Agendapunt 05. Toelichting met bijlagen
Tekst van het document
Kernwinkelgebied (A), waar behoud van de winkelfunctie voorop staat.
Hoofdstuk 4
55
Aanloopstraten (B) die de verbindingen vormen tussen parkeerlocaties en kernwinkelgebied. Randen, afbouw (C). Voor deze laatste geldt dat hier geen nieuwe winkels mogen worden gevestigd en wanneer een winkel in deze straat stopt wordt nagedacht over een alternatieve invulling.
De drie deelgebieden in de binnenstad uit de Detailhandelsvisie Goes zijn als volgt vertaald in voorliggend bestemmingsplan: Kernwinkelgebied (A): bestemming ‘Centrum – 1’. Aanloopstraten (B): bestemming ‘Centrum – 2’. Randen, afbouw (C): zoveel mogelijk bestemd conform de huidige situatie, veelal de bestemming ‘Gemengd’. Binnen ‘Centrum – 1’ zijn de volgende voorzieningen toegestaan: Dienstverlening, detailhandel, wonen op de verdieping. Binnen ‘Centrum – 2’ zijn de volgende voorzieningen toegestaan: Dienstverlening, detailhandel, wonen op de begane grond en verdieping.
Figuur 4.4: Kaart Horecavisie binnenstad Goes en Detailhandelsvisie Goes
4.2.8 Deelgebieden De binnenstad van Goes is, naast de opdeling in Binnenstad-Noord, Binnenstad-Centrum en Binnenstad-Zuid, op te delen in verschillende deelgebieden: Wonen ten noorden van de stadhaven Haven, rondom de stadhaven Cultuur rondom het cultuurplein (Bleekveld) Vestibule, de ontvangstplek van een groot deel van de bezoekers aan de binnenstad
Hoofdstuk 4
56
Historie, het historisch hart rondom de kerken en het museum Het horecahart rondom de Grote Markt De Veste (Fun)shop: het winkelhart
4.2.9 Mogelijke ontwikkelingen In onderstaande figuur zijn de punten aangegeven, waar een kwaliteits- of verbeterslag mogelijk is. De groenstructuur kan worden versterkt door de continuïteit rond de vesten te verbeteren, alsmede enkele plekken in de stad zoals de Singelstraat. De openbare ruimte kent op een aantal plaatsen een uitstraling die niet meer past bij het gewenste gebruik en kwaliteitsniveau zoals op de Koepoort, de Oostwal en de Stadshaven. Herinrichting van deze gebieden ligt voor de hand. Ook de relatie tussen de Grote Markt en de Stadshaven/Molenplein en tussen de Stadspoort en het winkelgebied kan versterkt worden. Daarnaast zijn er een aantal doorsteken voor voetgangers gewenst om de doorwaadbaarheid van het stedelijk weefsel te verbeteren. In het Koepoortgebied in het zuid/westen van de stad liggen er kansen voor leisure en zorgconcepten bij een integrale gebiedsontwikkeling op deze locatie. Daarnaast zijn er enkele locaties waar een herontwikkeling te verwachten is zoals bijvoorbeeld aan de Zonnebloemstraat.
Figuur 4.5: Kaart Deelgebieden en Mogelijke ontwikkelingen
Hoofdstuk 4
57
5.
SECTORALE ASPECTEN 5.1 Archeologie 5.1.1 Beleidskader Archeologische sporen en resten in de bodem van de gemeente Goes vormen een spiegel van duizenden jaren bewoningsgeschiedenis. Dit zogenaamde ‘bodemarchief’ is van maatschappelijk belang, omdat het voor het grootste deel van het verleden de enige bron van informatie is. Tegelijkertijd is dit bodemarchief kwetsbaar voor allerhande ingrepen en vormen van gebruik die nu eenmaal verband houden met wonen, werken en recreëren. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen inbouwen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dat in 1992 door Nederland werd ondertekend. In eerste instantie berustten deze waarborgen op de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), het Besluit op de archeologische Monumentenzorg (Bamz) de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarmee werd behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Vanaf 1 juli 2016 is Erfgoedwet hier verantwoordelijk voor. Gemeentelijk archeologiebeleid Om op gemeentelijk niveau weloverwogen keuzes te kunnen maken heeft de gemeente Goes een gemeentelijk archeologiebeleid ontwikkeld, dat op 15 december 2011 is vastgesteld.
Hiermee voldoet de gemeente niet alleen aan de wettelijke verplichtingen omtrent archeologie maar heeft het ook een formeel afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid, dat gebaseerd is op een analyse van de plaatselijke situatie, geeft aan wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het rapport “Archeologiebeleid gemeente Goes” (d.d. 30 juni 2011) bestaat uit een “Deel A: Beleidsnota archeologie” en een “Deel B: Toelichting beleidskaart”. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). Op basis van de beleidskaart, die bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd Categorie 1, is een, aan oppervlakte van grondverstoring gebonden, vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld. Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord.
De gehanteerde categorieën zijn: categorie 1: archeologisch rijksmonument; hiervoor is altijd een monumentenvergunning nodig; categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m² wordt verstoord; categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m² wordt verstoord; categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m² wordt verstoord; categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m² wordt verstoord;
Hoofdstuk 5
58
categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht; categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig; categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht.
5.1.2 Bevindingen Binnen het bestemmingsplangebied zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Eén onderzoek omvat het grootste deel van het bestemmingsplangebied (archeologisch bureauonderzoek Goes. Historische stadskern, de voorstad en het havengebied, D'hondt 2016). Dit onderzoek brengt de verschillende uitgevoerde onderzoeken duidelijk in beeld en vormt de basis voor alle archeologische onderzoeken die binnen het bestemmingsplangebied uitgevoerd worden. Het plangebied is, conform het archeologiebeleid gemeente Goes, gelegen binnen een zone die op de beleidskaarten 'Archeologie' wordt weergegeven als een gebied met een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische waarden. In het bestemmingsplan zijn de volgende dubbelbestemmingen opgenomen, ter bescherming van de archeologische waarden: - Waarde - Archeologie -1: (Bouw)werken en/of werkzaamheden kunnen niet worden uitgevoerd dan nadat een archeologisch (voor)onderzoek is verricht bij een verstoring van meer dan 50 m² en dieper dan 40 cm, en/of een omgevingsvergunning tot afwijking is verleend. - Waarde - Archeologie -2: (Bouw)werken en/of werkzaamheden kunnen niet worden uitgevoerd dan nadat een archeologisch (voor)onderzoek is verricht bij een verstoring van meer dan 250 m² en dieper dan 40 cm, en/of een omgevingsvergunning tot afwijking is verleend.
