Agendapunt 05. Toelichting met bijlagen ontwerp
Tekst van het document
5.5 Geluidshinder De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moeten deze aspecten worden getoetst. Wegverkeerslawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe woningen of het aanleggen van nieuwe wegen. Daarom vormt het aspect verkeerslawaai geen belemmering. Spoorweglawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) een onderzoek naar lawaai langs spoorwegen te worden ingesteld.
Hierbij moeten de in het besluit aangegeven, binnen de geluidszones langs de spoorwegen geldende, waarden in acht worden genomen. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidszones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 55 dB niet overschreden wordt. In het plangebied is de spoorlijn Roosendaal-Vlissingen gelegen. Het bestemmingsplan heeft een beheersmatig karakter, wat inhoudt dat geen nieuwe (andere) geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone van het spoor mogelijk worden gemaakt. Het aspect spoorweglawaai vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Industrielawaai De Wet geluidhinder voorziet in zonering van industrieterreinen waarop zogenaamde grote lawaaimakers kunnen worden gevestigd om te voorzien in een ruimtelijke scheiding tussen deze industrieterreinen enerzijds en woningen en andere voor geluid gevoelige bestemmingen anderzijds. Een rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein vastgestelde zone dient te worden vastgelegd in het bestemmingsplan. Indien een nieuw bestemmingsplan voorziet in 56
vestigingsmogelijkheden voor inrichting die de vaststelling van een dergelijke zone vereisen, dan dient de betreffende zone gelijktijdig daarmee te worden vastgelegd in het betreffende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is niet gelegen binnen de grenzen van een zone rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Gezien het voorgaande bestaat ten aanzien van het aspect industrielawaai geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Conclusie De normen voorvloeiend uit de Wet geluidhinder vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan Buitengebied.
5.6 Luchtkwaliteit Bij plannen die de luchtkwaliteit ‘in betekenende mate’ beïnvloeden is een luchtkwaliteitsonderzoek verplicht. Voor verschillende functies gelden verschillende drempelwaarden. Voor bijvoorbeeld woningbouw ligt de drempel op de realisatie van minimaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Verkeer kan de luchtkwaliteit beïnvloeden door de uitstoot van uitlaatgassen. In voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een verkeersaantrekkende werking hebben. Een luchtkwaliteitsonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In het bestemmingsplan zijn geen rechtstreekse ontwikkelingen opgenomen. Indien in de toekomst wel grootschalige ontwikkelingen zullen plaatsvinden, dient de bijdrage van deze plannen aan de afname van de luchtkwaliteit in een aanvullend onderzoek berekend en beoordeeld te worden. Het bestemmingsplan biedt via een binnenplanse afwijking of wijziging wel ruimte voor kleinschalige nieuwe ontwikkelingen. Het betreft hier met name functieverandering door het realiseren van een nieuwe invulling van vrijkomende agrarische bebouwing of het oprichten van een nieuwe woning bij gebruikmaking van de Ruimte-voor-Ruimte-regeling. Uitgaande van een 'worst case scenario’ zou dat betekenen dat er één of hooguit enkele nieuwe woningen of kleinschalige recreatieve voorzieningen of kleine bedrijfjes gevestigd zouden kunnen worden.
Het betreft dus met name de mogelijkheid van een ontwikkeling op perceelsniveau. Deze vallen onder de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ en leveren geen problemen op voor het bestemmingsplan.
5.7 Stikstof Passende beoordeling bestemmingsplan Een bestemmingsplan dat vanwege de stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, moet op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming passend worden beoordeeld. Een passende beoordeling kan echter ingevolge het tweede lid achterwege blijven als het plan een herhaling of voortzetting is van een ander plan, voor zover voor dat andere plan een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan. Het bestemmingsplan heeft een beheersmatig karakter. Het biedt geen mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen of initiatieven in het plangebied. Verder wordt van alle aanwezige agrarische bedrijven de huidige bedrijfsvorm specifiek vastgelegd en is bijvoorbeeld het toevoegen van dan wel omschakelen naar een grondgebonden veehouderij of een agrarisch hulp-, loon- en nevenbedrijf slechts mogelijk nadat een met alle waarborgen omklede wijzigingsprocedure is doorlopen. Omschakelen naar een intensieve veehouderij is uitgesloten. Dit alles zorgt ervoor dat het bestemmingsplan geen negatieve gevolgen heeft voor de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Op deze manier wordt toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming.
Om te kunnen beoordelen of het specifiek vastleggen van de huidige bedrijfsvorm van agrarische bedrijven zal leiden tot onevenredig veel planologische procedures, is geïnventariseerd hoeveel bedrijven in de afgelopen 10 jaar zijn omgeschakeld. Uit deze inventarisatie blijkt dat geen enkel bedrijf in deze periode is omgeschakeld.
57
5.8 Overige milieuhinder en bedrijvigheid Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Buitengebied: Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgens de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee typen gebieden, te weten: 1. een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) of; 2. een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: <0000> Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig of onder aan woningen of andere gevoelige functies kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
<0000> Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Onder bouwkundig afgescheiden wordt begrepen dat de panden los van elkaar dienen te staan of dat er andere bouwkundige voorzieningen zijn getroffen waardoor milieubelasting voorkomen wordt op vergelijkbare wijze als bij bouwkundige afscheiding. <0000> Categorie C: Activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid hiervan gelden de voorwaarden: 1. het gaat om kleinschalige, meestal ambachtelijke, bedrijvigheid; 2. productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; 4. activiteiten, die in belangrijke mate afhankelijk zijn van een goede verkeersontsluiting dienen te beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
Bedrijventerrein Lewedorp: Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerreinen Uit een inventarisatie blijkt dat drie inrichtingen aanwezig zijn op het bedrijventerrein Lewedorp: één uit de categorie 2 met een hinderafstand van 30 meter, één uit de categorie 3.1 met een hinderafstand van 50 meter en één uit de categorie 4.2 met een hinderafstand van 300 meter. De richtafstandenlijsten kunnen niet zonder meer worden toegepast op gevoelige functies op een
58
bedrijven- of industrieterrein, zoals bedrijfswoningen en andere bewust op een bedrijventerrein gesitueerde gevoelige functies. Ook historisch gegroeide situaties op bedrijven- en industrieterreinen waarbij verspreide of kleine groepen van burgerwoningen zijn vermengd met milieubelastende bedrijvigheid vallen buiten de kaders van de richtafstandenlijsten. In dit soort situaties kan een lager kwaliteitsniveau van het woon- en leefklimaat worden aanvaard. Toch is ook voor deze functies een minimaal beschermingsniveau noodzakelijk. Daarom zijn in dit bestemmingsplan de bedrijfsbestemmingen gekoppeld aan de milieucategorie waarin de bedrijven zich momenteel bevinden. De woningen op en in de directe omgeving van het bedrijventerrein Lewedorp liggen alle binnen de hinderafstand van het bedrijf met milieucategorie 4.2. Daarom is aan de kavel van dit bedrijf behalve de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 een specifieke aanduiding toegekend (specifieke vorm van bedrijf - aardappelverwerkingsbedrijf). Op deze wijze blijft het bestaande bedrijf toegestaan, maar kunnen zich op deze kavel geen bedrijven meer vestigen uit de categorieën 4.1 en 4.2. Bepalend voor dit categorie 4.2-bedrijf is de factor geluid.
