CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Archeologisch onderzoek[1]

Besluitvormende raad 9 juli 2026, gemeente GoesBij agendapunt: Omgevingsplan ADRZ Goes28.618 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

28

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Figuur 15 Waarschijnlijke ligging van het plangebied (in rode cirkel) op uitsnede van een kaart van Hattinga, omstreeks 1750. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.

Figuur 16 Ligging plangebied (rode polygoon) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

29

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Figuur 17 Plangebied (oranje polygoon) op uitsnedes van topografische (militaire) kaarten tussen 1880 en 2010. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

Op topografische kaarten zijn de ontwikkelingen in het plangebied en omgeving in de 20ste eeuw te volgen (figuur 17). In het plangebied zelf veranderde tot de jaren ‘80 van de 20ste eeuw weinig. In de loop van de jaren ’80 werd Goes in zuidelijke richting enorm uitgebreid met de aanleg van het bedrijventerrein de Poel en woonzorgcentrum Emergis. In het plangebied werd het Adriaan de Ruyter Ziekenhuis aangelegd. Tot op heden is het noordelijk en centrale deel van het plangebied in gebruik als parkeerterrein en heliplaats en is het noordoostelijke deel van het plangebied, samen met het ziekenhuis in het westen bebouwd. Het (zuid)oostelijk deel van het plangebied is in gebruik als landbouwgebied. 30

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Samenvattend kan gesteld worden dat het plangebied zich bevindt in de 12de‐eeuwse polder de Brede Watering bewesten Yerseke, halverwege het verdwenen gehucht Sint Maarten ter Groe en Kloetinge die beiden hun oorsprong hebben in de Middeleeuwen. Op basis van kaartmateriaal valt aan te nemen dat in het plangebied tot eind 20ste eeuw geen bewoning aanwezig is geweest. Het plangebied werd pas aan het einde van de 20ste eeuw in gebruik genomen als ziekenhuislocatie met parkeerplaats en heliplaats van het Adriaan de Ruyter Ziekenhuis in Goes en bebouwd.

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis

Agrarische activiteiten Op de landbouwpercelen kunnen verstorende activiteiten hebben plaatsgevonden die samenhingen met het agrarische gebruik. Hierbij valt te denken aan het bewerken van het land. Ook is een deel van het plangebied in gebruik geweest als boomgaard. Zowel landbewerking als boomwortels kunnen hun invloed hebben gehad op eventueel aanwezige archeologische waarden. Bodemonderzoek Op de websites Bodemloket 38 en Bodemrapportage 39 worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van deze websites leert dat in het plangebied meerdere verkennend bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden. 40 Uit deze onderzoeken is gebleken dat de bodem niet ernstig, licht tot matig is verontreinigd. Deze verontreinigingen vormden geen risico’s of beperkingen ten behoeve van de bouwvergunningen. Deze onderzoekslocaties zijn voldoende onderzocht. KLIC De graafmelding geeft aanwijzingen voor verstoringen als gevolg van de aanleg van kabels en leidingen, voornamelijk in het westen, oosten en centrale deel van het plangebied. Gegevens (gemeente)archief, opdrachtgever De websites van het Zeeuws Archief41 en Beeldbank de Bevelanden42 hebben geen aanvullende informatie opgeleverd omtrent eventuele verstoringen in het plangebied. Ook bij de opdrachtgever zijn geen bijzonderheden bekend.

2.4

Archeologische waarden

Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. Op ca. 500 m ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een beschermd rijksmonument met AMK‐nummer 553. Dit terrein bevat resten van een vliedberg/motteberg met mogelijk voorhof. Rondom deze middeleeuwse motteberg heeft zich het gehucht Sint Maarten ter Groe ontwikkeld (figuur 18). Op ruim 1 km ten noorden van het plangebied bevindt zich AMK terrein met nummer 13457, de dorpskern van Kloetinge.

38 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 3 juni 2025. 39 https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/, geraadpleegd op 3 juni 2025. 40 Moerland 2018. 41 https://www.zeeuwsarchief.nl/. 42 https://beeldbankdebevelanden.nl/.

31

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Op ca. 500 m ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een beschermd monument met AMK‐nummer 659. Het omvat de resten van een kasteel uit de Late Middeleeuwen, met name het “slot” Smallengange, gelegen op een hoog perceel. De oudste vermelding van dit kasteel dateert uit 1557. Volgens de geschiedschrijver Smallengange woonden zijn voorouders er al in de jaren ’20 van de 15de eeuw. Volgens Dekker gaat het echter om een versterkte hofstede. Het “kasteel” moet in de 14de eeuw zijn gebouwd als “heerlijk huys” (mogelijk als opvolger van de motte aan de Wrangeweg) en omstreeks 1560 zijn verwoest door brand. Het nadien herbouwde huis werd vóór 1696 afgebroken, waarna aan de overzijde van ’t Wegeling een 3de eenvoudiger huis werd gebouwd. In 2005 werd op het monumententerrein een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Gedurende dit onderzoek zijn fundamenten aangetroffen die mogelijk tot het in 1560 afgebrande huis behoren. De overige aangetroffen sporen betreffen greppels, kuilen en een kelder. Het vondstmateriaal dateert tussen de 15de en 18de eeuw. Eerder uitgevoerd onderzoek en vondstlocaties Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen.

Het raadplegen van Archis leert dat binnen het plangebied zelf al meerdere onderzoeken hebben plaatsgevonden. In een straal van 600 m rondom het plangebied zijn ook meerdere onderzoeken en vondstlocaties bekend, zoals te zien is op onderstaande figuur.

Figuur 18 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3.

In onderstaande tabel worden de onderzoeken in een straal van 500 meter rond het plangebied opgesomd. De nummers corresponderen met de nummers op figuur 18.

32

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

1

Onderzoek nummer 2714507100

RCE

In 2005 werd door de RCE op het monumententerrein met AMK nummer 659 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Gedurende dit onderzoek zijn fundamenten aangetroffen die mogelijk tot het in 1560 afgebrande huis ‘Slot Smallegange’ behoren. De overige aangetroffen sporen betreffen greppels, kuilen en een kelder. Het vondstmateriaal dateert tussen de 15de en 18de eeuw (vondstnr. 21).

2

4612815100

Artefact!

Archeologische verwachtingskaart (2019) Kloetinge en omgeving. De archeologische verwachting van Kloetinge en omgeving, inclusief de buurtschappen de Groe en Waanskinderen, is beschreven aan de hand van beschikbare literatuur, oud kaartmateriaal en eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek. Daarnaast is de geogenese en geomorfologie van het gebied bestudeerd om een inschatting te maken van het archeologisch potentieel van vooral de periodes die historisch niet of nauwelijks gedocumenteerd zijn. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat het onderzoeksgebied in een zone is gelegen waar geologische en landschappelijke fenomenen sterk bepalend zijn geweest voor enerzijds de mogelijke nederzettingskeuze en voor anderzijds hetgeen nog rest van de mogelijk aanwezige archeologische niveaus. Zo is het niveau waarop vindplaatsen uit de vroege prehistorie tot en met het Midden‐ Neolithicum aanwezig kunnen zijn, het pleistocene dekzand, in het grootste deel van het onderzoeksgebied weg geërodeerd. Voor het Laat‐Neolithicum tot en met de Romeinse tijd geldt dat plaatselijke erosie door jongere getijdengeulen de niveaus waarop vindplaatsen uit deze perioden gelegen kunnen zijn (Hollandveen Laagpakket en Laagpakket van Wormer) heeft weggeslagen. Aan de randzones van de jonge getijdengeulen en daarbuiten kunnen deze niveaus nog wel intact aanwezig zijn.

