Agendapunt 05. Toelichting met bijlagen ontwerp
Tekst van het document
Toelichting
1
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Opzet HOOFDSTUK 2 Beleidskaders 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Regionaal en gemeentelijk beleid 2.4 Conclusie HOOFDSTUK 3 Inventarisatie en analyse 3.1 Historie 3.2 Landschap 3.3 Functionele opbouw van het gebied 3.4 Ruimtelijke opbouw van het gebied HOOFDSTUK 4 Visie op het plangebied 4.1 Streefbeeld deelgebieden 4.2 Streefbeeld functies HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten 5.1 Archeologie 5.2 Bodem 5.3 Water 5.4 Flora en Fauna 5.5 Geluidshinder 5.6 Luchtkwaliteit 5.7 Stikstof 5.8 Overige milieuhinder en bedrijvigheid 5.9 Externe veiligheid 5.10 Duurzaamheid en klimaat 5.11 Milieueffectrapportage HOOFDSTUK 6 Juridische vormgeving 6.1 Planvorm 6.2 Toelichting op de bestemmingen HOOFDSTUK 7 Handhaving 7.1 Inleiding 7.2 Handhaving bestemmingsplannen 7.3 Handhavingsbeleid 7.4 Opleggen sancties HOOFDSTUK 8 Economische uitvoerbaarheid HOOFDSTUK 9 Maatschappelijke toetsing 9.1 Inspraak 9.2 Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro 9.3 Ontwerpbestemmingsplan HOOFDSTUK 10 Bijlagen bij de toelichting
2
3 3 3 4 5 5 6 8 13 14 14 16 19 20 26 26 27 39 39 42 45 54 56 57 57 58 59 61 62 64 64 64 70 70 70 70 71 72 73 73 73 73 74
HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het buitengebied van de gemeente Goes. Dat betreft het totale grondgebied van de gemeente met uitzondering van de stad Goes, de dorpskernen, enkele bedrijventerreinen en enkele campings. Het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2010" is vastgesteld op 17 maart 2011 en daarmee inmiddels ruim tien jaar oud. Bestemmingsplannen worden in principe voor een periode van tien jaar vastgesteld. In verouderde bestemmingsplannen ontbreken immers nieuwe inzichten van hogere overheden en hogere wetgeving. Daarnaast wil de gemeente een einde maken aan de verouderde plannen en de onderlinge verschillen in bestemmingsplannen. Deze verschillen leiden tot onduidelijke en ongewenste situaties voor zowel de gemeente als voor burgers en andere belanghebbenden. Niet alleen de leeftijd van het huidige bestemmingsplan, maar ook andere factoren (onjuistheden in het huidige bestemmingsplan, jurisprudentie, nieuw beleid van de provincie Zeeland, vaststelling van diverse wijzigingsplannen en verlening van meerdere omgevingsvergunningen) geven aanleiding het bestemmingsplan te actualiseren. Het nieuwe bestemmingsplan borduurt daardoor in hoofdzaak voort op het huidige bestemmingsplan. Het plan legt vooral de bestaande situatie vast.
De bestaande rechten worden zoveel mogelijk gerespecteerd, nieuwe ontwikkelingen zijn in het buitengebied niet voorzien. We staan momenteel aan de vooravond van de invoering van de Omgevingswet, de nieuwe wet waarin 26 wetten uit het omgevingsrecht moeten opgaan. Circa 120 AMvB's en ministeriële regelingen komen in vier AMvB's. Dit betreft een omvangrijke stelselwijziging. Verder is op 1 juli 2018 de Wet afschaffing actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen in werking getreden. Met deze wet wordt de actualiseringsplicht uit de Wet ruimtelijke ordening geschrapt, vooruitlopend op de Omgevingswet. De Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 januari 2023 in werking. In het kader van het overgangsrecht worden digitaal beschikbare bestemmingsplannen vanaf dat moment aangemerkt als omgevingsplan. Omdat de werkzaamheden aan de herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied al enkele jaren geleden zijn gestart, is ervoor gekozen het plan af te ronden in de vorm van een bestemmingsplan en het ontwerp vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage te leggen. Het bestemmingsplan is voorzien van een zogenaamde IMRO-codering, wat inhoudt dat bestemmingsplannen volledig digitaal uitgewisseld kunnen worden en raadpleegbaar zijn via de website www.ruimtelijkeplannen.nl.
1.2 Plangebied Het plangebied beslaat het landelijk gebied van de gemeente Goes, dat wil zeggen het gehele gemeentelijk grondgebied met uitzondering van de gebieden die in afzonderlijke bestemmingsplannen zijn geregeld, zoals de kernen, bedrijventerreinen en een aantal recreatieterreinen. Een uitzondering hierop vormt het bedrijventerrein Lewedorp, een kleinschalig bedrijventerrein dat ten noorden van de kern Lewedorp in de gemeente Borsele ligt en aan meerdere zijden door het landelijk gebied wordt omsloten. Ook dit bedrijventerrein is in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen. De volgende plannen worden middels het nieuwe bestemmingsplan, al dan niet gedeeltelijk, herzien: Bestemmingsplan Buitengebied 2010 Bedrijventerrein Lewedorp Verdubbeling Sloeweg 2011
Datum vaststelling raad 17-03-2011 28-08-2008 07-07-2011 3
Speelboerderij ’t Klokuus Aansluiting A58 150 kV Ongereedweg Parapluherziening kamerverhuur
18-12-2014 26-11-2015 01-02-2018 17-09-2020
Wijzigingsplan Wijzigingsplan Westeweg 2 Wijzigingsplan Kokuitsweg 2 Wijzigingsplan Oude Rijksweg 87a Wijzigingsplan Westeweg 2 Wijzigingsplan Deesche watergang Wijzigingsplan Meerkoetweg 5 Wijzigingsplan Bokkeweg 6 Wijzigingsplan 's-Heer Hendrikskinderendijk 149
Datum vaststelling B&W 24-01-2012 12-06-2012 03-09-2012 06-05-2014 31-03-2015 03-02-2016 22-11-2016 30-08-2022
Het plangebied is weergegeven op de onderstaande luchtfoto.
Figuur 1. Plangebied
1.3 Opzet Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding (kaart). De regels en de verbeelding vormen tezamen het juridische bindende gedeelte van het plan. De toelichting van voorliggend bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 1 is de aanleiding van voorliggend bestemmingsplan uiteengezet. Hoofdstuk 2 gaat in op het ruimtelijk beleid dat van toepassing is. Hoofdstuk 3 beschrijft de bestaande situatie en hoofdstuk 4 gaat in op de visie op het plangebied. De sectorale aspecten worden behandeld in hoofdstuk 5 en in hoofdstuk 6 wordt de juridische vorm van het bestemmingsplan beschreven. Hoofdstuk 7 beschrijft de handhavingsmogelijkheden op basis van het bestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid is in hoofdstuk 8 aangeduid en tot slot wordt in hoofdstuk 9 de maatschappelijke toetsing en overleg behandeld.
4
HOOFDSTUK 2 Beleidskaders 2.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De Nationale Omgevingsvisie, de NOVI, is de langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland flink veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: <0000> dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; <0000> met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is.
Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; <0000> waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; <0000> met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; <0000> waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. <0000> dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; <0000> waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; <0000> dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen.
