Agendapunt 05. Westerstraat 2, Goes
Tekst van het document
Mogelijk deels aangetast door later gebruik (bebouwing, agrarisch gebruik, verstoringen) Aanleg kabels & leidingen, gebruik als boomgaard
Mogelijke verstoringen
43
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Methoden
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak70. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen
16
Grid
Zoveel mogelijk volgens een verspringend driehoeksgrid (35 x 35 m), rekening houdend met planvorming en huidige inrichting terrein
Dichtheid
8 boringen per hectare (4 boringen voor plangebieden < 5.000 m²)
Plaats- en hoogtebepaling
RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)
Boorgegevens
Digitaal vastgelegd op iPad
Gebruikte codelijsten - standaard
(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)
Boordiepte
Maximaal 5,00 m -mv / 4,35 m -NAP
Gehanteerde boor
Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,0 m -mv), Gutsboor (Ø 3 cm)
Opsporen indicatoren
In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen
Monstername
Geen
Oppervlaktekartering
Geen
Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment ⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) ⎯ de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 20, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5, de vondsten- en determinatielijst in bijlage 6.
70 Wattenberghe & Van den Berg, 24-3-2022: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van
verkennende boringen Goes Westerstraat 2.
44
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
Figuur 20 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.
3.2
Geologie en bodem
Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw van het plangebied. Binnen circa 5 m -mv zijn van beneden naar boven de volgende afzettingen aangetroffen: Oud getijdenlandschap In boringen 1, 2, 7, 8, 12 en 14, oftewel in het noorden en plaatselijk in het zuiden van het plangebied, bevinden zich aan de basis klastische afzettingen, die geïnterpreteerd zijn als oude getijdenafzettingen, namelijk wadafzettingen (slik). Lithostratigrafisch worden deze afzettingen gerekend tot het Laagpakket van Wormer van de Formatie van Naaldwijk.71 Het sediment kan worden omschreven als zwak siltige, kalkloze klei. De klei is matig slap tot slap en heeft een lichtgrijze of lichtblauwgrijze kleur. De top is grijsbruin van kleur en bevat een spoor van riet. De top van de oude getijdenafzettingen bevindt zich tussen 2,73 en 3,15 m -NAP (2,85 en 3,80 m -mv). Duidelijke sporen van bodemvorming zijn niet waargenomen. De overgang naar het bovenliggende rietveen is vrij abrupt. Alleen in boring 1 werd het Laagpakket van Wormer niet afgedekt door Hollandveen, maar direct door erosieve kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren.
71 Weerts 2003.
45
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
Veenlandschap In boringen 2, 7, 8, 12 en 14 werd veen aangetroffen, oftewel in het noorden en plaatselijk in het zuiden van het plangebied. Het veen wordt lithostratigrafisch gerekend tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop.72 De onderzijde van het veen bestaat uit een dunne laag (10 tot 35 cm) matig amorf mineraalarm, bruin tot zwartbruin rietveen. Het rietveen gaat naar boven toe over in mineraalarm, matig tot soms sterk amorf, donkerbruin bosveen.
Figuur 21 Boringen waar Hollandveen is aangetroffen (bruine stippen) en boringen waar kreekafzettingen zijn aangetroffen die reikten tot 2,5 m -NAP of dieper (blauwe stippen), waardoor het Hollandveen daar waarschijnlijk is geërodeerd. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.
De totale dikte van het veenpakket ligt overal tussen de 0,85 en 1,00 m. De bovenzijde van het veen werd tussen 1,74 en 2,15 m -NAP (1,86 en 2,80 m-mv) vastgesteld. Plaatselijk (boringen 8 en 14) leek nog sprake te zijn van restanten van een veraarde top. Omdat de dikte van het aangetroffen veen in alle betreffende boringen ongeveer gelijk is, evenals de hoogteligging van de bovenzijde, valt te vermoeden dat de top niet of slechts beperkt geërodeerd is. Een aanvullende reden om dit te vermoeden, is dat de top van intact Hollandveen tijdens eerder archeologisch onderzoek in de omgeving is aangetroffen tussen 1,75 en 2 m -NAP (onderzoek 7 in hoofdstuk 2.4). In de overige boringen is geen veen aangetroffen. Daar waar het Laagpakket van Walcheren tot minimaal 2,50 m -NAP reikt (in elk geval in boringen 1, 3, 4, 5, 6, 13, 15 en 16) kan ervanuit worden gegaan dat het veen hier is geërodeerd door toedoen van een kreek van het Laagpakket van Walcheren die door het plangebied heeft gelopen (zie verderop in dit hoofdstuk). In de onderstaande figuur wordt met de bruine stippen getoond waar Hollandveen is aangetroffen en met 72 Weerts & Busschers 2003.
