Agendapunt 11. Bijlage 1b Woningmarktonderzoek
Tekst van het document
appartement met lift / benedenwoning
85+
regio Bevelanden
Bron: LC-model In.Fact.Research
figuur 7-3 100% 80% 60%
Woonsituatie naar type woning van generaties ouderen in de regio’s, 2022 (in corporatie huur) 5% 4% 6%
4% 8%
5% 5%
80% 63%
57%
56%
40%
20% 0%
100%
4% 8%
7% 15%
7% 21%
43%
60%
10%
40%
35%
20%
4% 30%
0%
55 - 65 jaar 65 - 75 jaar 75 - 85 jaar
85+
55 - 65 jaar 65 - 75 jaar 75 - 85 jaar
regio Roosendaal 100% 80%
6% 4% 9%
appartement zonder 9% 8% 8% 6% lift 4% 7% 6% appartement met eigen op/ingang aan 45% 49% 53% straat grondgebonden rij < 3% 80 m2 3% 4% grondgebonden rij > 38% 22% 80 m2 30%
regio Bergen op Zoom
4% 11%
4% 10%
4% 11%
56%
52%
48%
appartement zonder lift appartement met eigen op/ingang aan straat
60% 63% 40% 20% 0%
6% 13%
9% 17%
7% 25%
55 - 65 jaar 65 - 75 jaar 75 - 85 jaar
grondgebonden rij < 80 m2 grondgebonden rij > 80 m2
6%
grondgebonden 2-kap en vrijstaand
31%
appartement met lift / benedenwoning
85+
regio Bevelanden
Bron: LC-model In.Fact.Research
74
4% 5% 37% 5% 47%
85+
Woonwensen van ouderen Ouderen zijn over het algemeen vrij honkvast, slechts een klein deel heeft een verhuiswens. Voor de regio’s is geraamd dat ongeveer 12% van de 75-plussers een verhuizing overweegt. Dit aandeel is (zeker als gecorrigeerd wordt voor inkomen en de huidige woonsituatie) tamelijk constant ten opzichte van de eerdere studies en hetzelfde geldt voor de woonwensen. In tabel 7-2 staan de woonwensen van de senioren die aangeven te willen verhuizen weergegeven. tabel 7-2
Woonwensen van ouderen in het totale onderzoeksgebied naar eigendom en type, 2022
totaal aandeel verhuisgeneigd
55 - 65 jaar 42% 20% 15% 24% 100% 24%
65 - 75 jaar 24% 31% 10% 35% 100% 21%
75+ 10% 24% 10% 56% 100% 12%
grondgebonden appartement toegankelijk overig / onbekend geclusterde woonvorm totaal
55 - 65 jaar 56% 23% 15% 7% 100%
65 - 75 jaar 33% 35% 15% 17% 100%
75+ 17% 28% 17% 38% 100%
koop huur
grondgebonden appartement grondgebonden appartement
Bron: LC-model In.Fact.Research
Over het algemeen geldt dat de wensen van ouderen divers zijn. Wel geldt dat als men op latere leeftijd wil verhuizen, de oriëntatie wat verschuift van de koop - naar de huursector. Deels is dit een generatie-effect, in deze leeftijdsklassen zijn er meer huurders. Voor een ander deel geldt dat ook eigenaar-bewoners zich vanwege de levensfase vaker op de huursector oriënteren. Naarmate de leeftijd vordert neemt ook de vraag naar appartementen toe, net als de vraag naar geclusterde woonvormen. Het gaat dan om het wonen in de nabijheid van andere ouderen. De clustering zorgt voor een gevoel van geborgenheid en daarnaast biedt het mogelijkheden voor gezamenlijke voorzieningen en activiteiten. Zoals al eerder aangegeven is aan de respondenten in het WoON ook gevraagd of de huidige woning toe- en doorgankelijk is. Daardoor is het mogelijk te bepalen hoeveel van dit soort woningen vrijkomen in het geval dat mensen met een verhuiswens ook daadwerkelijk verhuizen. In figuur 7-4 is de vraag naar toegankelijke woningen / nultredenwoningen (van alle huishoudens) afgezet tegen dit potentiële aanbod. Daaruit blijkt dat de vraag (veel) groter is dan het potentiële aanbod, met name in de huursector. Er zijn dus – op basis van verhuiswensen – tekorten aan voor ouderen geschikte woningen, maar zoals onder meer uit tabel 7-1 bleek zijn deze deels door woningaanpassing te ondervangen.