5
Voor het voorliggende bestemmingsplan is met name de prioriteit ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ van belang. Algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte) In deze AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Hierbij moet gedacht worden aan onderwerpen zoals rijksinfrastructuur, Mainport Rotterdam, de Waddenzee, defensie en het kustfundament. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen, al dan niet via een provinciale verordening. Deze belangen maken deel uit van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is op 31 december 2011 in werking getreden. Voor de in het Besluit genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit de AMvB voldoen. Conclusie De juridische regeling voor het buitengebied wordt met het voorliggende bestemmingsplan geactualiseerd. Er zijn in het plangebied geen ontwikkelingen die van belang zijn op rijksniveau. De NOVI en de AMvB Ruimte vormen geen belemmering voor het actualiseren van onderhavig bestemmingsplan.
2.2 Provinciaal beleid Zeeuwse Omgevingsvisie Op 12 november 2021 hebben gedeputeerde staten van Zeeland de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. In de Omgevingswet worden alle bestaande wetten die te maken hebben op de fysieke leefomgeving samengevoegd. In de Zeeuwse Omgevingsvisie legt de Provincie Zeeland al haar doelen en ambities voor de lange termijn vast. In de Omgevingsvisie worden verschillende onderwerpen benoemd. Denk daarbij aan wonen, landbouw en circulaire economie, maar bijvoorbeeld ook cultureel erfgoed, recreatie en leefbaarheid. Het uitgangspunt van de provincie voor de Omgevingsvisie is dat beleid en regels die hun waarde hebben bewezen, alleen worden gewijzigd als er betere alternatieven zijn. De Provinciale Omgevingsverordening 2018 is daarom hierbij als uitgangspunt genomen. Verder bestaat de visie uit twee delen: deel A en deel B. In Deel A staan de strategische doelen voor de periode tot 2050 onderverdeeld in vier centrale ambities verwoord. De uitdagingen en ambities voor Zeeland, alsmede de Zeeuwse kernkwaliteiten worden daarin beschreven en geven richting aan de beleidsdoelstellingen en acties voorde kortere termijn (tot 2030). In Deel B wordt het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven.
Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema’s (bouwstenen) uitgewerkt die samen met onze omgeving geselecteerd zijn. Bij deze thema’s is het beleid voor de komende 10 jaar weergegeven. Deel A De uitdagingen voor Zeeland bestaan voornamelijk uit de klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Deze ambities betreffen: 1. uitstekend wonen en werken in Zeeland; 2. balans in grote wateren en het landelijk gebied; 3. een duurzame en innovatieve economie; 4. een klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.
6
Deel B In deel B staat per thema aangegeven welke instrumenten worden ingezet om de doelen tot 2030 te bereiken. Gezien de grootte en de complexiteit van de uitdagingen, zijn de ambities echter alleen te halen als iedereen de keuze maakt die zoveel mogelijk bijdraagt aan deze ambities. Hiervoor zijn afwegingsfactoren beschreven en wordt een ‘beste keuze hulp’ gemaakt. De afwegingsfactoren sluiten aan op het NOVI van het Rijk en verwijzen onder meer naar de Zeeuwse kernkwaliteiten. Deze zijn vertaald naar vier afwegingsfactoren voor Zeeland: 1. Doe meer met minder grond; 2. Werk samen en deel kosten en baten; 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken. De Zeeuwse kernkwaliteiten betreffen: - genieten en opladen; - waarderen en beschermen van het landschap; - verbondenheid met de historie; - passende werkgelegenheid en ontwikkelingsmogelijkheden voor iedereen. In de visie zijn ambities en doelstellingen benoemd welke relevant zijn voor dit bestemmingsplan. De ambitie is om in 2050 te komen tot een innovatieve, circulaire economie, waarbij het bedrijfsleven werk op maat biedt en inspeelt op actuele ontwikkelingen. De infrastructuur is modern en betrouwbaar en biedt ruimte aan CO2-neutraal vervoer via verschillende modaliteiten.
De haven- en industriegebieden bieden plaats aan clusters van bedrijven en elders heeft een concentratie van bedrijventerreinen plaatsgevonden. Dit geeft bedrijven de ruimte om te ondernemen. Het doel is voor bedrijventerreinen te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik, een functionele en aantrekkelijke inrichting, waarbij duurzaamheid het uitgangspunt is. Provinciale Omgevingsverordening Zeeland 2018 De hoofddoelstellingen van het omgevingsplan zijn juridisch vormgegeven in de Provinciale Omgevingsverordening. Deze is vastgesteld op 21 september 2018. In het kader van de normerende rol van de provincie wordt de Omgevingsverordening ingezet op die onderwerpen waarvan de provincie eraan hecht dat doorwerking van het beleid van het Omgevingsplan juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in het Omgevingsplan is verwoord. De Omgevingsverordening voorziet ten opzichte van het Omgevingsplan dus niet in nieuw beleid. De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Wat elders geregeld is wordt niet nog eens geregeld in deze verordening om extra regeldruk te voorkomen.
Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar mogelijk zijn afwijkmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien van de mogelijkheid om rechtstreeks werkende bepalingen op te nemen. Artikel 4.1 lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van rechtstreeks werkende bepalingen waaraan bouwaanvragen getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn aangepast. Status van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening richt zich – net als het Omgevingsplan – op de fysieke leefomgeving in de Provincie Zeeland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem.
De Omgevingsverordening Zeeland 2018 heeft de status van: <0000> Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening;
7
<0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet milieubeheer; Waterverordening in de zin van artikel 2.4 van de Waterwet en artikel 2 Scheepvaartsverkeerwet; Wegenverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet 1994; Verordening Wet natuurbescherming Zeeland in de zin van de Wet natuurbescherming; Distelverordening in de zin van artikel 145 en 150 Provinciewet; Landschapsverordening in de zin van artikel 145 Provinciewet; Ontgrondingenverordening in de zin van artikel 5, lid 2 en artikel 7, lid 2 Ontgrondingenwet.
Opbouw van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening is onderverdeeld in de navolgende hoofdstukken: <0000> Hoofdstuk 1 Algemeen. In dit hoofdstuk staan enkele bepalingen die op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn; <0000> Hoofdstuk 2 Ruimte. In dit hoofdstuk is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.1. Hier wordt nog eens expliciet vermeld dat de ruimtelijke verordening geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten; <0000> Hoofdstuk 3 Milieu In dit hoofdstuk is de milieuverordening te vinden die zich richt tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan verplichtingen opgrond van de Wet milieubeheer. In dit hoofdstuk zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot gesloten stortplaatsen, onderwater flora en fauna, varend ontgassen, het voorkomen en beperking van geluidhinder, grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning en bodemsanering; <0000> Hoofdstuk 4 Water betreft de Waterverordening.