46
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
de blauwe stippen waar het Hollandveen waarschijnlijk vanuit het Laagpakket van Walcheren is geërodeerd. Aanwijzingen voor veenontginning ontbreken geheel. Jong getijdenlandschap In het hele plangebied zijn kreekafzettingen aangetroffen, met uitzondering van de boringen waar tot de einddiepte sprake was van antropogene pakketten. Lithostratigrafisch worden deze kreekafzettingen gerekend tot het Laagpakket van Walcheren van de Formatie van Naaldwijk. 73 Ook daar waar nog Hollandveen en/of het Laagpakket van Wormer aanwezig zijn, worden deze door kreekafzettingen afgedekt. De aanwezigheid van kreekafzettingen is conform de verwachting, gezien de ligging van het plangebied ter hoogte van een reeds bekende west-oost georiënteerde getij-inversierug ten westen van Goes (hoofdstuk 2.2.2). De kreekafzettingen bestaan uit zwak tot sterk siltig matig fijn zand. Dit zand is grijs van kleur en bevat plaatselijk fragmenten van mariene schelpen en dunne siltlagen. Plaatselijk, namelijk in boringen 1, 5, 7 en 13 meer aan de oevers van de kreek, bestaan deze afzettingen aan de basis uit klei. Deze klei is matig slap, kalkrijk en bruinig van kleur, soms humeus, en bevat veel dunne, donkergrijze zandlagen. Naar boven toe worden de kreekafzettingen in alle boringen fijner.
De kleiige top van de natuurlijke afzettingen bevindt zich in de meeste boringen op circa 0,50 – 0,75 m -mv (tussen 0,29 m+NAP en 0,30 m-NAP). Plaatselijk (zoals in boringen 8, 12, 15 en 16) ligt deze dieper, tussen 0,43 en 0,98 m-NAP. Hier ligt ook het maaiveld relatief laag. Het bestaande maaiveld vertoont immers flinke hoogteverschillen en is niet genivelleerd, de morfologie van het oude landschap is goed bewaard. De top van de kreekrug is dikwijls ontkalkt vertoont sporen van doorwerking in boringen 7, 12, 13, 14 en 15, soms met archeologische indicatoren (zie hoofdstuk 3.3). Antropogene lagen In het overgrote deel van de boringen worden de natuurlijke afzettingen afgedekt door een of meer lagen van duidelijk antropogene oorsprong, aangeduid als cultuurlagen, met hierin archeologische indicatoren (zie hoofdstuk 3.3). Deze lagen bestaan over het algemeen uit bruingrijze tot donkergrijze, soms humeuze klei.. Doorgaans net boven NAP worden deze lagen afgedekt door een circa 0,30 m dikke bouwvoor dan wel ophooglaag of geroerde bovenlaag.
3.3
Archeologie
Oud getijdenlandschap Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in geen van de boringen archeologische indicatoren aangetroffen in, of samenhangend met, de oude getijdenafzettingen. Veenlandschap Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in geen van de boringen archeologische indicatoren aangetroffen in, of samenhangend met, het veenlandschap. Jong getijdenlandschap Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in boringen 7, 12, 13, 14 en 15 archeologische indicatoren aangetroffen in de doorwerkte top van de kreekafzettingen. Dit betreft puinbrokjes dan wel -spikkels en soms ook houtskoolspikkels. De indicatoren vallen op basis van stratigrafie niet nauwkeuriger te dateren dan in de periode vanaf de Middeleeuwen. Wel zijn enkele zacht gebakken puin- of baksteenbrokjes geconstateerd in de doorwerkte top van de afzettingen, of in de direct hierboven gelegen onderste cultuurlaag (het onderscheid tussen beide niveaus was in de boringen niet altijd goed te zien). Dit is het geval in boringen 1, 3, 4, 5 en 10, oftewel in een zuidwestelijk en centraal deel van het