Het onderzoek heeft aangetoond dat de omgeving van het onderzoeksgebied na de Romeinse tijd vaak ongunstig is geweest voor menselijke bewoning. Tot aan de Late Middeleeuwen (10de eeuw) stond het gebied bloot aan de zee en was bewoning nauwelijks mogelijk. In deze tijd is een pakket mariene sedimenten (zand en klei) op het veen afgezet. In de 12de eeuw werd het gebied bedijkt maar ook meerdere malen wederom overstroomd. Ook van deze overstromingen zijn sedimenten in de ondergrond aanwezig. Vanaf de 10de eeuw is het gebied geëxploiteerd, al zal de bewoning beperkt gebleven zijn. Deze vroegste bewoning vond plaats in de kern van het huidige Kloetinge en breidde zich hier in de 11de t/m 14de eeuw uit. Op basis van literatuuronderzoek, oud kaartmateriaal en archeologisch onderzoek is in beeld gebracht bewoning van Wolphaartsdijk in de perioden 1000 tot 1500, 1500 tot 1800 en 1800 tot 1900 te reconstrueren, met als uiteindelijke doel het gemakkelijker kunnen inschatten van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en het historisch grondgebruik

3

2287921100

SOB Research

Archeologisch bureauonderzoek met controleboringen(2010). Binnen het plangebied is sprake van diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II), waardoor het Hollandveen Laagpakket niet meer aanwezig is en het Laagpakket van Wormer niet meer intact is. Geen relevante archeologische resten aangetroffen. Geen vervolgonderzoek.

4

2356699100

SOB Research

Archeologisch booronderzoek (2012) n.a.v. laadkuilen aan de milieustraat ADRZ Ziekenhuis Goes. Binnen het plangebied is sprake

Nr.

33

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

van diep reikende niet‐intacte geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II). De kans op de aanwezigheid van intacte archeologische resten wordt klein ingeschat. Geen vervolgonderzoek aanbevolen. 5

2374145100

Sweco

Archeologisch booronderzoek (2012) ADR Ziekenhuis Goes. Binnen het plangebied is sprake van diep reikende niet‐intacte geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II). De kans op de aanwezigheid van intacte archeologische resten wordt klein ingeschat. Geen vervolgonderzoek aanbevolen.

6

2447815100

Sweco

Archeologisch booronderzoek (2014) operatiecomplex ADR Ziekenhuis te Goes. In alle boringen wordt de onderzijde van het profiel gevormd door geulafzettingen behorende tot het Laagpakket van Walcheren. De bovenzijde van de geulafzettingen is in alle uitgevoerde boringen verstoord tot een diepte tussen 0.80 en 0.75 meter beneden maaiveld en afgedekt met een opgebracht pakket bouwzand of puinverharding met een dikte van 45 tot 60 centimeter. Op basis van de huidige resultaten kan de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek dan ook bijgesteld worden naar een lage verwachting voor alle perioden. Er worden ten aanzien van het plangebied geen aanbevelingen voor behoud van archeologische waarden of vervolgonderzoek gedaan.

7

3980805100

Artefact!

Booronderzoek (2015) ADR Ziekenhuis Goes. Op basis van het nu uitgevoerde inventariserend veldonderzoek kan gesteld worden dat ondergrond binnen het plangebied bestaat uit geulafzettingen die tot het Laagpakket van Walcheren behoren en reiken tot in het niveau van het oorspronkelijk aanwezige Laagpakket van Wormer waarbij eventuele oudere niveaus volledig zijn geërodeerd. Hiermee bestaat er enkel nog een verwachting voor Middeleeuwen en Nieuwe Tijd in de top van het Laagpakket van Walcheren. Voor alle oudere perioden vervalt de archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van voorliggend onderzoek kan het archeologisch verwachtingsmodel zoals opgesteld in het eerder uitgevoerde bureauonderzoek bevestigd worden. Voor de Nieuwe Tijd kan de verwachting op basis van (ontbrekende) cartografische referenties voor het plangebied als laag worden ingeschat. Voor de Late Middeleeuwen blijft de verwachting binnen het plangebied echter onveranderd hoog. Binnen het huidige plangebied werden geen grootschalige verstoringen vastgesteld waardoor de verwachting onveranderd (middel)hoog blijft. Eventueel aanwezige vindplaatsen kunnen worden aangetroffen in de top van de kreekrug.

8

4592177100

RAAP

Booronderzoek (2003) uitbreiding Goes Emergis. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen. De ondergrond bestaat in het gehele plangebied uit Duinkerke‐ kreekafzettingen. In de boringen is geen veen aangetroffen. Verspreid over het terrein zijn in en direct onder de bouwvoor archeologische indicatoren aangetroffen die vermoedelijk met bemesting in de bodem terecht zijn gekomen. In het oosten van het plangebied (rond de boringen 165 en 170) zijn tot een iets dieper niveau verschillende archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het aangetroffen materiaal en de bestudeerde historische bronnen wordt geconcludeerd dat het een off‐site patroon uit de Nieuwe tijd betreft. Aanbevolen wordt om eventuele toekomstige bodemingrepen op deze locatie door een archeoloog te laten begeleiden. Op de reeds bekende vindplaats zijn verspreid in een gebied met een omvang van circa 1,8 ha twee vermoedelijke 34

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

bewoningskernen uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. binnen deze kernen is in de boringen tot maximaal 1,2 m ‐mv een vondstniveau aangetroffen. Aanbevolen wordt om te trachten de vindplaats door middel van planaanpassing te beschermen. Mocht planaanpassing niet mogelijk blijken, dan wordt aanbevolen om de vindplaats door middel van een waarderend onderzoek in de vorm van proefsleuven nader te onderzoeken (zie hieronder).

9

2083800100

ArcheoMedia

Archeologisch proefsleuvenonderzoek (2003) 's‐Gravenpolderseweg (terrein Emergis) te Goes. Tijdens het archeologisch proef‐ sleuvenonderzoek zijn meerdere laatmiddeleeuwse greppels en kuilen blootgelegd. Deze zijn mogelijk erfscheidingen of perceels‐ grenzen in de periferie van een woonerf met boerderij. Vervolg‐ onderzoek (zie hieronder) aanbevolen.

2074907100

ArcheoMedia

Archeologische begeleiding / opgraving onder beperkende om‐ standigheden (2005) Ithaka‐gebouw Emergis aan de Oostmolenweg te Goes. Bij aanleg van de bouwput voor de nieuwbouw zijn de resten van een huisterp (wal en kuilen) en gracht aangetroffen uit de 10de‐ 13de eeuw

2409445100

Artefact!

