CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

AGendapunt 07. Toelichting

Oordeelsvormende raad 8 december 2022, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Bijsterweg 16a Wolphaartsdijk12.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan “Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk” Gemeente Goes

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

Toelichting

2

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding .......................................................................................................................... 5

1.1

Aanleiding ............................................................................................................... 5

1.2

Plangebied .............................................................................................................. 5

1.3

Geldende bestemmingsplan .................................................................................... 5

1.4

Leeswijzer ............................................................................................................... 6

Hoofdstuk 2 Beleidskaders ................................................................................................................. 7

2.1

Algemeen ................................................................................................................ 7

2.2

Rijksbeleid ............................................................................................................... 7

2.3

Provinciaal beleid .................................................................................................... 9

2.4

Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 11

Hoofdstuk 3 Beoogde ontwikkeling ................................................................................................. 12

3.1

Huidige situatie ...................................................................................................... 12

3.2

Beoogde situatie.................................................................................................... 12

3.3

Landschappelijke inpassing ................................................................................... 13

3.4

Verkeer en parkeren.............................................................................................. 13

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving.................................................................................... 14

4.1

Geluidhinder .......................................................................................................... 14

4.2

Bodemverontreiniging ........................................................................................... 15

4.3

Flora en Fauna ...................................................................................................... 15

4.4

Cultuurhistorische Hoofd Structuur ........................................................................ 17

4.5

Archeologie ........................................................................................................... 17

4.6

Water .................................................................................................................... 19

4.7

Milieuhinder ........................................................................................................... 22

4.8

Externe veiligheid .................................................................................................. 24

4.9

Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 26

4.10 Kabels en leidingen ............................................................................................... 27 4.11 Vormvrije m.e.r-beoordeling .................................................................................. 28 Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving ................................................................................................ 29 Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid.................................................................................... 32

6.1

Kostenverhaal ....................................................................................................... 32

6.2

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................... 32

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke toetsing en overleg ....................................................................... 33

7.1

Maatschappelijke toetsing ..................................................................................... 33

7.2

Overleg ................................................................................................................. 33

3

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

Figuur 1 Straatnamenkaart, rode contour betreft indicatief de ligging van het plangebied.

Figuur 2 luchtfoto, rode pijl geeft indicatief ligging van het plangebied aan.

4

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk is sinds 2009 het bedrijf De Jong Techniek gevestigd. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" heeft de gemeente Goes aan een beperkt gedeelte van dit perceel abusievelijk een agrarische bestemming toegekend, waardoor de huidige gebruiks- en bouwmogelijkheden voor dit gedeelte van het perceel onder het overgangsrecht zijn gebracht. De reden daarvoor is onbekend. Om recht te doen aan een goede ruimtelijke ordening heeft de eigenaar van het bedrijf, nader te noemen ‘initiatiefnemer’, de gemeente verzocht -vooruitlopend op het inwerking treden van de Omgevingswet- deze omissie alsnog onder de huidige wet- en regelgeving te herstellen. De gemeente Goes heeft aangegeven hiertoe, onder voorwaarden, bereid te zijn. Onderhavige bestemmingsplanherziening voorziet hierin. Concreet ziet deze partiële herziening op het toekennen van een bedrijfsmatige bestemming aan een thans nog agrarisch bestemde strook grond, onder voorwaarde dat de bedrijfsmatige gronden gesitueerd direct ten noorden van de bestaande bedrijfsbebouwing, evenwijdig gelegen aan de Langedijk, landschappelijk worden ingepast. Verder worden voor de strook grond alleen de feitelijk aanwezig bedrijfsmatige gebruiks- en bouwmogelijkheden toegestaan en geborgd. Het is immers niet de bedoeling, dat er extra gebruiks- en bouwmogelijkheden ontstaan.

