zoals langs bevaarbaar water, wegen of op de grens van een heerlijkheid, om zo het gebied effectief te kunnen controleren. Naast een militaire functie hadden ze ook een functie als statussymbool. In de loop van de 13de eeuw verloren de kasteelbergen hun verdedigingsfunctie door de opkomst van nieuwe militaire technieken en methodes. Vanaf de 14de eeuw werden de kasteelbergen geheel overbodig en werden grotere, stenen huizen gebouwd die beter verdedigbaar waren.
37 De Groe is vermoedelijk voortgekomen uit de neerhof (voorterrein) van zo’n in onbruik geraakt mottekasteel.
30 Lenshoek‐Smeets & Van Immerseel 2006: 9‐10; Dekker 1971: 90. 31 Oele 1975: 12. 32 Lepoeter 2003: 15; Dekker 2002: 54, 94. 33 Dekker 2002: 22. 34 Dekker 2002: 95. 35 Vogel‐Wessels Boer 1969: 18‐19. 36 Cf Van Jole‐De Visser & Wattenberghe 2011. 37 Besuijen & De Boer 2019; Lenshoek‐Smeets & Van Immerseel 2006, 16‐19.
27
ARTEFACT RAPPORT 1040
KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8
Op de 17de‐eeuwse kaart van Visscher en Roman (figuur 14) worden Sint‐Maerten ter Groe en Kloetinge weergegeven. Tussen beide dorpen loopt een weg, de huidige ’s‐Gravenpolderseweg. Dwars hierop loopt de Oostmolenweg. Het plangebied dient bij benadering gesitueerd te worden in een polder ten noordoosten van Sint Maerten ter Groe en ten zuiden van de Oostmolenweg. Op deze kaart wordt in deze polders geen individuele bebouwing weergegeven.
Figuur 14 Ligging plangebied (bij benadering; in rode cirkel) op uitsnede uit Zelandiae Comitatus, door Visscher en Roman, omstreeks 1650. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.
Kaartmateriaal uit de 18de eeuw vertoont meer precisie. Op de kaart van Hattinga, vervaardigd halverwege de 18de eeuw (figuur 15), worden wel al individuele boerderijen weergegeven ten oosten en ten westen van de ’s‐ Gravenpolderseweg, alsook ten zuiden van de Groeweg en ten westen en ten oosten van de Abbekindersezandweg. In het plangebied, dat bij benadering is weergegeven, is geen bebouwing zichtbaar. De Kadastrale Minuut uit omstreeks 1830 (figuur 16), opgemeten ten behoeve van het heffen van grondbelasting, toont voor het eerst individuele percelen en bebouwing op een gedetailleerde en schaalvaste manier. Het plangebied is op de Kadastrale Minuut te situeren binnen een aantal percelen ten westen van twee boerderijen die gelegen zijn langs de Abbekindersezandweg. De noordelijke helft van het plangebied is in gebruik als bouwland, het centrale deel als boomgaard en het zuidoostelijke deel van het plangebied als weiland.