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die zich vooral richten tot het waterschap als functioneel bestuur en operationeel waterbeheerder van oppervlaktewateren in Zeeland die niet in beheer zijn bij het Rijk. Daaronder normen met betrekking tot het voorkomen en beperken van wateroverlast en regionale waterkeringen en regels die betrekking hebbenop het beheer van grondwater. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichtingen van de Waterwet; <0000> Hoofdstuk 5 Wegen en vaarwegen heeft betrekking op de aansluiting op en het gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op gebruikers van (vaar) wegen en aanwonenden; <0000> Hoofdstuk 6 Natuur geeft invulling van bevoegdheden die de provincie heeft op het gebied van natuurbescherming; <0000> Hoofdstuk 7 Distelbeheer richt zich vooral op gebruikers, eigenaren, of andere zakelijk gerechtigden van landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend; <0000> Hoofdstuk 8 Landschapsbescherming richt zich tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen en bevat verboden voor het plaatsen van borden, vlaggen en andere (reclame)uitingen om het Zeeuwse landschap te beschermen; <0000> Hoofdstuk 9 Ontgrondingen richt zich tot een ieder die de bodem gaat afgraven en verlagen en bevat vrijstellingsbepalingen en procedurele bepalingen; <0000> Overige hoofdstukken De overige hoofdstukken bevatten procedurele bepalingen en
inwerkingtredingsbepalingen. Hoofdstuk 10 gaat over toezicht en strafbepaling, in hoofdstuk 11 staan overgangs- en slotbepalingen. Nieuwe Omgevingsverordening Zeeland Provinciale Staten moeten op grond van de Omgevingswet één omgevingsverordening vaststellen, waarin alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. De invulling hiervan is de Omgevingsverordening Zeeland. Nadat het ontwerp vanaf 11 januari tot en met 21 februari 2022 zes weken ter inzage heeft gelegen, hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening op 7 oktober 2022 vaststeld. Inhoudelijk wijkt de nieuwe verordening nagenoeg niet af van de bestaande verordening uit 2018, die overigens blijft gelden tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Conclusie In hoofdstuk 3 en 4 zijn onderwerpen verwerkt die betrekking hebben op het provinciale beleid in relatie tot het plangebied. Er zijn geen specifieke punten te noemen die expliciet aandacht vragen of een belemmerende werking hebben voor de actualisatie van dit beheersmatige bestemmingsplan. 8
2.3 Regionaal en gemeentelijk beleid Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030 De Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030 is een gezamenlijk product van de gemeenten die het Veerse Meer omringen (Goes, Middelburg, Noord-Beveland, Veere), de provincie Zeeland, het waterschap Scheldestromen en Rijkswaterstaat Zee en Delta en is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met tal van maatschappelijke partners. De betrokken gemeenteraden en Provinciale Staten hebben de Gebiedsvisie inmiddels vastgesteld. De Gebiedsvisie Veerse Meer 2020 – 2030 kwam in meerdere fasen tot stand. In Fase 1 zijn algemene uitgangspunten geformuleerd, bestaande uit de onderscheidende omgevingskwaliteiten van het gebied, de algemene principes met betrekking tot de ontwikkeling en het beheer van die omgevingskwaliteiten en een globale duiding van aandachts- en beschermingsgebieden. Met het oog op de gewenste duidelijkheid omtrent bestaande plannen is een voorstel tot overgangsbeleid in de notitie opgenomen, dat recht doet aan de juridisch-planologische realiteit van actuele initiatieven. Met name dat laatste was voor alle initiatiefnemende overheden gezamenlijk aanleiding om vaart te houden in de totstandkoming van Fase 1 van deze visie: duidelijkheid voor alle belanghebbenden: ondernemers, omwonenden, maatschappelijke partners en overheden. Dit leidde tot de Besluitvormingsnotitie Fase 1.
Daarna doorliepen de partijen gezamenlijk Fase 2, waarin de aandachts- en beschermingsgebieden zijn begrensd, de algemene principes gebiedsgericht zijn verdiept middels de zogenaamde gebiedtypologieën en een gezamenlijk uitvoeringsprogramma is opgesteld. Het eindresultaat is de Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030. De visie voor het Veerse Meer-gebied vormt de komende jaren voor overheden en maatschappelijke partners de basis voor samenwerking. Deze is gericht op bescherming en kwaliteitsvolle ontwikkeling van een veilig, economisch aantrekkelijk en (ecologisch) gezond en (be)leefbaar gebied als onderdeel van de Zeeuwse Delta. Met dit toekomstperspectief en actieprogramma wordt toegewerkt naar een nieuw ijkmoment in 2030, rekening houdend met het gegeven dat maatschappelijke opgaven en bescherming van het gebied uiteraard een bredere tijdsspanne betrekken. De samenwerkingspartners onderschrijven deze Gebiedsvisie, vertalen deze waar van toepassing in beleid en eventuele regelgeving en geven uitvoering aan het actieprogramma en het overgangsbeleid. De Gebiedsvisie vormt een bouwsteen voor de Provinciale Omgevingsvisie en krijgt zijn vertaling in de gemeentelijke Omgevingsplannen. De visie gaat in op het water, de oevers, strandjes, havens, dorpen, dijken, dammen en het open agrarisch gebied.
Om bij toekomstige ontwikkelingen een goede balans te behouden in relatie tot omgevingskwaliteiten, leefbaarheid en economie, worden kaderstellende principes beschreven, die recht doen aan de - via participatie van belanghebbenden- geïdentificeerde zorgen en kansen. De gezamenlijke ambitie is om de komende 10 jaar te focussen op kwaliteitsbewaking van het gebied (bescherming, herstel, onderhoud, beleving), waarbij geen nieuwe permanente ontwikkelingen meer worden toegestaan tenzij deze voldoen aan de in deze Gebiedsvisie omschreven kaders in specifieke gebieden (i.e. aandachtsgebieden). Dit biedt ook de rust om eventuele plannen die nog recht van uitvoering hebben te laten landen in het gebied. De Gebiedsvisie gaat niet in op lopende projecten. Hiertoe is in de Besluitvormingsnotitie Fase 1 overgangsbeleid en een statuslijst vastgesteld. Deze is onlosmakelijk met deze Gebiedsvisie verbonden. Betrokken partijen vinden het belangrijk om in de periode richting 2030 te werken aan een nieuwe langetermijnvisie voor 2050.
De komende jaren wordt ingezet op een nieuwe balans tussen de verschillende functies in het gebied middels het tegengaan van verstening, onderzoek naar bescherming van de natuurwaarden en natuurherstel (vooral waterkwaliteitsverbeteringen), een verbeterde (verblijfs)recreatieve kwaliteit, het beschermen van zoetwatervoorraden rondom het Veerse Meer, een volhoudbare landbouw en betere verkeersontsluitingen. Vanaf 2027 kan op basis van tussentijdse ijkmomenten en uitkomsten van de onderzoeken en andere acties, toegewerkt worden naar een nieuwe toekomstvisie die recht doet aan integrale gebiedsgerichte oplossingen van (komende) maatschappelijke opgaven op de langere termijn. Woonvisie De Bevelanden 2019 - 2023 Op 29 augustus 2019 is de Woonvisie De Bevelanden 2019-2023 vastgesteld. De Regionale Woonvisie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. Wat deze visie concreet beoogt is inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het
9
gebied van het wonen. Aan de hand daarvan én de regionale afspraken uit de Agenda Wonen biedt de visie een helder kader voor politiek, dorpsraden, corporaties, zorgpartijen, marktpartijen en inwoners. Conclusies uit de woonvisie zijn onder anderen dat de Bevelanden de komende 10 tot 15 jaar te maken heeft met een gestage groei, zowel in inwoners als huishoudens. Na 2035 neemt de groei af en kan het gaan om krimp. Ook de leeftijdsopbouw van de regio verandert. Er is met name een sterke toename van het aantal 75+-ers en de groep alleenstaanden. Uitbreiding van de woningvoorraad blijft de komende jaren nodig om de groei tot 2035 op te vangen. Een grote opgave in zowel de bestaande voorraad als nieuwbouw is levensloopbestendigheid en duurzaamheid. Regionale Woningmarktafspraken De regio De Bevelanden heeft regionale woningmarktafspraken opgesteld en opgenomen in de 'Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020 - 2030' (mei 2020). In dit document zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: Algemeen <0000> Niet méér bouwen dan de behoefte; <0000> Uitsluitend producten die echt iets toevoegen; goede producten op goede plekken; <0000> Lokaal maatwerk, aansluiten bij DNA van de plek; <0000> Flexibiliteit in de plannen; <0000> Onderling bespreken en afstemmen aan de voorkant.