5.1.3 Conclusie De archeologische waarden in het plangebied geven geen belemmering voor het huidige gebruik en de huidige planologische situatie. Een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ zorgt voor een bescherming van de archeologische waarden en zorgt ervoor dat bij nieuwe ontwikkelingen archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd.
5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1 Beleidskader Op basis van de Nota bodembeheer gemeente Goes heeft het plangebied de bodemfunctie Wonen, met aan de zuidkant een kleine strook met bodemfunctie Industrie. Het plangebied ligt op basis van de Nota grotendeels gelegen binnen de bodemkwaliteitszones “Binnenstad Goes en Vooroorlogse wijken en kernen”. Hiervoor geldt dat de gemiddelde kwaliteiten van zowel de boven- als ondergrond (0-0,5 en 0,5-2,0 m.-mv) in de klasse Industrie vallen. Bovengenoemde strook aan de zuidkant valt in de zone: “Bedrijfsterreinen (De Poel)”. Hiervoor geldt dat de gemiddelde kwaliteit van zowel de boven- als ondergrond (0-0,5 en 0,5-2,0 m.-mv) in de klasse Wonen vallen. Ten aanzien van bestrijdingsmiddelen gelden ter plaatse van enkele verspreid in het plangebied liggende voormalige boomgaarden lokale maximale waarden voor enkelen hiervan, namelijk DDD, DDE, DDT en drins.
Hoofdstuk 5
59
Afbeelding 5.1: Bodemkwaliteitskaart
5.2.2 Bevindingen Bodemverontreinigingen In het verleden zijn er verspreid in het bestemmingsplangebied bodemonderzoeken en –saneringen uitgevoerd. Plaatselijk bestaat de kans op mogelijke al of niet bekende (rest-)verontreinigingen. Door de vele historische activiteiten in het plangebied is er op diverse plaatsen bodemverontreiniging ontstaan. Een deel van deze verontreinigingen zijn al of niet in z’n geheel gesaneerd of worden (nu) nog gesaneerd. Enkele grondwaterverontreinigingen worden momenteel gemonitord. Daarnaast zijn er nog verspreid in vrijwel het gehele gebied in zowel boven- als ondergrond en/of grondwater nog andere deels homogene lichte tot sterke verontreinigingen aanwezig. Dit betreffen met name zware metalen, PAK’s en op enkele plaatsen minerale olie. Bij activiteiten in de bodem dient hiermee rekening gehouden te worden en dienen passende maatregelen getroffen te worden. Enkele percelen binnen het plangebied zijn in het verleden in gebruik geweest als boomgaard. Hierdoor is het mogelijk dat bestrijdingsmiddelen en koper in verhoogde concentraties voorkomen in de bovengrond. Ten aanzien van bestrijdingsmiddelen gelden ter plaatse van voormalige boomgaarden lokale maximale waarden voor enkelen hiervan, namelijk DDD, DDE, DDT en drins.
Hoofdstuk 5
60
Bodemtoets bouwen In de gemeente Goes geldt dat bij nieuwbouwactiviteiten, functiewijzigingen en/of herinrichtingen in principe altijd een volledig verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) moet worden uitgevoerd. Een bodemonderzoek dat uitgevoerd is conform de eisen van de NEN 5740 heeft doorgaans een geldigheid van twee jaar als het gebruikt wordt ten behoeve van een bouwaanvraag. In veel gevallen kan deze termijn worden verruimd naar een periode van vijf jaar. Hierbij mag geen wezenlijke verandering in het gebruik of bodemgesteldheid van de locatie hebben plaatsgevonden. Onderzoek is niet nodig als er sprake is van een niet gevoelige bestemming. Wel zal mogelijk onderzoek moeten plaatsvinden voor het grondtransport/-afvoer. Sinds 2017, na een gerechtelijke uitspraak over wanneer asbest onderzoek noodzakelijk is, wordt er strenger gelet op de aanwezigheid van puin(deeltjes) in de bodem. Zodra bodemonderzoek uitwijst dat deze deeltjes aanwezig zijn is het uitvoeren van een NEN5707 onderzoek van asbest in grond nodig. Sinds 2019 moet de bodem en grondpartijen onderzocht worden op PFAS. Grondverzet naar een andere locatie kan plaats vinden aan de hand van een Bodemkwaliteitskaart PFAS en een partijonderzoek of op basis van een partijonderzoek en een aanvullend onderzoek op de toepassingslocatie.
5.2.3 Conclusie In het gebied is sprake van plaatselijk schone tot sterke verontreinigingen in zowel grond als grondwater. Met name de homogeen verspreide verontreinigingen hebben deels een lange historische oorsprong. Op enkele percelen waren voor 1980 boomgaarden aanwezig. Daar dient rekening gehouden te worden met verhoogde waardes aan slecht afbreekbare bestrijdingsmiddelen. Grondverplaatsing kan plaats vinden op basis van de Nota bodembeheer. Omdat niet het gehele gebied onderzocht is, is niet uit te sluiten dat mogelijk incidenteel verontreinigingen kunnen voor komen. Zo nodig is dan aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk. Voor (nieuw-) bouwactiviteiten e.d. kan afhankelijk van de aard en omvang daarvan bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Bij grondafvoer dient daar wel rekening mee gehouden te worden.
5.3 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan en worden de wateraspecten van de ontwikkeling nader beschreven aan de hand van de tabel waterparagraaf zoals die door waterschap Scheldestromen wordt gehanteerd. Bodem- en grondwatersysteem Volgens de waterkansenkaart van de provincie Zeeland is het plangebied matig tot sterk zettingsgevoelig en zijn er geen tot beperkte infiltratiemogelijkheden (met uitzondering van een klein deel in Binnenstad-Zuid).
