CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 05. Regels met bijlagen ontwerp

Oordeelsvormende raad 13 april 2023, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied35.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

het graven, verbreden, dempen van sloten, het geheel of gedeeltelijk dempen van drinkputten en welen, het aanleggen van gesloten drainagesystemen of het diepploegen dieper dan 30 cm; i. het planten van fruitteeltbomen buiten bestaande boomgaarden binnen een zone van 50 meter rondom woon- en verblijfsrecreatiegebieden; j. het omzetten van grasland in bouwland dan wel het scheuren van grasland ten behoeve van graslandverbetering; k. het storten en lozen van specie. 4.6.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden Het in artikel 4.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer, mits deze niet leiden tot onevenredige schade aan en/of onomkeerbare gevolgen voor de landschappelijke of archeologische waarden; b. werken en/of werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de instandhouding van de waterkering; c. werken en/of werkzaamheden welke worden uitgevoerd in een Natura 2000-gebied in de zin van de Wet natuurbescherming en handelingen opleveren waarvoor een vergunning op grond van die wet is vereist, dan wel handelingen welke zijn voorzien in een beheerplan als bedoeld in de Wet natuurbescherming. 4.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden a.

werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.6.1 zijn slechts toelaatbaar indien hierdoor de in artikel 4.1 genoemde waarden: 1. niet worden aangetast of 2. niet significant worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en indien mitigerende en zonodig compenserende maatregelen worden getroffen; b. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op gronden die blijkens de bestemming een waterstaatkundige functie hebben, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de waterkeringbeheerder omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de waterstaatkundige functie niet wordt geschaad;

24

c.

4.7

alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op een gebied aangewezen als “vrijwaringszone - molenbiotoop” winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de windvang voor de molen of de waarde van de molen als landschapbepalend element niet onevenredig in gevaar wordt of kan worden gebracht. Wijzigingsbevoegdheid

4.7.1 Wijzigen bestemming Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden, opgenomen in de "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2", te wijzigen in de bestemming “Natuur”, met dien verstande dat het plan zal worden gewijzigd nadat ten behoeve van reservaatvorming en/of natuurontwikkeling de gronden op vrijwillige basis en gebruiksvrij zijn verworven. 4.7.2 Procedureregel Bij het toepassen van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 4.7.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 35 van toepassing.

25

Artikel 5 Bedrijf 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Bedrijf” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van: I. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijfsmatige activiteiten voor zover deze voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "bedrijventerreinen"; II. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': bedrijfsmatige activiteiten voor zover deze voorkomen in de categorieën 1, 2 en 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "bedrijventerreinen"; III. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijfsmatige activiteiten voor zover deze voorkomen in de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "bedrijventerreinen"; b. ter plaatse van de aanduiding "groen": uitsluitend een bos- en beplantingsstrook; c. ter plaatse van de aanduiding “hovenier”: uitsluitend een hoveniersbedrijf; d. ter plaatse van de aanduiding “nutsvoorziening”: uitsluitend een nutsvoorziening; e. ter plaatse van de aanduiding “opslag”: uitsluitend opslag en stalling; f. ter plaatse van de aanduiding “verkooppunt motorbrandstoffen met lpg”: uitsluitend een verkooppunt van motorbrandstoffen met lpg; g. ter plaatse van de aanduiding “verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg”: uitsluitend een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg; h.

ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - aardappelverwerkingsbedrijf”: tevens een aardappelverwerkingsbedrijf voor zover deze voorkomt in maximaal categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "bedrijventerreinen"; i. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf”: uitsluitend een garagebedrijf; j. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - grondverzetbedrijf”: uitsluitend een grondverzetbedrijf, met dien verstande dat transport, sloopwerken, aannemerswerkzaamheden en machineverhuur zijn toegestaan; k. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - mechanisatiebedrijf”: uitsluitend een mechanisatiebedrijf; l. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - reparatiebedrijf”: uitsluitend een reparatiebedrijf; m. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - stoffeerderij”: uitsluitend een stoffeerderij; n. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf”: uitsluitend een transportbedrijf; o. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - zend-/ontvanginstallatie 1”: uitsluitend een radioclub; p. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - zend-/ontvanginstallatie 2”: uitsluitend een zendmast; q.

