CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 09. Regels met bijlagen ontwerp

Besluitvormende raad 20 april 2023, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied35.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - kampeerterrein” is het uitoefenen van het kampeerterrein als zelfstandig kampeerterrein niet toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - kampeerterrein” mogen maximaal 60 kampeermiddelen worden geplaatst met een dichtheid van maximaal 30 kampeermiddelen per hectare; d. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - kampeerterrein” zijn de kampeermiddelen uitsluitend toegestaan gedurende het kampeerseizoen; e. het permanent bewonen of laten bewonen van kampeermiddelen en recreatiewoningen is niet toegestaan door anderen dan de in bijlage 9 vermelde personen; f. het uitponden van een kampeerterrein is niet toegestaan. 47

Artikel 14 Sport 14.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Sport” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van sportactiviteiten; b. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van sport - catamaranclub”: uitsluitend een catamaranclub; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van sport - kynologenclub”: uitsluitend een kynologenclub met aanverwante voorzieningen op het gebied van training en verzorging van honden; d. horeca, voorkomend in categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten, als ondergeschikte nevenactiviteit bij de ter plaatse uitgeoefende activiteiten; e. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 14.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 14.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b.

de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; c. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%. 14.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en de bouwhoogte van een gebouw bedragen respectievelijk maximaal 3,2 meter en 6 meter. 14.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 14.3

Nadere eisen

14.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 14.3.2 Voorwaarden De in artikel 14.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten.

48

14.4

Afwijken van de bouwregels

14.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 14.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 14.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 14.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 14.2.3 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 14.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 14.4.1 en 14.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 14.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. evenementen zijn toegestaan.

49

Artikel 15 Verkeer 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Verkeer” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, bruggen, straten en paden, waarbij tevens het behoud en de versterking van landschappelijke waarden wordt nagestreefd; b. ter plaatse van de aanduiding “cultuurhistorische waarden”: tevens het behoud van cultuurhistorisch waardevolle wegen; c. ter plaatse van de aanduiding “parkeerterrein”: tevens een parkeerterrein; d. ter plaatse van de aanduidig 'railverkeer': tevens spoorwegen met bijbehorende voorzieningen; e. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning - kunstwerk”: tevens een kunstwerk; f. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - wegensteunpunt": tevens een wegensteunpunt; g. ter plaatse van de aanduiding “windturbine”: tevens een windturbine; h. bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals pleinen, terrassen, markten, standplaatsen, parkeervoorzieningen, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, sport- en speelvoorzieningen, jongerenontmoetingsplaatsen, straatmeubilair, geluidwerende voorzieningen, kiosken, afvalverzamelvoorzieningen, reclame-uitingen, voorwerpen van beeldende kunst en gedenktekens. 15.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a.

niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van het onderhoud en beheer van wegen en dijken, spoorwegen en het sluizencomplex bij Het Goese Sas; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 15.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van het onderhoud en beheer van wegen en dijken, spoorwegen en het sluizencomplex bij Het Goese Sas mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd. 15.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt maximaal 3,5 meter, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven; b. de oppervlakte van een gebouw buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 15 m². 15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; c. de bouwhoogte van bovenleidingen bedraagt maximaal 10,5 meter; d. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning - kunstwerk” bedraagt de hoogte van een kunstwerk maximaal 10 meter en de doorsnede maximaal 5 meter; e. ter plaatse van de aanduiding “windturbine” bedraagt de ashoogte van een windturbine maximaal 30 meter; f.

de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 15.3

Nadere eisen

15.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing en afmetingen van gebouwen en bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; 50

b. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van aangrenzende gronden; d. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 15.3.2 Voorwaarden De in artikel 15.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 15.4

Afwijken van de bouwregels

15.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 15.2.2 sub a, mits deze maat met maximaal 1 meter worden overschreden. 15.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 15.2.3 sub a tot een hoogte van maximaal 15 meter; b. artikel 15.2.3 sub f tot een hoogte van maximaal 10 meter. 15.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 15.4.1 en 15.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 15.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. evenementen zijn toegestaan; b. het in gebruik nemen van onbebouwde gronden ten behoeve van opslagdoeleinden is niet toegestaan, tenzij het betreft de opslag van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normale onderhoudswerkzaamheden dan wel ter verwezenlijking van de bestemming.