Hoofdstuk 5
61
Het huidige maaiveld van het plangebied verschilt per locatie en ligt gemiddeld iets boven of iets onder NAP. Het watersysteem in het plangebied is in te delen in het type dun/zoet. In het gebied is een “dunne zoete bel aanwezig”. Het plangebied kent geen belemmeringen op basis van informatie uit het grondwaterbeheersplan van de provincie Zeeland. In het plangebied is geen waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied gelegen. Het gebied is ook niet aangemerkt als kwetsbaar gebied volgens het provinciale grondwaterbeheersplan of gelegen binnen de bufferzone van een natuurgebied. Oppervlaktewatersysteem Het plangebied maakt deel uit van verschillende peilgebieden. In de haven is sprake van een vast peil van NAP-1,30m. Bij de Veste is sprake van een vast waterpeil. Het noordoostelijk deel van de binnenstad valt binnen een peilgebied met een (vast) peil van NAP-1,70m. Het plangebied maakt onderdeel uit van het afvoergebied/gemaal Dekker. Het oppervlaktewater van de Vesten in het plangebied staat in verbinding met De Dee. Dit water wordt via waterlopen afgevoerd langs de Hollandse Hoeve richting de Kattendijkse Dijk waar het uiteindelijk via Gemaal Dekker op de Oosterschelde wordt uitgeslagen. De haven wordt gevoed met water afkomstig van de Oosterschelde. Dit water wordt ter hoogte van de sluizen bij de Goese Sas ingemalen.
Het oppervlaktewater van de vesten is zoet, het water van de haven is zout. Regen- en afvalwatersysteem In het plangebied is voornamelijk een gemengd rioolstelsel aanwezig. De gemeente Goes hanteert als beleid, dat bij nieuw- en/of verbouw (inbreiding of uitbreiding) het vuilwater en het hemelwater gescheiden moeten worden aangeboden (conform het bouwbesluit 2012). De gemeente Goes hanteert de volgende doelstellingen op het gebied van water: - het klimaatbestendig inrichten van de stad / openbare ruimte (met name bij ontwikkelingen). Het uitgangspunt is zoveel mogelijk bovengronds / oppervlakkig afvoeren van regenwater over straat. In de situatie waarbij de riolering het niet meer aan kan moet het water over straat afgevoerd kunnen worden naar open water of groenvoorziening. - het verminderen van de hoeveelheid verharding van de riolering, operatie steenbreek (ook particulier), door het vergroenen van de buitenruimte en de particuliere kavels hou je het water vast in het gebied waar het valt. Dit heeft een positief effect op wateroverlast en droogte dit in het kader van de Goese actie : alle B’jtes helpen - waar mogelijk vergroten van de hoeveelheid oppervlaktewater om het water te kunnen bufferen. Watertoetstabel De watertoetstabel brengt de waterhuishoudkundige consequenties van de ruimtelijke ontwikkeling in beeld.
Voor het conserverend bestemmingsplan ‘Binnenstad Goes’ is deze tabel ingevuld om hier inzicht in te geven. Thema Veiligheid/ Waterkering
Hoofdstuk 5
Waterdoelstelling Waarborgen veiligheidsniveau en daarvoor benodigde ruimte.
Uitwerking De Veste is een waterkering met bijbehorende beschermingszone. Er staan geen (toekomstige) ontwikkelingen gepland binnen de
62
Thema
Waterdoelstelling
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)
Voldoende ruimte voor het vasthouden/bergen/afvoeren van water. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken i.v.m. reductie hydraulische belasting RWZI en transportsysteem met beperken overstorten. Rekening houden met (eventuele benodigde filter)ruimte daarvoor.
Riolering/ RWZI (incl. water op straat/ overlast)
Waterschapsobjecten
Watervoorziening/aanvoer
Volksgezondheid (water gerelateerd)
Bodemdaling
Grondwateroverlast
Hoofdstuk 5
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI’s, rioolpersgemalen, poldergemalen, vrijverval- en/of persleidingen. Het voorzien van de bestaande functie van (grond- en/of oppervlakte-) water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Tegengaan/Verhelpen van grondwateroverlast.
Uitwerking beschermingszone of ontwikkelingen die van invloed zijn op de waterkering. De bestaande waterpartijen functioneren naar behoren. Er zijn geen verdere knelpunten bekend. In het plangebied is voornamelijk een gemengd rioolstelsel aanwezig. Bij herstructurering en/of nieuwbouw dienen vuilwater en hemelwater gescheiden te worden aangeboden. Waar mogelijk (en doelmatig) wordt dakwater afgekoppeld van de gemengde riolering. Op het moment dat de riolering het niet aan kan en water op straat komt te staan, is het belangrijk dat water bovengrondse afgevoerd kan worden. Er vindt geen belemmering van de werking van waterschapsobjecten plaats.
De watervoorziening is in het gehele plangebied niet in het geding. Waar mogelijk vindt gescheiden afvoer van hemelwater en vuilwater plaats en wordt verhard oppervlak van de gemengde riolering afgekoppeld. Het rioolstelsel voldoet aan de basisinspanning. De binnen het plangebied bestaande panden zijn aangesloten op de riolering. De waterbodems van de Veste zijn gebaggerd. Bij nieuwbouw wordt zoveel mogelijk aangesloten op gescheiden riolering. Bij de bouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame materialen. De waterpeilen worden niet aangepast. Bodemdaling zal niet optreden. Rondom de Spoorzone is een gemeentelijk grondwatermeetnet.
63
Thema
Waterdoelstelling
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud/Realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit.
Grondwaterkwaliteit
Behoud/Realisatie van een goede grondwaterkwaliteit.
Verdroging (natuur)
Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; m.n. van belang in/rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone. Ontwikkeling/Bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Oppervlaktewater dient adequaat onderhouden te kunnen worden.
Natte natuur
Onderhoud waterlopen
Waterschapswegen
Goede bereikbaarheid en in standhouden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap.