detailhandel en kantoren als ondergeschikte nevenactiviteit bij de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten; r. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; s. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 5.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”: maximaal één bedrijfswoning; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

26

a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; c. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%; d. in afwijking van het bepaalde onder b en c bedraagt de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen, exclusief bedrijfswoning, ter plaatse van de aanduidingen “hovenier”, “opslag”, “verkooppunt motorbrandstoffen met lpg”, “verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg”, “specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf”, “specifieke vorm van bedrijf - grondverzetbedrijf”, “specifieke vorm van bedrijf - mechanisatiebedrijf”, “specifieke vorm van bedrijf - reparatiebedrijf”, “specifieke vorm van bedrijf - stoffeerderij” en “specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf” maximaal de bebouwde oppervlakte op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan, zoals opgenomen in bijlage 8. 5.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a.

tenzij anders op de verbeelding is aangegeven, bedragen de goot- en de bouwhoogte van een gebouw respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "nutsvoorziening" de bouwhoogte maximaal 3,5 meter bedraagt; b. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³; c. achter (het verlengde van) de voorgevel van een bedrijfswoning mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, waarvan de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² bedraagt, de goothoogte maximaal 3,20 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter. 5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; d. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - aardappelverwerkingsbedrijf”” bedraagt de hoogte van een tanks en silo's maximaal 20 meter; e. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - zend-/ontvanginstallatie 1” bedraagt de hoogte van een antennemast maximaal 20 meter; f. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - zend-/ontvanginstallatie 2” bedraagt de hoogte van een antennemast maximaal 40 meter; g.

de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 meter. 5.3

Nadere eisen

5.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.3.2 Voorwaarden De in artikel 5.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 5.4

Afwijken van de bouwregels

5.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 5.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 27

5.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 5.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 5.2.3 sub g tot een hoogte van maximaal 10 meter. 5.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 5.4.1 en 5.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 5.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. de vestiging van zelfstandige kantoren is niet toegestaan; b. de vestiging van Bevi-inrichtingen is niet toegestaan; c. de vestiging van Wgh-inrichtingen is niet toegestaan; d. het in gebruik nemen van onbebouwde gronden ten behoeve van opslagdoeleinden tot een gezamenlijke hoogte van meer dan 3 meter is niet toegestaan; e. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning - evenemententerrein” mogen gedurende de periode van 1 juni tot en met 31 oktober tenten voor culturele activiteiten worden geplaatst met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 350 m². 5.6

Afwijken van de gebruiksregels

5.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 5.1 sub a voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit die voorkomt in een hogere categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "bedrijventerreinen", mits deze activiteit naar haar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met een krachtens artikel 5.1 sub a ter plaatse toegelaten categorie bedrijfsactiviteiten; b. artikel 5.1 sub a voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten "bedrijventerreinen" is genoemd, mits deze activiteit naar haar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met een krachtens artikel 5.1 sub a ter plaatse toegelaten categorie bedrijfsactiviteiten; c. artikel 5.1 sub c, sub e, sub i, sub j, sub k, sub l, sub m en sub n voor de omschakeling naar een bedrijfsactiviteit die voorkomt in de categorieën A en B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging"; d.

artikel 5.1 sub c, sub e, sub i, sub j, sub k, sub l, sub m en sub n voor de omschakeling naar een bedrijfsactiviteit die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging" is genoemd, mits deze activiteit naar haar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met bedrijfsactiviteiten die voorkomen in de categorieën A en B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging". 5.6.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5.6.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; c. een milieudeskundige is gehoord met betrekking tot de vraag of aan de in dat artikel genoemde criteria voor het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid is voldaan. 5.7

Wijzigingsbevoegdheid

5.7.1

Wijzigingsbevoegdheid 28

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de categorie-indeling van de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt gewijzigd, mits een wijziging van de belasting van de desbetreffende typen van bedrijfsactiviteiten op het milieu als gevolg van technologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geeft. 5.7.2 Voorwaarden Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5.7.1 dient een milieudeskundige te worden gehoord met betrekking tot de vraag of aan de in dat artikel genoemde criteria voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is voldaan. 5.7.3 Procedureregel Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5.7.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 35 van toepassing.