15.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 15.6.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. op gronden die direct grenzen aan gronden met de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch openheid”: het wijzigen dan wel verwijderen, ofwel het vellen of rooien, van houtwalprofielen en houtgewassen, alsmede het beplanten van gronden met houtgewassen; b. ter plaatse van de aanduiding “cultuurhistorische waarden”: het aanbrengen, verleggen en verbreden van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. 15.6.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden Het in artikel 15.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

51

a. werken en/of werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer, mits deze niet leiden tot onevenredige schade aan en/of onomkeerbare gevolgen voor de landschappelijke of archeologische waarden; b. werken en/of werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de instandhouding van de waterkering; c. werken en/of werkzaamheden welke worden uitgevoerd in een Natura 2000-gebied in de zin van de Wet natuurbescherming en handelingen opleveren waarvoor een vergunning op grond van die wet is vereist, dan wel handelingen welke zijn voorzien in een beheerplan als bedoeld in de Wet natuurbescherming. 15.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden a. werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 15.6.1 zijn slechts toelaatbaar indien hierdoor de in artikel 15.1 genoemde waarden: 1. niet worden aangetast of 2. niet significant worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en indien mitigerende en zonodig compenserende maatregelen worden getroffen; b.

alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op gronden die blijkens de bestemming een waterstaatkundige functie hebben, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de waterkeringbeheerder omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de waterstaatkundige functie niet wordt geschaad; c. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op een gebied aangewezen als “vrijwaringszone - molenbiotoop” winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de windvang voor de molen of de waarde van de molen als landschapbepalend element niet onevenredig in gevaar wordt of kan worden gebracht.

52

Artikel 16 Waardevolle dijk 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Waardevolle dijk” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud en de versterking van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden, alsmede voor verkeersdoeleinden; b. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning - kunstwerk”: tevens een kunstwerk; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van verkeer - radar”: tevens een radarinstallatie; d. bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, straatmeubilair, geluidwerende voorzieningen, afvalverzamelvoorzieningen, voorwerpen van beeldende kunst en gedenktekens. 16.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van het onderhoud en beheer van wegen en dijken; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 16.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt maximaal 3,5 meter; b. de oppervlakte van een gebouw bedraagt maximaal 15 m². 16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a.

de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; b. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning - kunstwerk” bedraagt de hoogte van een kunstwerk maximaal 10 meter en de doorsnede maximaal 5 meter; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van verkeer - radar” bedraagt de hoogte van een radarinstallatie maximaal 15 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 16.3

Nadere eisen

16.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing en afmetingen van gebouwen en bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van aangrenzende gronden; d. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 16.3.2 Voorwaarden De in artikel 16.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 16.4

Afwijken van de bouwregels

16.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: 53

a. artikel 16.2.1 sub a, mits deze maat met maximaal 1 meter zal worden overschreden. 16.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 16.2.2 sub a tot een hoogte van maximaal 15 meter; b. artikel 16.2.2 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 16.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 16.4.1 en 16.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 16.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. het in gebruik nemen van onbebouwde gronden ten behoeve van opslagdoeleinden is niet toegestaan, tenzij het betreft de opslag van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normale onderhoudswerkzaamheden dan wel ter verwezenlijking van de bestemming.

16.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 16.6.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor met toepassing van artikel 16.2 een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van de bevoegde waterbeheerder; c. het wijzigen dan wel verwijderen, ofwel het vellen of rooien, van houtwalprofielen en houtgewassen; d. het beplanten van gronden met houtgewassen; e. het aanbrengen, verleggen en verbreden van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie en/of natuurrecreatie, zoals picknickplaatsen.