In zekere mate wordt het geluid van het bedrijf ter plaatse gemaskeerd door de aanwezigheid van rijksweg A58 (meer dan 30.000 motorvoertuigen per etmaal) en de Zeeuwse spoorlijn (goederenvervoer). Voor het bedrijventerrein Lewedorp is een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgesteld. Deze Staat van Bedrijfsactiviteiten bestaat uit bedrijven die vallen onder de categorieën 1 tot en met 3.2 die qua aard en omvang als wenselijk kunnen worden beschouwd op dit bedrijventerrein. Het reeds aanwezige aardappelverwerkend bedrijf McCain Foods Holland B.V., dat onder categorie 4.2 valt, is aan deze lijst toegevoegd. Dit bedrijf voldoet aan de voorschriften van haar vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Daarnaast zijn, om geurhinder in de omgeving tegen te gaan, speciale maatregelen getroffen. Bevindingen Het buitengebied van de gemeente Goes is te karakteriseren als ‘rustige woonwijk’. Niet-agrarische bedrijven in het buitengebied zijn specifiek bestemd. Omschakeling naar een ander bedrijf dat voorkomt in de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging is mogelijk via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Op het bedrijventerrein Lewedorp mogen bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend die voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerreinen. Maximaal categorie 3.2 is toegestaan, waarbij aan het aanwezige aardappelverwerkende bedrijf een specifieke aanduiding is toegkend.
Binnen de grenzen van het beheersmatige bestemmingsplan worden geen nieuwe woonbestemmingen of andere milieugevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Omgekeerd worden ook geen nieuwe milieubelastende bestemmingen zoals bedrijven toegevoegd. In het onderhavige plan zijn geen saneringssituaties of andere knelpunten aanwezig. Er zijn geen beperkingen waarmee rekening moeten worden gehouden in het onderhavige plan.
5.9 Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (bijvoorbeeld een chemische fabriek of lpg-vulpunt) en de transport bronnen (bijvoorbeeld route gevaarlijke stoffen of buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans op een dodelijk ongeval binnen een bepaald gebied. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie
59
tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. Ontwikkelingen Het bestemmingsplan heeft een conserverend / beheersmatig karakter. In het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarmee worden er ook geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten, danwel risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Risicovolle inrichtingen Om te bepalen of er in en om het plangebied risicovolle inrichtingen zijn gelegen welke van invloed zijn op het plangebied, is het vergunningbestand van de gemeente Goes en de professionele risicokaart geraadpleegd.
Binnen het plangebied zijn de volgende BEVI-inrichtingen gelegen: <0000> Total Vliedberg (LPG tankstation) <0000> KMWP Blauwewijk (propaantank ) <0000> Bison DC (distributiecentrum) Verder zijn er buiten het plangebied 2 BEVI-inrichtingen gelegen waarvan het invloedsgebied over het plagebied reikt. Het gaat om: <0000> Kloosterboer <0000> van Citter beheer Voor alle bovenstaande inrichtingen is een QRA opgesteld en is het PR en het GR bepaald. Bij het verlenen van de omgevingsvergunningen is het groepsrisico verantwoord. Binnen de plaatsgebonden risicocontouren van de inrichtingen zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten gelegen in het plangebied. Deze worden ook niet mogelijk gemaakt met dit bestemmingsplan. Met het vaststellen van dit bestemmingsplan worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Het groepsrisico zoals bepaald ten behoeve van de omgevingsvergunningen van bovenstaade inrichtingen blijft dan ook ongewijzigd. Transportbronnen In of aangrenzend aan het plangebied zijn de volgende transportmodaliteiten gelegen. <0000> Rijksweg A58 <0000> Spoorlijn Roosendaal-Vlissingen <0000> Hogedruk aardgasbuisleiding Z.567.12 Plaatsgebonden risico Rijksweg A58 De plaatsgebonden risicocontour is op de as van de weg gelegen. Binnen de contour bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten.
Spoorlijn Roosendaal-Vlissingen De plaatsgebonden risiococontour is op de as van het spoor gelegen. Binnen de contour bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten. Hogedruk aardgasbuisleiding Z.567.12 De plaatsgebonden risiococontour is op de as van de buisleiding gelegen. Binnen de contour bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten.
60
Groepsrisico In dit actualisatieproces is verantwoording van het groepsrisico op basis van het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) van toepassing. De RUD Zeeland heeft in het rapport “Populatieonderzoek bestemmingsplan Buitengebied Goes”, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd, de noodzaak van het verantwoorden van het groepsrisico voor de transportroutes met vervoer gevaarlijke stoffen binnen het plangebied onderzocht. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat bij de actualisatie van het bestemmingsplan Buitengebied Goes er geen nadere berekening van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico voor de gebieden in de omgeving van de spoorlijn Vlissingen Oost – Bergen op Zoom, de autosnelweg A58 en de provinciale weg N256 noodzakelijk is. Vaarwegen Vaarwegen waarover significant transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van een in het Bevt aangewezen transportroute over water. Buisleidingen In het plangbied is een buisleiding gelegen. Het betreft de regionale aardgasleiding tussen ´s-Gravenpolder en Kapelle Z.567.12. Deze “40 bar” leiding wordt geëxploiteerd door de N.V. Nederlandse Gasunie. Voor deze leiding is de Kwantitatieve Risicoanalyse GR Berekening Gasunieleidingen Z 567-05, Z567-12 en Z 567-23 Gemeente Goes, d.d.