Uitwerking In geval van grondwateroverlast kan de particuliere perceeleigenaar zijn overtollige grondwater aanbieden aan de gemeente Goes. De gemeente draagt zorg voor een doelmatige afvoer hiervan. De wijze van afvoer is afhankelijk van de beschikbare mogelijkheden ter plaatse. Het water van de Veste is zoet en wordt afgevoerd naar de Dee. Alle overstorten zijn in de loop der jaren gesaneerd en de oevers natuurvriendelijk ingericht. Er is in de Veste sprake van een vast waterpeil. De vesten zijn kwetsbaar voor blauwalg (als gevolg van slechte waterkwaliteit), er is een noodzaak tot baggeren (uit evaluatie waterplan). In het plangebied zijn geen locaties bekend waar de kwaliteit tekort schiet en verbetering behoeft. De waterdiepte in de Veste (met name in de zomer) is onvoldoende. Het plangebied kent geen en grenst niet aan natte natuurgebieden. Onderhoud aan waterlopen wordt uitgevoerd conform de afspraken tussen de gemeente en waterschap Scheldestromen, vastgelegd in de ‘BOBovereenkomst’. Het plangebied kent geen waterschapswegen.
5.2.2 Conclusie De waterhuishouding binnen het gebied wordt vanwege het conserverende karakter van het bestemmingsplan niet gewijzigd. Het aspect water in het plangebied vormt geen belemmering voor het huidige gebruik. Er zijn wel diverse aandachtspunten om dat zo te houden en/of om de situatie te verbeteren (met name met het oog op toekomstbestendigheid).
Hoofdstuk 5
64
5.4 Flora en fauna 5.4.1 Beleidskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 5.4.2 Bevindingen Aangezien het voorliggende plan de bestaande situatie conserveert, hoeft in het kader van dit plan geen nader onderzoek naar flora en fauna te worden uitgevoerd. Het plangebied bevindt zich niet binnen de grenzen of in de nabijheid van een beschermd natuurgebied. De Wet natuurbescherming is op deze locatie zodoende niet van toepassing.
5.4.3 Conclusie Gezien het conserverend karakter van onderhavig bestemmingsplan is geen onderzoek flora en fauna nodig.
5.5 Geluidshinder 5.5.1 Beleidskader Op grond van artikel 76, lid 1, dienen bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan binnen de zone van een weg, de normen van de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. Artikel 77 van de Wet geluidhinder stelt dat in deze gevallen akoestisch onderzoek moet worden verricht. In lid 3 van artikel 76 van de Wet geluidhinder worden aanwezige- en in aanbouw zijnde woningen binnen de zones van aanwezige of in aanleg zijnde wegen hiervan uitgezonderd. Bevindingen Binnen het plangebied zijn wegen gelegen die een geluidszone hebben, waarbinnen een akoestisch onderzoek bij ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk is. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. In beginsel worden er geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt, waarvoor een beoordeling van de geluidsbelasting vanwege bestaande wegen noodzakelijk is.
Hoofdstuk 5
65
Overeenkomstig de bepalingen zoals opgenomen in artikel 4.1, leden 1 en 3 hoofdstuk 4 van het Besluit geluidhinder is het niet noodzakelijk een geluidsonderzoek te doen naar spoorweglawaai. De spoorweg in het plangebied betreft geen nieuwe ontwikkeling en voorliggend bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone vanwege het spoor. Een klein deel van het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van een geluidsgezoneerd industrieterrein: het gaat hierbij om de noordoosthoek van het plangebied. De geluidszone is aangeduid op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. Ter plaatse van de geluidszonering van het gezoneerd industrieterrein heeft het plangebied de bestemmingen Groen en Verkeer. Opgemerkt wordt dat in 2016 de geluidszone van het industrieterrein is verkleind, met het oog op een transformatie van het bedrijventerrein naar minder zware bedrijvigheid. De geluidszone levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan. 5.5.2 Conclusie Het onderhavige bestemmingsplan is een beheersplan, dat niet de mogelijkheid biedt tot het bouwen van nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen of het aanleggen van nieuwe wegen of spoorwegen. Daarom hoeft er geen akoestisch onderzoek te worden verricht.
Immers, er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt met een relevant akoestisch effect, zodat kan worden geconcludeerd dat er vanuit geluid geen belemmeringen zijn voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Beleidskader Artikel 5.16 van de Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer stelt onder meer dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, voor zover deze gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit, rekening dienen te houden met de grenswaarden uit dit besluit van verschillende luchtverontreinigende componenten. 5.6.2 Conclusie Het conserverend bestemmingsplan ‘Binnenstad Goes’ voorziet niet in de mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe woningen, het aanleggen van nieuwe of wijzigen van bestaande wegen of het realiseren van nieuwe of uitbreiden van bestaande bedrijven of andere bestemmingen die leiden tot de uitstoot van luchtverontreinigende componenten. Op enkele locaties op de Grote Markt is, in overeenstemming met de Horecavisie binnenstad Goes, extra horeca mogelijk ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Enkel aan de oostzijde van de Grote Markt krijgen twee winkelpanden (naast een aanduiding 'detailhandel') ook een bestemming Horeca met de aanduiding ‘horeca tot en met categorie 5', evenals de naastgelegen panden. Deze ontwikkelingen zijn dermate kleinschalig, en deels gekoppeld aan de detailhandelsfunctie, dat deze niet leiden tot extra luchtverontreinigende componenten. Het plan heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit, zodat een toetsing aan de grenswaarden van de “Wet luchtkwaliteit” achterwege kan blijven.
Hoofdstuk 5
66
5.7 Overige milieuhinder en bedrijvigheid 5.7.1 Beleidskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgens de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden, te weten: 1. een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) of; 2. een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Functiemenging De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig of onder aan woningen of andere gevoelige functies kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Onder bouwkundig afgescheiden wordt begrepen dat de panden los van elkaar dienen te staan of dat er andere bouwkundige voorzieningen zijn getroffen waardoor milieubelasting voorkomen wordt op vergelijkbare wijze als bij bouwkundige afscheiding. Categorie C: Activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid hiervan gelden de voorwaarden: 2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 5
67
1. het gaat om kleinschalige, meestal ambachtelijke, bedrijvigheid; 2. productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; 4. activiteiten, die in belangrijke mate afhankelijk zijn van een goede verkeersontsluiting dienen te beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. 5.7.2 Bevindingen De historische binnenstad van Goes betreft een gebied met functiemenging. Binnenstad-Noord en Binnenstad-Zuid zijn meer te karakteriseren als ‘rustige woonwijk’. Omdat binnen de grenzen van het conserverend bestemmingsplan ‘Binnenstad Goes’ geen nieuwe milieugevoelige bestemmingen worden geprojecteerd is het niet nodig na te gaan of deze mogelijk hinder zouden kunnen gaan ondervinden van aanwezige of nieuwe milieubelastende bestemmingen. Op enkele locaties op de Grote Markt is, in overeenstemming met de Horecavisie binnenstad Goes, extra horeca mogelijk ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Enkel aan de oostzijde van de Grote Markt krijgen twee winkelpanden (naast een aanduiding 'detailhandel') ook een bestemming Horeca met de aanduiding ‘horeca tot en met categorie 5', evenals de naastgelegen panden.