75
figuur 7-4
Potentiële vraagaanbodverhoudingen in de regio’s van toegankelijke woningen/ nultredenwoningen, 2022
2.500
2.500
2.000
2.000
1.500
1.500
1.000
1.000
500
500
0
vraag starters
vraag starters
vraag semistarters
vraag doorstromers
vraag semi-starters
potentieel aanbod
0
regio regio Bergen regio Roosendaal op Zoom Bevelanden
regio regio Bergen regio Roosendaal op Zoom Bevelanden
koop
huur
Bron: LC-model In.Fact.Research
Toekomstige woonsituatie van ouderen In de toekomst wonen er steeds meer ouderen in een koopwoning. Op dit moment zijn er totaal in het onderzoeksgebied bijna 15.000 75-plussers met een eigen woning, in 2035 zijn dit er naar schatting ruim 25.000 (figuur 7-5). Het gaat hier om een toename van ruim 10.000 75-plussers (+68%), waarvan 4.390 in de regio Roosendaal, 3.075 in de regio Bergen op Zoom en 4.260 in de regio Bevelanden ( in tabel 7-3 staan de aantallen per regio weergegeven). Uit figuur 7-5 blijkt dat er onder 75-plussers nauwelijks verschillen zijn tussen de twee demografische varianten. Ouderen zijn beperkt verhuisgeneigd en als zij wel verhuizen, verhuizen zij meestal binnen de eigen gemeente of regio. Vanwege de zeer beperkte verschillen tussen de varianten zijn in tabel 7-3 alleen de aantallen volgens de woondeal variant opgenomen. In de corporatie huursector neemt het aantal ouderen minder sterk toe dan in de koopsector (onder de aannamen van constante woonpatronen en het feitelijk verhuisgedrag van ouderen). Het gaat om een toename van circa 1.120 75-plussers in het totale onderzoeksgebied (+10%), waarvan 470 in de regio Roosendaal, 535 in de regio Bergen op Zoom en 115 in de regio Bevelanden . Deze toename is mogelijk wat groter als ouderen vaker dan in het recente verleden verhuizen naar een huurwoning (appartement), conform de aangegeven woonwensen.
In dat geval wonen ouderen minder vaak in een grondgebonden koopwoning. Deze ouderen verhuizen dan in veel gevallen naar huurappartementen met een huurprijs boven de € 763. Daarnaast is er een (beperkte) groep ouderen die met een laag inkomen in de koopsector woont en die een verhuizing naar een sociale huurwoning overweegt. Ouderen willen en kunnen vaak in hun vertrouwde woning blijven wonen, maar om dit mogelijk te maken zijn vaak wel woningaanpassingen nodig. Deze aanpasbehoefte zal zich met name in de (grondgebonden) koopsector manifesteren. In de huursector neemt de aanpasbehoefte minder sterk toe.
76
figuur 7-5
De leeftijdsopbouw in de koop- en de huursector in 2022 en 2035 in het totale onderzoeksgebied
30.000
2022
25.000
2035 woondeal variant
20.000
2035 gematigde variant
15.000 10.000
5.000
eigenaar bewoners
huurders particulier
85+
75 - 85 jaar
65 - 75 jaar
55 - 65 jaar
85+
75 - 85 jaar
65 - 75 jaar
55 - 65 jaar
85+
75 - 85 jaar
65 - 75 jaar
55 - 65 jaar
0
huurders corporatie
Bron: LC-model In.Fact.Research
tabel 7-3 Het aantal huishoudens van 75 jaar of ouder naar (verwachte) woonsituatie in de regio’s in 2022 en 2035 (2035 woondeal variant) 75+
regio Roosendaal 2022-2035 2022-2035 abs. perc. 2022 koop 5.970 4.390 74% particuliere huur 765 345 45% corporatie huur 4.310 470 11% onzelfstandig 500 405 81% totaal 11.545 5.610 49%
regio Bergen op zoom 2022-2035 2022-2035 abs. perc. 2022 4.655 3.075 66% 665 270 41% 4.010 535 13% 380 295 78% 9.715 4.175 43%
regio Bevelanden 2022-2035 2022-2035 abs. perc. 2022 4.260 2.910 68% 515 160 31% 2.390 115 5% 295 220 75% 7.460 3.400 46%
Bron: LC-model In.Fact.Research
Eerder is aangegeven dat er volgens het WoON tekorten zijn aan nultredenwoningen in de regio’s. De behoefte aan dit soort woningen onder ouderen neemt de komende jaren sterk toe. In tabel 7-4 staat deze toename (zowel in aantallen als percentages) weergeven. In elke regio neemt de behoefte tot 2035 met rond de 50% toe, volgens beide demografische varianten. Het verschil tussen de varianten is beperkt omdat de instroom in de regio’s maar voor een beperkt deel bestaat uit ouderen (zie ook tabel 5-2 in paragraaf 5.1). Terwijl het actuele tekort vooral bestaat uit huurwoningen, geldt dat de toename van de behoefte vooral koopwoningen betreft. Het huidige tekort aan huurwoningen is mede groot, omdat eigenaar bewoners zich op dit segment oriënteren. Velen van hen zien echter na deze oriëntatie af van een verhuizing van de huursector (om uiteenlopende redenen).