Archeologisch bureau‐ en booronderzoek Drinkwaterleiding Kapelle‐ Goes (2013). Archeologisch bureauonderzoek (2013) Drinkwaterleiding Kapelle Goes. Delta Infra bv heeft het voornemen om binnen bovengenoemd plangebied een nieuw drinkwaterleidingtracé aan te leggen tussen pompstation de Wranghe te Kapelle en de Eikenlaan te Goes. De gecombineerde resultaten van het bureauonderzoek en het veldonderzoek lieten toe 5 zones te definiëren met een meer specifieke verwachting of een verhoogde kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen: ZONE 1: ter hoogte van boring 97 werd op 0.90 meter beneden maaiveld (het restant van) een mogelijke (baksteen)veldoven aangetroffen. Lengte circa 40 meter. ZONE2: tussen boring 35 en 49 werd een gebied gedefinieerd met een verhoogde kans op het aantreffen van bewoningssporen uit de Volle en Late Middeleeuwen. Mogelijke vindplaatsen situeren zich direct onder de bouwvoor. Lengte circa 480 meter. ZONE 3: tussen boring 14 en 17 werd een antropogene laag aangeboord die mogelijk geïnterpreteerd kan worden als verhoogde huisplaats of werf uit de Late Middeleeuwen. De bevindt zich direct onder de huidige bouwvoor. Lengte circa 150 meter. ZONE 4: ter hoogte van boring 3, 8 en 14 werd (veraard) intact veen aangetroffen waar een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd of Romeinse Tijd.

Deze kunnen worden aangetroffen vanaf 0.95 meter beneden maaiveld. Lengte circa 80 meter. ZONE 5: tussen boring 26 en 33 werd het zandig ontwikkeld Laagpakket van Wormer beduidend hoger aangetroffen dan in de directe omgeving waardoor hier een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van vindplaatsen uit het Neolithicum. Diepteligging vanaf circa 1.75 meter beneden maaiveld. Lengte circa 280 meter. Archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een Archeologische Begeleiding binnen Zone 1 tot en met 4.

2430545100

Artefact!

Archeologische begeleiding Drinkwaterleiding (2014). In zone 1 (werkput 7), gesitueerd aan de noordzijde van het plangebied, werd een veldoven verwacht. Gravend onderzoek heeft echter uitgewezen dat het om een recente verstoring gaat.

35

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

In zone 3 (werkput 3), gesitueerd ten zuiden van de Spaanweg en ten westen van de Daniëlsweg, gold een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden in de top van het Laagpakket van Walcheren. Binnen het onderzochte gebied zijn echter enkel recente antropogene lagen vastgesteld. Deze zijn het gevolg van herverkaveling in de jaren ’60 van de vorige eeuw waarbij het oorspronkelijke holle bolle terrein is genivelleerd. Hierdoor komt de hoge verwachting te vervallen voor deze onderzoekszone. In zone 4, gesitueerd ter hoogte van de Wranghe, ten noorden en zuiden van de Daniëlsweg, gold een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de (Late) IJzertijd en Romeinse Tijd in de top van het Hollandveen Laagpakket. In de onderzochte gebieden zijn echter sporen van moernering vastgesteld. Tussen de moerneringskuilen zijn dunne veenbanken vastgesteld waar de top van het veen intact is gebleven. In de top van deze intacte veentoppen zijn geen archeologische waarden vastgesteld. Doordat het veen grotendeels gemoerneerd is, komt de hoge verwachting voor het niveau van het Hollandveen voor deze zone te vervallen. Zone 2 omvat het gebied ten oosten van de Abbekindersezandweg, ten noorden en ten zuiden van de Kasteelweg.

Binnen deze zone gold een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Deze verwachting is volledig ingelost binnen dit onderzochte gebied. In deze zone zijn in totaal 3 werkputten onderzocht (werkputten 1, 2 en 6). In werkput 6, ten noorden van de Kasteelweg, zijn voornamelijk kuilen, perceelsgreppels en resten van een voormalig pad aangetroffen. Deze sporen dateren tussen de 15de en de 21ste eeuw. Ten zuiden van de Kasteelweg zijn in werkputten 1 en 2 op vier verschillende locaties bewoningssporen aangetroffen die kunnen worden toegeschreven aan vier verschillende erven. Deze dateren tussen de 10de en de 12de eeuw. De sporen omvatten voornamelijk greppels en kuilen. Binnen erf 3 zijn echter drie verschillende huisplattegronden aanwezig. Deze plattegronden onderscheiden zich op basis van vorm en oriëntatie. Twee van deze plattegronden, gelijk aan de eerste en laatste fase binnen het erf, hebben een rechthoekige plattegrond met een noordwest – zuidoost oriëntatie. Het derde huis, gelijk aan de tweede fase van het erf, is een kwartslag gedraaid en heeft hierdoor een noordoost‐zuidwest oriëntatie. Deze huisplattegrond heeft licht gebogen wanden. Net ten zuiden van deze huisplattegronden is een bijgebouw aangetroffen. Aan welke fase deze kan worden toegeschreven is niet duidelijk.

Ter hoogte van het meest zuidelijk gelegen erf, erf 4, is een tweede bijgebouw aangetroffen. Gezien de situering van dit bijgebouw behoort deze mogelijk bij het vierde erf ofwel bij een erf dat buiten het onderzoeksgebied is gesitueerd. Het vondstmateriaal aangetroffen in en rondom de sporen laten zien dat de bewoners lokaal aardewerk produceerden, maar ook importeerden uit het Rijn‐ en Maasland. Lokaal werd voornamelijk tarwe en haver geteeld. Daarnaast zijn ook resten van duivenboon of erwt aangetroffen. Mogelijk teelden de bewoners zelf lijnzaad dat gebruikt werd voor het maken van touw en/of textiel. Analyse van het dierlijk bot heeft aangetoond dat rund, schaap of geit en varken tot hun voedseldieet behoorde. Daarnaast waren ook katten, honden en paard(en) aanwezig. Aan een volgende fase binnen zone 2 kunnen losse kuilen, (perceels)greppels, een hooimijt en één dierlijk graf (schaap/geit) worden toegeschreven. Deze sporen dateren op basis van het 36

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

aardewerk tussen de 13de en de 15de eeuw en betreffen voornamelijk sporen van agrarische activiteiten. Binnen de grenzen van het onderzoeksgebied zijn geen structuren aangetroffen van huizen of bijgebouwen. Echter de aanwezigheid van deze agrarische activiteiten duidt op bewoning in de directe omgeving. Mogelijk behoren zij bij de bewoning gesitueerd ten zuidwesten van het plangebied, ter hoogte van de motte. Een vierde en laatste fase binnen zone 2 dateert tussen de 16de en de 20ste eeuw. De sporen die aan deze fase zijn toegeschreven omvatten voornamelijk perceelsgreppels met een noordwest‐zuidoost oriëntatie. Een afbakening van de bewoning is op basis van het huidige onderzoek niet mogelijk. Echter kan wel gesteld worden dat aan de noordzijde van de Kasteelweg (werkput 6) enkel in het meest zuidelijke deel enkele greppels zijn aangetroffen die op basis van het aangetroffen aardewerk dateren uit de 12de eeuw. De meeste bewoningssporen zijn ten zuiden van de Kasteelweg gelegen. Mogelijk spreidt de bewoning zich uit richting de westzijde van de Abbekindersezandweg (richting de motte). 14C‐dateringen tonen aan dat de bewoning eindigt rond het midden van de 12de eeuw. Een historisch feit dat hiermee in verband kan worden gebracht zijn de grote overstromingen rond 1132.

