AGendapunt 13. Toelichting
Tekst van het document
De richtafstanden gelden daarbij voor nieuwe situaties en dus in beginsel niet voor bestaande - reeds juridisch-planologisch vastgestelde - situaties. Tevens gelden de richtafstanden niet voor gevallen waarin een bedrijfswoning onderdeel uitmaakt van de inrichting. Voor een inrichting van derden gelden de richtafstanden wel. Bij gemengd gebied, dat wil zeggen gebieden met matig tot sterke functiemenging of grootschalige infrastructuur, gelden gereduceerde richtafstanden omdat al sprake is van een zekere verstoring ten opzichte van een rustige woonwijk; direct naast woningen komen andere functies, zoals winkels en bedrijven voor. Uit de beoordeling is gebleken, dat er binnen deze afstand, gevoelig objecten zijn gelegen. 4.7.2 Toetsing Onderhavige partiële herziening betreft uitsluitend het juridisch-planologisch borgen, zowel qua bebouwing als gebruik, van een perceel deel uitmakend van een bestaand bebouwingsenclave. Formeel kan in het kader van bedrijven en milieuhinder hiermee derhalve niet van een nieuwe situatie worden gesproken. Meer concreet: er wordt geen hindergevoelige functie of milieubelastende activiteit, anders dan reeds aanwezig, toegevoegd. Op basis daarvan kan de toetsing van het plan aan de richtafstanden uit het VNG -Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) dan wel het uitvoeren van een onderzoek naar bedrijf - en milieuhinder achterwege blijven.
Onverlet bovenstaande is de bestaande situatie wel beoordeeld. Op het perceel gesitueerd aan de Bijsterweg 16 is zowel in feitelijk als planologisch opzicht een constructiebedrijf aanwezig. Gelet op de situering en omvang daarvan, kent een dergelijk bedrijf daarmee een richtafstand die thans al over de aangrenzende gevoelige objecten heen reikt. Op basis daarvan kan worden aangenomen, dat het bevoegde gezag, zowel in feitelijke als juridische zin, deze situatie acceptabel en aanvaardbaar geacht. Verder ligt -zoals eerder aangegeven- de bestaande situatie thans niet ter beoordeling voor. Het planvoornemen ziet naast het conserverend bestemmen van de het aanwezige constructiebedrijf, op het bedrijfsmatig bestemmen van een thans nog agrarisch bestemde strook grond ten behoeve van de bedrijfsvoering. De activiteiten op deze strook grond, welke strook ook momenteel reeds in juridische zin, voor parkeren, ontsluiten en manoeuvreren van voertuigen in relatie tot een agrarisch bedrijf kan en mag worden aangewend, betreffen concreet: - het parkeren van auto’s en machines door bezoekers: gemiddeld 4 bewegingen per dag; - het parkeren van auto’s van de maximaal 3 medewerkers per dag: soms komen deze ook met de fiets, maar uitgaande van de maximale situatie komen en vertrekken zij met de auto;
23
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes
- het manoeuvreren van de motorvoertuigen inherent aan het laden en lossen. Deze feitelijke gebruiksmogelijkheden worden ten opzichte van de reeds toegestane bedrijfsactiviteiten niet als maatgevend gekwalificeerd. Immers, het constructiebedrijf en daaraan verbonden activiteiten zijn bepalend voor het duiden van de richtafstanden. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voor de voormalig agrarisch bestemde strook grond naar een positieve bedrijfsbestemming op maat, is daarmee niet noodzakelijk en treft geen doel. Ook zullen de afstand van het bedrijf tot de naastgelegen gevoelige objecten, de feitelijke bedrijfsactiviteiten alsmede inrichting van het perceel, niet wijzigen. De aanname dat het positief bestemmen tot meer milieuhinder kan c.q. zal leiden, is dan ook niet reëel.. Daarnaast zal in de regels expliciet worden vastgelegd, dat ter plaatse van de voormalige agrarische strook grond buitenopslag is uitgesloten en deze gebruiksmogelijkheden worden beperkt tot het hiervoor omschreven feitelijke gebruik, zijnde het ontsluiten van het perceel alsmede voor het parkeren en het manoeuvreren van voertuigen in verband met laden en lossen inherent aan de bedrijfsvoering. De buitenopslag mag vervolgen alleen direct ten noorden van de bebouwing plaatsvinden, zodat hiervoor de afstand van 30 meter tot gevoelige objecten voor dit gedeelte van het bestemmingsvlak is geborgd.