29

Artikel 6 Bos 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Bos” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud en de versterking van het bos voor natuur en landschap; b. ontwikkeling van natuurwaarden, zowel binnen het bosbeheer als door ontwikkeling van diversiteit in terreintypen; c. dagrecreatief medegebruik, zoals wandelen, fietsen en paardrijden; d. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 6.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 6.3

Nadere eisen

6.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, ten behoeve van de verkeersveiligheid nadere eisen te stellen ten aanzien van de plaats en afmetingen van bebouwing. 6.4

Afwijken van de bouwregels

6.4.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 6.2.1 sub a tot een hoogte van maximaal 10 meter. 6.4.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6.4.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 6.5.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het wijzigen dan wel verwijderen, ofwel het vellen of rooien, van houtwalprofielen en houtgewassen; c. het aanbrengen, verleggen en verbreden van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; d. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e.

het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie en/of natuurrecreatie, zoals picknickplaatsen; 30

f.

het graven, verbreden, dempen van sloten, het geheel of gedeeltelijk dempen van drinkputten en welen, het aanleggen van gesloten drainagesystemen of het diepploegen dieper dan 30 cm; g. het storten en lozen van specie. 6.5.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden Het in artikel 6.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer, mits deze niet leiden tot onevenredige schade aan en/of onomkeerbare gevolgen voor de landschappelijke of archeologische waarden; b. werken en/of werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de instandhouding van de waterkering; c. werken en/of werkzaamheden welke worden uitgevoerd in een Natura 2000-gebied in de zin van de Wet natuurbescherming en handelingen opleveren waarvoor een vergunning op grond van die wet is vereist, dan wel handelingen welke zijn voorzien in een beheerplan als bedoeld in de Wet natuurbescherming. 6.5.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden a. werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien hierdoor de in artikel 6.1 genoemde waarden: 1. niet worden aangetast of 2.

niet significant worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en indien mitigerende en zonodig compenserende maatregelen worden getroffen; b. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op gronden die blijkens de bestemming een waterstaatkundige functie hebben, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de waterkeringbeheerder omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de waterstaatkundige functie niet wordt geschaad; c. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op een gebied aangewezen als “vrijwaringszone - molenbiotoop” winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de windvang voor de molen of de waarde van de molen als landschapbepalend element niet onevenredig in gevaar wordt of kan worden gebracht.

31

Artikel 7 Cultuur en ontspanning 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Cultuur en ontspanning” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een speelvoorziening; b. ter plaatse van de aanduiding “horeca”: tevens een ondersteunend horecabedrijf dat voorkomt in de categorieën 1, 2 en 3 van de Staat van Horeca-activiteiten; c. ter plaatse van de aanduiding “parkeerterrein”: uitsluitend een parkeerterrein; d. ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding - geluidwal”: uitsluitend een geluidwal en een omkleed- en opslagruimte ten dienste van de bestemming; e. ter plaatse van de aanduiding “terras”: tevens een horecaterras; f. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; g. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 7.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”: maximaal één bedrijfswoning; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b.

de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; c. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%; d. ter plaatse van de aanduidingen “specifieke bouwaanduiding - speelvoorziening 1”, “specifieke bouwaanduiding - speelvoorziening 2” en “terras” bedraagt de totale oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 50% van het aanduidingsvlak. 7.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en de bouwhoogte van een gebouw bedragen maximaal de op de verbeelding aangegeven maten; b. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³; c. achter (het verlengde van) de voorgevel van een bedrijfswoning mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, waarvan de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² bedraagt, de goothoogte maximaal 3,20 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter. 7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c.