73 Weerts 2003.
47
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
plangebied. De aanwezigheid van zulk zacht gebakken materiaal maakt een middeleeuwse datering voor dit niveau voorstelbaar. Grondsporen Centraal in het plangebied zijn drie mogelijke grondsporen aangeboord, namelijk in boringen 6, 9, 10 en 11. Hieronder worden deze besproken. In boring 6 lijkt een sloot of waterput te zijn aangeboord. Deze sloot of waterput is ingegraven tot een diepte van 1,95 m -mv/ 0,95 m -NAP, in de kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. In de sloot of put waren meerdere vullingen (zowel kleiig als zandig) te herkennen met hierin archeologische indicatoren (spoor baksteen) tot in de onderste vulling. Op een diepte van 1,75 m -mv/ 0,75 m -NAP werd een puinlaag aangetroffen. Het lukte niet om materiaal uit deze puinlaag naar boven te halen ter datering. Boven de puinlaag werd een vegetatielaag met een spoor van riet aangetroffen, die door een andere vulling wordt afgedekt. Op een diepte van 0,95 m -mv/ 0,05 m +NAP wordt de sloot- of putvulling afgedekt door twee dempingslagen en een laag opgebrachte grond. Ook deze drie niveaus bevatten een spoor van, dan wel weinig, baksteen. Boring 9 stuitte op een diepte van 1,35 m -mv/ 0,71 m -NAP op puin. Hierboven werden lagen met puinbrokken en kalkmortel aangeboord, alsook fosfaatvlekken. Mogelijk betreft dit een restant van een fundering of een uitbraakspoor.
In boring 10 vertoont het boorprofiel tot 1,45 m -mv/ 0,43 m -NAP antropogenen indicatoren die laten vermoeden dat in een spoor (of minder waarschijnlijk een verstoring werd geboord). Ook boring 11 stuitte op puin, namelijk op een diepte van 1,45 m -mv/ 0,51 m -NAP. Het puin lag onder verschillende lagen opgebrachte grond met puinbrokjes. Cultuurlagen Verspreid over het hele plangebied zijn op de natuurlijke afzettingen een of meerdere cultuurlagen aangetroffen, vaak onder de bouwvoor of onder een opgebrachte laag onder het maaiveld. Deze cultuurlagen bevatten overal archeologische indicatoren, meestal in de vorm van sporen van baksteen, alsook puinbrokjes of -spikkels, kalkmortel, schelpen, en/of houtskool. In boring 16 werd zowel in de geroerde bovenlaag als in de hieronder gelegen cultuurlaag aardewerk aangetroffen. Vondstnummer betreft een klein fragment geglazuurd roodbakkend aardewerk dat niet nader dan de nieuwe tijd kan worden gedetermineerd. Het fragment rood aardewerk dat in de onderliggende cultuurlaag op 0,40 m-mv werd verzameld dateert uit de late middeleeuwen B. De determinatiegegevens van deze vondsten zijn opgenomen in bijlage 6. Mogelijke samenhang tussen archeologie en historische gegevens Historisch kaartmateriaal geeft sterke aanwijzingen voor bewoning en agrarisch gebruik van het plangebied in de Nieuwe Tijd.
Op basis van historisch kaartmateriaal – vooral van Reynoutsen (17de eeuw) en de Kadastrale Minuut (eerste helft 19de eeuw) – werd vooral centraal en in het oosten van het plangebied rekening gehouden met antropogene activiteit. Een dan wel meerdere cultuurlagen met archeologische indicatoren zijn echter verspreid over het hele plangebied aangetroffen. De 17de-eeuwse plattegrond van Reynoutsen, die zich redelijk nauwkeurig laat projecteren, toont bebouwing in een oostelijk deel van het plangebied. Deze bebouwing is grofweg te situeren in een zone van 30 m vanaf de oostelijke begrenzing van het plangebied. Binnen deze zone zijn boringen 14, 15 en 16 gezet. In deze boringen zijn geen funderingen of uitbraaksporen aangeboord, maar booronderzoek is niet de beste methode om vindplaatsen op te sporen. Het puin waarop boring 11 stuitte, is vermoedelijk te verklaren door bebouwing die op deze locatie staat weergegeven op de Kadastrale Minuut. Het betreft een gebouw met een oppervlak van circa 9 x 12 m, ten westen van een groter gebouw. Beide behoorden omstreeks 1832 tot het erf van particulier Henricus Johannis van ’t Hoff. Het is niet bekend 48
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
wanneer deze opstallen werden gebouwd. Wel is bekend dat deze omstreeks 1850 werden vervangen door het huidige erf, waarvan alleen de woning nog bestaat. Het mogelijke funderingsrestant of uitbraakspoor in boring 9 is niet te relateren aan cartografisch gedocumenteerde bebouwing. Boring 6, waar een sloot of waterput is aangetroffen, is op de Kadastrale Minuut (1832) te situeren in de nabijheid van een perceelsgrens. Het is denkbaar dat deze grens door een sloot werd gemarkeerd en dat deze sloot is aangeboord. Het valt echter ook niet uit te sluiten dat er een waterput is aangeboord, die samenhangt met een van de woningen en erven die sinds het begin van de Nieuwe Tijd in het plangebied aanwezig zijn geweest. Mogelijk is er een relatie tot de schuur die tussen omstreeks 1850 en 2009 in het plangebied stond, pal ten oosten van boring 6.