Ruimtelijk <0000> Hoge dichtheid in de kernen, lage in het landschap; <0000> In principe binnen de kernen, bij voorzieningen; <0000> Inbreiden voor uitbreiden; <0000> Vooral focus op kleine huishoudens in stad en dragende kernen; <0000> Inzetten op “mooie woondorpen”. Programmatisch <0000> Duurzaam, extra energiebesparende maatregelen; <0000> Levensloop- en toekomstbestendig; <0000> Aandacht voor groen en water; <0000> Omvang voorraad sociale huurwoningen gelijk; <0000> Extra middenhuurwoningen; <0000> Meer hoogwaardige grondgebonden nultreden en semipermanente woningen. Vanuit het afsprakenkader wordt ingezet op: 1. Realistische woningbouwproductie met ambitie. Binnen het programma wordt ruimte gecreëerd om in te kunnen spelen op de behoefte uit de markt. 2. De juiste kwaliteit, Product Markt Combinaties en woonmilieus. Er wordt gestreefd naar een optimale match tussen vraag en aanbod. Regionale afspraken huisvesting arbeidsmigranten De Bevelanden De afgelopen jaren speelden arbeidsmigranten al een prominente rol bij het invullen van vacante arbeidsplaatsen in Zeeland, maar ook in de regio De Bevelanden. Door economische groei en uiteenlopende trends en ontwikkelingen stijgt de vraag naar arbeidsmigranten de komende jaren naar verwachting verder.
Het succesvol aantrekken van arbeidsmigranten begint bij voldoende, geschikte huisvesting, zowel kwantitatief, maar zeker ook kwalitatief. Samen met ruimtelijk-economisch adviesbureau Stec Groep is de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan arbeidsmigranten in de vijf Bevelandse gemeenten onderzocht. In het onderzoek is de prognose gemaakt op basis van het huidige aantal arbeidsmigranten op de Bevelanden, demografische en economische indicatoren. Momenteel wonen en werken er circa 2.350 arbeidsmigranten op de Bevelanden. Dit aantal groeit naar verwachting met 1.000 migranten in de komende 10 jaar. Op basis van de behoefte aan arbeidsmigrantenhuisvesting is in mei 2020 regionaal beleid opgesteld hoe te voorzien in de verwachte behoefte. Dit is in het belang van het bedrijfsleven, regiogemeenten en de arbeidsmigranten. Eenduidig regionaal beleid leidt ertoe dat er een duidelijk en gelijkluidend kader wordt meegegeven aan initiatiefnemers voor de huisvesting van arbeidsmigranten en hiermee ‘shopgedrag’ tussen de Bevelandse gemeenten kan worden tegengegaan. Daarbij is een 10
verdeelsleutel tot stand gekomen die inhoudt dat de gemeente Goes 30 procent van het totale aantal te huisvesten arbeidsmigranten op de Bevelanden voor haar rekening neemt. In samenspraak zijn drie huisvestingscategorieën vastgesteld waarvoor kwalitatieve uitgangspunten op een rij zijn gezet. Het gaat om: <0000> Huisvesting in reguliere woningen (bestaande woningvoorraad). <0000> Huisvesting op agrarische erven. Hieronder wordt huisvesting door agrarische bedrijven op eigen terrein verstaan. Het gaat om agrarische bedrijven met een planologische bestemming ‘Agrarisch’. <0000> Huisvesting in specifiek daarvoor bedoelde huisvestingsvoorziening. Dit zijn bijvoorbeeld semipermanente nieuwbouwvoorzieningen of getransformeerd bestaand vastgoed met als specifiek doel het huisvesten van arbeidsmigranten. Structuurvisie #Goes 2040 In de structuurvisie wordt gesteld dat Goes in 2040 een florerende centrumgemeente is met een breed aanbod aan voorzieningen en werkgelegenheid voor de inwoners van de Bevelanden. Op een aantal terreinen wordt beoogd met de verzorgende functie een veel groter gebied te bereiken dan de Bevelanden. Het gaat hierbij om de zakelijke dienstverlening, specifieke vormen van onderwijs, de gezondheidszorg in vele gedaanten en aan vrije tijdsvoorzieningen.
Er is opgenomen dat Goes een aantrekkelijke gemeente dient te zijn voor toeristen door de voorzieningen aan het water en haar veelzijdige historische centrum. Gemeente Goes wil daarom blijven investeren in de toekomst van de stad, door te vernieuwen, te verbeteren en te groeien. Opgenomen is dat Goes de ambitie heeft verder te groeien in haar rol als (boven)regionale centrumgemeente. Veel van de projecten die in die in de structuurvisie worden benoemd zijn daarop gericht. De ambitie is om al die projecten te realiseren en de blik open te houden voor nieuwe kansen. Economisch knooppunt In de structuurvisie is opgenomen dat Goes een uitstekende locatie is voor de verdere bundeling van werkgelegenheid en voorzieningen in Midden-Zeeland. De centrale ligging en de reeds aanwezige voorzieningen en werkgelegenheid vormen daarvoor de basis. In de structuurvisie is gesteld dat een goede bereikbaarheid en voldoende parkeervoorzieningen bij de binnenstad van groot belang zijn waarbij de nieuwe aansluiting A58 een belangrijke rol speelt. Groei en ontwikkeling Om een vitale centrumgemeente te blijven wordt aangegeven dat Goes inspeelt op nieuwe ontwikkelingen en er voor zorgt nieuwe ontwikkelingen te kunnen huisvesten. Daarbij zal het steeds minder gaan om grotere stadsuitbreidingen en steeds vaker om transformatie en herstructurering van bestaand stedelijk gebied.
Dit zijn vaak lastige opgaven maar vernieuwing van bestaand stedelijk gebied is noodzakelijk om de stad op lange termijn gezond te houden. Grote opgaven die genoemd zijn binnen het bestaand stedelijk gebied zijn de Goese Schans en de stationomgeving. Voor woningbouw is opgenomen dat de op dit moment al daartoe geoormerkte locaties waarschijnlijk voldoende ruimte bieden. Wel is er uitbreidingsruimte nodig voor werken, zorg en vrije tijd. Als nieuwe locatie voor een bedrijventerrein wordt beoogd in te zetten op de Zuidwestrand (Bedrijventerrein Deltaweg). De Zuidoostrand nabij het ziekenhuis wordt gezien als locatie voor nieuwe zorgfuncties. De Noordwest en Noordoost randen en het gebied bij het Poelbos worden geschikt bevonden voor stadsrecreatie, groen en vrijetijdsfuncties. Voor toeristen wordt beoogd de recreatieve potentie van de randen aan het Veerse Meer en de Oosterschelde verder uit te bouwen. Van kwantiteit naar kwaliteit In de structuurvisie wordt gesteld dat de nadruk steeds meer zal komen te liggen op het sturen op kwaliteit en inhoud bij ruimtelijke processen. Waar voorheen de nadruk lag op het creëren van ruimte voor een nieuw programma en de kwaliteitseisen daarop volgden zal in de toekomst een juiste ruimtelijke inpassing en een programma dat voldoet aan de (huidige) vraag nog sterker een vestigingsvoorwaarde zijn.