26 mei 2021 door RUD Zeeland uitgevoerd om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico te bepalen. Ook dit document maakt als bijlage onderdeel uit van de toelichting. Hieruit blijkt dat door de geringe populatie binnen het invloedsgebied van deze leiding er geen groepsrisico is. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.10 Duurzaamheid en klimaat Inleiding Het klimaat verandert. Het wordt warmer, we krijgen te maken met langdurige perioden van hitte en droogte, er is een grotere kans op extreme neerslag en de zeespiegel stijgt. Klimaatverandering wordt veroorzaakt door de hoge concentratie broeikasgassen, zoals CO2, in de atmosfeer. Door het verminderen van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen kunnen de gevolgen van klimaatverandering beperkt worden. In het Klimaatakkoord van Parijs staat omschreven dat de temperatuur op aarde niet verder mag stijgen dan 2°C, met de ambitie om dit te beperken tot 1,5°C. Op de Verenigde Staten na, heeft wereldwijd ieder land dit akkoord ondertekend. Landelijk zijn er doelen gesteld om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen: <0000> in 2050 is de uitstoot van CO2 met 95% verminderd; <0000> in 2050 hebben we een energieneutrale gebouwde omgeving; <0000> vanaf 1 juli 2018 worden nieuwbouwwoningen niet meer op het aardgasnet aangesloten. Ondanks dat we de uitstoot van broeikasgassen verminderen of zelfs stoppen, zullen we te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende extreme weersomstandigheden. Het is daarom van belang de openbare ruimte klimaatbestendig in te richten. Landelijk is het doel gesteld dat de openbare ruimte in 2050 klimaatrobuust is ingericht.
Gemeentelijk klimaatbeleid De gemeente Goes levert een bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en het behalen van de landelijke richtlijnen. Om deze landelijke richtlijnen te halen heeft de gemeente Goes de volgende doelstellingen vastgesteld: <0000> de gemeente Goes stimuleert duurzame nieuwbouw;
61
<0000> <0000> <0000> <0000>
de gemeente Goes ondersteunt de doelen van het Zeeuws Energieakkoord en werkt aan een energieneutrale particuliere woningvoorraad in 2045; duurzame energie wordt op kansrijke locaties opgewekt, zoals het toepassen van zonne-energie op daken; het gebruik van duurzame vervoersmiddelen wordt gefaciliteerd, onder andere door het plaatsen van openbare laadpalen; de gemeente Goes past circulaire economie toe wanneer de kans zich voordoet, zoals het toepassen van kansen voor circulair bouwen.
Naast maatregelen om minder CO2 uit te stoten zijn ook maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering belangrijk zoals het klimaatrobuust inrichten van de openbare ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van veel groen, wat zowel een waterbergend vermogen heeft, als een koelend vermogen. Sterk versteende omgevingen warmen namelijk snel op doordat stenen warmte opnemen en deze warmte een lange tijd kunnen uitstralen, met name ’s nachts. In groene omgevingen zullen de nachten tijdens warme perioden daarom koeler zijn dan in sterk versteende gebieden zoals steden. Dit effect wordt ook wel het hitte-eiland effect genoemd.
Figuur 23. Hitte-eiland effect In bovenstaande figuur is te zien dat de temperatuur in een sterk verstedelijkt gebied hoger is dan in de meer landelijke omgeving. In volledig groene gebieden, zoals parken en bossen, is de temperatuur het laagst. Ook aan de rand van de stadskernen is de temperatuur lager dan in het stadscentrum, doordat er in deze gebieden minder hoogbouw is en er meer ruimte is voor groen.
5.11 Milieueffectrapportage Regelgeving De mer-plicht van ruimtelijke besluiten is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De Wm kent twee soorten mer’s: de mer voor kaderstellende plannen, zoals de structuurvisie, en de mer voor concrete besluiten, zoals het bestemmingsplan. Een mer-plicht voor een ruimtelijk besluit kan ontstaan op grond van: 1. het Besluit m.e.r.; 2. als een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is (planmer-plicht); 3. provinciale milieuverordening; Zeeland kent echter sinds 2011 geen eigen mer-activiteiten meer.
62
Besluit m.e.r. De in de bijlage bij het Besluit m.e.r opgenomen ‘C- en D-lijst’ geeft aan of sprake is van mer-plicht respectievelijk mer-beoordelingsplicht. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Een planmer-plicht bestaat voor activiteiten in de C-lijst of wanneer de drempelwaarden in de D-lijst worden overschreden. De drempelwaarden in de D-lijst zijn indicatief voor de mer-beoordeling voor concrete projecten. Ook als een project, zoals een bestemmingsplan, onder die drempelwaarden blijft moet er een toetsing worden gedaan: vormvrije mer-beoordeling. Het bevoegd gezag moet zich er ook dan van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. De (vormvrije) mer-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: <0000> belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen mer noodzakelijk; <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er volgt een mer-procedure.
Figuur 24: Mer-(beoordelings)plicht volgens het Besluit m.e.r. Bevindingen Het opstellen van een beheersmatig bestemmingsplan voor het buitengebied staat niet in de bijlage bij het Besluit m.e.r opgenomen ‘C- en D-lijst’, noch opstellen van een beheersmatig bestemmingsplan voor een bedrijventerrein. Wel wordt in bijlage D van het Besluit m.e.r. onder D.11.3 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein genoemd. Omdat het hier een beheersmatig bestemmingsplan betreft en de huidige planologische mogelijkheden worden vastgelegd, vindt er geen uitbreiding of wijziging plaats. Passende beoordeling Wet natuurbescherming Een passende beoordeling op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming is nodig indien de activiteiten die het plan mogelijk maakt kunnen leiden tot significante effecten op de omliggende Natura2000-gebieden Veerse Meer, Oosterschelde, Westerschelde & Saeftinghe en Yerseke & Kapelse Moer. Conclusie Het conserverende bestemmingsplan buitengebied maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Verder worden de agrarische bedrijven in het plangebied specifiek bestemd. Dit zorgt ervoor dat de stikstofdepositie van de totale bestemmingsplancapaciteit gelijk blijft aan de voorgaande situatie. Het opstellen van een passende beoordeling is niet nodig. Conclusie MER Er is geen sprake van m.e.r. plicht of (vormvrije) m.e.r. beoordelingsplicht.