49
ARTEFACT RAPPORT 691
4
Conclusie en Advies
4.1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen
GOES WESTERSTRAAT 2
Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek is een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord worden en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden. ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? In het noorden en zuiden van het plangebied zijn aan de basis van de boorprofielen beneden 2,73 m -NAP (2,85 m -mv) oude getijdenafzettingen aangetroffen die lithostratigrafisch gerekend worden tot het Laagpakket van Wormer. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als wadafzettingen (slik). Geleidelijk aan werd dit oude getijdenlandschap afgesneden van directe mariene invloed. Onder vernattende en verzoetende omstandigheden ontwikkelde zich op dit kleilandschap een veenmoeras. Aan de basis groeide rietveen, afgedekt door een laag bosveen. Het veen kan lithostratigrafisch gerekend worden tot het Hollandveen Laagpakket. In het noorden en zuiden van het plangebied zijn delen van dit veenlandschap bewaard gebleven. De top komt voor beneden 1,74 m -NAP (1,86 m-mv) en lijkt beperkt te zijn geërodeerd. Vanaf de laat-Romeinse tijd kwam het veenlandschap onder toenemende mariene invloed te staan, waarbij kreken zich in het landschap insneden.
Ook in het plangebied was dit het geval. Dit betreft een oost-west georiënteerde zijarm van de grotere kreek waarlangs Goes in de Middeleeuwen zou worden gesticht. In de loop van de middeleeuwen verlandde deze zijkreek en ontstond een kreekrug. Binnen het plangebied werden zandige sedimenten aangeboord die naar boven toe over gaan in meer kleiig sediment. Deze worden als kreekafzettingen geïnterpreteerd. Lithostratigrafisch gezien behoren deze tot het Laagpakket van Walcheren. In het hele plangebied zijn deze kreekafzettingen aangeboord; centraal in het plangebied hebben deze zich dusdanig diep ingesneden (namelijk tot 2,50 m -NAP of dieper) dat het Hollandveen en de top van het Laagpakket van Wormer hier zijn geërodeerd. Dit is vermoedelijk het geval in een oost-west georiënteerde zone die min of meer centraal door het plangebied loopt. De bovenzijde van de natuurlijke afzettingen bevindt zich overwegend rond of net iets onder NAP, oftewel circa 0,50 – 0,75 m -mv. Hier bovenop heeft zich nadien (in de periode vanaf de Middeleeuwen) antropogene activiteit afgespeeld. ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Er zijn tijdens het booronderzoek geen duidelijke verstoringen vastgesteld.
Wel valt op basis van het bureauonderzoek rekening te houden met enkele zeer plaatselijke verstoringen, waaronder enkele leidingen, een 20ste-eeuwse schuur (in het noordoosten van het plangebied; jaren ’40) en voormalig gebruik van delen van het terrein als boomgaard. Ook de sloop van de voormalige opstallen kan voor lokale verstoringen hebben gezorgd maar deze zullen niet van die orde zijn dat eventuele vindplaatsen compleet zijn verstoord. ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Ja, tijdens het verkennend booronderzoek zijn in alle boringen een of meerdere cultuurlagen aangetroffen en plaatselijk een doorwerkte top van het Laagpakket van Walcheren. In beide zijn archeologische indicatoren aangetroffen; deze zijn in het algemeen te dateren in de periode vanaf de Middeleeuwen. Met name de doorwerkte top en/of de diepst gelegen cultuurlaag bevat indicatoren waarvan een middeleeuwse datering plausibel is. Dit niveau is aanwezig vanaf circa 0,50 m vanaf het huidige maaiveld, veelal rond of net iets onder NAP. De hoogst gelegen cultuurlaag is vaak direct onder de bouwvoor dan wel onder een recente ophooglaag aanwezig, vanaf circa 0,30 m mv.