Als gevolg hiervan lijkt de bewoning zich na deze overstroming richting het zuidwesten te verplaatsen, ter hoogte van de motte. Eerder onderzoek ter plaatse van deze motte toonde aan dat deze na de 11e ‐12e eeuw wordt opgehoogd. Een tweede fase dateert volgens het onderzoek rond de 12de – 13de eeuw. Rond de 13de eeuw verdwijnt deze motte. Tussen de 14de en de 15de eeuw wordt ten noordwesten van het onderzoeksgebied een versterkt huis of kasteel gebouwd, bekend onder de naam Slot Smallegange. Momenteel is nog geen verband tussen de motte en dit huis aangetoond. Dit 14de – 15de‐eeuws huis kent eveneens verschillende fasen tot de uiteindelijke afbraak in de 20ste eeuw. De huidig aangetroffen bewoningsporen, de motte en het Slot Smallegange vormen samen een bewoningscontinuiteit vanaf de 10de eeuw. Deze continuïteit van bewoning is vrij zeldzaam, niet enkel in Zeeland, maar ook voor Nederland. Dit maakt dat deze locatie in aanmerking komt om als gemeentelijke vindplaats te worden opgenomen. 10

2144226100

SOB Research

Archeologisch bureau‐ en booronderzoek (2007) Goes, Ouverture‐ Aria VP10. Voor wat betreft het onderzoeksgebied kan worden vastgesteld dat zich hier (in ieder geval) in het westelijke deel archeologische sporen (Late Middeleeuwen ‐ Nieuwe Tijd) zullen bevinden, die deels dagzomend zijn. Deze archeologische sporen kunnen, als gevolg van de voorgenomen plannen, aangetast worden. Daarom wordt aanbevolen om, ruimschoots voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden, een waardestellend onderzoek door middel van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven te laten uitvoeren.

11

5237511100

Artefact!

Archeologische opgraving Pykeswegje (GOE00V970). Bewonings‐ sporen vanaf de 12‐13de eeuw t.e.m. de 18de eeuw. Rapport in voorbereiding.

12

2079710100

RAAP

Ten westen van de ’s Gravenpoldersweg binnen het industrieterrein De Poel II, werd in 2001 in het kader structuurplan Goes‐Zuid door RAAP 155 ha onderzocht middels bureauonderzoek, 1265 boringen en veldkartering. Daarbij werden een groot aantal vindplaatsen

37

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

gedefinieerd die tevens hebben geleid tot een groot aantal vondstlocaties. Op vraag van de gemeente Goes werden een aantal van de door RAAP gedefinieerde vindplaatsen herzien door SOB Research in 2003 op basis van archeologisch booronderzoek, archeologisch proefsleufonderzoek, archeologische begeleiding, veldkartering, metaaldetectie en niet‐archeologisch graafwerk. De gedane waarnemingen betreffen vondsten uit de Romeinse tijd, de vroege Middeleeuwen, late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het is weinig zinvol om deze waarnemingen in detail te bespreken. Dikwijls betreft het los oppervlaktemateriaal. Al deze waarnemingen werden immers reeds geëvalueerd en geanalyseerd bij het opstellen van de beleidsadvieskaarten en de bijhorende vindplaatsencatalogus (opgesteld door SCEZ). Deze evaluatie leidde uiteindelijk tot het definiëren van een terrein van archeologische waarde (Goes 8) waarbinnen, op basis van meerdere onderzoeken in het gebied vanaf de jaren ’90 van de 2oste eeuw, is vastgesteld dat vondsten uit de Romeinse tijd op het veen aanwezig zijn, vondsten uit de vroege en late Middeleeuwen op de komgronden en kleinere kreekruggen, en enkele boerderijen uit de Nieuwe tijd. Een deel van de vindplaats is reeds vergraven door onderzoek en ontwikkeling. 13

2426382100

SOB

Archeologisch bureau‐ en booronderzoek 's‐Gravenpoldersweg 116a te Goes. Diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke IIIa). Oudere niveaus volledig geërodeerd. Geen archeologische indicatoren in het Laagpakket van Walcheren, noch cultuurlagen. Geen vervolgonderzoek aanbevolen.

14

5280499100

Artefact!

Proefsleuvenonderzoek (2022) Goes Nansenbaan (GOE00V120, 595, 617 en 618). Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden meerdere archeologische sporen vastgesteld die zich in de top van de inversierug manifesteerden en/ of in de menglaag die zich tussen de bouwvoor en de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren bevond (0,66 m +NAP ‐ 0,10 m ‐NAP/circa 0,70 ‐ 0,80 m ‐mv). Deze sporen (greppels etc.) konden grotendeels worden gerelateerd aan het agrarisch landgebruik uit de Nieuwe Tijd en de meer recente tijd. Een beperkt aantal sporen kon worden gedefinieerd als de uitbraaksleuven van een moderne boerderij. Bovengenoemde sporen en complexen werden gedocumenteerd en beschreven maar verder niet als vindplaats gedefinieerd en gewaardeerd. Dat is wel het geval voor de restanten van een oude weg, die in de zuidwestelijke hoek van het plangebied werd aangetroffen. Een waardering van deze vindplaats, in overeenstemming met bijlage IV Waarderen van vindplaatsen in de KNA 4.1, leert dat deze vindplaats zowel op basis van fysieke als inhoudelijke kwaliteiten niet behoudenswaardig wordt geacht. Terrein vrijgegeven.

15

2373076100

Transect

Archeologisch bureau‐ en booronderzoek aansluiting A58. Op basis van de geologische gesteldheid kon het plangebied opgedeeld worden in twee grote eenheden: een grote inversierug die het plangebied centraal doorsnijdt en het omliggende komgebied, elk met een aparte verwachting. Deze verwachting werd grotendeels onderschreven door het verkennend booronderzoek. In het komgebied, het westelijke en oostelijke deel van het plangebied, geldt gezien de geologische gesteldheid van het onderzoeksgebied een middelhoge kans op archeologische vindplaatsen uit de prehistorie, meer bepaald uit het Neolithicum in de top van het Laagpakket van Wormer. Dit niveau wordt verwacht op een diepte vanaf circa 2.49 meter – NAP en vertoont een sterk

38

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

golvend landschap met hogere opgeslibde ruggen. In (de onderzijde van) het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) geldt een lage archeologische verwachting op vindplaatsen uit de Bronstijd. In de top van het Hollandveen Laagpakket geldt echter een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late IJzertijd tot en met de Romeinse Tijd. De top van het veen kan worden verwacht vanaf ongeveer 1.68 meter – NAP. Net zoals het onderliggende Vroeg‐Subboreale landschap vertoont ook het moerassige veenlandschap een sterk golvend karakter met een veendikte die varieert tussen 0.65 en 1.60 meter. In 28 boringen werd een duidelijk intacte, dan wel veraarde veentop aangetroffen. De overige boringen vertoonden een mogelijk (sterk) geerodeerde top. In 18 boringen werd de aanwezigheid van moerneringskuilen vastgesteld. Waar laatmiddeleeuwse moerneringskuilen aanwezig zijn vervalt de verwachting voor vindplaatsen uit deze periodes. In twee boringen werden mogelijk Romeinse moerneringskuilen aangeboord. Voor de Vroege Middeleeuwen en de Volle tot en met Late Middeleeuwen wordt de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen in de komgebieden respectievelijk middelhoog en hoog ingeschat. Waar laatmiddeleeuwse moerneringskuilen aanwezig zijn vervalt de verwachting voor vindplaatsen uit deze periodes.