77
tabel 7-4 Huishoudens van 75 jaar of ouder in nultredenwoningen in 2022 en ontwikkeling behoefte aan nultredenwoningen van huishoudens van 75 jaar of ouder in 2022 tot 2035 totaal regio Roosendaal regio Bergen op zoom regio Bevelanden totaal koop regio Roosendaal regio Bergen op zoom regio Bevelanden totaal huur regio Roosendaal regio Bergen op zoom regio Bevelanden totaal
opgave woondeal 2022 2022-2035 abs. 2022-2035 perc. 2.415 1.350 56% 1.825 900 49% 1.705 850 50% 5.945 3.100 52%
gematigde variant 2022-2035 abs. 2022-2035 perc. 1.320 55% 880 48% 820 48% 3.020 51%
woondeal variant 2022 2022-2035 abs. 2022-2035 perc. 1.635 1.285 79% 1.175 835 71% 1.190 850 72% 4.005 2.975 74%
gematigde variant 2022-2035 abs. 2022-2035 perc. 1.265 77% 825 70% 825 69% 2.915 73%
woondeal variant 2022 2022-2035 abs. 2022-2035 perc. 780 65 8% 650 65 10% 515 0 0% 1.940 125 6%
gematigde variant 2022-2035 abs. 2022-2035 perc. 55 7% 55 8% -5 -1% 105 5%
Bron: LC-model In.Fact.Research
Bevriezing verpleeghuiscapaciteit Eerder is aangegeven dat een toenemend aantal ouderen aangeeft te willen verhuizen naar een geclusterde woonvorm. De behoefte aan dit soort geclusterde woonvormen zal de komende periode sterk gaan toenemen. Demissionair minister Helder heeft aangegeven dat de huidige verpleeghuiscapaciteit deels zal worden bevroren, omdat we als Nederland simpelweg niet de middelen hebben (zowel financieel als qua arbeidskrachten) om het aanbod met de behoefte mee te laten groeien. Onder druk van de Tweede Kamer heeft ze eerst toegezegd dat er nog 4.800 verpleeghuisplekken bij zouden komen, inmiddels wordt gesproken over 7.000 tot 8.000 plekken. Maar deze aantallen blijven nog altijd fors achter bij de toename van het aantal ouderen met een intensieve zorgbehoefte. Dat betekent dat een toenemend aantal ouderen met een intensieve zorgbehoefte in de toekomst zelfstandig moet wonen. In veel gevallen kan dat alleen in een geclusterde woonvorm of een zogenoemde verpleegzorgplek. In tabel 7-5 staat de verwachte toename van het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan 24-uurs zorg weergegeven in de regio’s. In het totale onderzoeksgebied neemt dit aantal toe met circa 1.500 in de periode 2022 tot 2030 en met circa 2.500 in 2030 tot 2040.
Door de toezeggingen van de demissionaire minister aan de Kamer kan mogelijk 12% worden opgevangen door uitbreiding van de verpleeghuiscapaciteit. De overige ouderen kunnen niet langer terecht in verpleeghuizen. De behoefte aan geclusterde woonvormen en zogenoemde tussenvormen zal dan ook sterker dan tot nu het geval was gaan toenemen. Geclusterde woonvormen kennen verschillende vormen/gedaanten en naamgevingen. In de kern gaat het er om dat door de clustering een gevoel van geborgenheid/veiligheid ontstaat én dat er draagvlak ontstaat voor gedeelde voorzieningen. Dit geldt zowel voor de groep zonder als met een 78
intensieve zorgbehoefte. Voor deze laatste groep geldt dat er aanvullende eisen kunnen worden gesteld, zowel qua woning als woonomgeving/ligging. Deze woningen zullen nabij een bestaand verpleeghuis (of 24 uurs bezette zorgpost) moeten liggen, zodat de zorg snel oproepbaar is en de reistijd van de verpleegkundigen beperkt blijft. Daa rnaast zullen de woningen volledig geschikt moeten zijn, ook vanuit het oogpunt van de arbodienst die kijkt naar de werkomstandigheden van het verplegend personeel. Het Rijk heeft aangegeven aan een subsidieregeling te werken waarmee de meerkosten bij verpleegzorgplekken grotendeels gedekt zouden kunnen worden. Bij veel van de bijzondere woonvormen voor ouderen (geclusterd wonen, tussenvormen en zeker verpleegzorgplekken) geldt dat er een extra investering gevraagd wordt. Deze is alleen rendabel als deze woonvorm ook daadwerkelijk door ouderen met beperkingen wordt bewoond. Dat maakt dat de matching van doelgroep en (bijzondere) woning in de toekomst steeds belangrijker wordt. De verdergaande extramuralisering leidt per saldo ook tot een hogere huishoudens - en woningbehoefteprognose. Een groter deel van de ouderen blijft immers zelfstandig wonen en een ‘particulier huishouden’ vormen. Het is niet exact duidelijk in hoeverre hier al rekening mee is gehouden bij het opstellen van de provinciale prognose in Zee land en de beide woondeals.