Mogelijke bebouwingsresten zijn centraal in het plangebied aangeboord, in boringen 9 en 11, vanaf een diepte van 1,35 – 1,45 m -mv/ 0,51 – 0,71 m -NAP; een gedempte sloot of waterput met archeologische indicatoren in de vullingen is aangeboord in boring 6. De bovenste demplaag hiervan bevindt zich op 0,50 m -mv/ 0,50 m +NAP, de bovenste vulling bevindt zich op 0,95 m -mv/ 0,05 m +NAP. Ook deze grondsporen zijn niet met precisie te dateren.
50
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
Op basis van de Kadastrale Minuut valt centraal in het plangebied een vindplaats uit de Midden Nieuwe Tijd te verwachten. De stadsplattegrond van Reynoutsen geeft aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit de Vroege of Midden Nieuwe Tijd in het oostelijke deel van het plangebied. ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? De archeologische verwachting voor het Laagpakket van Wormer kan naar beneden toe bijgesteld worden omwille van het voorkomen van natte wadafzettingen. Deze omgeving vormde waarschijnlijk geen uitgelezen vestigingsplaats, waarbij dient gesteld dat off site-fenomenen niet kunnen worden uitgesloten. De kans op het aantreffen van vindplaatsen uit het Neolithicum wordt laag ingeschat.
Figuur 22 Verwachtingskaart voor de aanwezigheid van min of meer intact Hollandveen (gearceerde delen) op diepten vanaf 1,74 m -NAP. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.
In het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied zijn nog delen van het veenlandschap aanwezig. De betreffende terreindelen staan gearceerd aangegeven op onderstaande figuur. Erosie lijkt hier niet of slechts in beperkte mate te hebben plaatsgevonden. In twee boringen werd veraard veen aangetroffen wat duidt op een goed ontwaterde top en mogelijkheden tot bewoning. Archeologische indicatoren zijn op dit niveau niet aangetroffen. Vanwege de beperkte erosie en het ontbreken van indicatoren wordt de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd en/of Romeinse Tijd in de resterende top van het Hollandveen Laagpakket voor een noordelijke en zuidelijke zone van het plangebied bijgesteld van hoog naar middelhoog. Eventueel aanwezige resten (grondsporen met vondstmateriaal) zullen zijn ingegraven in het veen, waarvan de bovenzijde te verwachten is vanaf 1,74 m -NAP (1,86 m-mv). In een brede centrale strook van het plangebied is het veen niet meer intact aanwezig. Mariene erosie door de
51
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
bovenliggende kreek heeft ervoor gezorgd dat het veen hier dieper en mogelijk geheel is geërodeerd. Voor deze zone kan de verwachting daarom komen te vervallen. De in de boringen vastgestelde kreekafzettingen behorende tot het Laagpakket van Walcheren boden omwille van de hogere ligging in het landschap een aantrekkelijke vestigingslocatie. Dit kan in de loop van de Vroege Middeleeuwen al het geval zijn geweest. In de Late Middeleeuwen lag het plangebied in het buitengebied ten noordwesten van de nederzetting Goes. De oost-west georiënteerde kreekrug ontwikkelde zich tevens tot een westelijke uitvalsweg vanuit Goes, met hierlangs her en der bebouwing. Ook voor die periode valt bewoning of ander gebruik van het plangebied zeker niet uit te sluiten. De vondst van zacht gebakken indicatoren in de top van, en in het niveau net boven, de natuurlijke afzettingen vormt hiervoor een aanwijzing. De verwachting voor de Middeleeuwen blijft zodoende voor het hele plangebied hoog. De diepte van dit niveau ligt rond 0,50 m -mv/ NAP. Ook voor de Nieuwe Tijd is er geen aanleiding om de hoge verwachting naar beneden bij te stellen, zeker vanwege de aanwezigheid van cultuurlagen en indicatoren in het hele plangebied en cartografische referenties.
Vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd kunnen direct onder de bouwvoor of recente ophooglaag worden verwacht (vanaf circa 0,30 m -mv), en/of ingesneden in de kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? In het hele plangebied kunnen vanaf 0,30 m -mv archeologische waarden aanwezig zijn. Zodra er in het plangebied bodemingrepen plaatsvinden die dieper reiken dan 0,30 m -mv, worden deze verwachte archeologische waarden bedreigd. De initiatiefnemer wil in het plangebied twee appartementengebouwen, bergingen, parkeerterreinen en andere verharding, groenvoorzieningen en twee nieuwe waterpartijen realiseren, alsook een kleine uitbouw van de bestaande bebouwing plus een losse schuur. Van onderkeldering zal geen sprake zijn. Informatie over de beoogde fundering en ontgravingsdiepten was ten tijde van het opstellen van voorliggend rapport nog niet beschikbaar. Het is echter te verwachten is dat ten behoeve van de bebouwing en overige inrichting binnen het plangebied ontgravingen nodig zullen zijn die dieper reiken dan 0,30 m -mv. Zodoende worden verwachte archeologische waarden waarschijnlijk bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling, tenzij de ontgravingsdiepte wordt beperkt tot 0,30 m beneden het huidige maaiveld.
⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Deze vraag wordt in het volgende hoofdstuk 4.2 beantwoord.
4.2
Advies
In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Samengevat kan worden gesteld dat binnen het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied (figuur 22) een middelhoge verwachting bestaat op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de Late IJzertijd/Romeinse tijd in de top van het Hollandveen Laagpakket, vanaf 1,74 m -NAP (1,86 m-mv). Daarnaast kan worden gesteld dat in het hele plangebied een hoge verwachting bestaat op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de Middeleeuwen en/of Nieuwe Tijd. Deze kunnen voorkomen bovenop, en ingegraven in de bovenzijde van, het Laagpakket van Walcheren, en in de bovenliggende cultuurlagen, vanaf 0,30 m -mv. Om die reden wordt geadviseerd in het op te stellen bestemmingsplan een dubbelbestemming waarde archeologie op te nemen binnen het volledige plangebied 74 en daarbij de vigerende oppervlaktevrijstellingsgrens van 250 vierkante meter uit het gemeentelijke archeologiebeleid op te nemen. Hoewel vindplaatsen kunnen voorkomen direct onder de verstoorde bovenlaag met een gemiddelde dikte van 0,30 m-mv wordt geadviseerd de door de gemeente gehanteerde en vigerende dieptevrijstellingsgrens van 0,40 m -mv te handhaven. Het globale inrichtingsplan is bekend, maar de exacte bodemingrepen die daarmee gepaard gaan nog niet.
Verwacht kan worden dat de ingrepen in ieder geval in delen van het plangebied dieper zullen reiken dan 0,30 m-mv (het niveau Middeleeuwen – Nieuwe Tijd). Geadviseerd wordt te kijken naar mogelijkheden tot planaanpassing (bijvoorbeeld door 74 Een advieskaart is niet opgenomen omdat het advies geldt voor het volledige plangebied.
52
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
ophoging), waardoor niet dieper dan 0,30 m -mv wordt gegraven. Waar dit niet mogelijk is en dus toch (grootschalige) graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 0,30 m -mv, wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Conform de AMZ-cyclus (Archeologische Monumenten Zorg-cyclus) dient het vervolgonderzoek te bestaan uit een karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek. Gezien de aard van de verwachte vindplaatsen (middelgrote tot grote vindplaatsen met grondsporen) is het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (karterende en waarderende fase) de meest geschikte onderzoeksmethode. Tijdens een dergelijk gravend onderzoek kan de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, vastgesteld worden. Op basis daarvan kan de bevoegde overheid een selectiebesluit nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven. Indien een voorafgaand proefsleuvenonderzoek niet mogelijk blijkt, kan het onderzoek ook onder de variant Archeologische Begeleiding worden uitgevoerd, een en ander ter beoordeling van de bevoegde overheid en afhankelijk van de omvang, aard en diepte van de toekomstige bodemingrepen. Een deel van het gebied is bebouwd met een rijksmonument. Verwacht kan worden dat ter hoogte van deze woning restanten van een oudere gesloopte voorganger te vinden zijn.
Mede gezien de beperkte ruimte wordt geadviseerd in de directe nabijheid van de woning geen proefsleuvenonderzoek uit te voeren, maar de uitbouw hiervan onder archeologische begeleiding uit te voeren (Opgraving – variant Archeologische Begeleiding). Voorafgaand aan het veldonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat ter beoordeling en goedkeuring moet worden voorgelegd aan de bevoegde overheid. Tot slot dient het volgende opgemerkt. Het is niet uit te sluiten dat bij die werkzaamheden waar geen vervolgonderzoek noodzakelijk is, desondanks toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn die in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ondanks wanneer er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen.
Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid. 75 Het advies is overgenomen.