Voor de Nieuwe Tijd wordt de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen in het komgebied middelhoog ingeschat. Deze lagere verwachting wordt ingegeven doordat, ondanks sinds de 16de eeuw het gebied relatief goed cartografisch gedocumenteerd is, geen bebouwing op het geraadpleegde kaartmateriaal wordt aangeduid. Zo kunnen volgens projectie van het plangebied op oude kaarten wel resten van de Poelweg, Langeweg, Wrange Weg en hun voorgangers worden verwacht. Deze vindplaatsen kunnen worden aangetroffen op de top van het Laagpakket van Walcheren. Dit laagpakket is in het westen van het terrein opgehoogd met een tot 0.80 meter dik recent ophoogpakket. Op de inversierug geldt geen verwachting voor vindplaatsen uit de Prehistorie tot de Vroege Middeleeuwen. In de top van de geulafzettingen behorende tot het Laagpakket van Walcheren geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit Vroege Middeleeuwen. Voor de Volle Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting. Vooreerst is er het beschermd rijksmomument (AMKnr. 553) waar de resten van een vliedberg/motteberg (met mogelijk voorhof) vastgesteld zijn. Rondom de middeleeuwse motteberg heeft zich een gehucht ontwikkeld (Sint Maarten ter Groe).

Uit archiefonderzoek en oud kaartmateriaal kan worden afgeleid dat zich in de Nieuwe Tijd binnen het plangebied meerdere hofstedes en woonhuizen hebben bevonden, met name langs de Groeweg, de Maartensweg, de ’s Gravenpolderseweg en de Kloetingseweg. Sommige van de, op de kaarten uit de Nieuwe Tijd aangegeven, hofsteden en woonhuizen gaan met zekerheid terug tot de Late Middeleeuwen. Het is echter waarschijnlijk dat zich in het gebied in de Volle en de Late Middeleeuwen nog bewoning bevond die niet op latere kaarten werden gedocumenteerd. Daarnaast kunnen resten van infrastructuur worden teruggevonden: wegen, sloten, dreven, paden en duikers. Vervolgonderzoek aanbevolen. 16

4646796100

Artefact!

Archeologisch proefsleuvenonderzoek (2018) Groeweg 2 te Goes. In het noordelijke deel van het plangebied zijn een aantal funderingsresten aangetroffen (een betonvloer van zo’n 14 cm met

39

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

een ondiepe vorstrand). In het centrale gedeelte is de bodem dieper verstoord door funderingsresten (tot ongeveer 0,80 m‐mv/0,60 m ‐ NAP). Op plekken waar er poeren gestaan hebben, is de bodem verstoord tot circa 0,90 m‐mv/0,70 m ‐NAP). Tijdens de graafwerkzaamheden zijn er resten aangetroffen van een vol middeleeuwse cultuurlaag, die zich uit lijkt te strekken over bijna het volledige plangebied. Deze cultuurlaag kan aangetroffen worden vanaf circa 0,40 m‐mv/0,20 m ‐NAP) en kan mogelijk in verband worden gebracht met bewoning in de buurt van de motteberg die gelegen was aan de westzijde van het plangebied. Deze motteberg staat afgebeeld op oude kaarten, zoals op de kaart van Zeeland van Jacob van Deventer uit 1546 en op de Comitatus Zeelandia van Nicolas Visscher uit 1655. Op 18de‐eeuwse kaarten is er ter hoogte van het plangebied bebouwing zichtbaar. Tijdens het veldonderzoek is er in het oostelijke deel van het plangebied muurwerk aangetroffen (vanaf 0,70 m‐mv/0,65 m ‐NAP), dat wellicht te relateren is aan de bebouwing weergegeven op deze kaarten. Tijdens het onderzoek zijn er verder weinig archeologische indicatoren aangetroffen.

De vondstlocaties die in een straal van 600 m rond het plangebied bekend zijn, worden in onderstaande tabel opgesomd. De nummers corresponderen met de blauwe nummers op figuur 18. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

17

1092236

MEL

Archeologische inspectie (2010, SCEZ) van een bouwput op het terrein van psychiatrisch ziekenhuis Emergis te Kloetinge. In de noordelijke putwand en in het vlak was een deel van een donker enigszins ovaalvormig spoor te zien, waarin zich enkele aardewerkscherven en botmateriaal bevonden. Het aardewerk dateert waarschijnlijk uit de 12de/13de eeuw. Het spoor zou eventueel een deel van een gracht van een vliedberg kunnen zijn, doch dit is hypothetisch. Het spoor was tot 1.30 meter beneden maaiveld zichtbaar, in de zandige ondergrond van een kreekrug of oeverwal.

18

1069728

MEL

Albertinahoeve: tijdens booronderzoek is in alle boringen direct onder de bouwvoor een vuile laag met houtskool, bot en puin aangetroffen. In boring 653 en 656 werd bovendien fosfaatinspoeling onder deze laag waargenomen. In boring 657 werd een handgevormde scherf aangetroffen. Deze kon niet met zekerheid gedetermineerd worden, maar lijkt middeleeuws te zijn. De Albertinehoeve in het westelijk deel van de vindplaats vormt een integraal deel van deze vindplaats. De huidige boerderij is post‐middeleeuws, maar heeft een duidelijk verhoogde ligging en nog aanwezige grachtrestanten. Dit kan duiden op een laatmiddeleeuwse voorganger. Bij de naderhand uitgevoerde oppervlaktekartering zijn nog vele fragmenten laat‐ middeleeuws aardewerk aangetroffen.

19

1074073

MEL

Tijdens veldkartering RAAP in 2014 werd een fragment proto‐steengoed aangetroffen.

20

1074099

MELB

Tijdens veldkartering RAAP in 2014 werd grijsbakkend aardewerk aangetroffen.

21

1112548

NTV

In 2005 werd door de RCE op het monumententerrein met AMK nummer 659 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Gedurende dit onderzoek zijn fundamenten aangetroffen die mogelijk tot het in 1560 afgebrande huis ‘Slot Smallegange’ behoren. De overige aangetroffen sporen betreffen greppels, kuilen en een kelder. Het vondstmateriaal dateert tussen de 15de en 18de eeuw

40

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

22

1081663, 1047622

NTV

Zie nr. 21. Vondsten aangetroffen bij een archeologisch proefsleuven‐ onderzoek daterend tussen de 15de (misschien 14de) eeuw en 18de eeuw. De vondsten uit de late Middeleeuwen omvatten aardewerk (ondetermineer‐ baar), fragmenten ijzer, een koperen munt en resten van een fundering in natuursteen. De vondsten uit de Nieuwe tijd bestaan uit loden musketkogels en fragmenten ijzer.

23

1080547

MELA

Naar aanleiding van nieuwbouw heeft ArcheoMedia een archeologische begeleiding uitgevoerd in Goes. Bij aanleg van de bouwput zijn de resten van een huisterp (wal en kuilen) en gracht aangetroffen uit de 10de‐13de eeuw (zie onderzoeksnr. 8).

1077573

MELA

Tijdens het archeologisch proefsleuvenonderzoek en de archeologische begeleiding Emergis 's‐Gravenpolderseweg te Goes zijn meerdere laatmiddeleeuwse greppels en kuilen blootgelegd. Zij worden op basis van het aardewerk gedateerd in de 10de tot 13de eeuw. Deze greppels en kuilen zijn mogelijk erfscheidingen of perceelsgrenzen in de periferie van een woonerf met boerderij. De locatie wel langer in gebruik geweest namelijk vanaf de 9de eeuw tot de 15de eeuw. In de botanische monsters is een grote hoeveelheid gemineraliseerd raapzaad gevonden. Tevens is er een fragment van een maalsteen aangetroffen die de verwerking van raapzaad en de productie van raapolie niet uitsluit (zie onderzoeksnr. 8).