Welke aannamen worden gedaan bij de nieuwe prognose van de provincie Noord-Brabant is nog onduidelijk. Voor het onderzoeksgebied als geheel kan het gaan om ruim 1.300 woningen/verpleegzorgplekken extra. tabel 7-5
De ontwikkeling van het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan 24-uurs zorg of zorg op afroep in de regio’s
regio Roosendaal regio Bergen op Zoom regio Bevelanden 2022 2022-2030 2022-2040 2022 2022-2030 2022-2040 2022 2022-2030 2022-2040 24-uurs zorg 2.130 700 1.830 1.670 510 1.300 1.270 310 870 zorg op afroep 1.900 420 720 1.670 350 660 1.410 320 660 totaal 4.030 1.120 2.560 3.340 860 1.970 2.680 630 1.530 Bron: Aantal indicaties 2022: CIZ; Prognose: In.Fact.Research op basis van de provincial e prognoses en instroomgegevens van de Nationale Zorgautoriteit
7.2
Een thuis voor iedereen
Via de Wet versterking regie volkshuisvesting worden gemeenten verplicht een urgentieregeling op te stellen. Voor enkele aandachtsgroepen geldt dat er een wettelijke verplichting komt hen een urgentie verlenen. Op regionaal niveau moeten afspraken worden gemaakt over de verdeling van deze groepen/ verhuisstromen. Dat geldt ook voor de verdeling van andere kwetsbare aandachtsgroepen. Deels gaat het hier om mensen met een lichamelijke, verstandelijke of psychiatrische beperking. Zij hebben vaak niet alleen een kwetsbare positie op de woningmarkt, maar ook een behoefte aan zorg en/of ondersteuning. In een toekomstige woonzorganalyse zullen deze groepen nader worden belicht.
79
Daarnaast moet er in de regio ook aandacht zijn voor groepen die niet zozeer een zorgbehoefte hebben, maar wel een kwetsbare positie hebben op de woningmarkt. Het gaat dan om: • statushouders • arbeidsmigranten, • woonwagenbewoners en; • studenten. In veel regio’s is er voor de groepen al sectoraal beleid in ontwikkeling. Dat is vaak de te prefereren weg, omdat het niet alleen gaat om aandachtsgroepen met een specifieke problematiek, er zijn ook andere partners bij betrokken (zoals werkgevers en uitz endbureaus bij arbeidsmigranten en onderwijsinstellingen bij studenten). In dit onderzoek besteden we kort aandacht aan deze ‘nieuwe’ aandachtsgroepen. Statushouders Het huisvesten van statushouders is de afgelopen periode lastiger geworden. Het beschikbare aanbod aan sociale huurwoningen is beperkt, terwijl het aantal statushouders sterk toeneemt. Voor alle Nederlandse gemeenten tezamen lag de taakstelling in het tweede half jaar van 2022 op 13.500 vergunninghouders. Voor het eerste half jaar van 2023 wordt uitgegaan van 21.200 vergunninghouders en voor heel 2023 wordt een aantal genoemd van 50.000. Deze aantallen zijn exclusief de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne. tabel 7-6
De taakstelling en realisatie in 2022 en de taakstelling voor de eerste helft van 2023 2022
taakstelling incl. achter/voorstand realisatie Halderberge 58 68 Moerdijk 56 55 Roosendaal 140 154 Rucphen 51 17 totaal regio Roosendaal 305 294 Bergen op Zoom 114 119 Steenbergen 31 36 Tholen 29 32 Woensdrecht 43 44 totaal regio Bergen op Zoom 217 231 Borsele 38 40 Goes 55 65 Kapelle 2 8 Noord-Beveland 10 17 Reimerswaal 36 53 totaal regio Bevelanden 141 183
1e helft 2023 achter/ voorstand taakstelling -10 37 1 45 -14 93 34 28 11 203 -5 82 -5 30 -3 32 -1 27 -14 171 -2 28 -10 47 -6 16 -7 10 -17 28 -42 129
taakstelling incl. realisatie tot achter/voorstand 1 juli 2023 27 24 46 34 79 61 62 26 214 145 77 78 25 4 29 24 26 7 157 113 26 18 37 31 10 4 3 12 11 11 87 76
aandeel van taakstelling 89% 74% 77% 42% 68% 101% 16% 83% 27% 72% 69% 84% 40% 400% 100% 87%
Bron: Ministerie van BZK, bewerking In.Fact.Research
In tabel 7-6 is te zien hoe de regio’s er voorstonden in 2022 en 2023. Voor de meeste gemeenten geldt dat de taakstelling in 2022 is gehaald, met uitzondering van gemeente Rucphen. Veel gemeenten hebben zelfs meer statushouders dan de taakstelling 80
gehuisvest. Dit surplus wordt verrekend met de taakstelling voor de eerste helft van 2023. Deze taakstelling ligt veel hoger dan over de eerste helft van 2022, waarmee de druk op met name de sociale huursector zal toenemen. Begin juli 2023 lagen de meeste gemeenten op koers met de huisvesting van statushouders (aandeel van taakstelling boven de 50%). In de gemeenten Steenbergen en Woensdrecht moeten in het tweede half jaar relatief nog veel statushouders worden gehuisvest. Arbeidsmigranten Arbeidsmigratie en de huisvesting van arbeidsmigranten zijn complexe vraagstukken. Lastig bij het in beeld brengen van deze groep, is dat deze mensen zich niet altijd inschrijven in de basisregistratie personen (BRP) en daardoor in registraties niet altijd zichtbaar zijn. En de groep die zich wel inschrijft, schrijft zich niet altijd uit bij vertrek. Voor de huisvesting geldt dat zeker de groep die kort in Nederland verblijft, geen sociale binding met een bepaalde gemeente heeft. Niet zelden woont men in een andere gemeente of zelfs regio dan waar men werkt en regelt de werkgever of het uitzendbureau vervoer. In deze studie beperken we ons tot een globale indicatie van de spreiding van de groep arbeidsmigranten. We gebruiken daarvoor openbare CBS-cijfers over het aandeel inwoners met als migratieachtergrond een land in Midden- en Oost-Europa (figuur 7-6).