16.6.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden Het in artikel 16.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer, mits deze niet leiden tot onevenredige schade aan en/of onomkeerbare gevolgen voor de landschappelijke of archeologische waarden; b. werken en/of werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de instandhouding van de waterkering; c. werken en/of werkzaamheden welke worden uitgevoerd in een Natura 2000-gebied in de zin van de Wet natuurbescherming en handelingen opleveren waarvoor een vergunning op grond van die wet is vereist, dan wel handelingen welke zijn voorzien in een beheerplan als bedoeld in de Wet natuurbescherming.

54

16.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden a. werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 16.6.1 zijn slechts toelaatbaar indien hierdoor de in artikel 16.1 genoemde waarden: 1. niet worden aangetast of 2. niet significant worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en indien mitigerende en zonodig compenserende maatregelen worden getroffen; b. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op gronden die blijkens de bestemming een waterstaatkundige functie hebben, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de waterkeringbeheerder omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de waterstaatkundige functie niet wordt geschaad; c.

alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op een gebied aangewezen als “vrijwaringszone - molenbiotoop” winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de windvang voor de molen of de waarde van de molen als landschapbepalend element niet onevenredig in gevaar wordt of kan worden gebracht.

55

Artikel 17 Water 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Water” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wateraanvoer en -afvoer, waterberging, waterhuishouding, paden, waterpartijen, vijvers en (primaire) waterlopen, alsmede voor bruggen, dammen, groenvoorzieningen, aanlegsteigers, speelvoorzieningen, voorzieningen ten dienste van de waterkering en nutsvoorzieningen; b. vaar- en waterwegen; c. watersport en visserij; d. ter plaatse van de aanduiding “haven”: tevens een haven met de daarbij behorende havenvoorzieningen in combinatie met kleinschalige watersportvoorzieningen, zoals een trailerhelling en verhuur van watersportartikelen. 17.2 Bouwregels Op de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 17.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van steigerpalen, lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 10 meter; b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 meter. 17.3

Nadere eisen

17.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, ten behoeve van de verkeersveiligheid nadere eisen te stellen ten aanzien van de plaats en afmetingen van bebouwing. 17.4

Afwijken van de bouwregels

17.4.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 17.2.1 sub a tot een hoogte van maximaal 15 meter; b. artikel 17.2.1 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter. 17.4.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 17.4.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 17.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. het gebruik als ligplaats voor vaartuigen voor een duur van minder dan 24 uur is toegestaan; b. het innemen van ligplaatsen voor woonboten is niet toegestaan.

56

Artikel 18 Wonen 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de huisvesting van personen in een woning; b. ter plaatse van de aanduiding “horeca”: tevens een ondersteunend horecabedrijf dat voorkomt in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Horeca-activiteiten met een oppervlakte van maximaal 100 m²; c. ter plaatse van de aanduiding “dierenpension”: tevens een dierenpension; d. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van wonen - landhuis”: wonen in een landhuis; e. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van wonen - sociëteit - daghoreca: tevens een instituut voor woonkunde en een locatie voor bruilofts-, familie- en zakelijke arrangementen met ondersteunende horeca, voorkomend in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Horeca-activiteiten, ten dienste van de bestemming; f. ter plaatse van de aanduiding “woonwagenstandplaats”: uitsluitend standplaatsen voor woonwagens; g. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; h. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 18.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

18.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak mogen hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding “erf” mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel; c. op gronden buiten het bouwvlak en zonder aanduiding “erf” mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd; d. ter plaatse van de aanduiding “woonwagenstandplaats” mogen uitsluitend woonwagens met bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; e. de oppervlakte van een standplaats voor een woonwagen inclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 200 m². 18.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd; b. per bouwvlak is maximaal één hoofdgebouw toegestaan; c. de goot- en de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedragen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter; d.