ter plaatse van de gronden met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding - speelvoorziening 1” bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 10 meter; d. ter plaatse van de gronden met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding - speelvoorziening 2” bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 6 meter; e. ter plaatse van de aanduiding “terras” bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 meter; f. ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding - grondwal” bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 6 meter ten opzichte van het peil en maximaal 3 meter ten opzichte van de grondwal;

32

g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 7.3

Nadere eisen

7.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.3.2 Voorwaarden De in artikel 7.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 7.4

Afwijken van de bouwregels

7.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 7.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 7.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 7.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 7.2.3 sub g tot een hoogte van maximaal 10 meter. 7.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 7.4.1 en 7.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 7.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. evenementen zijn toegestaan; b. ter plaatse van de aanduidingen “horeca” en “terras” bedraagt de totale bedrijfsvloeroppervlakte maximaal 750 m²; c. ter plaatse van de aanduiding “parkeerterrein” bedraagt het aantal parkeerplaatsen minimaal 110.

33

Artikel 8 Detailhandel 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Detailhandel” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding “detailhandel grootschalig”: de uitoefening van grootschalige detailhandel; b. ter plaatse van de aanduiding “tuincentrum”: een tuincentrum; c. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; d. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 8.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. per bedrijf maximaal één bedrijfswoning; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 8.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; c. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%; d.

in afwijking van het bepaalde onder b en c bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding “tuincentrum” maximaal 50%. 8.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en de bouwhoogte van een gebouw bedragen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter; b. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³; c. achter (het verlengde van) de voorgevel van een bedrijfswoning mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, waarvan de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² bedraagt, de goothoogte maximaal 3,20 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter. 8.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 8.3

Nadere eisen

8.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 8.3.2

Voorwaarden

34

De in artikel 8.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 8.4

Afwijken van de bouwregels

8.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 8.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 8.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 8.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 8.2.3 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 8.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 8.4.1 en 8.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

35

Artikel 9 Horeca 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Horeca” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. horecabedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Horeca-activiteiten; b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 5': horecabedrijven die voorkomen in de categorieën 1, 2, 3 en 5 van de Staat van Horeca-activiteiten; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - appartementen”: tevens maximaal één appartement op de verdieping voor recreatief nachtverblijf; d. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; e. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 9.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”: maximaal één bedrijfswoning; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 9.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b.

de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel, exclusief bedrijfswoning, bedraagt maximaal de bebouwde oppervlakte op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan, zoals opgenomen in bijlage 8. 9.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en de bouwhoogte van een gebouw bedragen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter; b. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³; c. achter (het verlengde van) de voorgevel van een bedrijfswoning mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, waarvan de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² bedraagt, de goothoogte maximaal 3,20 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter. 9.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 9.3

Nadere eisen

9.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 9.3.2 Voorwaarden De in artikel 9.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het

36

plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 9.4

Afwijken van de bouwregels

9.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 9.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 9.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 9.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 9.2.3 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 9.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 9.4.1 en 9.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 9.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. evenementen zijn toegestaan. 9.6

Wijzigingsbevoegdheid

9.6.1 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen: a. in die zin dat de categorie-indeling van de van deze regels deel uitmakende Staat van Horeca-activiteiten wordt gewijzigd, indien en voor zover een wijziging van de belasting van de desbetreffende typen van horeca-activiteiten op het milieu als gevolg van technologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geeft; 9.6.2 Voorwaarden Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 9.6.1 sub a dient een milieudeskundige te worden gehoord met betrekking tot de vraag of aan de in dat artikel genoemde criteria voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is voldaan. 9.6.3 Procedureregel Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 9.6.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 35 van toepassing.