Ongeveer twee derde van de arbeidsmigranten is afkomstig uit deze landen. In elk van de drie regio’s ligt het aandeel boven het landelijk gemiddelde van 2,3%. Dit is een indicatie dat arbeidsmigranten hier relatief vaak voorkomen. Dit geldt met name voor de regio Roosendaal (3,6%) en de regio Bergen op Zoom op (2,9%). In de regio Bevelanden ligt het aandeel inwoners uit midden- of Oost-Europa dichter bij het landelijk gemiddelde (2,5%).
aandeel MOE-landers regio Roosendaal 6,0%
4,7%
5,0%
Bron: CBS, bewerking In.Fact.Research
81
2,0%
1,9%
Kapelle
1,8% 1,5%
Goes
2,3%
2,2%
Borsele
2,3%
Nederland
0,0%
2,5%
Reimerswaal
1,0%
0,0%
Nederland
1,0% Moerdijk
2,0%
Rucphen
2,0%
Halderberge
2,7%
3,0% 2,3%
Tholen
2,5%
Noord-Beveland
4,0% 2,7%
Nederland
3,2%
3,0%
Roosendaal
5,1%
5,0%
Bergen op Zoom
4,0%
aandeel MOE-landers regio Bevelanden
aandeel MOE-landers regio Bergen op Zoom
Steenbergen
6,0% 5,0%
Het aandeel inwoners met als migratieachtergrond een land in Midden- of Oost-Europa (2022)
Woensdrecht
figuur 7-6
Het is momenteel niet zo dat elke gemeente binnen de regio ’s een gelijke bijdrage levert aan de huisvesting van deze groep. Met name de gemeenten Steenbergen, Roosendaal en Reimerswaal leveren een grote bijdrage. Gemeenten als Kapelle, Goes en Borsele leveren vermoedelijk slechts een kleine bijdrage aan de huisvestingsopgaven voor arbeidsmigranten. Zoals al aangegeven geldt dat het hier gaat om een indicatief beeld. Niet alle arbeidsmigranten schrijven zich in, waardoor ze in de registraties onzichtbaar blijven. Ook zijn er arbeidsmigranten die zich na verblijf niet uitschrijven. Arbeidsmigranten worden vaak ingedeeld in drie categorieën: kort verblijf (short-stay), vestigers (long-stay) en een tussencategorie (mid-stay), waarbij elke categorie andere wensen heeft qua begeleiding en kwaliteit van de woonruimte. De short en mid-stay verblijven tijdelijk in ons land en dragen daarmee niet bij aan de structurele huishoudensgroei. Dat maakt dat de huisvestingsopgave een ander karakter heeft, het gaat hier meer om kleine verblijfseenheden en tijdelijke woonvormen. Voor een belangrijk deel ligt de verantwoordelijkheid voor de huisvesting bij de werkgevers en uitzendbureaus. In het verleden zijn er verschillende misstanden naar voren komen bij de huisvesting van deze groepen, die moeten worden aangepakt.
Deze misstanden hadden deels betrekking op de erbarmelijke huisvesting van deze groepen en deels op de overlast die werd veroorzaakt voor buurtbewoners. Door deze misstanden kwamen arbeidsmigranten vaak negatief in het nieuws. Tegelijkertijd is er een breed besef dat we niet zonder arbeidsmigranten kunnen. De bevolking vergrijst sterk en om de maatschappij draaiende te houden hebben we simpelweg meer handen nodig. Veel werkgevers (en gemeenten) doen er dan ook veel aan arbeidsmigranten te binden. In de praktijk is dat nog best lastig, vaak vertrekt men weer. De slaagkans neemt toe als ook de partner (of het gezin) naar Nederland komt e n hier een baan vindt. Voor deze groep – de long stay – geldt dat zij veelal tot de middeninkomens behoren. Mogelijk zal een deel bij aanvang een beroep doen op de sociale huursector, maar velen van hen zullen – net als de autochtone bevolking – een woning kopen.