De agrarische bestemming komt daarmee te vervallen. Teneinde een goede inpassing te garanderen is voorts naast een op maat gesneden bestemming voor de thans nog agrarisch bestemde strook grond, ook het constructiebedrijf in dit bestemmingplan opgenomen. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond, dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

1.2

Plangebied

Het plangebied, plaatselijk bekend Bijsterweg 16a omvat de percelen, kadastraal bekend gemeente Goes, sectie AE, nummers 574 en 791 (gedeeltelijk). De gronden en het bedrijf zijn gelegen in het buitengebied van Wolphaartsdijk, één van de kernen van de gemeente Goes. Het bedrijf maakt deel uit van een kleine bebouwingsenclave, waarbij de omgeving -naast de woningen- hoofdzakelijk door agrarisch grondgebruik wordt gedomineerd. De ontsluiting van het bedrijf geschiedt primair op de Bijsterweg en wordt zowel in zuidelijke richting als noordelijke richting via de Langedijk op het verdere wegennet ontsloten. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de figuren 1 en 2. De exacte begrenzing van het plangebied is eveneens ingetekend op onderstaande verbeelding van dit bestemmingsplan.

1.3

Geldende bestemmingsplan

De huidige locatie is opgenomen in het bestemmingsplan “Buitengebied 2010” zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 17 maart 2011 en onherroepelijk geworden op 2 juni 2011. Op basis van dit bestemmingsplan zijn de gronden waar het bedrijf is gesitueerd specifiek voor de aanwending van een constructiebedrijf bestemd. Dit heeft niet voor een strook grond met beperkte oppervlakte, gesitueerd aan de oostzijde, direct grenzend aan het bedrijfsperceel te gelden. Deze

5

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

strook grond draagt een agrarische bestemming, zonder bouwmogelijkheden, doch maakt sinds 2009 (en voorheen) feitelijk onderdeel van de bedrijfsvoering uit.

Figuur 3 Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2010’, de rode belijning geeft het plangebied aan.

Formeel mag derhalve binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan de rood omkaderde strook grond alleen voor agrarische doeleinden worden aangewend. Echter, op basis van het voorgaande plan; het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2001’, was het aanwenden van deze grond in het kader van het voeren van een agrarisch hulp- en nevenbedrijf voor onder meer opslag in de bestaande bebouwing, parkeren en ontsluiten van de gronden reeds toegestaan. Dit gebruik is door initiatiefnemer voortgezet en valt daarmee onder het overgangsrecht. Nu dit gedeelte van het perceel onafgebroken deel uitmaakte van zowel de voormalige als huidige bedrijfsvoering en de gemeente tot zeer recent nooit handhavend heeft opgetreden, ligt het in de rede dit perceelgedeelte in overeenstemming te brengen met het plan uit 2001. Meer concreet: het is redelijk en billijk het bestaande gebruik en aanwezige bebouwing planologisch toe te staan, zeker nu het gebruik al lange tijd bekend is. Verder is in de huidige bestemmingsregeling geen binnenplanse afwijking of wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestemming gewijzigd kan worden naar bedrijfsmatige bestemming, zodat het opstellen van een partiële herziening van het bestemmingsplan vereist is. Voorliggend document betreft de toelichting van het bestemmingsplan waarmee de procedure kan worden doorlopen.

1.4

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit zes hoofdstukken. In Hoofdstuk 2 komt het ruimtelijk relevante beleid uit de geldende beleidskaders aan bod. In Hoofdstuk 3 wordt het project toegelicht. Vervolgens worden in Hoofdstuk 4 de verschillende milieuaspecten beoordeeld. Hoofdstuk 5 bevat de beschrijving van de juridische aspecten. In Hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Tot slot komt in Hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.

6

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

Hoofdstuk 2 2.1

Beleidskaders

Algemeen

Nu het slechts gaat om een partiële herziening om een omissie door te voeren, zijn er geen Rijksbelangen, provinciale en gemeentelijke belangen in het geding. Dit laat onverlet, dat het bevoegde orgaan in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van het plan dient te beoordelen of het positief bestemmen van een overgangsrechtelijke situatie nog steeds een passende bestemming is, omdat zowel de provincie Zeeland en de gemeente Goes waarde hechten aan duurzaam ruimte gebruik.

2.2

Rijksbeleid

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie op 2050 gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

Fig.4: Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de

7

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. Onderhavig initiatief raakt geen nationale belangen. Het Rijksbeleid is voor het wijzigen van de bestemming van 'agrarisch' naar 'bedrijfsmatig' niet relevant; er is geen sprake van een Rijksbelang.