24

1101874

INDET.

Archeologische inspectie (2010, SCEZ) van een bouwput voor een school en appartementen langs de Abbekindersezandweg te Kloetinge. Langs het noordprofiel van de put kwamen in een lijn 15 rechthoekige sporen te voorschijn met een breedte van 1 m en een minimale lengte van 1.20 tot 1.40 m. Ze liepen nog verder het profiel in. De bovenzijde van de sporen bevond zich op ca. 0,7 m ‐mv. In de sporen werden geen vondsten aangetroffen. Mogelijk zijn het graven geweest, maar dat is niet bekend. In het vlak zijn verder nog 4 kleinere ronde sporen aangetroffen, die misschien als paalgaten geïnterpreteerd kunnen worden. Ze bevonden zich op ca. 0,7‐0,8 m ‐mv. Datering onbekend wegens het ontbreken van vondstmateriaal. In een grotere donkere verkleuring zijn hier en daar wat (sub)recente vondsten gedaan, zoals enkele fragmenten roodbakkend geglazuurd aardewerk en kleine baksteenfragmenten.

25

1047625

MEL

Terrein met resten van een motte/vliedberg uit de late Middeleeuwen. Het betreft de vliedberg 'St.Maarten de Groe' ‐ althans, dat is de naam waaronder deze vliedberg in de registratie archeologische monumenten bekend staat. In de literatuur wordt een andere vliedberg met dezelfde naam in Borsele bedoeld, en wordt deze aangeduid als 'Halfweg'. Het betreft een ogenschijnlijk gave, sterk afgeplatte heuvel begroeid met gras. Ruwe datering: 10de‐13de eeuw. De hoogte is circa 4 m, de diameter aan de basis zo'n 30 m, ter hoogte van het platform circa 14 m. De vroegere omgrachting is nog enigszins zichtbaar in het terrein. De taluds zijn steil afgegraven. Nabij de berg zijn detectorvondsten gedaan van een complete koperen hanger, een fragment van een koperen werktuig, een fragment van een koperen vishaak en een fragment van een koperen muurhaak. Booronderzoek PDB 2001: er zijn geen sporen van een voorburcht aangetroffen. Wel is de gracht rondom de berg aangetroffen, waarbij is aangetekend dat een deel van de voet van de berg gebruikt is om de gracht te dempen.

1238053

MEL

Kleinschalig booronderzoek en veldkartering (2018, SCEZ) op een terrein achter het pand Groeweg 2 te Goes. Dit terrein grenst aan een vliedberg. Tijdens de veldkartering werden in totaal 8 aardewerkfragmenten uit de middeleeuwen en een botfragment (indet.) opgeraapt. Mogelijk bevindt de voorburcht bij de vliedberg zich in de omgeving van de onderzoekslocatie.

41

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

26

1097794

NTM

Op een akker langs de Abbekinderse Zandweg bij Kloetinge vond een particulier een gildepenning uit 1699. Het betreft een penning van het kramersgilde uit Goes met eigenaar nr. 86. De diameter is 42 mm.

27

1099281

NTV‐NTM

Vondst waterput en fundering NTV‐NTM aan de Abbekinderse Zandweg. Geen verdere details bekend.

1119476

NT

Bij de verbouw van de woning aan de Abbekinderse Zandweg 13 te Kloetinge (SCEZ, 2013) werden inpandig twee waterputten aangetroffen.

28

1025585

MELA

Opgraving RCE 1951. De vliedberg kent twee fasen. In de eerste fase werd een laag platform bestaande uit een met plaggen volgestorte circa 1,2 m hoge ringwal aangelegd. Op de top van het platform lag een kleivloertje dat als woonvlak diende. In dit vlak zijn talloze paalsporen van een gebouw aangetroffen, evenals een haardplaats en met klei en houtskool opgevulde kuilen. Om de heuvel lag een gracht. In een latere fase werd een hoge vliedberg opgeworpen. de exacte hoogte van deze heuvel is niet bekend. Vele vondsten aardewerk, natuursteen en dierlijk bot uit de late Middeleeuwen A.

29

1051289

ME

Mottekasteel ME. Opgraving uit 1985

Uit bovenstaande onderzoeksgegevens valt op te maken dat in het plangebied diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten zijn die oudere lagen hebben weg geërodeerd. Er bestaat een kans op bewoningssporen vanaf voornamelijk de late Middeleeuwen A. Ca. 500 m ten zuidwesten van het plangebied werden sporen aangetroffen van een motte aan de Groe en het gehucht Sint Maarten ter Groe. Ca. 500 m ten zuidoosten van het plangebied werden voornamelijk sporen aangetroffen van kasteel Smallegange daterend uit de late Middeleeuwen B en vroege Nieuwe tijd. Ca. 200 m ten noordwesten van het plangebied werden sporen aangetroffen van een vliedberg/motte op een terrein van woonzorgcentrum Emergis. Oudere archeologische resten op Zuid‐Beveland43 In de wijdere omgeving van het plangebied zijn wel resten uit vroegere periodes bekend. Uit de Romeinse tijd zijn op Zuid‐Beveland meerdere resten van veenwinning/‐ontginning gevonden.44 Een belangrijke Romeinse vindplaats op Zuid‐Beveland is Ellewoutsdijk, waar meerdere huisplaatsen uit de Romeinse tijd zijn opgegraven. 45 Bij ’s‐Heer Abtskerke zijn ovenstructuren gevonden, waarvan wordt vermoed dat deze werden gebruikt voor de productie van kalkmortel, of wellicht zoutproductie.

46 Uit de Vroege Middeleeuwen kunnen resten van kleinschalige bewoning verwacht worden in de vorm van schaapsboerderijen, die verspreid lagen over het schorrengebied.47 Er werden in deze tijd woonhoogtes opgeworpen; op Zuid‐Beveland zijn vroege exemplaren hiervan gevonden in Abbekinderen en Wemeldinge.

43 De informatie in deze paragraaf is afkomstig uit Besuijen & De Boer (2019). 44 De Clercq & Van Dierendonck 2008: 22; Van Heeringen et al.1995. 45 Sier 2003. 46 Van Dierendonck 2012: 48. 47 Verhulst 1995.

42

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Gemeentelijk beleid Het gemeentelijke beleid van Goes werd in 2011 door Vestigia B.V. opgesteld en vervolgens in 2012 door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. 48 In de beleidsnota van de gemeente is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische maatregelenkaarten‐in‐lagen is de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of –wanneer de waarde nog niet is vastgesteld– een archeologische verwachting. Op basis van de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaart‐in‐lagen geldt voor het plangebied:  Een hoge verwachting (categorie 4) voor het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk);  Geen verwachting (categorie 8) voor het niveau van het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop), het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) en het Pleistoceen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Het gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2012 opgestelde bestemmingsplannen waarbij gebieden met een archeologische waarde of verwachtingswaarde planologische bescherming hebben gekregen.

De vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings)waarde. Als deze ondergrenzen worden overschreden, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 3 juni 2025) leert dat hier geen aanvullende archeologische informatie aanwezig is met betrekking tot het plangebied anders dan hetgeen reeds in Archis vermeld staat. Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen aan de hand van herkenbare soil‐ en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. In het kader van dit onderzoek zijn meerdere luchtfoto’s geraadpleegd, namelijk uit 1944 (Wageningen University & Research – Geoportal), 1959, 1970 (Atlas van Zeeland), 1989 en 2003 (Luchtfoto‐atlas Zeeland) en satellietfoto’s uit 2003 t/m 2021 (Atlas van Zeeland). De bestudeerde luchtfoto’s geven geen aanwijzingen voor vindplaatsen in, of direct grenzend aan, het plangebied. De schuine lijnen op de luchtfoto uit 1970 hebben te maken met oude percelering (figuur 19).

48 Alkemade et al. 2011.

43

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Figuur 19 Uitsnede van een luchtfoto uit 1970. Bron: Esri Nederland.

2.5

Bouw‐ en cultuurhistorische waarden

Bouwhistorische waarden Om vast te stellen of er binnen of direct grenzend aan het plangebied waardevolle bouw‐ dan wel cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie49 van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Ten oosten van het plangebied bevinden zich langs de Abbekindersezandweg 4 een rijksmonument en historische boerderij met nummer 16410. Het betreft een 18de‐eeuws bakstenen woonhuis met losstaande wagenschuur. Ten noorden van deze boerderij bevindt zich een tweede historische boerderij langs de Abbekindersezandweg 2. De boerderij bestaat uit een woonhuis (na 1960), vrijstaande schuur, varkenshok, garage en tuinhuisje. De grote bakstenen schuur met pannen zadeldak van rond 1900 heeft twee dwarsdelen en wagendeuren in de lange gevel. De groene deeldeuren hebben witte belijning en in één geval een klinket. Het dak is voorzien van windveren en makelaars. Dit gebouw verkeert nog in oorspronkelijke staat, evenals het uit dezelfde tijd daterende bakstenen varkenshok met pannen zadeldak. Het gemoderniseerde erf is goed onderhouden en wordt omheind door een windsingel. Verder staat in het Geoloket de ligging van het plangebied in de middeleeuwse polder de Brede Watering bewesten Yerseke vermeld.

Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) 50 geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten worden weergegeven. Voor het plangebied geldt alleen de algemene melding dat er resten kunnen worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen.

49 https://intgwbp.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=Cultuurhistorie. 50 http://www.ikme.nl/ikmekaart.html.

44

ARTEFACT RAPPORT 1040

2.6

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Het plangebied ligt in buitengebied ten zuiden van Goes en het dorp Kloetinge. Uit aardkundige gegevens is gebleken dat het plangebied deel uitmaakt van oudland dat zich heeft gevormd vanaf de Laat‐Romeinse tijd/Vroege Middeleeuwen. Hierbinnen bevindt het plangebied zich op een getij‐inversierug. Het overgrote deel van het plangebied bevindt zich op ca. 0,80 m +NAP. Enkel in het zuidwesten van het plangebied is het maaiveld hoger gelegen. Hier bevindt zich de heliplaats waarvan het maaiveld zich op ca. 1,40 m +NAP bevindt. De heliplaats wordt omzoomd door een talud van ca. 2,50 meter hoog (tot ca. 3,40 m +NAP). Het plangebied maakt deel uit van de 12de‐ eeuwse polder de Brede Watering bewesten Yerseke en ligt ca. 500 m ten noordoosten van het gehucht Sint Maarten ter Groe. Ca. 500 m ten zuidoosten van het plangebied werden voornamelijk sporen aangetroffen van kasteel Smallegange daterend uit de late Middeleeuwen B en vroege Nieuwe tijd. Ca. 200 m ten noordwesten van het plangebied werden sporen aangetroffen van een woonhoogte uit de 10de‐13de eeuw op een terrein van woonzorgcentrum Emergis.

In het plangebied zijn diep reikende, zandige geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten die oudere lagen diepgaand hebben weg geërodeerd. Hierdoor geldt er dus enkel een verwachting voor het Laagpakket van Walcheren. Getij‐inversierug ‐ Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk In de Vroege Middeleeuwen begon het jonge, post‐Romeinse getijdenlandschap te verlanden. Als gevolg van differentiële klink lagen inversieruggen, ook wel kreekruggen genoemd, relatief hoog in het landschap. Hierdoor werden dit vanaf de Vroege Middeleeuwen preferente bewoningsplekken in het onbedijkte, jonge getijdenlandschap. Schapenboeren maakten hiervan gebruik. Gezien de ligging van het plangebied op een inversierug kunnen er theoretisch archeologische waarden uit de Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. Vanaf de Late Middeleeuwen maakte het plangebied deel uit van een bedijkt cultuurlandschap. Zowel historische als archeologische gegevens tonen aan dat in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied, zowel ten noordwesten, zuidoosten als zuidwesten ervan, in de Late Middeleeuwen sprake was van bewoning, in de vorm van woonhoogtes/vliedbergen/mottes, die al dan niet uitgroeiden tot kastelen (Smallegange) en het gehucht Sint Maarten ter Groe.

Op basis van historische gegevens (Hattinga, Kadastrale Minuut) valt in het plangebied evenwel geen bebouwing te verwachten, maar maakte het deel uit van landbouwgebied van twee boerderijen die ten oosten van het plangebied waren gelegen langs de ‘s Gravenpolderseweg. Op basis van de aanwezigheid van de oudere resten in de nabijheid is het evenwel goed mogelijk dat binnen het plangebied ook al in eerdere perioden bewoning en zeker landgebruik heeft plaatsgevonden. Op basis van dit alles geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Archeologische waarden uit deze perioden zijn te verwachten op het Laagpakket van Walcheren en kunnen direct vanaf het maaiveld, dan wel onder de bouwvoor en/of verstoorde bovenlaag, aanwezig zijn. Te denken valt met name aan cultuurlagen, resten van bebouwing en vondstmateriaal. Datering

Middeleeuwen – Nieuwe Tijd

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing

Omvang

Huisplaats: 500‐2.000 m²; nederzetting: 2.000‐8.000 m²

45

ARTEFACT RAPPORT 1040

Uiterlijke kenmerken

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Vondstdichtheid

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef‐, cultuur‐ of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Vanaf maaiveld of direct onder bouwvoor, verstoorde bovenlaag

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Matig: mogelijk deels aangetast door huidig gebruik (bebouwing, verstoringen, parking, heliplaats) Bebouwing (bijv. funderingen, ondergrondse tanks, kabels & leidingen), landbouw, boomgaard

Mogelijke verstoringen

46

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO‐O) van de KNA 4.2, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak51. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan‐ of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Conform de provinciale richtlijnen dienen bij vooronderzoek 8 boringen per hectare te worden uitgevoerd. Dit betekent dat 29 boringen werden voorzien in het oorspronkelijke onderzoeksgebied. De oppervlakte van de zuidelijke helft van akkerperceel V658 bedraagt 26.300 m² en dient te worden onderzocht met 21 aanvullende boringen.