37

Artikel 10 Maatschappelijk 10.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding “begraafplaats”: uitsluitend een begraafplaats; b. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk - molen”: uitsluitend een molen; c. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 10.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 10.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk - molen” het bouwwerk vanaf de grens van het bouwvlak maximaal 5 meter mag uitkragen; b. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; c.

indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%. 10.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk - molen” bedraagt de bouwhoogte van een gebouw maximaal 30 meter. 10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 10.3

Nadere eisen

10.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 10.3.2 Voorwaarden De in artikel 10.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 10.4

Afwijken van de bouwregels

38

10.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 10.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 10.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 10.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 10.2.3 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 10.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 10.4.1 en 10.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

39

Artikel 11 Natuur 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Natuur” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud en de versterking van natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, water en (primaire) waterlopen; b. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van natuur - getijdengebied”: tevens het behoud en de bescherming van het getijdengebied; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van waarde - hydrologische beschermingszone”: tevens het behoud en de bescherming van hydrologische waarden; d. dagrecreatief medegebruik, zoals strandbezoek, varen, wandelen, fietsen en paardrijden; e. visserij; f. (vaar)wegen, paden, parkeervoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 11.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van terreinbeheer; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder maximaal één radarinstallatie. 11.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en de bouwhoogte van een gebouw bedragen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter.

11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van een radarinstallatie bedraagt maximaal 15 meter; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 11.3

Nadere eisen

11.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing en afmetingen van gebouwen en bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van aangrenzende gronden; d. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 11.3.2 Voorwaarden De in artikel 11.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 11.4

Afwijken van de bouwregels

11.4.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 11.2.2 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter. 40

11.4.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11.4.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 11.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. het omzetten van grasland in bouwland dan wel het scheuren van grasland ten behoeve van graslandverbetering ofwel doorzaaien is niet toegestaan; b. het storten en lozen van specie is niet toegestaan. 11.6

Afwijken van de gebruiksregels

11.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 11.1 voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit die voorkomt in categorie A of B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging" ter plaatse van een gebouw ten behoeve van terreinbeheer, mits deze activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van aangrenzende gronden; b. artikel 11.5 sub b voor het storten en lozen van specie. 11.6.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11.6.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 11.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 11.7.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b.

het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen; c. het wijzigen dan wel verwijderen, ofwel het vellen of rooien, van houtwalprofielen en houtgewassen; d. het beplanten van gronden met houtgewassen; e. het aanbrengen, verleggen en verbreden van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie en/of natuurrecreatie, zoals picknickplaatsen; h. het graven, verbreden, dempen van sloten, het geheel of gedeeltelijk dempen van drinkputten en welen, het aanleggen van gesloten drainagesystemen of het diepploegen dieper dan 30 cm; i. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van waarde - hydrologische beschermingszone”: het uitvoeren van werkzaamheden met hydrologische gevolgen; j. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van natuur - getijdengebied” het zuigen en baggeren van specie en schelpen, de kokkelvisserij of het op mechanische wijze spitten van pieren.

41

11.7.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden Het in artikel 11.7.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer, mits deze niet leiden tot onevenredige schade aan en/of onomkeerbare gevolgen voor de landschappelijke of archeologische waarden; b. werken en/of werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de instandhouding van de waterkering; c. werken en/of werkzaamheden welke worden uitgevoerd in een Natura 2000-gebied in de zin van de Wet natuurbescherming en handelingen opleveren waarvoor een vergunning op grond van die wet is vereist, dan wel handelingen welke zijn voorzien in een beheerplan als bedoeld in de Wet natuurbescherming. 11.7.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden a. werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 11.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien hierdoor de in artikel 17.1 genoemde waarden: 1. niet worden aangetast of 2. niet significant worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en indien mitigerende en zonodig compenserende maatregelen worden getroffen; b.

alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op gronden die blijkens de bestemming een waterstaatkundige functie hebben, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de waterkeringbeheerder omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de waterstaatkundige functie niet wordt geschaad; c. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die betrekking heeft op een gebied aangewezen als “vrijwaringszone - molenbiotoop” winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de windvang voor de molen of de waarde van de molen als landschapbepalend element niet onevenredig in gevaar wordt of kan worden gebracht.