2.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Structuurvisies hebben op zichzelf geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen worden daarom geborgd in de Amvb Ruimte. Deze Amvb wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In het Barro zijn verschillende bepalingen opgenomen, o.a. ten aanzien van Rijksvaarwegen, hoofdwegen en -spoorwegen. Er zijn geen bepalingen die direct betrekking hebben op het plangebied.

2.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is met ingang van 1 oktober 2012 opgenomen, dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet, dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8),

8

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uiteen worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. De ladder voor duurzame verstedelijking heeft als voornaamste doel om zuinig en zorgvuldig om te gaan met de realisatie van nieuwe stedelijke functies en om ongewenste leegstand te voorkomen. Bovendien wordt met de ladder bijgedragen aan de tendens dat stedelijke functies zo veel mogelijk moeten worden geconcentreerd in het bestaand stedelijk gebied en dat extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in het buitenstedelijk gebied in beginsel wordt voorkomen. Toetsend aan deze ladder dient allereerst te worden bepaald of onderhavig plan in het licht van bestendige rechtspraak voorziet in een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Dit bestemmingsplan heeft enkel betrekking op het positief bestemmen van een bestaande situatie, welke op basis van het voorheen geldende regime reeds was en is toegestaan. Op grond van de uitspraak van de Raad van State van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075) geldt, dat als enkel sprake is van een planologische functiewijziging, in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Daarbij is bepaald, dat als een bestemmingsplan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bebouwing mogelijk maakt, maar alleen in een planologische functiewijziging voorziet, het plan in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Onderhavig initiatief betreft het positief bestemmen van een overgangsrechtelijke situatie waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is. 2.1.4 Conclusie De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is niet van toepassing op de onderhavige ontwikkeling. Het planvoornemen voorziet wel in een concrete behoefte.

2.3

Provinciaal beleid

2.2.1 Zeeuwse Omgevingsvisie Op 12 november 2021 hebben gedeputeerde staten van Zeeland de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Op 1 juli 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. In de Omgevingswet worden alle bestaande wetten die te maken hebben op de fysieke leefomgeving samengevoegd. In de Zeeuwse Omgevingsvisie legt de Provincie Zeeland al haar doelen en ambities voor de lange termijn vast. In de Omgevingsvisie worden verschillende onderwerpen benoemd. Denk daarbij aan wonen, landbouw en circulaire economie, maar bijvoorbeeld ook cultureel erfgoed, recreatie en leefbaarheid. Het uitgangspunt van de provincie voor de Omgevingsvisie is, beleid en regels die hun waarde hebben bewezen, alleen worden gewijzigd als er betere alternatieven zijn. De Provinciale Omgevingsverordening 2018 is daarom hierbij als uitgangspunt genomen. Verder bestaat de visie uit twee delen: deel A en deel B. In Deel A staan de strategische doelen voor de periode tot 2050 onderverdeeld in vier centrale ambities verwoord. De uitdagingen en ambities voor Zeeland, alsmede de Zeeuwse kernkwaliteiten worden daarin beschreven en geven richting aan de beleidsdoelstellingen en acties voorde kortere termijn (tot 2030). In Deel B wordt het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven.

Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema’s (bouwstenen) uitgewerkt die samen met onze omgeving geselecteerd zijn. Bij deze thema’s is het beleid voor de komende 10 jaar weergegeven.

9

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

Deel A De uitdagingen voor Zeeland bestaan voornamelijk uit de klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Deze ambities betreffen: 1. uitstekend wonen en werken in Zeeland; 2. balans in grote wateren en het landelijk gebied; 3. een duurzame en innovatieve economie; 4. een klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Deel B In deel B staat per thema aangegeven welke instrumenten worden ingezet om de doelen tot 2030 te bereiken. Gezien de grootte en de complexiteit van de uitdagingen, zijn de ambities echter alleen te halen als iedereen de keuze maakt die zoveel mogelijk bijdraagt aan deze ambities. Hiervoor zijn afwegingsfactoren beschreven en wordt een ‘beste keuze hulp’ gemaakt. De afwegingsfactoren sluiten aan op het NOVI van het Rijk en verwijzen onder meer naar de Zeeuwse kernkwaliteiten. Deze zijn vertaald naar vier afwegingsfactoren voor Zeeland: 1. Doe meer met minder grond; 2. Werk samen en deel kosten en baten; 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.

Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken. De Zeeuwse kernkwaliteiten betreffen: - genieten en opladen; - waarderen en beschermen van het landschap; - verbondenheid met de historie; - passende werkgelegenheid en ontwikkelingsmogelijkheden voor iedereen. In de visie zijn ambities en doelstellingen benoemd welke relevant zijn voor dit bestemmingsplan. De ambitie is om in 2050 te komen tot een innovatieve, circulaire economie, waarbij het bedrijfsleven werk op maat biedt en inspeelt op actuele ontwikkelingen. De infrastructuur is modern en betrouwbaar en biedt ruimte aan CO2-neutraal vervoer via verschillende modaliteiten. De haven- en industriegebieden bieden plaats aan clusters van bedrijven en elders heeft een concentratie van bedrijventerreinen plaatsgevonden. Dit geeft bedrijven de ruimte om te ondernemen. Het doel is voor bedrijventerreinen te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik, een functionele en aantrekkelijke inrichting, waarbij duurzaamheid het uitgangspunt is. 2.2.2 Provinciale Omgevingsverordening, Provincie Zeeland 2018 Met de vaststelling van het Omgevingsplan Zeeland 2018 is ook de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018 vastgesteld (21 september 2018). Slechts een select aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de verordening.

Onderwerpen opgenomen in de nieuwe Omgevingsverordening zijn bijvoorbeeld bestaande natuur en ecologische hoofdstructuur, agrarische gebieden van ecologische betekenis, molenbiotopen, glastuinbouw en intensieve veehouderij. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.

10

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

Voor onderhavige partiële herziening is onderstaande bepaling relevant. Bedrijven Artikel 2.3, vierde lid, van de Omgevingsverordening bepaalt: 4. In een bestemmingsplan wordt uitbreiding van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande kleinschalige bedrijventerreinen niet toegelaten, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. Nu het bedrijf formeel niet wordt uitgebreid, doch alleen de bestaande situatie wordt vastgelegd, welke planologisch reeds was toegestaan, is geen sprake van strijdig met de verordening. Verder wordt de strook grond met een oppervlakte van circa 227 m² op basis van onderhavige partiële herziening positief bestemd, onder de voorwaarde dat de bedrijfsmatige bestemde gronden gesitueerd direct ten noorden van de bedrijfsbebouwing (alsnog) landschappelijk wordt ingepast teneinde de ruimtelijke kwaliteit van niet alleen het perceel zelf, maar ook de directe omgeving te verhogen. Deze landschappelijke inpassing maakt onderdeel uit van de planvorming en wordt in de regels als voorwaardelijke verplichting geborgd. 2.2.4 Conclusie Het plan is niet in strijd met het provinciale omgevingsplan en omgevingsverordening.

De wijziging van de agrarische bestemming naar een bedrijfsmatige functie, doet recht aan de feitelijke situatie en zorgt door het landschappelijk inpassen van het perceel voor een ruimtelijke kwaliteitsslag én creëren van een aantrekkelijker verblijfs- en leefklimaat. Verder vindt er geen verdergaande verdichting, noch extra ruimtebeslag plaats. Bovenstaand in ogenschouw nemende is de beoogde ontwikkeling passend binnen de Zeeuwse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.

2.4

Gemeentelijk beleid

2.3.3 Structuurvisie Goes 2040 In de op 14 juni 2012 door de gemeenteraad vastgestelde structuurvisie wordt gesteld dat Goes in 2040 een florerende centrumgemeente is met een breed aanbod aan voorzieningen en werkgelegenheid voor de inwoners van de Bevelanden. Op een aantal terreinen wordt beoogd de verzorgende functie een veel groter gebied te laten bereiken dan de Bevelanden. Het gaat hierbij om de zakelijke dienstverlening, specifieke vormen van onderwijs, de gezondheidszorg in vele gedaanten en aan vrije tijdsvoorzieningen. De gemeente wil daarom blijven investeren in de toekomst van de stad, door te vernieuwen, te verbeteren en te groeien. Opgenomen is dat Goes de ambitie heeft verder te groeien in haar rol als (boven)regionale centrumgemeente. Veel van de projecten die in die in de structuurvisie worden benoemd zijn daarop gericht. De ambitie is om al die projecten te realiseren en de blik open te houden voor nieuwe kansen. 2.3.4 Conclusie De structuurvisie kent geen specifieke aandachtspunten voor onderhavige planvorming. Wel zal door het landschappelijk inpassen van het bestaande bedrijf de ruimtelijke kwaliteit en daarmee landschapstype worden behouden en daar waar mogelijk worden verstrekt. Hiermee past de planvorming binnen de beleidsuitgangspunten van de gemeente.