Woonwagenbewoners In 2018 is het Beleidskader gemeentelijk woonwagen-en standplaatsenbeleid door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld. In navolging van dit kader zijn veel gemeenten en regio’s aan de slag gegaan met specifiek beleid voor de groep reizigers. In dit onderzoek is geen specifiek onderzoek verricht naar dit beleid , wel zijn gegevens bij Stichting Woonwagenbeheer Zuid-West Nederland opgevraagd. Deze zijn opgenomen in tabel 7-7 . In deze tabel staat ook het aantal standplaatsen volgens het CBS weergegeven. Het CBS kijkt in haar registraties naar standplaatsen/woonwagens die permanent bewoond worden. Het gaat daarbij naast woonwagens, ook om stacaravans op recreatieparken die permanent worden bewoond. Deze caravans worden echter zelden of niet bewoond door echte ‘reizigers’, die vaak afstammen van Roma en Sinti. Dit is een van de redenen waarom de aantallen van het CBS boven de aantallen van Stichting Woonwagenbeheer liggen. 82
tabel 7-7
Het aantal bewoonde standplaatsen per 10.000 inwoners per gemeente (2022)
regio Roosendaal Roosendaal Moerdijk Rucphen Halderberge regio Bergen op Zoom Woensdrecht Bergen op Zoom Steenbergen Tholen regio Bevelanden Borsele Goes Reimerswaal Kapelle Noord-Beveland Nederland Zeeland Noord-Brabant
bewoonde standplaatsen per standplaatsen 10.000 inwoners 150 8,9 85 11,0 35 9,4 20 8,6 10 3,2 215 15,3 45 20,4 135 19,9 25 10,3 10 3,8 45 4,3 15 6,6 20 5,1 10 4,4 0 0,0 0 0,0 10.640 6,0 230 5,9 1.660 6,4
Bezit Stichting Woonwagenbeheer Zuid-West Nederland 122 76 34 12 53 40 8 5 33 21 8 4
Bron: CBS, bewerking In.Fact.Research
Uitgaande van de CBS-cijfers kan voorzichtig de conclusie worden getrokken dat in de regio Roosendaal relatief veel woonwagenbewoners wonen. In regio Bevelanden zijn er relatief weinig standplaatsen. In regio Bergen op Zoom is het verschil tussen de cijfers van het CBS en de Stichting Woonwagenbeheer groo t. Op basis van de aantallen van het CBS zijn er relatief veel woonwagens, maar op basis van de cijfers van de Stichting juist weinig. Het is niet helemaal duidelijk of de stichting alle standplaatsen in beheer heeft, of dat er ook andere aanbieders zijn. Het aantal ‘echte’ standplaatsen voor woonwagenbewoners zal op basis van lokale bronnen inzichtelijk moeten worden gemaakt. Dit geldt ook voor (een indicatie) van de vraag/behoefte. Er zijn reizigers die nu noodgedwongen in een reguliere woning wonen, maar graag zouden willen verhuizen naar een woonwagen. Deze groep is niet op basis van beschikbare databestanden in beeld te brengen.
Studenten Studenten zijn in het kader van ‘Een thuis voor iedereen’ ook als aandachtsgroep benoemd. Dit mede vanwege de grote tekorten aan studentenhuisvesting die zich vooral bij aanvang van elk studiejaar manifesteren. Hoewel er in het onderzoeksgebied geen universiteiten zijn, zijn er wel enkele hogescholen. Het gaat in Roosendaal om de University of Applied Sciences en de Avans Hogeschool en in Kapelle om de Driestar hogeschool. In figuur 7-7 is het aandeel inwoners dat aan een universiteit of hogeschool studeert weergegeven. In Roosendaal, Bergen op Zoom en Kapelle wonen relatief gezien wat meer studenten dan in de andere gemeenten. Ruim 3,0% van alle inwoners in Roosendaal en in Bergen op Zoom studeert aan een universiteit of hogeschool, in Kapelle gaat 83
het om 3,3%. Deze percentages liggen wat lager dan totaal in Noord-Brabant (4,1%) en in Nederland (4,8%). Ook in de overige regiogemeenten wonen studenten. Grotendeels gaat het om studenten die bij hun ouders wonen, maar het kan ook voorkomen dat studenten door tekorten aan studentenhuisvesting in de steden uitwijken naar gemeenten in de omgeving. Het aandeel inwoners dat studeert aan een universiteit of hogeschool
2,8%
2,8%
2,0%
1,9%
Bron: CBS, bewerking In.Fact.Research
De markt voor studentenhuisvesting kan grotendeels los worden gezien van de reguliere woningmarkt, maar uiteraard zijn er wel verbanden. Na de studie is het lastig voor studenten om een reguliere woning te vinden, net als voor andere jongeren. De positie van studenten is op dat moment grotendeels gelijk aan reguliere starters. Ook voor studenten na hun studie (aan de universiteit) willen terugkeren naar West -Brabant of De Bevelanden kan het lastig zijn een woning te vinden. Voor de regio ’s geldt dat het weliswaar lastiger is geworden een woning te vinden, maar dat de kansen veelal groter zijn dan elders in het land. Mogelijk liggen er dan ook kansen deze jongeren vaker aan de regio’s te binden, hetgeen ook met oog op de vergrijzing en krappe arbeidsmarkt wenselijk is.