63
HOOFDSTUK 6 Juridische vormgeving 6.1 Planvorm Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten gebouwen. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het voorliggende bestemmingsplan kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd 'beheersplan'. In een dergelijk plan ligt het accent van de juridische regeling vooral op het bieden van rechtsbescherming ten aanzien van het bestaand gebruik van gronden en opstallen. Er is sprake van een gedetailleerd plan, waarin de bestaande situatie grotendeels behouden blijft en waar rekening is gehouden met de nodige flexibiliteit door binnen een aantal bestemmingen meerdere functies toe te staan. Een en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen, een eenvoudig kaartbeeld en een uniforme opzet van de bouwbepalingen.
Alle bestaande functies (wonen, werken, verkeer, recreëren, etc.) worden gerespecteerd; ingrijpende functieveranderingen zijn niet voorzien. Het plan biedt wel de mogelijkheid om op een flexibele wijze op mogelijke functieveranderingen en veranderende woonbehoeften in te spelen. In het plan zijn hiertoe verschillende wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen. De regels zijn opgebouwd uit de Inleidende regels (Hoofdstuk 1) de Bestemmingsregels (Hoofdstuk 2), de Algemene regels (Hoofdstuk 3) en de Overgangs- en slotbepalingen (Hoofdstuk 4). De verbeelding bestaat uit 6 kaartbladen.
6.2 Toelichting op de bestemmingen 6.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe onder andere de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch De gronden die als “Agrarisch” zijn bestemd zijn bedoeld voor grondgebonden agrarische bedrijven. Ook allerlei aanverwante bedrijven zijn positief bestemd. De bestaande situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is als zodanig vastgelegd. Als bijlage bij de regels is een lijst opgenomen met daarop de in het buitengebied voorkomende agrarische bedrijven met daarbij aangegeven de huidige bedrijfsvorm. Omschakeling naar een andere bedrijfsvorm is alleen onder voorwaarden mogelijk. Agrarische bebouwing dient te worden geconcentreerd binnen het bouwvlak. Dat geldt niet alleen voor bedrijfsgebouwen en -woningen, maar ook voor silo's, bassins en teeltondersteunende voorzieningen. Het bestemmingsplan biedt ruimte voor kleinschalige bouwwerken op afstand van het bouwvlak.
Voorwaarde hierbij is dat kan worden aangetoond dat deze bouwwerken noodzakelijk zijn ten behoeve van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Verder zijn flexibiliteitsbepalingen opgenomen voor onder meer het vestigen van een Nieuwe 64
Economische Drager als neven- of vervolgactiviteit, voor het toevoegen van een agrarische neventak of het omschakelen naar een andere bedrijfsvorm en voor het vergroten of aanpassen van de vorm van het bouwvlak. Aan de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn procedureregels verbonden. Verder is in 2009 ontheffing verleend voor het landen van parachutisten, die vertrekken vanuit vliegveld Midden-Zeeland, op enkele agrarische percelen. Omdat dit een structurele activiteit betreft die niet onder de evenementenregeling valt, is aan deze percelen een specifieke aanduiding toegekend. Dat geldt ook voor het terrein waar met modelvliegtuigen wordt gevlogen. Ook hier is een specifieke aanduiding aan toegekend. Artikel 4 Agrarisch met Waarden De als “Agrarisch met waarden” aangewezen gronden zijn bestemd voor een op de aanwezige natuurwaarden afgestemd grondgebonden agrarisch gebruik alsmede voor het behoud en de versterking van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden. Het agrarisch gebruik van deze gronden kan worden voortgezet, maar dan op een zodanig wijze dat de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden in stand blijven. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van geringe afmetingen, zoals drinkgelegenheden voor vee en afrasteringen, worden opgericht. De bestaande schaapskooi is hierop een uitzondering.
Ter bescherming van de specifieke waarden van deze gronden is voor het uitvoeren van werken een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Artikel 5 Bedrijf De in het buitengebied gelegen niet-agrarische bedrijven zijn positief bestemd door middel van een specifieke functieaanduiding. Bij de regels is een bijlage opgenomen met daarop weergegeven de aanwezige bedrijven en de bestaande bebouwde oppervlakte daarvan. Ten aanzien van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn regels opgenomen over de situering en de maatvoering. Voor de bedrijven die zijn gevestigd op het Bedrijventerrein Lewedorp gelden minder strikte eisen. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemeningen en de Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerreinen, die opgenomen zijn als bijlage bij de regels, zijn de bedrijven benoemd die, al dan niet via een afwijkingsbevoegdheid, zijn toegestaan in het plangebied. De mogelijkheid wordt geboden om bedrijfsactiviteiten toe te staan die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voorkomen. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om de categorie-indeling van de Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen. Aan de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn procedureregels verbonden. Artikel 6 Bos Deze bestemming is gelegd op alle permanente bossen met recreatief gebruik in de gemeente.
Het betreft enkele kleinschalige boscomplexen, zoals bij De Piet, rondom Wilhelminadorp en bij de recreatiezone Wolphaartsdijk. De als “Bos” bestemde gronden zijn bestemd voor het behoud en de versterking van het bos voor natuur en landschap, de ontwikkeling van natuurwaarden alsmede voor dagrecreatief medegebruik in de vorm van onder meer wandelen, fietsen en paardrijden. Ter bescherming van de specifieke waarden van deze gronden is voor de uitvoering van werken een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Artikel 7 Cultuur en ontspanning Deze bestemming is van toepassing op de locatie van speelboerderij 't Klokuus bij 's-Heer Arendskerke. Hierin is aangegeven welk gebruik is toegestaan (onder andere speelvoorziening, horeca en parkeerterrein) en is de maatvoering voor de diverse gebouwen bepaald. Artikel 8 Detailhandel In het plangebied zijn drie verspreid gelegen detailhandelsvestigingen, waaronder twee tuincentra, aanwezig. Ten aanzien van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn regels opgenomen over de situering en de maatvoering. Doordat slechts een beperkt deel van het bouwvlak van deze detailhandelsbedrijven mag worden bebouwd, is uitbreiding van de bebouwde oppervlakte in beginsel niet mogelijk.