11

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

Hoofdstuk 3 3.1

Beoogde ontwikkeling

Huidige situatie

Landelijk gebied Het plangebied is in groter verband bezien gelegen in het landelijk gebied ten westen van Wolphaartsdijk en ten noordoosten van Oud- Sabbinge. Het landelijk gebied van de gemeente Goes heeft een rijke historie met een typische karakteristiek. Ondanks dat het gebied sinds de 16 eeuw veel te verduren kreeg, is het uitgegroeid tot een gebied waar rust en ruimte belangrijke kenmerken zijn. Het landelijk gebied van Goes biedt echter nog veel meer zoals hoogwaardig wonen in het buitengebied, de Oosterschelde, land- en waterrecreatie en de grondgebonden agrarische sector met uitgestrekte akkerbouwvelden alsmede fruitboomgaarden. Dit landelijk gebied heeft zich gevormd door de aanwezige landschapskarakteristieken en de economische dynamiek in dat landschap. De huidige identiteit van het landelijk gebied van Goes wordt daarmee sterk bepaald door de ontstaansgeschiedenis in relatie tot het water, maar ook door de cultivering van het landschap door de invloed van de gebruikers. Plangebied Het plangebied en daarmee het bedrijf is gesitueerd in de noordoostelijke hoek van de kruising Bijsterweg en de Langedijk. Het bedrijf, plaatselijk bekend als Bijsterweg 16a, wordt aan de oostzijde door een aantal grondgebonden woningen belend. Deze bebouwing vormt tezamen een kleine enclave in het buitengebied van Wolphaartsdijk.

Aan de noord- en zuidzijde wordt het plangebied omringt door agrarische gronden. De westzijde van het plangebied grenst aan Langedijk. Het bedrijf wordt op de Bijsterweg ontsloten. Op het perceel is een bedrijfsschuur en een bijbehorende opstal aanwezig. De bedrijfsactiviteiten vinden in de schuur plaats, waarbij de bijbehorende opstal voor binnenopslag worden gebruikt. De overige gronden worden onder meer ingezet voor opslag en parkeren, alsmede manoeuvreren van gemotoriseerde voertuigen, van zowel personeel als bezoekers. Verder zijn de bedrijfsmatig bestemde gronden, gesitueerd direct ten noorden van de bedrijfsbebouwing, voor buitenopslag in gebruik en is feitelijk geen bedrijfswoning op de bedrijfslocatie aanwezig. Deze is in planologisch opzicht wel toegestaan.

3.2

Beoogde situatie

Initiatiefnemer wenst een gedeelte van het perceel, welke al sinds lange tijd onafgebroken voor bedrijfsactiviteiten wordt aangewend en thans onder het overgangsrecht valt, positief te bestemmen. Er vinden verder geen sloop- of externe bouwwerkzaamheden en daarmee geen uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten plaats. Verder maakt het perceel deel uit van de bestaande bedrijfsvoering, waardoor de wijziging naar een bedrijfsmatige bestemming ruimtelijk en functioneel passend is. In de nieuwe situatie verkrijgt de strook grond net als het bedrijf een passende maatwerkbestemming met de bijbehorende bouw- en gebruiksegels, waarbij ter plaatse buitenopslag wordt uitgesloten en wordt verplaatst naar gronden direct ten noorden van de bedrijfsbebouwing. Verder worden de gebruiksmogelijkheden van deze strook grond beperkt tot het feitelijke gebruik zijnde het ontsluiten van het perceel alsmede voor het parkeren en het manoeuvreren van voertuigen in verband met laden en lossen inherent aan de bedrijfsvoering.