Burgers, bedrijven en dienstverleners zijn op zoek naar een omgeving met zoveel mogelijk aantrekkelijke functies en factoren zoals goede bereikbaarheid, goed onderwijs, winkelaanbod, arbeidspotentieel, recreatiemogelijkheden en cultuuraanbod. De bestaande functies en voorzieningen vormen het fundament voor de toekomst en op basis daarvan ziet Goes die toekomst met vertrouwen tegemoet. Opgenomen is dat het levendige en aantrekkelijke historische 11
centrum een van de kwaliteiten is die Goes koestert. Sport, welzijn en cultuur proberen zo goed mogelijk in te spelen op de verwachte (demografische) ontwikkelingen en de kwaliteit van de voorzieningen zo hoog mogelijk te houden. Bijvoorbeeld door slimme combinaties van functies en met multifunctionele gebouwen. Binnen woonservicegebieden die de hele gemeente bestrijken en ieder een eigen serviceniveau kennen, wordt een samenhangend pakket aan diensten en voorzieningen geboden. In de structuurvisie wordt belang gehecht aan energie-efficiënte en duurzame energie-opwekking bij zowel nieuwe ontwikkelingen, als ook bij vernieuwing van het bestaand stedelijk gebied. Dorpen en buitengebied Er is in de structuurvisie opgenomen dat in de dorpen rond Goes wonen voorop staat, bestaande voorzieningen worden gekoesterd maar op termijn niet allemaal in de huidige vorm in stand kunnen worden gehouden. Gesteld wordt dat het zoeken naar slimme combinaties en alternatieven steeds meer nodig zal zijn. Aanpak van zwakke plekken zoals vervallen panden is nodig om de woonomgeving gezond te houden. In het buitengebied blijft de nadruk liggen op akkerbouw maar er ontstaan steeds meer koppelingen met recreatie en landschapsontwikkeling. Nieuwe ontwikkelingen worden zodanig ingepast dat ze de onderscheidende kenmerken van de verschillende landschapstypen versterken.
Gesteld is dat de herkenbaarheid van het Schengegebied als landschappelijke eenheid wordt vergroot. Goes: Groenstructuurplan 2014- 2024 In het Groenstructuurplan wordt de gemeentelijke visie op het openbaar groen beschreven. Er wordt gestreefd naar robuust en duurzaam groen, waarmee de hoofdgroenstructuren behouden blijven en versterkt worden. De juiste boom op de juiste plek is van belang, zodat deze kunnen uitgroeien tot volwassen exemplaren. Hiermee wordt gestreefd naar het waarborgen en verhogen van de kwaliteit van de groene leefomgeving. Welstandsnota Het welstandsbeleid van de gemeente Goes is verwoord in de "Welstandsnota Goes". Het belangrijkste doel van het welstandsbeleid is het vormen van een toetsingskader voor welstand, waarmee de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten behouden en versterkt kunnen worden. Hiervoor is een aantal beoordelingskaders opgesteld, waaronder enkele van gebiedsgerichte aard. Deze dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsomschrijving van het desbetreffende deelgebied waarop de bouwaanvraag van toepassing is te worden gehanteerd. Het plangebied valt (hoofdzakelijk) onder het gebiedstype Buitengebied.
Nota’s Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaarten Voor de gemeente Goes zijn meerdere Nota’s Bodembeheer en bijbehorende Bodemkwaliteitskaarten en Bodemfunctieklassenkaarten vastgesteld, die in de periode 2019 t/m 2022 zijn geactualiseerd en opnieuw zijn vastgesteld of erkend. De nota’s en bodemkwaliteitskaarten (Bkk) hebben betrekking op zowel de landbodem, wegbermen als waterbodems. In de nota’s is beschreven hoe binnen de gemeente Goes omgegaan dient te worden met grondverzet. Gezamenlijk bepalen nota’s, bodemkwaliteits- en bodemfunctiekaarten aan welke eisen grond moet voldoen wanneer deze wordt toegepast, wat de gemiddelde kwaliteit is van de grond wanneer deze wordt ontgraven en welke doelstelling gebruikt moet worden wanneer een bodemsanering nodig blijkt te zijn. Op basis van de bodemkwaliteitskaarten kan de gemiddelde bodemkwaliteit van een gebied worden aangegeven. De bkk’s en de nota’s zijn gebaseerd op het Besluit Bodemkwaliteit, waarmee het onder voorwaarden mogelijk is om licht verontreinigende grond buiten werken als bodem te hergebruiken. In de nota’s en de bijbehorende bkk’s zijn zowel het generiek als gebiedsspecifiek beleidskader uitgewerkt. Daarbij wordt getoetst aan zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse, waarbij de strengste (schoonste) klasse bepalend is.
Binnen het generiek beleid gelden landelijk geldende regels/normen voor het toepassen van grond en bagger. Binnen het gebiedsspecifiek beleid kunnen afwijkende lokale beleidskeuzes worden gemaakt die afwijken van het generiek kader, waaronder het vaststellen van Lokale Maximale Waarden (LMW). Dit zijn gebiedsspecifieke toepassingsnormen die afgeleid zijn van de plaatselijk voorkomende concentraties en daarmee afwijken van het generieke kader. De verhoogde LMW gelden alleen voor grond en bagger uit het eigen bodembeheersgebied. Daarbij is het mogelijk licht verontreinigde grond die vrij is gekomen in een licht verontreinigde zone elders in 12
diezelfde of een andere zone met een vergelijkbare of mindere kwaliteit toe te passen, mits sprake is van Standstill op gebiedsniveau. De belangrijkste randvoorwaarde hierbij is dat de hergebruikte grond van gelijke of betere kwaliteit dient te zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarbij is ook een toetsing van onder andere milieuhygiënische risico’s nodig. In een Nota Bodembeheer staat voor de verschillende bodemkwaliteitszones aangegeven welke bewijsmiddelen (bijvoorbeeld partijkeuringen of toetsing aan de Bkk) noodzakelijk zijn bij hergebruik in diezelfde of andere zones. Op basis van de aangetroffen concentraties zijn 3 kwaliteitszones opgenomen, te weten Achtergrondwaarde, Wonen en Industrie. Daarnaast is, in verband met de aanwezigheid van bepaalde slecht afbreekbare bestrijdingsmiddelen, onderscheid gemaakt tussen de gebieden met boomgaarden die respectievelijk voor en na 1980 aanwezig waren/zijn. Daarvoor zijn ook LMW-waarden vastgesteld. Voor de voor dit bestemmingsplan geldende gebiedsindelingen en de nadere uitwerking van toetsingskaders en de bijbehorende toelichting wordt verwezen naar § 5.2. Bodem. Gemeentelijk Verkeers en Vervoersplan (GVVP) In het GVVP wordt ingegaan op het verbeteren van bestaande verkeersknelpunten en wordt ingespeeld op de verkeerseffecten van toekomstige ruimtlijke ontwikkelingen.