Verder worden geen nieuwe milieubelastende bestemmingen geprojecteerd en is het dus niet nodig na te gaan of zij mogelijk hinder zouden kunnen gaan opleveren voor de bestaande milieugevoelige bestemmingen. 5.7.3 Conclusie Onderhavig aspect bevat geen belemmeringen of bijzonderheden voor het bestemmingsplan ‘Binnenstad Goes’.
5.8 Externe veiligheid 5.8.1 Beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.
Hoofdstuk 5
68
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
5.8.2 Bevindingen Risicovolle inrichtingen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd, zie onderstaande afbeelding. Binnen het plangebied worden geen nieuwe risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.
Hoofdstuk 5
69
Figuur 5.2: Uitsnede risicokaart
Binnen het plangebied is een risicovolle inrichting gelegen: Shellstation De Baar, Van de Spiegelstraat 73, lpg-tankstation. Buiten het plangebied zijn twee risicovolle inrichtingen gelegen die van invloed kunnen zijn op voorliggend plan: Bison productielocatie, Dr. A.F. Philipstraat 9, bedrijf in vervaardiging van lijm- en plakmiddelen. Bison distributiecentrum, Columbusweg 14 Omnium, Zwembadweg 3, zwembad (geen Bevi-inrichting). Shellstation De Baar Het lpg-tankstation kent een PR 10-6 contour van 35 meter vanaf het vulpunt. De afstand tot de grens van het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico bedraagt 150 meter. Binnen de PR 10-6 contour is geen bebouwing gelegen. Binnen het invloedsgebied zijn wel gevoelige bestemmingen gelegen. Een verantwoording van het groepsrisico is hierdoor noodzakelijk. Voor Shell tankstation De Baar is een Kwalitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlage.
Hoofdstuk 5
70
Plaatsgebonden risico Er zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten gesitueerd binnen de plaatsgebonden risicocontouren van het LPG-tankstation. Groepsrisico Het groepsrisico is gelijk aan 2.8 keer de oriëntatiewaarde. Een verantwoording van het groepsrisico is vereist en het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Bison Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van zowel de productielocatie (op 100 m van de bestemmingsplangrens) als het distributiecentrum van Bison International (op 1160 m van de bestemmingsplangrens). Bij deze inrichtingen worden lijmen en kitten geproduceerd en opgeslagen. Beide locaties vallen onder het BEVI omdat de opslagcapaciteit in beide gevallen groter is dan 10 ton. Voor Bison is een Kwalitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlage. Het plaatsgebonden risico van beide inrichtingen ligt binnen de bijbehorende terreingrens en reikt niet tot het plangebied. Het groepsrisico ligt in beide gevallen onder de oriëntatiewaarde. Omnium De inrichting (zwembad) aan de Zwembadweg valt niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, maar onder het Activiteitenbesluit.
Het is vermeld op de risicokaart vanwege de aanwezigheid van een opslagtank voor chloorbleekloog met een inhoud van 2.500 liter. De afstand van de opslagtank tot gevoelige bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan bedraagt ten minste 200 meter. Voor opslag van chloorbleekloog gelden geen wettelijke veiligheidsafstanden (PR-contour). Wel moet beoordeeld worden of sprake is van 'verhoogd gevaar' voor de bevolking volgens de Leidraad Risico Inventarisatie, deel Gevaarlijke Stoffen (LRI-GS). Op grond van de hoeveelheid opgeslagen vloeistof is de 1%-letaliteitscontour voor deze locatie bepaald aan de hand van gevarenkaart 9 van de Leidraad Risico Inventarisatie gevaarlijke stoffen. In dit geval is de 1%-letaliteitsafstand circa 100 meter. De gevoelige bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan zijn gelegen buiten deze afstand. Voor de inrichting is slechts een ongevallenscenario van toepassing, namelijk de gebeurtenis dat het vloeibare chloorbleekloog in contact komt met zuren waarbij chloorgas vrijkomt. De gaswolk die daarbij vrijkomt zal echter gelet op het volume van de opslagtank beperkt in omvang zijn en bovendien al sterk verdund zijn voor deze het plangebied bereikt. Bij tijdige waarschuwing kunnen omwonenden deuren en ramen sluiten, tot de oorzaak is weggenomen en de wolk voldoende is verdund.
Transport bronnen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De onderstaande transportassen zijn beoordeeld. Rijkswegen, provinciale wegen, gemeentelijke wegen De rijksweg (A58) en de provinciale weg (N256), waarover een dusdanige hoeveelheid gevaarlijke stoffen wordt vervoerd dat deze voor externe veiligheid relevant zijn, liggen op resp. 2.000 en 900 meter.
Hoofdstuk 5
71
De beleidsvisie externe veiligheid Zeeland stelt in bijlage 4: "Voor de verantwoording in het kader van RO besluiten wordt uitgegaan van de 1% letaliteitsafstand D5 als deze groter is dan 1500 meter. Als de D5 kleiner is dan 1500 meter wordt de 1% letaliteitsafstand F1,5 gebruikt met een maximum van 1500 meter. In Zeeland zal bovenstaande benadering ook gevolgd worden" Het plangebied heeft geen significante invloed op het groepsrisico van de A58. Voor de N256 is het maatgevende scenario transport van lpg. Het invloedsgebied behorend bij dit scenario bedraagt 355 meter. Deze weg is derhalve niet relevant voor het plangebied. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van een gemeentelijke weg die is aangewezen als transportroute gevaarlijke stoffen. Spoorweg-Sloehaven - Roosendaal Het plangebied ligt binnen 200 meter vanaf de spoorlijn Sloehaven - Roosendaal waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en die onderdeel is van het basisnet spoor. Voor de ruimtelijke procedure moeten de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn inzichtelijk worden gemaakt en geëvalueerd. Voor de spoorlijn is een Kwalitatieve risicoanalyse (QRA). Deze is opgenomen in de bijlage. De externe veiligheidsrisico’s door het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorroute Sloehaven Roosendaal West zijn berekend.