Artikel 9 Horeca De binnen het plangebied gelegen horecagelegenheden (op recreatieterrein “Schelphoek”, bij de jachthavens van Wolphaartsdijk en het Goese Sas, alsmede het restaurant “Katseveer”) zijn positief bestemd. Ten aanzien van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn regels opgenomen over de situering en de maatvoering. De bouwvlakken zijn afgestemd op de aanwezige 65
bebouwing, zodat geen sprake is van uitbreidingsmogelijkheden. Om te zien welke vormen van horecabedrijven toelaatbaar zijn, is een Staat van Horeca-activiteiten als bijlage bij de regels opgenomen. Artikel 10 Maatschappelijk De bestemming maatschappelijk is van toepassing op de in het plangebied aanwezige molen bij Kloetinge. Daarnaast zijn de begraafplaatsen bestemd tot “Maatschappelijk”. Binnen deze bestemming mogen niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht. Voor deze bouwwerken zijn regels opgenomen over de maatvoering. Artikel 11 Natuur Alle binnendijkse en buitendijkse bestaande natuurgebieden zijn als “Natuur” bestemd. Ook de gronden die gebruiksvrij verworven zijn en waar de juridische bestemming dan ook niet langer agrarisch is, zijn als “Natuur” bestemd. De natuurbelangen zijn hier bovengeschikt aan alle andere belangen. Ter bescherming van de specifieke waarden van deze gronden is voor de uitvoering van werken een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Enkele bossen met recreatief (mede)gebruik zijn niet als “Natuur” bestemd maar als “Bos”. Artikel 12 Recreatie - Dagrecreatie De bestemming “Recreatie - Dagrecreatie” is gelegd op de bestaande dagrecreatieve terreinen en percelen in het buitengebied. Het gaat daarbij om jachthavens, maneges, buitensportcentrum Kanoa, maar ook om volkstuinen.
Er zijn specifieke bouwregels, toegespitst op de diverse functies. Artikel 13 Recreatie - Verblijfsrecreatie De bestemming “Recreatie - Verblijfsrecreatie” geldt voor de terreinen met recreatiewoningen en de campings die binnen het plangebied liggen. Voor enkele andere campings zijn afzonderlijke bestemmingsplannen vastgesteld. Ten aanzien van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn regels opgenomen over de situering en de maatvoering. Permanente bewoning van kampeermiddelen en recreatiewoningen is verboden. Enkele op een bijlage bij de regels met name genoemde personen hebben in het verleden toestemming gekregen voor permanente bewoning en mogen dit gebruik voortzetten. Artikel 14 Sport Deze bestemming is van toepassing op de locaties van de catamaranclub bij De Piet en de kynologenclub in Wilhelminadorp. Hierin is aangegeven welk gebruik is toegestaan en is de maatvoering voor de bebouwing bepaald. Artikel 15 Verkeer De spoorlijnen en een groot deel van de wegen in het landelijk gebied zijn bestemd als “Verkeer”. Binnen deze bestemming zijn niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken toegestaan. De bouwregels zijn voornamelijk gericht op de maximaal toegestane hoogtematen. Artikel 16 Waardevolle dijk Alle zeedijken alsmede de binnendijken met waterkerende functie zijn, evenals de eventueel daarop gelegen wegen, bestemd als “Waardevolle dijk”.
De waarden van deze dijken bestaan verder uit landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden. Ter bescherming van de specifieke waarden van deze gronden is voor de uitvoering van werken een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Artikel 17 Water De voor “Water” aangewezen gronden zijn bestemd voor waterpartijen en (primaire) waterlopen zoals sloten, watergangen en singels. Ook andere tot de bestemming behorende voorzieningen zijn toegestaan. Er mogen enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht. De bouw- en afwijkingsregels hebben enkel betrekking op de hoogtematen. Ook zijn er regels opgenomen over het gebruik van ligplaatsen door vaartuigen of woonboten. Artikel 18 Wonen Burgerwoningen in het buitengebied mogen een inhoud hebben van maximaal 750 m³. Uitbreiding van deze maat kan alleen met vergunningvrije bouwwerken. Daarnaast is het mogelijk om bij een woning bijbehorende bouwwerken te plaatsen met een oppervlaktemaat van maximaal 150 m², 66
afhankelijk van de omvang van het erf. In iedere woning mag, onder voorwaarden, een beroep/bedrijf aan huis worden uitgeoefend. In het verleden zijn meerdere landhuizen gebouwd op grond van de vroegere "twee-hectareregeling". Deze huizen hebben een specifieke aanduiding, de maximale inhoud hiervan bedraagt 1.000 m³. Ook de woonwagenstandplaatsen aan de Klaphekkeweg zijn bestemd als “Wonen”. Artikel 19 Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding De bestemming "Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding" voorziet in de aanleg, het gebruik en de bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbindingen in het plangebied. De bouwregels maken bouwwerken ten dienste van de leiding mogelijk. Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag uitsluitend worden gebouwd in het geval van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de hoogte en oppervlakte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Hiermee wordt de verbinding beschermd. Wel is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee alsnog de bouwmogelijkheden van onderliggende bestemmingen kunnen worden benut als die bebouwing verenigbaar is met de verbinding. Naast bebouwing kunnen ook andere werken de hoogspanningsverbinding bedreigen.
Er is dan ook een vergunningplicht opgenomen in het bestemmingsplan voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden die in aanleg schadelijk kunnen zijn voor de leiding. Hieronder vallen onder meer graafwerkzaamheden ende aanleg van hoogopgaande beplanting. Artikel 20 Leiding - Ondergrondse hoogspanningsverbinding De bestemming "Leiding - Ondergrondse hoogspanningsverbinding" voorziet in de aanleg, het gebruik en de bescherming van de ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding in het plangebied. De bouwregels maken bouwwerken ten dienste van de leiding mogelijk. Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag uitsluitend worden gebouwd in het geval van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Hiermee wordt de verbinding beschermd. Vergelijkbaar met artikel 19 bevat ook dit artikel een afwijkingsmogelijkheid voor het toestaan van bouwmogelijkheden van andere bestemmingen en een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die in aanleg schadelijk kunnen zijn voor de verbinding. Hieronder vallen onder meer graafwerkzaamheden en de aanleg van diepwortelende beplanting.