12

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

3.3

Landschappelijke inpassing

Als voorwaarde voor het positief bestemmen van de voormalige agrarische strook grond, is het vanuit het gemeentelijke beleid vereist om het bedrijfsmatige perceel, direct ten noorden van het bouwvlak en bestaande bebouwing , alwaar de buitenopslag reeds plaatsvindt, landschappelijk in te passen. Op deze wijze is de bedrijfsmatige bestemming en daaraan inherente gebruik minder nadrukkelijk aanwezig in de omgeving. Aan de zuid- en westzijde is landschappelijke inpassing echter niet zinvol; aan de zuidzijde neemt de bestaande bedrijfsbebouwing het zicht weg, aan de westzijde zorgt de dijk al voor landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing aan de noord- en oostzijde van het perceel krijgt gestalte door de aanleg van een haag. De landschappelijke inpassing wordt in de regels als voorwaardelijke verplichting verankerd en daarmee geborgd.

Figuur 5 Weergave landschappelijke inpassing

3.4.1 Verevening Omdat het gaat om het vastleggen van de bestaande situatie en er geen extra bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt geboden is verdere verevening niet aan de orde. Hieraan worden in de Handreiking verevening geen eisen gesteld.

3.4

Verkeer en parkeren

Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Onderhavige partiële herziening leidt echter niet tot aanpassingen in de bestaande bedrijfsvoering en inrichting van het perceel. Zo blijft de ontsluiting van het plangebied ongewijzigd en neemt het aantal verkeersbewegingen niet toe. Verder biedt de huidige infrastructuur reeds voldoende capaciteit om de het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bedrijfsbestemming te verwerken; het wegennet is hierop uitgerust. Tot slot werd en wordt er geparkeerd op eigen terrein en daarmee geen beroep op de openbare ruimte gedaan.

13

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

Hoofdstuk 4

Kwaliteit van de leefomgeving

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk-relevante aspecten (geluid, bodem, verkeer, etc.). Echter, gelet op het karakter van onderhavige partiële herziening (niet ontwikkelingsgericht), zijn formeel geen milieu-hygiënische aspecten in het geding. Het uitvoeren van nader onderzoek kan derhalve achterwege blijven. Dit laat onverlet, dat in dit hoofdstuk alle relevante aspecten worden behandeld en nader worden gemotiveerd, zodat deze op een correcte wijze bij onderhavige planvorming zijn betrokken en gewogen. In dit hoofdstuk worden de hieruit voortkomende bevindingen in onderstaande paragrafen beschreven en nader toegelicht.

4.1

Geluidhinder

4.1.1 Wettelijk kader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art.

74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

4.1.2

Onderzoek In onderhavige situatie is er sprake van het positief bestemmen van hetgeen reeds was en is toegestaan. Daarnaast worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt en neemt de hinder niet toe. Een nader akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 4.1.3 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

14

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

4.2

Bodemverontreiniging

4.2.1 Wettelijk kader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. 4.2.2 Onderzoek Op basis van onderhavig partiële herziening verkrijgt een gedeelte van het perceel in lijn met de feitelijke en voorheen toegestane planologische situatie een bedrijfsmatige bestemming, zonder dat er extra gebruiks- of bouwmogelijkheden worden toegestaan.

Er is derhalve geen sprake van een wijziging van de bedrijfsactiviteiten en er worden geen nieuwe gebouwen, anders dan reeds aanwezig, gerealiseerd. Het uitvoeren van een nieuw bodemonderzoek in het kader van dit bestemmingsplan kan daarmee achterweg gelaten worden. In het verleden (2001-2008) zijn wel al bodemonderzoeken uitgevoerd op een deel van het plangebied. Uit deze oude onderzoeken zijn sterke bodemverontreinigingen naar voren gekomen. Humane risico’s werden destijds bij een bedrijfsbestemming niet verwacht. Bij toekomstige ontwikkelingen, waarbij werkzaamheden in de verontreinigde bodem plaatsvinden en/of gevoelig gebruik is voorzien, zullen saneringsmaatregelen genomen moeten worden. 4.2.3 Conclusie Het aspect bodem belemmert het planvoornemen niet.

4.3

Flora en Fauna

4.3.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid (soortbescherming) of wettelijk beschermde gebieden (gebiedsbescherming) in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk Nederland van belang. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura-2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudings-

15

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

doelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; • overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.