De belangrijkste conclusies naar aanleiding van de resultaten worden hier benoemd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico is gelijk aan 3.8 keer de oriëntatiewaarde. Conform de regelgeving dient over deze overschrijding van de oriëntatiewaarde een verantwoording te worden afgelegd. Hierbij dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied. Plasbrandaandachtsgebied Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied rond de beschouwde spoorroute. Vaarwegen Vaarwegen waarover significant transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van een in het Bevt aangewezen transportroute over water. Buisleidingen In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied ligt van risicovolle leidingen.
Hoofdstuk 5
72
Verantwoording groepsrisico Voor spoorlijn Sloehaven – Roosendaal en het LPG-tankstation De Baar is een verantwoording groepsrisico opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage. In de verantwoording is een beschrijving van maatgevende scenario’s, effecten van de scenario’s en maatregelen opgenomen. Geconcludeerd wordt dat het groepsrisico aanvaardbaar wordt geacht. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Zeeland heeft de QRA en de toelichting van het bestemmingsplan Binnenstad Goes beoordeeld. De inventarisatie van de risicobronnen is volledig en correct. Ook op de QRA heeft de Veiligheidsregio geen op- of aanmerkingen. Aangezien er geen sprake is van concrete nieuwe ontwikkelingen ziet de Veiligheidsregio geen noodzaak om nader te adviseren op dit plan. 5.8.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.
5.9 Vormvrije m.e.r. beoordeling 5.9.1 Beleidskader Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. 5.9.2 Conclusie Het bestemmingsplan ‘Binnenstad Goes’ is een conserverend bestemmingsplan waarin de bestaande situatie wordt vastgelegd.
Op enkele locaties op de Grote Markt is, in overeenstemming met de Horecavisie binnenstad Goes, extra horeca mogelijk ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Enkel aan de oostzijde van de Grote Markt krijgen twee winkelpanden (naast een aanduiding 'detailhandel') ook een bestemming Horeca met de aanduiding ‘horeca tot en met categorie 5', evenals de naastgelegen panden. Het bestemmingsplan ‘Binnenstad Goes’ is daarom niet te beschouwen als een stedelijk ontwikkelingsproject. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve
Hoofdstuk 5
73
effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht.
5.10 Duurzaamheid en klimaat 5.10.1 Inleiding Het klimaat verandert. Het wordt warmer, we krijgen te maken met langdurige perioden van hitte en droogte, er is een grotere kans op extreme neerslag en de zeespiegel stijgt. Klimaatverandering wordt veroorzaakt door de hoge concentratie broeikasgassen, zoals CO2, in de atmosfeer. Door het verminderen van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen kunnen de gevolgen van klimaatverandering beperkt worden. In het Klimaatakkoord van Parijs staat omschreven dat de temperatuur op aarde niet verder mag stijgen dan 2°C, met de ambitie om dit te beperken tot 1,5°C. Op de Verenigde Staten na, heeft wereldwijd ieder land dit akkoord ondertekend. Landelijk zijn er doelen gesteld om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen: in 2050 is de uitstoot van CO2 met 95% verminderd; in 2050 hebben we een energieneutrale gebouwde omgeving; vanaf 1 juli 2018 worden nieuwbouwwoningen niet meer op het aardgasnet aangesloten. Ondanks dat we de uitstoot van broeikasgassen verminderen of zelfs stoppen, zullen we te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende extreme weersomstandigheden. Het is daarom van belang de openbare ruimte klimaatbestendig in te richten. Landelijk is het doel gesteld dat de openbare ruimte in 2050 klimaatrobuust is ingericht.
5.10.2 Gemeentelijk klimaatbeleid De gemeente Goes levert een bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en het behalen van de landelijke richtlijnen. Om deze landelijke richtlijnen te halen heeft de gemeente Goes de volgende doelstellingen vastgesteld: de gemeente Goes stimuleert duurzame nieuwbouw; de gemeente Goes ondersteunt de doelen van het Zeeuws Energieakkoord en werkt aan een energieneutrale particuliere woningvoorraad in 2045; duurzame energie wordt op kansrijke locaties opgewekt, zoals het toepassen van zonne-energie op daken; het gebruik van duurzame vervoersmiddelen wordt gefaciliteerd, onder andere door het plaatsen van openbare laadpalen; de gemeente Goes past circulaire economie toe wanneer de kans zich voordoet, zoals het toepassen van kansen voor circulair bouwen. Naast maatregelen om minder CO2 uit te stoten zijn ook maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering belangrijk zoals het klimaatrobuust inrichten van de openbare ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van veel groen, wat zowel een waterbergend vermogen heeft, als een koelend vermogen. Sterk versteende omgevingen warmen namelijk snel op doordat stenen warmte opnemen en deze warmte een lange tijd kunnen uitstralen, met name
Hoofdstuk 5
74
’s nachts. In groene omgevingen zullen de nachten tijdens warme perioden daarom koeler zijn dan in sterk versteende gebieden zoals steden. Dit effect wordt ook wel het hitte-eiland effect genoemd.
Figuur 5.3: Hitte-eiland effect
In bovenstaande figuur is te zien dat de temperatuur in een sterk verstedelijkt gebied hoger is dan in de meer landelijke omgeving. In volledig groene gebieden, zoals parken en bossen, is de temperatuur het laagst. Ook aan de rand van de stadskernen is de temperatuur lager dan in het stadscentrum, doordat er in deze gebieden minder hoogbouw is en er meer ruimte is voor groen.
Hoofdstuk 5
75
6.
JURIDISCHE VORMGEVING 6.1 Planvorm Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten gebouwen. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan ‘Binnenstad Goes’ kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd 'beheersplan'. In een dergelijk plan ligt het accent van de juridische regeling vooral op het bieden van rechtsbescherming ten aanzien van het bestaand gebruik van gronden en opstallen. Er is sprake van een gedetailleerd plan, waarin de bestaande situatie grotendeels behouden blijft en waar rekening is gehouden met de nodige flexibiliteit door binnen een aantal bestemmingen meerdere functies toe te staan. Een en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen, een eenvoudig kaartbeeld en een uniforme opzet van de bouwbepalingen.