de inhoud van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 750 m³, met dien verstande dat de inhoud van een hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van wonen - landhuis” maximaal 1000 m³ bedraagt; e. de afstand tussen een niet-aaneengebouwd hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter, met dien verstande dat de afstand tussen een hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van wonen - landhuis” minimaal 5 meter bedraagt. 18.2.3 Woonwagens 57

Voor het bouwen van woonwagens gelden de volgende bepalingen: a. het aantal woonwagens ter plaatse van de aanduiding “woonwagenstandplaats” bedraagt maximaal 21; b. de onderlinge afstand tussen woonwagens bedraagt minimaal 2 meter; c. de goot- en de bouwhoogte van een woonwagen bedragen respectievelijk maximaal 3,2 en 6 meter. 18.2.4 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedragen respectievelijk maximaal 3,2 meter en 6 meter; b. de afstand tussen een bijbehorend bouwwerk en (het verlengde van) de voorgevel van een hoofdgebouw bedraagt minimaal 3 meter; c. de bebouwde oppervlakte van de gronden ter plaatse van de aanduiding “erf” bedraagt op ieder bouwperceel maximaal 50% met een maximum van 150 m²; d. per standplaats voor een woonwagen bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 20 m²; e. de afstand tussen een bijbehorend bouwwerk en de zijdelingse perceelsgrens ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van wonen - landhuis” bedraagt minimaal 3 meter. 18.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen (het verlengde van) de voorgevel van een hoofdgebouw en de openbare weg bedraagt maximaal 1 meter; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 meter. 18.3

Nadere eisen

18.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 18.3.2 Voorwaarden De in artikel 18.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 18.4

Afwijken van de bouwregels

18.4.1 Hoofdgebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 18.2.2 sub a voor het uitbreiden van het hoofdgebouw buiten het bouwvlak, met dien verstande dat de uitbreiding alleen mag plaatsvinden op gronden met de nadere aanduiding “erf”; b. artikel 18.2.2 sub e voor een kortere afstand tot op de zijdelingse perceelsgrens. 18.4.2 Bijbehorende bouwwerken Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 18.2.4 sub a voor een goot- en bouwhoogte die maximaal de op de verbeelding aangegeven maten bedragen, mits het bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd binnen het bouwvlak; b. artikel 18.2.4 sub b voor een kortere afstand tot op de voorgevelrooilijn; c. artikel 18.2.4 sub e voor een kortere afstand tot op de zijdelingse perceelsgrens. 58

18.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 18.2.5 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter. 18.4.4 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 18.4.1, 18.4.2 en 18.4.3 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 18.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. het gebruiken of in gebruik geven van woningen als kamerverhuurpand is niet toegestaan; b. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bestaande kamerverhuurpanden; c. bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan; d. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning - evenemententerrein” mogen gedurende de periode van 1 april tot en met 30 september tenten voor culturele activiteiten en daarmee samenhangende overnachtingen worden geplaatst met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 300 m². 18.6

Afwijken van de gebruiksregels

18.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 18.5 sub a voor het gebruiken of in gebruik geven van een woning als kamerverhuurpand, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. in de woning is sprake van maximaal vier onzelfstandige woonruimtes; 2. elke onzelfstandige woonruimte wordt door maximaal één persoon bewoond, tenzij sprake is van partners; 3. op eigen terrein wordt voorzien in minimaal twee parkeerplaatsen, die ook in stand worden gehouden; 4. binnen een straal van 250 meter rondom het kamerverhuurpand is geen ander kamerverhuurpand aanwezig.