De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

16

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

4.3.2 Onderzoek Onderhavige partiële herziening heeft geen invloed op de wezenlijke kenmerken van beschermde natuurgebieden of een Natura 2000 gebied. Het perceel blijft ongewijzigd, zodat voor de soorten (floraen fauna) dezelfde redenatie kan worden toegepast. Een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Bij sloop en/of vervangende nieuwbouw, zal bij de omgevingsvergunningaanvraag worden bekeken of nader onderzoek benodigd is. 4.3.3 Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Cultuurhistorische Hoofd Structuur

4.4.1 Wettelijk kader Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is de Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.4.2 Onderzoek In het plangebied zijn geen gebouwen of landschapselementen aanwezig die cultuurhistorische waarde hebben. Het plangebied is verder gelegen in de Oostlanderpolder. Het betreft een 14e eeuwse polder waarvan de historisch ruimtelijke structuur door de herinrichting grotendeels is verdwenen. 4.4.3 Conclusie Onderhavige herziening heeft een positieve invloed op het aspect cultuurhistorische waarde daar het perceel landschappelijk zal worden ingepast. Middels een inpassingsplan wordt dit vast gelegd. Met de inpassing zal rekening worden gehouden met de waarden van het omringende landschap.

De beoogde planvorming leidt op deze wijze tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en vormt geen belemmering, doch een verrijking voor de cultuurhistorische waarden van het omringende landschap.

4.5

Archeologie

4.5.1 Wettelijk kader Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was tot voor kort vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988, met een nadere uitwerking in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (Wamz) uit 2007. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;

17

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

• •

verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten.

Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek (‘de verstoorder betaalt’), blijven dus onverminderd van kracht. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Daarom is het voor het opstellen van een bestemmingsplan noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig zijn, kunnen middels een dubbelbestemming voor archeologie door het bestemmingsplan, zo ook ter plaatse van de planlocatie, worden beschermd. Voorafgaand aan werkzaamheden waarbij bodemingrepen plaatsvinden, dient dan in bepaalde gevallen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De gemeente Goes heeft een gemeentelijk archeologiebeleid ontwikkeld, dat op 15 december 2011 is vastgesteld. Hiermee wil de gemeente niet alleen voldoen aan de wettelijke verplichtingen omtrent archeologie maar ook een formeel afwegingskader bieden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid is gebaseerd op een analyse van de plaatselijke situatie en geeft aan wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Het rapport ‘Archeologiebeleid gemeente Goes’(d.d. 30 juni 2011) bestaat uit een ‘Deel A: Beleidsnota archeologie’ en een ‘Deel B: Toelichting beleidskaart’. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). Deze uitwerking bestaat uit vier maatregelenkaarten gerelateerd aan de in de Zeeuwse ondergrond voorkomende geologische lagen. Maatregelenkaarten 1 tot en met 4 hebben respectievelijk betrekking op het laagpakket van Walcheren, het Hollandveen, het laagpakket van Wormer en het pleistocene dekzand. Op basis van deze beleidskaarten wordt bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie en diepte al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd categorie 1, is een aan oppervlakte van grondverstoring gebonden vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld. Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord.

De gehanteerde categorieën zijn: • Categorie 1: archeologisch rijksmonument; hiervoor is altijd een monumentenvergunning nodig; • Categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord; • Categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord; • Categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m2 wordt verstoord; • Categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m2 wordt verstoord; • Categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 2500 m2 wordt verstoord; • Categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig;

18

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

•

Categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht.

4.5.2 Onderzoek Het plangebied kent een lage verwachting (categorie 6). Verder is geen sprake van een (mogelijke) aantasting van archeologisch waardevolle objecten in de ondergrond, daar de bestaande bouwmassa blijft gehandhaafd en verder geen grondroerende werkzaamheden zijn voorzien. 4.5.3 Conclusie Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Water

4.6.1 Wettelijk kader Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid) Het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft een omslag in het denken over water en het waterbeleid veroorzaakt. In het aangepaste beleid zijn het rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten overeengekomen dat:  het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden, daarna moet worden geborgen en daarna pas afgevoerd mag worden;  voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd moet worden.