42

Artikel 12 Recreatie - Dagrecreatie 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Recreatie - Verblijfsrecreatie” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dagrecreatie; b. ter plaatse van de aanduiding “manege”: uitsluitend een manege; c. ter plaatse van de aanduiding “volkstuin”: uitsluitend volkstuinen; d. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - appartementen”: tevens maximaal twee appartementen op de verdiepingen voor recreatief nachtverblijf; e. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - buitensportcentrum”: uitsluitend een buitensportcentrum, alsmede maximaal tien tenten voor recreatief nachtverblijf; f. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - jachthaven 1”: uitsluitend een jachthaven met bijbehorende voorzieningen voor opslag en stalling, overige recreatieve voorzieningen ten behoeve van de jachthaven, algemene havenvoorzieningen ten behoeve van de beroeps- en pleziervaart en detailhandelsvoorzieningen ten dienste van de bestemming; g.

ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - jachthaven 2”: uitsluitend een jachthaven met bijbehorende voorzieningen voor opslag en stalling, overige recreatieve voorzieningen ten behoeve van de jachthaven, algemene havenvoorzieningen ten behoeve van de beroeps- en pleziervaart en detailhandelsvoorzieningen ten dienste van de bestemming, alsmede maximaal twaalf trekkershutten voor recreatief nachtverblijf; h. horeca, voorkomend in categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten, als ondergeschikte nevenactiviteit bij de ter plaatse uitgeoefende activiteiten, met dien verstande dat horeca niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding “volkstuin”; i. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; j. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 12.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”: maximaal één bedrijfswoning; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 12.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a.

de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; b. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%. 12.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van een gebouw buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 3,5 meter; b. de oppervlakte van een gebouw buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 20 m²; a. ter plaatse van de aanduiding “manege”: 1. worden de gebouwen uitsluitend gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; 2. bedraagt de vloeroppervlakte van een kantine maximaal 20 m²; 3. bedragen de goot- en de bouwhoogte van gebouwen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter; 4. bedraagt de inhoud van een bedrijfswoning maximaal 750 m³; 5. mogen achter (het verlengde van) de voorgevel van een bedrijfswoning bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, waarvan de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² bedraagt, de goothoogte maximaal 3,20 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter; b. ter plaatse van de aanduiding “volkstuin”:

43

1. mogen per volkstuin maximaal één materiaalberging en maximaal één kas worden gebouwd; 2. bedraagt de oppervlakte van een materiaalberging of kas maximaal 6 m²; 3. bedraagt de bouwhoogte van een materiaalberging of kas maximaal 2,5 meter; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - buitensportcentrum”: 1. worden de gebouwen uitsluitend gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; 2. bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen maximaal 650 m²; 3. bedragen de goot- en de bouwhoogte van gebouwen respectievelijk maximaal 4 meter en 8 meter; d. ter plaatse van de de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - jachthaven 1”: 1. worden de gebouwen uitsluitend gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; 2. bedragen de goot- en de bouwhoogte van gebouwen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven; 3. bedraagt de afstand tussen gebouwen en de perceelsgrens minimaal 5 meter; e. ter plaatse van de de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - jachthaven 2”: 1. worden de gebouwen uitsluitend gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; 2. bedragen de goot- en de bouwhoogte van gebouwen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven; 3. bedraagt de afstand tussen gebouwen en de perceelsgrens minimaal 5 meter; 4.

bedraagt de inhoud van een bedrijfswoning maximaal 750 m³; 5. mogen achter (het verlengde van) de voorgevel van een bedrijfswoning bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, waarvan de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² bedraagt, de goothoogte maximaal 3,20 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter. 12.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - buitensportcentrum” bedraagt de hoogte van een klimtoren en klimparcours maximaal 20 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 6 meter. 12.3