Tot slot is de direct aangrenzende woning, gesitueerd aan de Bijsterweg 16, naast het bedrijf, tevens in eigendom van initiatiefnemer en zich ervan bewust, dat de woning direct grenst aan bedrijfsmatige functie. 4.7.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de planvorming niet in de weg.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Wettelijk kader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is omschreven als de kans dat een persoon die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden. In het relevante beleid- en wetgevingskader geldt het PR met de risicocontour van de kans één op een miljoen per jaar (kans 10-6 per jaar) als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Vanwege de definiëring als grenswaarde kan hiervan niet worden afgeweken.
Voor beperkt kwetsbare objecten werkt deze norm slechts als een richtwaarde. Van een richtwaarde kan na een uitgebreide motivering eventueel worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de kans van één op de honderdduizend per jaar (kans 10-5 per jaar) als grenswaarde.
24
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes
Kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar zich kwetsbare en/of grote groepen personen (kunnen) bevinden. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar dat doorgaans niet het geval is. Ook belangrijke infrastructuur, zoals een belangrijke verbindingsweg, kan als beperkt kwetsbaar object worden aangemerkt. Een limitatieve opsomming van (beperkt) kwetsbare objecten, wordt in de wetgeving niet gegeven. Het bevoegd gezag heeft daarom een zekere mate van beoordelingsvrijheid over wat zij in een specifieke situatie als kwetsbaar object beschouwt. Groepsrisico (GR) Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijk komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Het GR is niet genormeerd. Hiervoor geldt enkel een oriënterende waarde waarboven een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico's. Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR. Veelal wordt hiervoor het gebied gebruikt dat is gelegen binnen de 10-8-contour van het PR (het gebied dat wordt getroffen door een ongeval met een kans van één op honderd miljoen per jaar).
Aangezien sommige ongevalscenario's ook bij (nog) kleinere ongevalkansen nog tot dodelijke slachtoffers kunnen leiden, wordt in die gevallen het gebied gebruikt waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden (de zogenaamde 1%letaliteitsgrens). Ten aanzien van het groepsrisico als gevolg van dit plan kan worden gesteld, dat het groepsrisico zal dalen. De detailhandelsbestemming zal komen te vervallen, waarbij de bestaande bebouwing voor één woning zal worden aangewend, zodat door het planvoornemen het groepsrisico zal afnemen. Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogt om duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico's die dat transport mag veroorzaken. Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water.
Op basis van het Bevt gelden de volgende normen: De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet; Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: 1. het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of; 2. het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt, of; 3. de oriëntatiewaarde wordt overschreden; Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen Op het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding is per 1 januari 2011 het Besluit externe
25
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes
veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat algemene voorschriften waaraan een exploitant van een buisleiding dient te voldoen. Het tweede deel bevat de instructieregels die bij het opstellen van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt op grond van het Bevb als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet op grond van het Bevb worden bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in het invloedsgebied van de betreffende buisleiding. De Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) bevat een technische uitwerking van het Bevb. In artikel 2 van de Revb zijn onder andere aardgastransportleidingen met een diameter van 50 mm of meer en een werkdruk van 16 bar of meer aangewezen als leidingen waarop het Bevb van toepassing is. 4.8.2 Onderzoek Uit de risicokaart is gebleken, dat het plangebied niet is gelegen in het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, noch transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor of water, noch van buisleidingen. 4.8 Conclusie De voorgenomen bestemming betreft geen risicovolle activiteit. Verder worden er binnen het plangebied zelf geen nieuwe risicobronnen gerealiseerd en zal het groepsrisico niet toenemen.
Omdat het groepsrisico niet toeneemt, kan een verantwoording achterwege blijven. Andersom geldt ook dat de bedrijfsactiviteiten in het kader van externe veiligheid geen gevaar opleveren voor de omgeving. Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO 2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m 3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
26
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes
• • • •
de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast.
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen, dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; • 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4.9.2 Onderzoek Onderhavige planvorming beperkt zicht tot het planologisch vastleggen van de bestaande toegestane situatie, zodat dit geen invloed op het aspect luchtkwaliteit met zich mee zal brengen. 4.9.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.10
Kabels en leidingen
4.10.1 Wettelijk kader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 4.10.2 Onderzoek Er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd en er is ook geen sloop van bebouwing voorzien, zodat dat inzake de planvorming er geen rekening moet worden gehouden met planologisch relevante kabels en leidingen.
27
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes
4.10.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.11
Vormvrije m.e.r-beoordeling
4.11.1 Wettelijk kader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland).
Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Daarnaast heeft op 7 juli 2017 eveneens een wijziging van het Besluit m.e.r. plaatsgevonden. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit nemen.
4.11.2 Onderzoek Het bestemmingsplan zorgt voor het correct vastleggen van de feitelijke en planologische toegestane situatie en valt niet onder een activiteit opgenomen in bijlage II van het Besluit m.e.r. 4.10.3 Conclusie Nu de voorziene ontwikkeling geen activiteit betreft in het kader van Besluit m.e.r, behoeft er geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is gebleken, dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een verdergaande invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
28
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes
Hoofdstuk 5
Juridische vormgeving
In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet. Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting. Verbeelding De verbeelding geeft de bestemmingen weer.
Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie- en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status. Regels Algemeen De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Inleidende regels Begripsbepalingen en Wijze van meten De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten. Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch De bedrijfsmatige gronden mogen op basis van een wijzigingsbevoegdheid worden omgezet naar een bestemming voor grondgebonden agrarische bedrijven (‘Agrarisch’).
Bij een aanvraag voor wijziging wordt uitsluitend medewerking verleend, indien aan de in de regels gestelde voorwaarden en specifieke criteria worden voldaan.
29
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes
Artikel 4 Bedrijf Het plangebied is bestemd tot 'Bedrijf' en kent een specifiek functieaanduiding constructiebedrijf. Binnen deze bestemming zijn binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak de volgende bouwwerken toegestaan; gebouwen, één bedrijfswoning en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verder voorziet onderhavig bestemmingsplan voor een gedeelte van perceel in een maatwerkbestemming. Meer concreet: het aanwezige gebruik en bebouwing worden als bestaand recht opgenomen, waarbij het aanwenden van deze strook grond buiten de bebouwing voor opslag wordt uitgesloten. Hiertoe zijn op de verbeelding specifieke aanduidingen (‘specifieke bouwaanduiding – bijgebouw toegestaan’, ‘parkeren’, ‘laden en lossen’ en ‘opslag uitgesloten’) opgenomen met een doorvertaling in de planregels (hiermee is de locatie en omvang van toegestane bebouwing alsmede gebruik van de gronden vastgelegd). Daarnaast is de landschappelijke inpassing eveneens zowel op de verbeelding als in de regels opgenomen en daarmee geborgd. Uit oogpunt van flexibiliteit is een afwijkings- en een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De mogelijkheid wordt geboden om bedrijfsactiviteiten toe te staan die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voorkomen.
Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om de categorie-indeling van de Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen. Aan de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn procedureregels verbonden. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het bouwen in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast wordt daar ook onder verstaan het bouwen van bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid en indien aan de orde ruimte voor laden en lossen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het strijdig gebruik. Het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en prostitutie is expliciet uit gesloten.
Daarnaast wordt onder strijdig gebruik -gelijk onder de algemene bouwregels- ook verstaan het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid en indien aan de orde ruimte voor laden en lossen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene ontheffingen opgenomen. De afwijkingen betreffen het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut met geringe afmetingen en het oprichten van hoge antennes en masten. Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn algemene wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, overschrijding van de bestemmingsgrenzen en geringe afwijkingen mogelijk te maken.
30
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes
Algemene procedureregels n dit artikel zijn algemene procedureregels opgenomen die van toepassing zijn bij het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid en bij het verlenen van een afwijking. In de artikelen waarin deze flexibiliteitregels zijn opgenomen, wordt verwezen naar dit artikel. Overgangs- en slotregels In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
31
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes
Hoofdstuk 6 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Kostenverhaal
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van de wet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij de locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen. De beoogde ontwikkeling betreft geen bouwplan, zodat het opstellen van een exploitatieplan niet verplicht is.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro moet de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen, waaronder de economische uitvoerbaarheid, worden aangetoond. De initiatiefnemer is eigenaar van alle gronden en er zijn geen ontwikkelingen voorzien, het gaat om vastleggen van de bestaande bedrijfsactiviteiten. Het voorliggende plan heeft voor de gemeente Goes dan ook geen financiële consequenties, aangezien de planvorming voor rekening en risico van de initiatiefnemer komt. Kostenverhaal is daarom ook niet aan de orde.
32
Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke toetsing en overleg
Maatschappelijke toetsing
Ten aanzien van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is in de eerste plaats een breed draagvlak nodig voor de regels die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Dit wordt bevorderd door het bestemmingsplan goed af te stemmen op het gewenste ruimtelijk beleid van het rijk en de provincie, als ook op de wensen en ambities van het lokale bestuur en door middel van participatie van de direct belanghebbenden.
7.2
Overleg
7.2.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg gepleegd met besturen van gemeenten, met Rijksen provinciale diensten etc. Nu uit de beoordeling van beoogde ontwikkeling naar voren komt, dat noch de belangen van de provincie, noch de Veiligheidsregio, noch het Waterschap in het geding zijn, is vooroverleg met deze instanties niet vereist. Bovendien is de correctie van beperkte omvang en van ondergeschikte aard. Conform de Wet ruimtelijke ordening wordt het bestemmingsplan gedurende een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage gelegd. In deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen.
33