Artikel 21 Leiding - Gas Voor de gasleidingen die vanwege de aard van de te transporteren stoffen dan wel hun regionale functie een planologische betekenis hebben, is de dubbelbestemming “Leiding - Gas” opgenomen. Binnen de bestemming is, ter bescherming van de leidingen, een bouwverbod voor de andere bestemmingen opgenomen, alsmede een omgevingsvergunningenstelsel. Artikel 22 Leiding - Riool Voor de rioolpersleidingen die vanwege hun uitvoering dan wel regionale functie een planologische betekenis hebben, is de dubbelbestemming “Leiding - Riool” opgenomen. Binnen de bestemming is, ter bescherming van de persleidingen, een bouwverbod voor de andere bestemmingen opgenomen, alsmede een omgevingsvergunningenstelsel. Artikel 23 Leiding - Water Voor de waterleidingen die vanwege de vitale drinkwatervoorziening dan wel hun regionale functie een planologische betekenis hebben, is de dubbelbestemming “Leiding - Water” opgenomen. Binnen de bestemming is, ter bescherming van de waterleidingen, een bouwverbod voor de andere bestemmingen opgenomen, alsmede een omgevingsvergunningenstelsel. Artikel 24 t/m 26 Waarde - Archeologie - 1 t/m 3 De gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 1", "Waarde - Archeologie - 2" en "Waarde - Archeologie - 3" zijn mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden van de gronden.
Bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemmingen mogen onder voorwaarden worden vernieuwd of veranderd. Ter bescherming van de archeologische waarden dient de aanvrager voor het bouwen van een bouwwerk een archeologisch rapport te overleggen indien de oppervlakte groter is dan respectievelijk 50 m², 250 m² en 500 m² en dieper wordt gegaan dan 40 cm. Indien het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot een onevenredige verstoring van 67
behoudenswaardige archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders naar aanleiding daarvan voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Daarnaast is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden die de grond roeren. Tot slot zijn in deze bestemming wijzigingsbevoegdheden opgenomen om de archeologisch waardevolle gebieden te kunnen wijzigen. Artikel 27 Waarde - Cultuurhistorie Ter bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden geldt ter plaatse van de voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden een omgevingsvergunningstelsel voor de uitvoering van werken. Ook bij de beoordeling van bouwplannen dient met de cultuurhistorische waarden op de aangeduide terreinen rekening te worden gehouden. Artikel 28 Waterstaat - Waterkering Naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en) zijn de gronden primair bestemd voor de waterkering en de waterbeheersing. Enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden opgericht. Bestaande gebouwen mogen worden vervangen, vernieuwd of veranderd, mits de oppervlakte niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Afwijking van de bouwregels is mogelijk. Voorafgaand aan een afwijking wordt er advies gevraagd aan de waterbeheerder.
6.2.3 Algemene regels Artikel 29 Antidubbeltelbepaling Het doel van deze bepaling is om te voorkomen dat, wanneer volgens het bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van het bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 30 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bepalingen omgenomen omtrent algemene bouwregels. Het betreft hier bepalingen ten aanzien van bestaande maten, het overschrijden van bouwgrenzen en het realiseren van parkeergelegenheid en laad- en losruimte. Artikel 31 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn (verbods)bepalingen opgenomen over het gebruik van in dit plan begrepen gronden. Recreatieve verhuur van woningen is onder meer niet toegestaan. Artikel 32 Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat bepalingen voor algemene aanduidingen. Het betreft hier de algemene aanduiding voor de molenbiotoop, luchtvaartverkeerszones en veiligheidszones. Artikel 33 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het overschrijden van maten, geringe afwijkingen van het bestemmingsplan en het oprichten van antennes en masten. Artikel 34 Algemene wijzigingsregels De algemene wijzigingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders is in dit artikel opgenomen.
Het plan kan worden gewijzigd voor geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen met maximaal 5 meter toelaatbaar. Artikel 35 Algemene procedureregels Dit artikel bevat de procedureregels die gelden bij de voorbereiding van een besluit tot toepassing van een wijzigingsbevoegdheid.
68
6.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 36 Overgangsrecht Dit artikel bevat de overgangsbepalingen met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 37 Slotregel Het bestemmingsplan kan worden aangehaald als bestemmingsplan "Buitengebied”.
69
HOOFDSTUK 7 Handhaving 7.1 Inleiding De gemeenteraad heeft tot taak bestemmingsplannen vast te stellen voor het grondgebied van de gemeente. In elk bestemmingsplan wordt het door de gemeente gewenste ruimtelijke beleid voor een bepaald gebied vertaald. Een nieuw bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke kaders vast en bepaalt de grenzen waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. Het biedt de gemeente een actueel beleidsmatig en juridisch toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven in een specifiek gebied. Om de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde leefomgeving te behouden en te verbeteren, is het noodzakelijk dat na het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan de daaruit voortvloeiende regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. In gevallen waarin regels niet uit eigen beweging worden nageleefd dient in beginsel handhavend te worden opgetreden. Het uitblijven van handhavend optreden tegen de overtreding van regels die in een bestemmingsplan worden gesteld aan de bebouwing en inrichting van gronden, heeft een negatieve weerslag op de ruimtelijke kwaliteit, kan leiden tot rechtsongelijkheid, kan ongewenste precedentwerking tot gevolg hebben en vermindert het vertrouwen van de burger in het gemeentebestuur.