In de watertoets moeten de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven worden. Beleid Waterschap Scheldestromen Het provinciaal beleid van de provincie Zeeland is vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2018, de Waterverordening en de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Het operationele waterbeheer van de Zeeuwse (binnendijkse) regionale wateren is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In het waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap zijn de hoofdlijnen van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen kort beschreven. De uitwerking vindt plaats in de desbetreffende Beleidsnota's. Doel van het waterbeheer is het bereiken en in stand houden van een goede toestand van dit oppervlaktewater. Zowel wat de waterkwaliteit betreft als de waterkwantiteit. In het waterbeheerplan wordt aangegeven met welke maatregelen en tegen welke prijs het waterschap dit doel wil bereiken. In 2012 heeft het Waterschap Scheldestromen de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen vastgesteld. Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater. 4.6.2 Onderzoek De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk

19

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het beheer van het watersysteem is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In onderstaande tabel wordt aangegeven, welke invloed de voorgenomen planvorming heeft op de diverse wateraspecten. Onderstaand is de watertoetstabel opgenomen. Thema en water(beheer)doelstelling

Uitwerking

Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.

Het plangebied ligt niet binnen de keurzone van primaire of regionale waterkeringen. Het plangebied ligt daarnaast niet in of nabij transportroutes gevaarlijke stoffen over water. Het aspect veiligheid/waterkering is niet aan de orde nu de feitelijke situatie wordt vastgelegd. Er is alleen sprake van het positief bestemmen van het bestaande gebruik en bebouwing. Er is derhalve geen sprake van een toename van het verharde oppervlak. Compensatie is niet aan de orde. Bij nieuwe ontwikkelingen geldt dat het vigerend beleid zal worden geraadpleegd en deze geldende waterprincipes sturend zijn. Het gebied ligt overigens niet in een aandachtsgebied betreffende de waterhuishouding.

Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.

Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en -mogelijkheden.

Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan

Het pand is reeds aangesloten op de bestaande riolering. Hierin zal geen verandering optreden.

Er wordt geen grondwater onttrokken. De beoogde planvorming is niet nadelig voor de watervoorziening en heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. De planvorming leidt niet tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan ook niet aan de orde. Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem of grondwaterbeschermingsgebieden in de

20

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

grondwaterbeschermingsgebieden.

omgeving.

Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.

De planvorming leidt niet tot bouwactiviteiten, noch tot mogelijk extra ruimtebeslag en is niet in een infiltratiegebied of natuurgebied gelegen. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit en geen gevolgen voor het grondwatersysteem. Er is geen sprake van open water. Er worden geen water gerelateerde consequenties voor de volksgezondheid verwacht.

Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.

Het peilregiem van het plangebied is afgestemd op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze problematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht. Het plangebied grenst niet aan natte natuurgebieden. Derhalve zijn er geen bijzondere maatregelen te treffen of beperkingen te verwachten. Er liggen geen waterlopen langs de projectlocatie, er worden geen nieuwe waterlopen voorzien.

Uitwerking Er zijn geen objecten in of nabij het plangebied aanwezig.

21

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk”, gemeente Goes

Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? *na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).

Nee. Door het positief bestemmen van het huidige gebruik zal dit niet tot een toename, noch tot onevenredige verkeersoverlast leiden. Het plangebied is via de bestaande infrastructuur bereikbaar. Er zullen geen wegen worden gewijzigd of worden aangelegd.

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Nee.

4.6.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. De vaststelling van het bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied, doch legt alleen de bestaande situatie vast.

4.7

Milieuhinder

4.7.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG)) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld

22

Bestemmingsplan "Bijsterweg 16a te Wolphaartsdijk", gemeente Goes

in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. In de brochure zijn (indicatieve) richtafstanden opgenomen. De richtafstanden worden gemeten vanaf de grens van de inrichting tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige functie. Daarbij kan worden uitgegaan van uitwaartse zonering of inwaartse zonering. Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie, met als doel milieugevoelige functies in de omgeving te weren. In de zone rondom de belastende functie gelden beperkingen voor milieugevoelige functies en voor milieubelastende activiteiten. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de gevoelige functie een beschermende bufferzone gecreëerd. Dit kan tot gevolg hebben dat bij de realisatie van bijvoorbeeld een bedrijventerrein minder belastende activiteiten op kleine afstand en meer belastende activiteiten op grotere afstand worden toegelaten. De richtafstanden gelden in beginsel tot het omgevingstype van een rustige woonwijk (of rustig buitengebied).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12135343/1