Alle bestaande functies (wonen, werken, verkeer, recreëren, etc.) worden gerespecteerd; ingrijpende functieveranderingen zijn niet voorzien. Het plan biedt wel de mogelijkheid om op een flexibele wijze op mogelijke functieveranderingen en veranderende woonbehoeften in te spelen. In het plan zijn hiertoe verschillende wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen. De regels zijn opgebouwd uit de Inleidende regels (Hoofdstuk 1) de Bestemmingsregels (Hoofdstuk 2), de Algemene regels (Hoofdstuk 3) en de Overgangs- en slotbepalingen (Hoofdstuk 4).
6.2 Toelichting op de bestemmingen 6.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 6
76
6.2.2 Bestemmingsregels: enkelbestemmingen Bedrijf De aanwezige bedrijven de binnenstad zijn bestemd als ‘Bedrijf’. De toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze Staat is beperkt van omvang. Enkel lichte bedrijfsactiviteiten (milieucategorieën 1 en 2), die qua milieubelasting passen in en nabij een woonomgeving én die qua schaal en aard passen in de omgeving, zijn in de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen. Op de verbeelding is een aantal specifieke aanduidingen opgenomen, zoals een bedrijfswoning (bw), nutsvoorzieningen (nv), verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg (vm) en met lpg (vml). De hoofdgebouwen moeten opgericht worden in de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Er zijn bepalingen opgenomen voor de toegestane goot- en totale hoogte en het bebouwingspercentage. Indien geen bebouwingspercentage is opgenomen mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd. Voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die voorkomt in een hogere categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en bedrijfsactiviteiten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voorkomen en af te wijken van de voorgeschreven (hoogte)maten zijn enkele afwijkingsbevoegdheden opgenomen. Ook is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de Staat van bedrijfsactiviteiten te wijzigen.
Voor het toepassen van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn enkele procedureregels opgenomen. Centrum - 1 De drie deelgebieden in de binnenstad uit de Detailhandelsvisie Goes zijn als volgt vertaald in voorliggend bestemmingsplan: Kernwinkelgebied (A): bestemming ‘Centrum – 1’. Aanloopstraten (B): bestemming ‘Centrum – 2’. Randen, afbouw (C): zoveel als mogelijk bestemd conform de huidige situatie, veelal de bestemming ‘Gemengd’. Binnen ‘Centrum – 1’ zijn de volgende voorzieningen toegestaan: dienstverlening, detailhandel, maatschappelijke activiteiten en wonen op de verdieping. De hoofdgebouwen moeten opgericht worden in de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Er zijn bepalingen opgenomen voor het maximale aantal bouwlagen en het bebouwingspercentage. Indien geen bebouwingspercentage is opgenomen mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd. In de specifieke gebruiksregels van de bestemming ‘Centrum – 1’ is opgenomen dat ‘het gebruik van achtererven van horecabedrijven als terras en/ of speeltuin niet is toegestaan’. Wel is er een afwijkingsmogelijkheid voor het gebruik van achtererven. Deze keuze is gemaakt omdat gemeente Goes overlast van achtererven wil voorkomen. Door toch een afwijkingsmogelijkheid op te nemen kan in individuele gevallen een zorgvuldige afweging worden gemaakt of het gebruik van het achtererf wenselijk is.
Centrum - 2 Binnen ‘Centrum – 2’ zijn de volgende voorzieningen toegestaan: dienstverlening, detailhandel, maatschappelijke activiteiten en wonen op de begane grond en verdieping. De hoofdgebouwen moeten opgericht worden in de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Er zijn bepalingen opgenomen voor het maximale aantal bouwlagen en het bebouwingspercentage. Indien geen bebouwingspercentage is opgenomen mag het bouwvlak voor 100% worden bebouwd.
Hoofdstuk 6
77
Het enige verschil met ‘Centrum – 1’ zit hierin dat wonen binnen ‘Centrum – 2’ zowel is toegestaan op de verdieping als op de begane grond. In de specifieke gebruiksregels van de bestemming ‘Centrum – 2’ is opgenomen dat ‘het gebruik van achtererven van horecabedrijven als terras en/ of speeltuin niet is toegestaan’. Wel is er een afwijkingsmogelijkheid voor het gebruik van achtererven. Deze keuze is gemaakt omdat gemeente Goes overlast van achtererven wil voorkomen. Door toch een afwijkingsmogelijkheid op te nemen kan in individuele gevallen een zorgvuldige afweging worden gemaakt of het gebruik van het achtererf wenselijk is. Cultuur en ontspanning Deze bestemming heeft betrekking op theater de Mythe (Bleekveld 1) en Podium ’t Beest (Beestenmarkt 3). Toegestaan zijn: a. het verrichten van activiteiten gericht op spel, vermaak, ontspanning, kunst en cultuur, waaronder podiumkunsten; b. horeca als ondergeschikte nevenactiviteit bij de ter plaatse uitgeoefende activiteiten. Detailhandel In dit artikel zijn de regels voor de bestemming detailhandel bepaald. De gronden zijn bestemd conform de huidige situatie. Mits aangeduid, mag ter plaatse van de winkel gewoond worden. Binnen deze bestemming is het toegestaan hoofdgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde op te richten.
Er is in dit artikel opgenomen dat de goot- en bouwhoogte voor de hoofdgebouwen op de verbeelding wordt bepaald. Gemengd In de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘Gemengd’ is ervoor gekozen om de toegestane activiteiten (detailhandel, horeca, dienstverlening, kantoren, maatschappelijke activiteiten en kleinschalige bedrijfsactiviteiten) uitsluitend op de begane grond toe te staan. Dit vanwege de eerdergenoemde waarborging van de leefbaarheid en beeldkwaliteit van gemeente Goes. Er is een specifieke aanduiding ‘supermarkt’ opgenomen ter plaatse van de bestaande Aldi supermarkt aan de J. Antonides van de Goeskade. De bestemming ‘Gemengd’ is toegekend aan de percelen aan de randen, waarbij de afbouw van detailhandel is beoogd (zone C uit de Detailhandelsvisie Goes): zoveel als mogelijk bestemd conform de huidige situatie, waarbij tevens ruimere mogelijkheden zijn voor andere functies, zoals cultuur en ontspanning, maatschappelijk, kantoor, dienstverlening, wonen, horeca tot en met categorie 2. Groen Het aanwezige openbare groen is bestemd als ‘Groen’, zoveel mogelijk in overeenstemming met het Groenstructuurplan. Horeca Gemeente Goes hanteert wat betreft de bestemming ‘Horeca’ zes horecacategorieën ten behoeve van het planologisch beleid over de horeca.