7.2 Handhaving bestemmingsplannen Onder handhaving wordt verstaan het nemen van maatregelen om de naleving van wettelijke voorschriften te bevorderen. Handhaving betreft dus niet alleen het daadwerkelijk repressief optreden tegen overtreders met behulp van sanctiemiddelen. Daaraan voorafgaand is het gewenst dat er heldere en hanteerbare regels zijn, moeten die regels kenbaar zijn en wordt er toezicht gehouden op de naleving ervan. Een eerste vereiste voor een goede handhaving is derhalve een bestemmingsplan met handhaafbare regels. Dat wil zeggen: regels die zodanig zijn opgesteld dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Voorlichting en preventief optreden vormen de basis voor effectieve handhaving. Een goede informatievoorziening draagt bij aan een verbetering van de naleving van bestemmingsplannen. Hoewel sanctionering in de meest optimale situatie niet nodig zou moeten zijn, zullen zich in de praktijk altijd gevallen voordoen waarin achteraf opgetreden moet worden tegen illegale situaties. In dergelijke gevallen kan het college van burgemeester en wethouders wettelijke dwangmiddelen inzetten om overtredingen gedwongen te (laten) beëindigen, zoals het opleggen van een last onder bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.
7.3 Handhavingsbeleid De doelstelling van handhaving is het bevorderen van de naleving van wettelijke regels en het herstellen van overtredingen. Handhavend optreden in geval een overtreding is geconstateerd, is een beginselplicht, dat door middel van het voeren van een transparant beleid ingezet moet worden om de doelstelling te bereiken. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een leefbare en veilige woonomgeving voor de inwoners van de gemeente. De door het college van b&w aangewezen toezichthouders, zijn belast met het toezicht op de naleving van onder meer de ruimtelijke regelgeving. Deze taak wordt zo veel mogelijk consistent en stelselmatig uitgevoerd, zodat aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en zorgvuldigheid kan worden voldaan. Ook daarvoor is het nodig handhavingsbeleid vast te stellen. Het handhavingsbeleid is, zoals vele andere beleidsvelden, altijd in beweging. Met behulp van monitoring wordt periodiek geëvalueerd en wordt zo nodig het beleid bijgesteld. De gemeente kan niet overal en altijd toezien op naleving van regels, waardoor het noodzakelijk is prioriteiten te stellen. De handhavingsprioriteiten worden steeds vastgesteld op basis van een risico-analyse.
Jaarlijks wordt op basis van het beleid een handhavinguitvoeringsprogramma vastgesteld zodat inzichtelijk wordt op welke wijze de beschikbare handhavingscapaciteit in een bepaald jaar wordt ingezet. Het handhavingsbeleid is erop gericht om zo veel mogelijk integraal te handhaven. Het houden van toezicht op illegale bouw en strijdigheid met bestemmingsplannen scoort dusdanig dat de prioriteit gemiddeld tot hoog genoemd kan worden. Wanneer een aspect een lage prioriteit heeft, betekent dit overigens niet dat de regel overtreden mag worden. De beginselplicht tot 70
handhaving, zoals die door de Raad van State is geformuleerd, is onverkort van kracht. Er zal dus altijd serieus met constateringen en klachten worden omgegaan, ook al is de prioriteit van desbetreffende overtreden norm laag. Echter, de focus van de toezichthoudende ambtenaren zal met name zijn gericht op de gestelde prioriteiten zoals opgenomen in het beleid.
7.4 Opleggen sancties Wanneer een overtreding niet vrijwillig wordt beëindigd, wordt doorgaans gekozen voor het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom om een overtreder te dwingen een illegale situatie te beëindigen. Deze bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen hebben een reparatoir karakter en zijn met vele juridische waarborgen omkleed. Omdat een overtreding van het bestemmingsplan in de Wet op de economische delicten is aangemerkt als een economisch delict, is ook strafrechtelijke handhaving een optie. Privaatrechtelijke handhaving is minder geschikt. Tot het gedogen van overtredingen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen overgegaan, bijvoorbeeld wanneer in redelijkheid niet meer voldaan kan worden aan de geldende regels en aanpassing van de regelgeving aan gewijzigde beleidsinzichten nog niet heeft plaatsgevonden.
71
HOOFDSTUK 8 Economische uitvoerbaarheid Onderhavig plan betreft een conserverend bestemmingsplan voor een bestaande situatie en voorziet niet in uit te voeren werken of werkzaamheden. Het bestemmingsplan is daarmee economisch uitvoerbaar. Om die reden is het opstellen van een exploitatieplan achterwege gelaten. De financiële betrokkenheid van de gemeente zal bij mogelijke investeringen per geval worden afgewogen. Bij die percelen waarvoor een wijzigings- dan wel afwijkingsbevoegdheid is opgenomen, zal medewerking slechts worden verleend nadat de financiële haalbaarheid hiervan bij dat concrete verzoek vooraf is aangetoond.
72
HOOFDSTUK 9 Maatschappelijke toetsing 9.1 Inspraak De gemeente Goes betrekt de bevolking bij de voorbereiding van plannen op ruimtelijk gebied. Het voorontwerp van het bestemmingsplan is in verband daarmee, na een kennisgeving in huis-aan-huisblad de Bevelandse Bode, gepubliceerd op de website ruimtelijkeplannen.nl, zodat het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar was. Van 28 april tot en met 8 juni 2022 konden gedurende zes weken inspraakreacties schriftelijk worden ingediend. Een samenvatting van de reacties uit de inspraak en de beantwoording van die reacties is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
9.2 Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg te worden gepleegd met de wettelijk verplichte organisaties. Het plan is toegestuurd aan de volgende instanties: <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
provincie Zeeland; gemeente Borsele; gemeente Noord-Beveland; gemeente Kapelle; gemeente Middelburg; waterschap Scheldestromen; Veiligheidsregio Zeeland; Rijkswaterstaat directie Zeeland; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Staatsbosbeheer; Stichting het Zeeuwse Landschap; Zeeuwse Milieufederatie; ZLTO; Stedin; Gasunie; TenneT.
Een samenvatting van de reacties uit het vooroverleg en de beantwoording van die reacties is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
9.3 Ontwerpbestemmingsplan Na afronding van de vooroverleg- en inspraakfase zal het ontwerp van het bestemmingsplan gedurende zes weken in het stadskantoor ter inzage worden gelegd en worden gepubliceerd op de website ruimtelijkeplannen.nl, zodat het plan digitaal raadpleegbaar is. Gedurende deze termijn kan eenieder zowel mondelinge als schriftelijk zienswijzen naar voren brengen.