Er is tevens een beoordelingskader opgenomen om beleidsmatig de vinger aan de pols te houden. Beleid en toekomstige verkeerskwesties in Goes worden aan dit kader getoetst. In het GVVP is gekozen voor een integrale benadering van alle mobiliteitsdeelnemers op basis van een geografische indeling, waardoor de visie overzichtelijk aanschouwelijk is gemaakt. Het GVVP is vastgesteld op 25 augustus 2005. Daarna is dit plan geactualiseerd d.m.v. de GVVP Tussenevaluatie 2008 en de GVVP Actualisatie 2013 (vastgesteld februari 2014). Een aantal zaken is verder verdiept in de volgende beleidsnota's: <0000> parkeerbeleid: Parkeerbeleidsplan 2009; <0000> verkeersveiligheidsbeleid: Op weg naar nul 2011; <0000> fietsbeleid: Goes Fiets Verder 2012. Conclusie Omdat onderhavig bestemmingsplan geen wezenlijke ontwikkelingen mogelijk maakt en het genoemde beleid aansluit bij de bestaande situatie, is er geen sprake van strijdigheid met het gemeentelijk beleid.
2.4 Conclusie Het rijksbeleid (de NOVI en AmvB Ruimte) streeft hoofdzakelijk naar een goede milieukwaliteit en een gezonde en veilige leefomgeving voor bewoners en werknemers. Gezien de conserverende aard van onderhavig bestemmingsplan levert dit geen strijdigheden op ten aanzien van dit streven. Dat geldt ook voor de toetsing aan het provinciale ruimtelijke beleid en het gemeentelijk beleid. Getracht wordt de bestaande identiteit en het karakter van het plangebied te behouden. De kernbegrippen zijn kwaliteit, kwaliteitsverbetering en kwaliteitsbescherming, waarbij duurzaamheid en een sterke economie nagestreefd wordt.
13
HOOFDSTUK 3 Inventarisatie en analyse 3.1 Historie Ontstaan en ontwikkeling Het Zeeuwse landschap is jong. De huidige vlakke en waterrijke verschijningsvorm is voornamelijk in het Holoceen (de laatste 10.000 jaar) ontstaan door het samenspel van een, aan het einde van de laatste ijstijd, stijgende zeespiegel en de uitmondende Maas en Schelde. Geleidelijk veranderde het tot dan aanwezige kustmoeras in een estuarium waarin het zoute zeewater en zoete rivierwater elkaar (ge)tijdelijk afwisselden. De oudste sporen van occupatie op Zuid-Beveland zijn Romeins en inheems aardewerk uit de 2de en 3de eeuw. Het duurde tot ongeveer 800 à 900 na Chr. voordat de bewoning van Zuid-Beveland een permanent karakter kreeg. Vooral de hoger gelegen kreekruggen waren geschikt voor bewoning en voor akkerbouw, de lagere poelgronden dienden als weideland. Kloetinge en Goes ontstonden in de 10de eeuw op het hoger gelegen oudland, op een kreekrug. Het zijn daarmee de oudste kernen binnen de huidige gemeentegrenzen, samen met Oud-Sabbinge dat omstreeks dezelfde tijd op het eiland Wolphaartsdijk ontstond. Een eeuw later ontstond Kattendijke, terwijl de nederzettingen ’s-Heer Arendskerke en ’s-Heer Hendrikskinderen in de 12de eeuw werden gesticht. Bedijkingen in het oudland hadden al grotendeels plaatsgehad vóór de 12de eeuw.
Inpolderingen rond het eiland Wolphaartsdijk en grote delen ten westen van Goes hebben voornamelijk plaatsgehad rond de 16de eeuw, een periode van economische bloei voor Goes als haven-/handelsstad in een voornamelijk agrarische streek. In het begin van de 19de eeuw werd ten noorden van Goes een uitgestrekt schorrengebied ingepolderd door Rotterdamse geldschieters. Met een oppervlak van 1.800 hectare was de zo ontstane Wilhelminapolder eigendom van het destijds grootste particuliere landbouwbedrijf van Nederland: de Koninklijke Maatschap Wilhelminapolder. In dezelfde periode (1809) kwam het eiland Wolphaartsdijk door inpolderingen in vaste verbinding met Zuid-Beveland. Met de komst van de spoorverbinding in 1868 werd Goes steeds meer een distributiecentrum. De industrialisatie in de 19de eeuw gaat echter grotendeels aan haar voorbij. Ondanks de aanleg van de rijksweg A58 in de jaren zestig langs Goes, duurde het tot de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw voordat industrie zich, naast handel en dienstverlening, ontwikkelde tot een voorname pijler van de Goese economie. Cultuurhistorische elementen en bebouwing In het plangebied komen veel cultuurhistorische elementen voor. Deze zijn onderverdeeld in de nog herkenbare cultuurhistorisch waardevolle elementen enerzijds en archeologische elementen anderzijds.
Daarnaast moet met name het oudland aangemerkt worden als een gebied van hoge archeologische verwachtingswaarde, waarin zich nog vele nu nog niet bekende archeologisch waardevolle terreinen kunnen bevinden. De cultuurhistorisch waardevolle elementen die nog duidelijk herkenbaar zijn in het buitengebied van Goes, zijn veelal als monument aangewezen. Binnen het plangebied zijn in totaal negentien Rijksmonumenten gelegen. Het gaat om vier archeologische monumenten en vijftien gebouwde monumenten. Onderstaande terreinen van zeer hoge archeologische waarde genieten volgens de Monumentenwet een beschermde status: 1. Monumentnummer 45561: terrein met resten van een huisterp uit de Vroege Middeleeuwen en een motte of vliedberg, genaamd (St. Maarten de Groe) uit de Late Middeleeuwen. Het geheel wordt gedateerd tussen de 10de en de 13de eeuw en is gelegen tussen de ‘s-Gravenpolderseweg en de Halfweg. 2. Monumentnummer 45128: het terrein, genaamd de Monnikenhof, herbergt een voormalige uit-hof van het Cisterciënzerklooster van Krabbendijke. Het werd gesticht in 1214 en gesloopt in 1629. 3. Monumentnummer 45129: terrein met de resten van een motte/vliedberg uit de Vroege/Late Middeleeuwen. De omgrachting van de berg is nog grotendeels aanwezig. Mogelijk betreft het een tweeperiodenberg, waarvan de tweede fase een ophoging uit de 12de-13de eeuw is.
Deze tweede fase houdt mogelijk verband met het nabijgelegen slot Ravesteijn. Enkel de uiterst noordoostelijke rand van dit terrein valt binnen het huidige plangebied. 4. Monumentnummer 529215: Terrein met de resten van een motte met voorburcht te ’s Heer Arendskerke. Deze motteheuvel werd pas in de 20ste eeuw afgegraven. Momenteel zijn de restanten nog als lichte verhogingen in het landschap zichtbaar. In 2004 werd door de toenmalige 14
Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij werd vastgesteld de resten van de motte met bijbehorende omgrachting en voorburcht goed bewaard zijn gebleven. Daarbij werden zelfs palen van de oorspronkelijke brug aangetroffen die middels dendrochronologisch onderzoek een kapdatum van 1150 AD op-leverden. Enkel de uiterst zuidelijke rand van het terrein valt binnen het huidige plangebied. Verder bevinden zich de volgende gebouwde Rijksmonumenten binnen het plangebied: 5. Monumentnummer 16452: Van Strienweg 4 4471 RH te Wolphaartsdijk 6. Monumentnummer 507854: Sluis de Piet 1 4471 RE te Wolphaartsdijk 7. Monumentnummer 507855: Sluis de Piet 1 4471 RE te Wolphaartsdijk 8. Monumentnummer 507866: Oude Kraaijertsedijk 4 4458 NC te 's-Heer Arendskerke 9. Monumentnummer 507892: Coupure in de dijkte 's-Heer Arendskerke 10. Monumentnummer 16406: Oude Rijksweg 54 4472 AH te 's-Heer Hendrikskindere 11. Monumentnummer 507901: Zeedijkverhogingssysteem (muraltmuurtjes te Wolphaartsdijk 12. Monumentnummer 507849: Stelleweg 2 4481 NA te Kloetinge 13. Monumentnummer 522162: Tervatenseweg 42 4481 PB te Kloetinge 14. Monumentnummer 16422: Kapelseweg 13 4481 PC te Kloetinge 15. Monumentnummer 16423: Kapelseweg 15 4481 PC te Kloetinge 16. Monumentnummer 16424: Kapelseweg 17 4481 PC te Kloetinge 17.