7.3
Afsluitend
In dit hoofdstuk is stilgestaan bij de ontwikkelingen op het vlak van wonen met zorg en ‘Een thuis voor iedereen’. Daarbij is specifiek stilgestaan bij de gevolgen voor het woonbeleid. Voor de sterk toenemende groep ouderen geldt dat deze steeds meer hun stempel zullen drukken op de woningmarkt. De behoefte aan specifiek voor hen geschikte woningen zal toenemen en hetzelfde geldt voor de aanpasbehoefte in de bestaande voorraad. Een deel van de ouderen zal daarbij behoefte hebben aan een geclusterde woonvorm. De clustering zorgt voor een gevoel van geborgenheid/veiligheid en zorgt voor draagvlak voor aanvullende voorzieningen. Voor een in aantal toenemende groep ouderen geldt dat de clustering een noodzaak is. Het gaat hier om de groep met een intensieve 84
2,2%
NoordBeveland
2,3%
Reimerswaal
2,3%
Goes
0,0% Rucphen
0,0% Moerdijk
1,0% Halderberge
1,0% Roosendaal
2,0%
Nederland
2,0%
3,3%
3,0%
2,2%3,0%
Nederland
3,0%
4,0% 2,7%
Woensdrecht
2,8%
4,8%
Tholen
3,1%
4,8%
Steenbergen
4,0%
5,0%
Nederland
5,0%
4,8%
Kapelle
6,0%
6,0%
aandeel studenten regio Bevelanden
aandeel studenten regio Bergen op Zoom
Borsele
aandeel studenten regio Roosendaal
Bergen op Zoom
figuur 7-7
zorgbehoefte, die voorheen in een verpleeghuis terecht kon. Geclusterde woonvormen voor deze groep (ook wel verpleegzorgplekken genoemd) zijn bijvoorbeeld gelegen nabij een bestaand verpleeghuis, zodat van daaruit de benodigde zorg (24/7) geleverd kan worden. Uiteraard dient de zorginstelling wel betrokken te worden bij de planvorming, er is geen garantie dat men deze zorg ook kan en wil bieden. Uiteraard zijn er meer kwetsbare groepen met een behoe fte aan zorg en/of ondersteuning, zoals mensen met een verstandelijke, psychiatrische of lichamelijke beperking. Deze groepen zijn in dit woningmarktonderzoek niet belicht, maar uiteraard vergen deze wel aandacht (bijvoorbeeld in een woonzorganalyse). In dit onderzoek is wel kort stilgestaan bij de groepen zonder een behoefte aan zorg en ondersteuning, die door het Rijk toch zijn aangeduid als kwetsbare aandachtsgroep vanwege hun positie op de woningmarkt. Het gaat daarbij om statushouders, arbeidsmigranten, woonwagenbewoners en studenten. Ook over de spreiding van deze groepen moeten gemeenten regionaal afspraken maken. Op dit moment zijn er grote verschillen in de mate waarin gemeenten een bijdrage leveren aan de huisvestingsopgave van deze groepen. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar alle kwetsbare groepen overziend moet er straks wel gewerkt worden aan een evenredige verdeling.
Daarbij kan afgesproken worden dat een gemeente wat meer doet voor de ene groep en wat minder voor de andere. Zolang de gemeenten in de regio het er maar over eens is dat het eindresultaat een evenwichtige verdeling oplevert.
85
Bijlage 1 Begrippenlijst
Belastingeffect eigen woning Belastingeffect voor eigenaar-bewoners als gevolg van het saldo van de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait. Bijkomende koopuitgaven De uitgaven voor de opstalverzekering, het eigenaarsgedeelte OZB, het eigenaarsgedeelte waterschapslasten en de (eventuele) erfpacht. Bruto hypotheekuitgaven De totale hypotheekuitgaven aan rente, aflossing en/of premie per maand . Bruto koopuitgaven De maandelijkse hypotheekuitgaven vermeerderd met de bijkomende koopuitgaven en de reservering groot onderhoud. Doorstromer Een binnen Nederland verhuizend huishouden. Voor en na de verhuizing is het huishouden de hoofdbewoner van een woning. De vorige woning is na de verhuizing volledig beschikbaar voor nieuwe bewoners. Geschikte woningen (toe- en doorgankelijke woningen) Geschikte woningen zijn toe- en doorgankelijke woningen waarvan de voordeur te bereiken is zonder traplopen en waarin de primaire vertrekken (keuken, wc en woon -, slaap- en badkamer) zonder traplopen te bereiken zijn. Netto besteedbaar huishoudinkomen Het netto inkomen uit arbeid, winst uit onderneming en inkomen uit uitkeringen en sociale verzekeringen (pensioen, lijfrente, alimentatie c.q. bijstandsverhaal).