73
HOOFDSTUK 10 Bijlagen bij de toelichting 1. Populatieonderzoek bestemmingsplan Buitengebied Goes 2. Kwantitatieve risicoanalyse bestemmingsplan Buitengebied Goes 3. Antwoordnota voorontwerp
74
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Populatieonderzoek bestemmingsplan Buitengebied Goes
Bijlage 2
Kwantitatieve risicoanalyse Buitengebied Goes
Bijlage 3
Antwoordnota voorontwerp
Bijlage 1 Populatieonderzoek bestemmingsplan Buitengebied Goes
Populatieonderzoek bestemmingsplan Buitengebied Goes Van: A. Lindenbergh, RUD Zeeland Aan: R. de Regt, Gemeente Goes Datum: 10 juli 2019
Inleiding Gemeente Goes is voornemens het bestemmingsplan Buitengebied Goes te actualiseren.
Het milieuthema Externe veiligheid beschrijft de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Die kunnen veroorzaakt worden door bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken of opslaan, maar ook het vervoer van gevaarlijke stoffen( spoor, weg of water) heeft zijn effect op de omgeving. Voor externe veiligheid is plaatsgebonden risico, ook wel PR 10-6 genoemd, een toetsingskader. Daarnaast is er het groepsrisico, een afwegingskader. Belangrijk hierin is de zogenaamde oriëntatiewaarde. In dit actualisatieproces is verantwoording van het groepsrisico op basis van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) en Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) van toepassing. De gemeente Goes heeft de RUD Zeeland verzocht na te gaan in hoeverre deze verantwoording van toepassing is op de transportroutes met vervoer gevaarlijke stoffen binnen het plangebied van bovengenoemd bestemmingsplan.
1
Inhoud 1.0 Transportroutes............................................................................................................................. 2 2.0 Wetgeving...................................................................................................................................... 2 3.0 Handleiding Risicoanalyse Transport ( HART, bijlage versie1.2 van 11-1-2017) ........................... 3 4.0 Spoorlijn Vlissingen Oost (Sloe) – Bergen op Zoom ..................................................................... 3 5.0 Snelweg A 58 Vlissingen- Bergen op Zoom ................................................................................... 5 6.0 Provinciale weg A 256 Goes- Zierikzee .......................................................................................... 7 6.1 Toetsing Plaatsgebonden risico Pr 10-6 ........................................................................................ 7 6.2 Toetsing Oriëntatiewaarde (GR).................................................................................................... 8 7.0 Conclusie ....................................................................................................................................... 9
1.0 Transportroutes In het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied Goes betreft het:
Spoorlijn Vlissingen Oost (Sloe) – Bergen op Zoom Snelweg A 58 Vlissingen- Bergen op Zoom Provinciale weg A 256 Goes- Zierikzee
De spoorlijn Vlissingen Oost – Bergen op Zoom en de snelweg A 58 maken onderdeel uit van het door het rijk vastgestelde basisnet. Er is hier sprake van een krachtens artikel 13 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen hoofdspoorweg en weg. De provinciale weg A 256 is geen onderdeel van het door het rijk vastgestelde basisnet, maar wel een route waar transport met gevaarlijke stoffen plaats vindt. In paragraaf 2.0 Wetgeving wordt het onderscheid verder toegelicht.
2.0 Wetgeving Zoals in de inleiding vermeld, is vanwege de aanwezigheid van de transportroutes met gevaarlijke stoffen het Bevt van toepassing en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het verzoek van de gemeente Goes richt zich op de verantwoording van het groepsrisico. De vraag is of het groepsrisico dusdanig hoog is dat dit onderzocht moet worden. Hierop zijn artikel 7 en 8 van het Bevt van toepassing. In artikel 7 wordt beschreven hoe om te gaan met transportroutes die niet onder het basisnet vallen. Wanneer het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een transportroute dient een beschrijving van de omvang van de ramp gegeven te worden. Dit betekent in de praktijk een beschrijving van voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp. Dit artikel is van toepassing op de provinciale weg A 256 Goes – Zierikzee. In artikel 8 wordt beschreven hoe om te gaan met transportroutes die wel onder het basisnet vallen. Indien het plangebied geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een afstand van 200 m dient het groepsrisico vastgesteld te worden. In dat zelfde artikel wordt ook aangegeven dat indien de
2
oriëntatiewaarde niet wordt overschreden de verantwoording achterwege kan blijven. Dit artikel is van toepassing op spoorlijn Vlissingen Oost – Bergen op Zoom en de snelweg A 58.
3.0 Handleiding Risicoanalyse Transport ( HART, bijlage versie1.2 van 11-1-2017) Om te voorkomen dat bij iedere ontwikkeling in de omgeving van een transportas met gevaarlijke stoffen een berekening met het rekenpakket RBM II uitgevoerd moet worden zijn er vuistregels ontwikkeld in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen die de gebruiker een indicatie geven wanneer een berekening met RBM II zinvol is. Hieronder worden per transportmodaliteit de vuistregels die van toepassing zijn op de oriëntatiewaarde van het groepsrisico vermeld. Aan de hand van de in het plangebied aanwezige transportassen wordt de situatie beschreven voor wat betreft de populatiedichtheid en de gevolgen voor het groepsrisico. Deze factoren zijn naast de afstand van de bebouwing tot de transportas de parameters die vanuit het ruimtelijke spoor van belang zijn.
4.0 Spoorlijn Vlissingen Oost (Sloe) – Bergen op Zoom Allereerst wordt de situatie beschouwd voor het plangebied gelegen aan de spoorlijn Vlissingen-Oost (Sloe) – Bergen op Zoom. Om aan de veilige kant te zitten wordt dit zeer conservatief beschouwd door uit te gaan van tweezijdige bebouwing. Dit geldt voor een zone van 200 m aan weerszijden van de transportas, conform artikel 8 Bevt. Uit het HART zijn de hieronder vermelde vuistregels ontleend. Vaststellen oriëntatiewaarde (GR) Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in ketelwagens (bulkvervoer) stoffen bevat in de categorie B3 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer A kleiner is dan 50 en D4 of B2 maken deel uit van de vervoersstroom, pas dan RBMII toe als binnen 200 m van het baanvak aanwezigheidsdichtheden voorkomen van meer dan 200 per hectare. Vuistregel 3: Wanneer A minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-19 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-20 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.