Monumentnummer 507840: Kapelseweg 61 4481 PD te Kloetinge 18. Monumentnummer 507841: Bij Kapelseweg 61 4481 PD te Kloetinge 19. Monumentnummer 16410: Abbekindersezandweg 4 4462 RB te Goes Ook is er sprake van twee gemeentelijke monumenten. Het gaat om een landbouwschuur op het adres Nazareth 61A, 4471PM Wolphaartsdijk en de sluis Goese Sas, gelegen aan Het Sas ongenummerd te Wilhelminadorp. De houten aanlegsteiger van het voormalige veer aan het Wolphaartsdijkseveer te Wolphaartsdijk is geheel vernieuwd en afgevoerd van de gemeentelijke monumentenlijst. Rijksmonumenten zijn van rijkswege reeds beschermd. De bescherming van de gemeentelijke monumenten is geregeld in de gemeentelijke Erfgoedverordening. Zodoende zijn de monumenten voldoende beschermd en hoeft geen nadere bescherming in het bestemmingsplan plaats te vinden. Aan de Bouwensputseweg, het Leuterwegje en de Welleweg is in het bestemmingsplan een cultuurhistorische waarde toegekend omdat deze wegen in de loop van een oude kreek liggen. De weg ligt op sommige plaatsen ook lager dan de omliggende gronden. Molens In of nabij het plangebied bevinden zich drie molens, te weten in Kloetinge, ’s-Heer Arendskerke en Wolphaartsdijk.
In het bestemmingsplan is met het oog op het beschermen van de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molens een vrijwaringszone molenbiotoop opgenomen, waarbinnen beperkingen gelden voor op te richten bebouwing. De molen van Kloetinge bevindt zich aan de Kapelseweg 11. Hij heeft geen officiële naam, maar wordt in de volksmond de molen van Herdink genoemd, naar de oorspronkelijke eigenaar. Het is een korenmolen uit 1704 van het type stellingmolen (rond, steen). Er wordt tegenwoordig nog graan gemalen op vrijwillige basis. De molen is gelegen op 500 meter ten zuidoosten van de kern, op een molenberg van 3½ meter hoog, tussen vruchtbomen en knotwilgen en is goed zichtbaar vanaf de A58. Oorspronkelijk was er aan de westzijde een woonhuis aangebouwd. Dit is in 1965 gesloopt. Op korte afstand is een nieuw woonhuis gebouwd. De molen is tegenwoordig ondergebracht in de Stichting tot behoud van de molen te Kloetinge en verkeert in een goede staat van onderhoud. Molen Nooit Gedacht in ’s-Heer Arendskerke staat in het buurtschap Eindewege, aan de Arendstraat 53. Hij dateert uit 1872, het betreft een korenmolen (rond, steen). De molen is maalvaardig, maar is nu buiten bedrijf. De landschappelijke waarde van de molen wordt als groot aangemerkt, hij is van grote afstand zichtbaar.
In 1988 is een forse restauratie aan de molen uitgevoerd, in 1996 is vervolgens de aanbouw bij de inrijpoort verwijderd en in originele staat hersteld met een toegangsdeur met boograam erboven.
15
Molen De Hoop in Wolphaartsdijk ligt aan de Molendijk 26. Het is een korenmolen die oorspronkelijk dateert uit 1808 van het type stellingmolen (rond, steen). Toen was het nog een grondzeiler, in 1894 is de molen met 10,5m verhoogd tot stellingmolen. In 1993 zijn door een brand de kap en bovenas verloren gegaan, in 1995 is de complete kap vervangen. Ook is de romp toen met 70 cm verhoogd. Door alle verbouwingen die er in zijn bestaan zijn uitgevoerd, wordt de molen qua uiterlijk als één van de meest bizarre in Nederland bwschouwd. De landschappelijke waarde van de molen wordt als groot aangemerkt, hij is van grote afstand zichtbaar. De molen is maalvaardig, er wordt nog steeds bedrijfsmatig graan mee gemalen.
3.2 Landschap Karakteristieken en beschrijving landschapskenmerken De laatste 50-60 jaar is het landschap op grote schaal veranderd. Cultuurhistorische en gebiedseigen karakteristieke kenmerken zijn deels verdwenen en incidenteel nog herkenbaar. Goes heeft met haar Landschapsontwikkelingsplan (LOP) een beleid opgesteld om de bedoelde vervlakking en verrommeling van het landschap tegen te gaan. Binnen de gemeente Goes zijn verschillende landschapstypen te onderscheiden. In het LOP wordt beschreven wat de kenmerken zijn van deze landschappen. Deze landschapstypen die vormen de basis voor het ruimtelijk wensbeeld in de (verre) toekomst. In het LOP worden mogelijkheden aangegeven om deze landschapstypen te versterken. Daarbij dient voor ruimtelijke ontwikkelingen gezocht te worden naar de meest geschikte plaats. Hierdoor kan er een meerwaarde gevonden worden in de combinatie van het versterken van de verschillende aanwezige landschapstypen met het zoeken naar de meeste geschikte plaats voor het juiste programma. De Kreekruggen Achter de oude zeedijk begint het oudland. Op het oude land liggen de nederzettingen en van oudsher de hogere gronden, de kreekruggen. De drogere, meer zandige gronden zijn zeer geschikt voor de fruitteelt. Het is een kleinschalig, besloten landschap met van oudsher bewoning. Routes volgen de kreekruggen en verbinden de dorpskernen.
De kreekruggen liggen tegenwoordig hoger dan de poelen. Door een lange periode van inklinking en door het afgraven van veen onder het pakket zeeklei zijn de poelgronden (de oude schorkommen) in het oudland gezakt. De oude kreken zijn herkenbaar door de verhoogde ligging als gevolg van zandafzettingen door het water dat er in vroegere tijden doorheen stroomde. Er is een inversie opgetreden, de zandige kreken liggen nu hoger dan de kleiige poelgronden erom heen. Vanuit landschappelijk oogpunt is het onwenselijk dat Goes en/of de dorpskernen met elkaar verbonden worden. Dit is met Goes en Kloetinge gebeurd. Kloetinge heeft daardoor veel van haar oude identiteit verloren. Hierdoor zijn de oude structuren verdwenen. Om de kwaliteit van het wonen in kleine dorpjes op de kreekruggen te behouden, kan gestreefd worden naar het behouden en versterken van groene, parkachtige buffers tussen de dorpen. De Oude Zeedijk, die het oudland van het nieuwland scheidt, vormt ook de grens tussen respectievelijk het besloten landschap van de kreekruggen en het open landschap van de jonge aanwaspolders en de Schenge met daarachter het eiland Wolphaartsdijk en de Wilhelminapolder. Dit contrast kan verder versterkt worden door een verdere groene verdichting van het kreekruggenlandschap.