75 Mail dhr. K-J. Kerckhaert (OAS) d.d. 22 december 2022.
53
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
Lijst met figuren Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors. ................................................. 7 Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl. ......................................................................................................................................... 9 Figuur 3 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de maatregelenkaart-in-lagen voor het niveau van het Hollandveen Laagpakket. Voor het Laagpakket van Wormer is het beeld hetzelfde. Paars = hoge verwachting; wit = geen verwachting. Bron: Brugman et al. 2011. .............................................................................. 11 Figuur 4 Plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2021). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl. ................... 13 Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018. .. 17 Figuur 6 Plangebied (rode polygoon) met een selectie van nabijgelegen DINO-boringen (genummerde blauwe stippen), geprojecteerd op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1978a. .............................. 19 Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland.
Bron: Brus & De Lange 1986. ................................................................................................................... 21 Figuur 8 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4, 0,5 meterraster DTM). ................................................................................................... 22 Figuur 9 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4, 0,5 meterraster DTM). .................................................................................................... 23 Figuur 10 Uitsnede uit een 17de-eeuwse kopie van de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. Goes is met een rode cirkel aangeduid. Bron: Kaartenverzameling RAG/P. De Reu: BE-A0514/065-7. ................................................ 24 Figuur 11 Projectie van het plangebied (rode polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een plattegrond van Goes, vervaardigd door Van Deventer omstreeks 1575. ..............................................................................................25 Figuur 12 Uitsnede van Ostium Scaldis door Christiaan Sgrooten, 1573. De globale ligging van het plangebied is aangegeven met een rode pijl. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.
................................................................... 27 Figuur 13 Ligging van het plangebied (rode polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een plattegrond van Goes, vervaardigd omstreeks 1650 door Jacob Reynoutsen. Bron: Heemkundige Kring de Bevelanden. ................... 28 Figuur 14 Projectie van het plangebied (bij benadering; blauwgroene polygoon) op een uitsnede van een plattegrond van Goes, vervaardigd door Hattinga omstreeks 1750. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 128. ................. 29 Figuur 15 Ligging van het plangebied (blauwgroene polygoon) op een uitsnede van de gedigitaliseerde versie van de Kadastrale Minuut uit circa 1832. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland. ................................................. 30 Figuur 16 Foto van de bebouwing in het plangebied vóór de brand in 2009. Links de 19 de-eeuwse schuur die verloren is gegaan. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland. .................................................................................... 31 Figuur 17 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op uitsneden van topografische kaarten uit 1916, 1950, 1975, 1990, 2000 en 2020. Bron: Esri Nederland, Kadaster. ................................................................................................. 32 Figuur 18 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties.
Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors. .................................................................................................................................. 34 Figuur 19 Projectie van het plangebied (rode polygoon) uit uitsneden van luchtfoto’s uit 1944, 1959, 2008 en 2013. De gekleurde pijlen wijzen op mogelijke cropmarks. Bron: Wageningen University & Research; flight 039, run 02, photo 3128 (voor foto uit 1944) en Geoloket Atlas van Zeeland. ................................................................................. 38 Figuur 20 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl. ...............................................................................................................................................45 Figuur 21 Boringen waar Hollandveen is aangetroffen (bruine stippen) en boringen waar kreekafzettingen zijn aangetroffen die reikten tot 2,5 m -NAP of dieper (blauwe stippen), waardoor het Hollandveen daar waarschijnlijk is geërodeerd. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl. ................................................................ 46 Figuur 22 Verwachtingskaart voor de aanwezigheid van min of meer intact Hollandveen (gearceerde delen) op diepten vanaf 1,74 m -NAP.
Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl. ......................................... 51
54
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
Bronnen Literatuur Alkemade, M., R.M. van Heeringen en W.A.M. Hessing, 2011. Archeologiebeleid gemeente Goes. Deel A: Beleidsnota archeologie, Vestigia-rapport V703-A, Amersfoort. Bazen, M.A., 1987. Bodemkaart van Nederland schaal 1 : 50.000, 48 Oost Middelburg, Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. Besuijen, G.P.A. en G. de Boer, 2018. Goes De Westerschans, Gemeente Goes. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact! Rapport 345, Zaamslag. Besuijen, G.P.A. en G. H. de Boer, 2019. Kloetinge en omgeving – Archeologische Verwachtingskaart. Gemeente Goes. Archeologisch Bureauonderzoek. Artefact rapport 348, Zaamslag. Bosch, J.E. van den, 2012. Archeol0gisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Plangebied Kavel Blokpoel, 's-Heer Hendrikskinderendijk 1, Goes, Gemeente Goes. SOB Research, Heinenoord. Brugman, B.A., R.M. van Heeringen en R. Schrijvers, 2011. Archeologiebeleid gemeente Goes. Deel B: Toelichting beleidskaart, Vestigia-rapport V703-B, Amersfoort. Brus, D.J. en G.W. de Lange, 1986. Geomorfologische Kaart van Nederland, kaartblad 48 (gedeeltelijke) – 42 (gedeeltelijk) – 47 (gedeeltelijk) Middelburg – Zierikzee - Cadzand, Schaal 1:50.000. Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. Clercq, W. de en R. M. van Dierendonck, 2008.