Voorts wordt als inkomen meegeteld: de kinderbijslag, het spaarloon, de vakantietoeslag, de zie kenfondspremie (van werknemer en werkgever)/zorgtoeslag, de tegemoetkoming van de werkgever in de ziektekosten, gratificaties, vaste winstdeling en tantièmes. In deze publicatie worden inkomsten en uitgaven in verband met het wonen niet meegeteld in het netto besteedbaar huishoudinkomen. Het inkomen is dus exclusief ontvangen huurtoeslag, koopsubsidie, hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait. In het huishoudinkomen telt mee het inkomen van het hoofd van het huishouden, de eventuele partner en van leden van het huishouden. Netto huur Huur verminderd met de huurtoeslag. 86
Netto huurquote De netto huur uitgedrukt als een percentage van het netto besteedbaar huishoudinkomen. De netto huurquote is de microquote die berekend wordt door eerst per huishouden de quote te berekenen en de quotes vervolgens te middelen. Netto koopuitgaven De bruto koopuitgaven verminderd met het belastingeffect eigen woning . Netto koopquote De netto koopuitgaven van eigenaar-bewoners uitgedrukt in een percentage van het netto besteedbaar huishoudinkomen. Het belastingeffect (hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait) is hierin dus verwerkt. Met in de woning geïnvesteerd eigen vermogen wordt geen rekening gehouden. De netto koopquote is de microquote die berekend wordt door eerst per huishouden de quote te berekenen en de quotes vervolgens te middelen. Netto woonuitgaven De netto woonuitgaven voor huurders en kopers bedraagt de netto huur, re spectievelijk de netto koopuitgaven, vermeerderd met de bijkomende woonuitgaven. Netto woonquote Het percentage van het netto besteedbaar huishoudinkomen dat besteed wordt aan de netto woonuitgaven. NHG-kostengrens (2022) In 2022 lag de NHG-kostengrens (de grens voor een NHG-hypotheek) op € 355.000. Onzelfstandig wonende huishoudens Huishoudens in (studenten)eenheden, BAR (bewoonde andere ruimtes, zoals woonboten, woonwagens, recreatiewoningen of andere woonvormen), of huishoudens die inwonend zijn bij een ander huishouden.
Particulier huishouden Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf, dus niet bedrijfsmatig, voorzien in de dagelijkse levensbehoeften. Personen die in (zorg)instellingen wonen, vallen hier dus buiten. Passend toewijzen Een corporatie moet ervoor zorgen dat bij ten minste 95% van de woningen die zij jaarlijks toewijst aan huishoudens met een inkomen onder de inkomensgrens voor passend toewijzen, de huur onder de aftoppingsgrens ligt.
87
Reservering groot onderhoud Maandelijks benodigde voorziening voor kosten van periodiek groot onderhoud aan de eigen woning. Het bedrag is modelmatig geschat op basis van de relatie tussen uitgaven voor groot onderhoud en de grootte en het type van de woning volgens het Budgetonderzoek (CBS). Semi-starter Een binnen Nederland verhuizend huishouden. Voor en na de verhuizing is het huishouden de hoofdbewoner van een woning. De vorige woning is na de verhuizing echter niet beschikbaar voor de woningmarkt, bijvoorbeeld na scheiding, verlaten woongroep of door sloop of grootschalige renovatie van de vorige woning. Starter Een starter is een huishouden dat voor verhuizing niet in een zelfstandige woning woonde en na de verhuizing hoofdbewoner van een zelfstandige woning is. Starters zijn veelal afkomstig uit het ouderlijk huis, een onzelfstandige woonruimte (zoals een kamer in een studentenhuis of zorginstelling) of een alternatieve woonvorm zoals een woonboot of woonwagen. Verhuisgeneigd Als men aangeeft binnen twee jaar misschien of beslist te willen verhuizen. Zelfstandige woning Een gebouw of deel van een gebouw dat volgens de bouw of verbouw blijvend is bestemd voor permanente bewoning. Bovendien is onder andere vereist dat bij de bouw of verbouw aan de op dat moment bestaande bouwtechnische voorschriften voo r woningen is voldaan.
Een zelfstandige woning betreft een (deel van een) gebouw met een woonfunctie waar voorzieningen als toilet, keuken en badkamer niet gedeeld hoeven worden met andere huishoudens.
Definitie inkomensgroepen, prijspeil 2022: ✓
Sociaal minimum: huishoudens met een belastbaar jaarinkomen op of onder bijstandsniveau.
✓
120% sociaal minimum: huishoudens met een belastbaar jaarinkomen op of onder 120% van bijstandsniveau.
✓
Doelgroep passend toewijzen: huishoudens met een belastbaar jaarinkomen onder de inkomensgrenzen van passend toewijzen.
✓
Doelgroep corporaties: eenpersoonshuishoudens met een belastbaar jaarinkomen tot € 40.765 en meerpersoonshuishoudens met een belastbaar jaarinkomen tot € 45.014.
✓
Lage middeninkomens: huishoudens met een belastbaar jaarinkomen tussen € 40.765 en € 47.948 voor eenpersoonshuishoudens en tussen € 45.014 en € 55.486 voor meerpersoonshuishoudens.
✓
Hoge middeninkomens: huishoudens met een belastbaar jaarinkomen tussen € 47.948 en € 56.527 voor eenpersoonshuishoudens en tussen € 55.486 en € 75.369 voor meerpersoonshuishoudens.
✓
Hogere inkomens: huishoudens met een belastbaar jaarinkomen boven € 56.527 voor eenpersoonshuishoudens en boven € 75.369 voor meerpersoonshuishoudens. 88