59

Artikel 19 Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding” aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en), primair bestemd voor de aanleg, het beheer en de instandhouding van een hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende belemmerende strook, masten en (veiligheids)voorzieningen. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 19.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de hoogspanningsverbinding met een hoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de hoogte niet wordt vergroot, de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

19.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 19.2, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de bij de betrokken bestemming behorende regels worden in acht genomen; b. het belang van de leiding wordt door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad; c. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden. 19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 19.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en/of rooien van hoogopgaande beplanting en bomen; b. het aanbrengen en/of slopen van bovengrondse constructies, installaties en apparatuur; c. het wijzigen van de maaiveldhoogte; d. het aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere verhardingen; e.

het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, ten behoeve van andere dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven doeleinden; f. het uitvoeren van heiwerken of op andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen. 19.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Het in artikel 19.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen; b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn; c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.

60

19.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden a. Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 19.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemming zijn toegekend en hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht. b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden.

61

Artikel 20 Leiding - Ondergrondse hoogspanningsverbinding 20.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Leiding - Ondergrondse hoogspanningsverbinding” aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en), primair bestemd voor de aanleg, het beheer en de instandhouding van een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een maximum spanning van 150 kV, met de daarbij behorende belemmerende strook en andere voorzieningen ten behoeve van de bestemming. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 20.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de hoogspanningsverbinding met een hoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

20.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 20.2, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de bij de betrokken bestemming behorende regels worden in acht genomen; b. het belang van de leiding wordt door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad; c. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden. 20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 20.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplanting en bomen, dieper dan 0,80 meter onder peil; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en ophogen, dieper dan 0,80 meter onder peil; c. het aanbrengen van drainage, dieper dan 1 meter onder peil; d.

het aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere verhardingen; e. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, ten behoeve van andere dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven doeleinden; f. het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 0,80 meter onder peil; g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen. 20.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Het in artikel 20.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen; b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn;

62

c.

werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.

20.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden a. Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 20.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemming zijn toegekend en hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht. b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden.

63

Artikel 21 Leiding - Gas 21.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Leiding - Gas” aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en), primair bestemd voor de aanleg, het beheer en de instandhouding van een gasleiding, met de daarbij behorende belemmerende strook en andere voorzieningen ten behoeve van de bestemming. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 21.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. op of in deze gronden mogen met het oog op externe veiligheid en energieleveringszekerheid uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de gasleiding met een hoogte van maximaal 2 meter. 21.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 21.2, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de bij de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) behorende regels worden in acht genomen; b. het belang van de leiding wordt door de bouwactiviteiten niet geschaad; c. geen kwetsbare objecten worden toegelaten; d.

alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden. 21.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. het opslaan van goederen, met uitzondering van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding, is niet toegestaan; b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen, indien daardoor een kwetsbaar object wordt toegelaten, is niet toegestaan. 21.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 21.5.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplanting en bomen; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanbrengen van drainage; c. het aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere verhardingen; d.

het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, ten behoeve van andere dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven doeleinden; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen. 21.5.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Het in artikel 21.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen;

64

b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn; c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning; d. graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. 21.5.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden a. Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 21.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemming zijn toegekend en hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht. b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden.

65

Artikel 22 Leiding - Riool 22.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Leiding - Riool” aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en), primair bestemd voor de aanleg, het beheer en de instandhouding van een rioolpersleiding, met de daarbij behorende belemmerende strook en andere voorzieningen ten behoeve van de bestemming. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 22.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de rioolpersleiding met een hoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 22.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 22.2, met inachtneming van de volgende bepalingen: a.

de bij de betrokken bestemming behorende regels worden in acht genomen; b. het belang van de leiding wordt door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad; c. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van de bestemming bedraagt maximaal 15 m² en de bouwhoogte maximaal 3,5 meter; d. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden. 22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 22.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplanting en bomen; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanbrengen van drainage; c. het aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere verhardingen; d.

het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, ten behoeve van andere dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven doeleinden; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen. 22.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Het in artikel 22.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen; b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn;

66

c.

werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.

22.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden a. Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 22.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemming zijn toegekend en hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht. b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden.