Extrema Galliarum, Zeeland en Noordwest-Vlaanderen in het Imperium Romanum. In: Zeeuws Tijdschrift 58/3-4, 5-34. Coen, I., 2008. De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde. Waterbouwkundig laboratorium 19332008. Vlaamse Overheid. Dekker, C., 1971. Zuid-Beveland: de historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen, Van Gorcum, Assen. Dekker, C., 2002. Een schamele landstede. Geschiedenis van Goes tot aan de Satisfactie in 1577, Goes. Depuydt, S., 2016. Goes ‘s-Heer Hendrikskinderendijk 3-45, Gemeente Goes. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact! Rapport 250, Zaamslag. Dierendonck, R.M. van, 2012. Romeinse Tijd. In: P. Brusse en P. Henderickx (eds.), De Geschiedenis van Zeeland, prehistorie - 1500. Zwolle, 42-55. Dierendonck, R.M. van, 2016. Nieuwe wijn uit oude zak(k)en, Evaluatie van de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland (POAZ) 2009-2015. Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, Middelburg. Heeringen, R.M. van, P.A. Henderikx en A. Mars (red.), 1995. Vroegmiddeleeuwse ringwalburgen in Zeeland, Goes. Jole-de Visser, N.J.G. van en J.E.M. Wattenberghe, 2017. Archeologisch onderzoek Ringbaan-West en Troelstralaan te Goes. Archeologische begeleiding aanleg fietstunnel verkeerslus Ringbaan-West en Troelstralaan te Goes, gemeente Goes.
Grontmij Archeologische Rapporten 1064, Eindhoven.
55
ARTEFACT RAPPORT 691
GOES WESTERSTRAAT 2
Klerk, A. de, 2015. De oude kaarten van Zeeland. Stad en dorp, land en water in vier eeuwen cartografie. WBOOKS, Zwolle. Klerk, F.H. de en L. Moerland, 2004. De Bevelanden. In: Stichting Menno van Coehoorn, Atlas van historische vestingwerken in Nederland: Zeeland. Utrecht, 86-91. Kluit, J., 2010. Bureauonderzoek archeologie met controleboringen Goes Troelstralaan – Ringbaan West. Gemeente Goes. Arcadis, Assen. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, 19 februari 2018, Stichting Infrastructuur en Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Meer, K. van der, 1952. Bodemkaart van de polder ,,De Brede Watering bewesten Yerseke”. Schaal 1:25.000. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Meer, K. van der, I. Ovaa en J. de Buck, 1952. De bodemgesteldheid van de Brede Watering bewesten Ierseke. Stichting voor Bodemkartering, rapport nr. 292, Wageningen. Mulder, E.F.J. de, e.a. (red.), 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 2019. Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434306, houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. Provincie Zeeland, 2017: Wie wat bewaart, die heeft wat. Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 20172020. Middelburg. Ras, J., 2017.
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen ‘Plangebied Klein Frankrijk 31’, Goes, Gemeente Goes. SOB Research, Heinenoord. Rummelen, F.F.F.E. van, 1978a. Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Rummelen, F.F.F.E. van, 1978b. Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Schute, I.A. en C.N. Kruidhof, 2007. Waterstad te Goes, gemeente Goes; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek met veldtoets. RAAP-rapport 1565, Amsterdam. Sier, M.M. (red.), 2003. Ellewoutsdijk in de Romeinse tijd. ADC-rapport 200, Amersfoort. Verhulst, A., 1995. Landschap en landbouw in middeleeuws Vlaanderen, Brussel. Vos, P.C. en R.M. van Heeringen, 1997. Holocene geology and occupation history of the province of Zeeland (SW Netherlands). In: Fischer, M.M., Holocene evolutions of Zeeland (SW Netherlands), Mededelingen Nederlands Instituut voor Toegapaste Geowetenschappen TNO, 59, 5-109. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Prometheus, Amsterdam. Walstra, J. en L.C. Nijdam, 2006. Goes, Tiendendreef. Een Bureauonderzoek en verkennend Veldonderzoek in de vorm van boringen, ADC Rapport 750, Amersfoort.
56