Het creëren van groene, verdichte buffers tussen de dorpen en langs de Oude Zeedijk biedt goede kansen voor de ontwikkeling van extensieve woningbouw in een aantrekkelijke groene omgeving. De groene inrichting refereert aan de oude karakteristieke boomgaarden op de kreekruggen. Op deze wijze kan eventueel benodigde groei worden opgevangen en blijven de kleine kernen afzonderlijke dorpjes in een groene omgeving.
16
Figuur 2. De aanwezige landschapstypen rond Goes Het Poelenlandschap Het landschap van de poelen ligt op het oudland. Het is laag gelegen en heeft natte gronden. De nattere poelen kennen minder bebouwing. Het is van oorsprong een open landschap. De poelen rondom Goes zijn in de loop van de tijd steeds verder ontkalkt door uitspoeling met regenwater. Deze kalkarme bodems zijn minder aantrekkelijk voor de landbouw dan de kalkrijkere gronden in het nieuwland. Dat is de reden dat het landgebruik vooral bestaat uit weidebouw. Het is een weidelandschap. De oppervlakte van het Poelenlandschap is binnen de gemeentegrenzen van Goes vrij beperkt. Ten zuiden van de snelweg is het grootste gedeelte van dit landschapstype nog volop aanwezig. In de gemeente Goes is het poelenlandschap voor het grootste deel bebouwd met bedrijventerrein. Het Poelbos behoort tot het Natuur netwerk Zeeland (NNZ), het heeft geen kenmerken meer van het “open” Poelenlandschap. Tijdens de ruilverkaveling van 1967 is het bos ontwikkeld door landschapsarchitect Nico de Jonge, ontwerper voor het landschap van de ruilverkaveling. Hij heeft getracht met de ontwikkeling van het Poelbos een plezierig recreatiegebied te creëren. Het bos ligt op korte afstand van Goes, maar het mist programma. Er is weinig te beleven en de sociale veiligheid kan beter.
Landschappelijk gezien is een uitbreiding van het Poelbos, in combinatie met het Bedrijvenpark Deltaweg, wenselijk, zodat er een duidelijke en aantrekkelijke entree van de stad Goes ontstaat. Een verruiming van het programma in een aantrekkelijke landschappelijke omgeving, waardoor er een bos ontstaat waar meer te beleven valt. Het eiland Wolphaartsdijk Het landschap van het oude eiland Wolphaartsdijk is door de mens gemaakt. Rond de 14de eeuw werd de Oud-Sabbinge polder ingepolderd. De zee werd nieuwland. De rijke zeeklei werd geschikt gemaakt voor akkerbouw. Er volgden meer inpolderingen die samen het eiland Wolphaartsdijk vormden. De steeds verschuivende grens tussen land en water en de karakteristieke ruimtelijke structuur die de inpolderingsgeschiedenis van het voormalige eiland inzichtelijk maakt. Steeds werd het eiland uitgebreid met een nieuw stukje polder, dat als schil tegen de voorgaande polder is 17
gelegen. De dijkenstructuur kan ruimtelijk worden verduidelijkt door het beplanten van deze dijken met bomen. Daarnaast is het een open landschap met openheid tussen de groene binnendijken. Het agrarisch grondgebruik heeft de polders grotendeels open gehouden. Hierdoor blijft het karakteristieke zicht op de bakens, zoals de molen en de kerk van Wolphaartsdijk bewaard. De Jonge aanwaspolders Tussen het oudland rondom Goes en het eiland Walcheren heeft de mens na 1200 steeds meer land op de zee gewonnen. De jongste ontginningen (hoofdzakelijk uit de 17de eeuw) liggen het verst naar het westen en bestaan steeds uit noord-zuid lopende aanwaspolders. Van dit nieuwland ligt slechts een klein deel binnen de gemeentegrenzen van Goes. Lange ruimtes omgeven door hoge dijken met doorsneden door snelweg en spoorlijn. Hierdoor is het gebied niet overal goed toegankelijk. De openheid van deze polders is soms verloren gegaan door bedrijven die hier geplaatst zijn. Het is wenselijk om deze verrommeling tegen te gaan en de openheid in het landschap terug te brengen. Ook hier zou de inpolderingsgeschiedenis meer zichtbaar gemaakt kunnen worden door de dijken te beplanten. Continuering van het landbouwkundig gebruik van de gronden kan de openheid waarborgen. De Wilhelminapolder De Wilhelminapolder is een agrarisch landschap met een strakke verkaveling. Het is een economisch landschap.
Een grootschalig landschap dat in één keer in het begin van de 19de eeuw is ingepolderd. Een uitgestrekte weidsheid met bakens in de verte: kerktorens, molens en de televisietoren van Goes. Een enorme openheid met vergezichten. Maar ook is er geborgenheid, de besloten plekken zoals de Roodewijk en Blauwewijk. Door de beslotenheid van deze gehuchtjes midden in de polder wordt juist die enorme weidsheid benadrukt. Van het westelijk deel van de Wilhelminapolder wordt openheid van dit landschap in combinatie met het goed functioneren gezien als kwaliteit, die behouden dient te blijven. Deze openheid is ten oosten van het Havenkanaal (in de Oost-Bevelandpolder) grotendeels verdwenen. Hierdoor is deze polder kleinschaliger. Hier hebben nieuwe (gebiedsvreemde) functies hun intrede gedaan zoals de woonwijk Goese meer, de golfbaan en aquacultuur). Hierdoor zou de Oost-Bevelandpolder geschikt kunnen zijn voor nog meer nieuwe, vooral watergebonden functies. Het Schengegebied Het landschap van de Schenge is een natuurlandschap, een ecologisch landschap. De Schenge is de oude waterweg die Goes vroeger tot een belangrijke havenplaats maakte. Nu is het slechts nog een kreek met brak water. Het is een corridor voor planten en dieren, rietlanden, wilgenstruwelen en andere vegetaties die floreren onder zilte omstandigheden. In de loop van de 19de eeuw is dit gebied ingepolderd.
De oude structuur is nog matig herkenbaar. Wat nog rest van het oude zeegat is een smalle kreek, verlaagd in het landschap, op sommige plaatsen volledig verdwenen door verlanding, in gebruik als landbouwgrond. Het gebied is nu opgedeeld in de Wester-schenge en de Ooster-schenge. Het is wenselijk om deze beide delen weer met elkaar te verbinden en hier weer een landschappelijke eenheid van te maken. Hierdoor ontstaat er weer een zone die het oudland van het nieuwland scheidt. Zo wordt Wolphaartsdijk weer een eiland, omringd door water en natuur. Het is niet persé noodzakelijk dat de openwatersystemen van beide Schenges met elkaar verbonden worden (zoet- en zoutwatersystemen blijven gescheiden). Het realiseren van een natte ecologische verbindingszone, “een groen-blauwe” ontwikkeling, kan voor een eenheid zorgen. De Buitendijkse gebieden De buitendijkse gebieden zijn niet ingepolderd, dit is het gebied op de grens van water en land. Het is een natuurlijk waterlandschap van het Veerse meer en de Oosterschelde. Het accent ligt hier op de ontwikkeling van natuurgebieden en recreatief gebruik. Van belang is dat het recreatief medegebruik niet ten koste gaat van de landschappelijke en natuurwaarden van het gebied, dat inmiddels volledig is aangewezen als Natura2000 gebied. Het Landschapsontwikkelingsplan is in 2009 is door de gemeenteraad vastgesteld en heeft een looptijd van ca.