67

Artikel 23 Leiding - Water 23.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Leiding - Water” aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en), primair bestemd voor de aanleg, het beheer en de instandhouding van een waterleiding, met de daarbij behorende belemmerende strook en andere voorzieningen ten behoeve van de bestemming. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 23.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de waterleiding met een hoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 23.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 23.2, met inachtneming van de volgende bepalingen: a.

de bij de betrokken bestemming behorende regels worden in acht genomen; b. het belang van de leiding wordt door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad; c. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van de bestemming bedraagt maximaal 15 m² en de bouwhoogte maximaal 3,5 meter; d. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden. 23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 23.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplanting en bomen; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanbrengen van drainage; c. het aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere verhardingen; d.

het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, ten behoeve van andere dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven doeleinden; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen. 23.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Het in artikel 23.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen; b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn;

68

c.

werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.

23.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden a. Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 23.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemming zijn toegekend en hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht. b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betreffende leidingenbeheerder(s) over de vraag of door de voorgenomen activiteiten het leidingbelang geen onevenredige schade wordt toegebracht en de eventueel te stellen voorwaarden.

69

Artikel 24 Waarde - Archeologie - 1 24.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Waarde - Archeologie - 1” aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied en van de ter plaatse aanwezige vindplaatsen, voor zover niet beschermd van rijkswege. 24.2

Bouwregels

24.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 24.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; c.

het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk waarvan de oppervlakte van de verstoring maximaal 50 m² bedraagt; 3. een bouwwerk dat niet dieper dan 40 cm beneden het maaiveld wordt geplaatst. 24.3

Specifieke gebruiksregels

24.3.1 Verhouding tot andere dubbelbestemmingen Voor zover de in artikel 24.1 bedoelde dubbelbestemming samenvalt met een of meer andere dubbelbestemmingen, worden – ook ten opzichte van de in artikel 24.1 bedoelde dubbelbestemming – de regels in acht genomen die bij deze andere dubbelbestemming(en) behoren. 24.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 24.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor met toepassing van artikel 24.2.1 sub b of sub c een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, of het ophogen van gronden met meer dan 40 cm; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van de bevoegde waterbeheerder; c. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;

70

d. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 24.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Het in artikel 24.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen, waaronder mede wordt verstaan het vervangen of verwijderen van kabels en leidingen in een bestaand tracé; b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn; c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of een ontgrondingsvergunning; d. werken en/of werkzaamheden waarbij geen grondbewerkingen plaatsvinden dieper dan 40 cm beneden het maaiveld; e. werken en/of werkzaamheden waarvan de oppervlakte van de verstoring maximaal 50 m² bedraagt; f. archeologisch onderzoek. 24.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 24.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Voorts wordt een omgevingsvergunning in ieder geval verleend indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het betrokken terrein in voldoende mate worden veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de activiteiten door een archeologisch deskundige; d. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 24.5

Wijzigingsbevoegdheid

24.5.1 Wijzigen bestemming Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van archeologisch waardevolle gebieden, met inachtneming van de volgende regels, wijzigen voor: a. het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - rijksmonument' aan gronden die ingevolge artikel 3.1 van de Erfgoedwet zijn of worden beschermd; b. het toekennen van een lagere waarde aan gronden met de bestemming “Waarde - Archeologie 1” indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat deze gronden van een lagere archeologische waarde zijn. 24.5.2 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsvlak verwijderen, met inachtneming van de volgende regels: a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet; c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 71

24.5.3 Wijzigen vorm bestemmingsvlak Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bestemmingsvlak veranderen, met inachtneming van de volgende regels: a. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden; b. zonder verandering van de vorm van het bestemmingsvlak kan de bebouwing ten behoeve van de voor de gronden geldende andere bestemming niet of niet doelmatig worden gerealiseerd; c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; d. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 24.5.4 Procedureregel Bij het toepassen van de bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 24.5.1, 24.5.2 en 25.5.3 zijn de algemene procedureregels van artikel 35 van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12612123/2