Het bestaande ziekenhuisterrein moet voorlopig niet met boringen worden onderzocht maar indien daar in de toekomst ontwikkelingen plaatsvinden dienen voorafgaand daaraan nog boringen te worden uitgevoerd. Aantal boringen

48

Grid

30x35 m, met hier en daar aanpassing i.v.m. vele kabels en leidingen en gronddepot

Dichtheid

8 boringen per hectare (4 boringen voor plangebieden < 5.000 m²)

Plaats‐ en hoogtebepaling

RTK‐GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten ‐ standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Maximaal 3,00 m ‐mv / 2,19 m ‐NAP

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,0 m ‐mv), Gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Geen (verhard/begroeid erf, akker met groenbemesting)

Er waren 50 boringen voorzien. Tijdens het veldwerk bleek het gronddepot in het zuidwesten van het plangebied aanzienlijk groter dan zichtbaar op het AHN. Zodoende zijn de boringen 20, 28 en 29 niet uitgezet. Ter compensatie werd één extra boring 100 uitgevoerd. Zodoende zijn er in totaal 48 boringen uitgevoerd. Het veldwerk werd in twee fasen uitgevoerd; een eerste fase in juni 2025 waarbij de boringen op de parking en de heliplaats werden uitgevoerd. In een tweede fase werden de landbouwpercelen ten oosten en zuiden van de parking en heliplaats geboord respectievelijk media en eind september 2025.

51 Depuydt en Wattenberghe, 6‐6‐2025: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van

verkennende boringen Kloetinge Zwarte Beier 2‐8.

47

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken:  de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment  aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen)  de genese van de laag  bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.)  de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op de figuren 20 en 21. Op figuur 20 wordt een overzicht gegeven, op figuur 21 wordt ingezoomd opdat de boornummers overzichtelijk kunnen worden weergegeven. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5.

Figuur 20 Overzicht van de boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland.

48

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Figuur 21 Uitsnede van de boorpuntenkaart waarop de boornummers inzichtelijk zijn gemaakt op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland.

3.2

Geologie en bodem

Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw van het plangebied. Binnen circa 3,00 m ‐ mv / 2,19 m ‐NAP zijn zoals verwacht enkel diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen. Getij‐inversierug ‐ Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk De onderkant van het boorprofiel bestaat uit diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze afzettingen bestaan onderin uit zwak tot sterk siltig, matig fijn, lichtblauw grijs, kalkrijk zand die naar boven toe overgaan in sterk zandige, matig stevige, bruingrijze, kalkrijke klei. Op de akkers was de top van de geulafzettingen intact. Op het ziekenhuisterrein was in slechts 6 boringen (boringen 4, 6, 14, 21, 22 en 23) de top van deze afzettingen intact. In alle andere boringen op het ziekenhuisterrein waren de diepgaande geulafzettingen vergraven door diepgaande verstoringen. De intacte top werd aangetroffen tussen 0,54 en 0,09 m +NAP (tussen 0,30 en 2,20 m ‐mv). Oude bouwvoor/ploeglaag In de 6 hierboven vernoemde boringen (boringen 4, 6, 14, 21, 22 en 23) werd bovenop de diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren de oude bouwvoor/ploeglaag aangetroffen die bestond uit uiterst siltige, matig stevige, donkergrijs bruine, kalkrijke klei. De top van deze oude bouwvoor werd aangetroffen tussen 0,71 en 0,34 m +NAP (tussen 0,55 en 1,95 m ‐mv).

Ook op de akkers bestond in het merendeel van de boringen (boringen 18, 19, 25, 27 tem 50) de bovenkant van het bodemprofiel uit een ca. 35 tot 40 cm dikke bouwvoor. Opgebrachte grond/verstoringen In de 6 hierboven vernoemde boringen (boringen 4, 6, 14, 21, 22 en 23) werd bovenop de oude bouwvoor een pakket opgebrachte grond aangetroffen variërend tussen 0,55 en 1,95 m dikte. Deze opgebrachte grond bestond onder andere uit droog, verpoederde klei, zand vermengd met kleibrokken, graszoden en bouwafval. Ook op de akkers werd

49

ARTEFACT RAPPORT 1040

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

in de boringen 15, 16, 17 en 26 bovenop de bouwvoor een laag opgebrachte grond aangetroffen van droog, verpoederde klei of zand vermengd met kleibrokken. Deze laag was hier maximaal 15 cm dik. De boringen 1, 2, 3, 5, 7, 9, 10, 11, 13 en 24 waren verstoord ruim tot in de diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De onderkant van de verstoringsdiepte varieerde tussen 0,70 m +NAP en 0,02 m ‐NAP (tussen 0,65 en 1,10 m ‐mv). De boringen 8, 12, 24 en 100 zijn diepgaand verstoord en allemaal gestuit op beton, respectievelijk tussen 1,93 m +NAP en 0,22 m ‐NAP (tussen 0,20 en 1,35 m ‐mv).

3.3

Archeologie

Jonge getijdenlandschap Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in de top van het Laagpakket van Walcheren geen archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van vondsten, sporen of oude bodems/cultuurlagen.

50

ARTEFACT RAPPORT 1040

4

Conclusie en Advies

4.1

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen

KLOETINGE ZWARTE BEIER 2‐8

Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek is een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord worden en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden.  Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? In het geboorde deel van het plangebied werden onder de bouwvoor dan wel opgebrachte grond en verstoringen enkel diep reikende geulafzettingen aangetroffen die lithostratigrafisch gerekend worden tot het Laagpakket van Walcheren. De intacte top werd aangetroffen tussen 0,54 en 0,09 m +NAP (tussen 0,30 en 2,20 m ‐mv).  Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? De top van de afzettingen was intact op de akkers en in slechts 6 boringen (boringen 4, 6, 14, 21, 22 en 23) op het ziekenhuisterrein, in alle andere boringen waren de diepgaande geulafzettingen vergraven door diepgaande verstoringen. De boringen 1, 2, 3, 5, 7, 9, 10, 11, 13 en 24 waren verstoord ruim tot in de diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De onderkant van de verstoringsdiepte varieerde tussen 0,70 m +NAP en 0,02 m ‐NAP (tussen 0,65 en 1,10 m ‐mv).

Het bodemprofiel in de boringen 8, 12, 24 en 100 is niet alleen diepgaand verstoord; de boringen zijn ook allemaal gestuit op beton, respectievelijk tussen 1,93 m +NAP en 0,22 m ‐NAP (tussen 0,20 en 1,35 m ‐mv).  Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in de top van het Laagpakket van Walcheren geen archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van vondsten, sporen of oude bodems/cultuurlagen. Binnen het geboorde deel van het plangebied zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen vastgesteld.  Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? De middelhoge archeologische verwachting voor de Middeleeuwen en Nieuwe tijd in en op het Laagpakket van Walcheren kan naar beneden toe bijgesteld worden naar laag voor het deel van het plangebied waar nu geboord is alsook waar in het verleden reeds onderzoeken hebben plaats gevonden. In en op de top van de kreekafzettingen werden geen archeologische indicatoren vastgesteld in de vorm van vondsten, sporen of oude bodems/cultuurlagen.

 Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Het Admiraal de Ruyter Ziekenhuis heeft het voornemen om voorlopig in het oostelijk deel van het plangebied nieuwbouw te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing langs de Zwarte Beier te Kloetinge gesloopt en een parkeerplaats geamoveerd. Inrichtingsdetails over ontgravingsdiepte en funderingsmethoden zijn nog niet beschikbaar. In dit deel van het plangebied geldt evenwel enkel nog een lage verwachting. De archeologische waarden worden hier dus niet bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling. In het westelijk deel van het plangebied werden voorlopig geen boringen gezet. Hier werd de archeologische verwachting dus niet getoetst, waardoor in dit deel van het plangebied de dubbelbestemming waarde archeologie 2 (500m2, 0,40 m ‐mv) behouden dient te blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16998472/1