In algemene zin is het onderscheid in horecacategorieën met name gebaseerd op criteria als overlast, bereikbaarheid, parkeren, uitstraling, koppeling met andere functies, beslag op publieke buitenruimte etc. Op basis van de horecacategorie kan een vergunning wel of juist niet verleend worden.
Hoofdstuk 6
78
Wonen is toegestaan, maar niet op de begane grond. In de specifieke gebruiksregels van de bestemming is opgenomen dat ‘het gebruik van achtererven van horecabedrijven als terras en/ of speeltuin niet is toegestaan’. Wel is er een afwijkingsmogelijkheid voor het gebruik van achtererven. Deze keuze is gemaakt omdat gemeente Goes overlast van achtererven wil voorkomen. Door toch een afwijkingsmogelijkheid op te nemen kan in individuele gevallen een zorgvuldige afweging worden gemaakt of het gebruik van het achtererf wenselijk is. De horecagelegenheden zijn specifiek bestemd in dit bestemmingsplan. Kantoor Met kantoor wordt in de bestemming ‘Kantoor’ gedoeld op de volgende definitiebepaling, welke is opgenomen in de begrippenlijst van de inleidende regels: ‘een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten op financieel, administratief, juridisch en ontwerptechnisch of een hiermee naar aard gelijk te stellen gebied’. Er is voor deze definitie gekozen omdat de bestemming ‘Kantoor’ zich met deze definitie duidelijk onderscheid van de bestemming ‘Detailhandel’ en de bestemming ‘Maatschappelijk’. Wonen, zowel op de begane grond als op de verdieping, is niet toegestaan. Maatschappelijk De bestemming ‘Maatschappelijk’ is bedoeld voor o.a. openbare dienstverlening, onderwijs, religie, welzijnsinstellingen en het verenigingsleven.
Daarnaast is een aantal specifieke aanduidingen opgenomen, zoals de ‘molen’ en ‘horeca, categorie 2’. Recreatie De bestemming ‘Recreatie’ geldt voor de jachthaven met bijbehorende voorzieningen, zoals aanlegsteigers, botenhuizen, toiletgebouwen, ontspannings- en ondersteunende horecagelegenheden en overige havenvoorzieningen. Voor de jachthaven geldt dat de te bebouwen oppervlakte niet meer dan 25% mag zijn van het bestemmingsvlak. De goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 6 meter en de bouwhoogte niet meer dan 10 meter. De afstand van de gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter. Sport De bestemming ‘Sport’ geldt voor de sportschool aan de Van de Spiegelstraat. Het uitoefenen van sportactiviteiten is hier toegestaan. Verkeer Alle openbare ruimten, verblijfs- en verkeersgebieden zijn bestemd tot ‘Verkeer’. Binnen deze bestemming zijn ook evenementen, terrassen en weekmarkt mogelijk gemaakt. Water Alle waterpartijen, waterlopen e.d. zijn onder de bestemming ‘Water’ geregeld. Toegestaan zijn: wateraanvoer en -afvoer, waterberging, waterhuishouding, paden, waterpartijen, vijvers en (primaire) waterlopen, alsmede bruggen, dammen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voorzieningen ten dienste van de waterkering en nutsvoorzieningen. Ook is er een specifieke aanduiding voor de 'jachthaven'.
Hoofdstuk 6
79
Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn een aantal specifieke bouwaanduidingen opgenomen. Binnen de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen aaneengebouwde woningen worden gerealiseerd. Op de gronden die zijn aangewezen met de aanduiding 'gestapeld' mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gerealiseerd. Ter plaatse van de aanduiding 'twee- aaneen' mogen vrijstaande en twee- aan eengebouwde woningen worden opgericht. Daar waar de aanduiding 'vrijstaand' geldt, zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. De goot- en bouwhoogten van deze woningen zijn aangegeven op de verbeelding. 6.2.3 Bestemmingsregels: dubbelbestemmingen Naast enkelbestemmingen komen dubbelbestemmingen voor in bestemmingsplannen. Er is sprake van een dubbelbestemming wanneer op een stuk grond twee of meer onafhankelijk van elkaar voorkomende bestemmingen, functies en/of bouw- en gebruiksregelingen voorkomen, waarbij er rangorde is tussen de dubbelbestemming en de onderliggende enkelbestemming. In de bij de dubbelbestemming behorende planregels wordt de verhouding tussen deze functies geregeld. De specifieke kenmerken van dubbelbestemmingen brengen met zich mee dat deze bestemmingen in de regel een relatief groot gebied beslaan en veelal op meerdere enkelbestemmingen betrekking hebben, bijvoorbeeld Waarde - Archeologie.
Waarde – Archeologie 1 en 2 Op de gronden die zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied is de bestemming ‘Waarde Archeologie – 1’ of ‘Waarde – Archeologie – 2’ gelegd. Bepaald is dat een er een omgevingsvergunning noodzakelijk is indien er werkzaamheden op onderhavige gronden verricht dienen te worden tot een bepaalde diepte en omvang. Waarde – Cultuurhistorie De zonering van het beschermd stadsgezicht is vertaald in de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. Het is een bestemming Waarde - Cultuurhistorie met drie verschillende aanduidingen 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorie A/B/C/D', ieder met een specifieke regeling. Waarde – Natuur en Landschap Daar waar op de verbeelding gronden zijn aangewezen voor ‘Waarde – Natuur en Landschap’ zijn de gronden bestemd voor het behoud en de versterking van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden, alsmede voor water, verkeersdoeleinden en groenvoorzieningen. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.