Nadere eisen

12.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 12.3.2 Voorwaarden De in artikel 12.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 12.4

Afwijken van de bouwregels

12.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 12.2.2 sub f onder 3 voor een kleinere afstand tot op de perceelsgrens; b. artikel 12.2.2 sub g onder 3 voor een kleinere afstand tot op de perceelsgrens. 12.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: 44

a. artikel 12.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 12.2.3 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 12.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 12.4.1 en 12.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 12.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. ter plaatse van de aanduidingen “specifieke vorm van recreatie - jachthaven 1” en “specifieke vorm van recreatie - jachthaven 2” mogen respectievelijk 270 en 1.080 ligplaatsen aanwezig zijn; b. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - buitensportcentrum” zijn de kampeermiddelen uitsluitend toegestaan gedurende het kampeerseizoen; c. het permanent bewonen of laten bewonen van kampeermiddelen en recreatiewoningen is niet toegestaan; d. evenementen zijn toegestaan. 12.6

Afwijken van de gebruiksregels

12.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 12.5 sub a voor het uitbreiden van het aantal ligplaatsen. 12.6.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 12.6.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 12.7

Wijzigingsbevoegdheid

12.7.1 Wijzigen bestemming Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden met de aanduiding “volkstuin”, opgenomen in de "wetgevingszone - wijzigingsgebied 3", te wijzigen in de bestemming “Natuur”, met dien verstande dat het plan zal worden gewijzigd nadat ten behoeve van reservaatvorming en/of natuurontwikkeling de gronden op vrijwillige basis en gebruiksvrij zijn verworven. 12.7.2 Procedureregel Bij het toepassen van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 12.7.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 35 van toepassing.

45

Artikel 13 Recreatie - Verblijfsrecreatie 13.1 Bestemmingsomschrijving De voor “Recreatie - Verblijfsrecreatie” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding “verblijfsrecreatie 1”: verblijfsrecreatieve voorzieningen; b. ter plaatse van de aanduiding “verblijfsrecreatie 2”: verblijfsrecreatieve voorzieningen met detailhandelsvoorzieningen en horeca, voorkomend in categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten, ten dienste van de bestemming; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - kampeerterrein”: uitsluitend een landschapscamping als nevenactiviteit van het naastgelegen agrarisch bedrijf aan de Muidenweg 10 te Wolphaartsdijk; d. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten in bedrijfswoningen; e. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 13.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. ter plaatse van de aanduiding “verblijfsrecreatie 2”: maximaal één bedrijfswoning; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 13.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a.

de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; b. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%. 13.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding “verblijfsrecreatie 1”: 1. worden de recreatiewoningen uitsluitend gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; 2. bedraagt het aantal recreatiewoningen maximaal het op de verbeelding aangegeven aantal; 3. bedraagt de bebouwde oppervlakte van een recreatiewoning en bijbehorende bouwwerken gezamelijk maximaal 90 m²; 4. bedragen de goot- en de bouwhoogte van een recreatiewoning en bijbehorende bouwwerken respectievelijk maximaal 3,2 meter en 6 meter; 5. bedraagt de afstand tussen een recreatiewoning en de perceelsgrens minimaal 2 meter; b. ter plaatse van de aanduiding “verblijfsrecreatie 2”: 1. worden de gebouwen uitsluitend gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; 2. bedragen de goot- en de bouwhoogte van gebouwen respectievelijk maximaal 6 meter en 10 meter; 3. bedraagt de afstand tussen gebouwen en de perceelsgrens minimaal 2 meter; 4. bedraagt de inhoud van een bedrijfswoning maximaal 750 m³; 5.

mogen achter (het verlengde van) de voorgevel van een bedrijfswoning bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, waarvan de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² bedraagt, de goothoogte maximaal 3,20 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter; c. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - kampeerterrein”: 1. worden de gebouwen uitsluitend gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; 2. bedragen de goot- en de bouwhoogte van gebouwen respectievelijk maximaal 4,5 meter en 10 meter; 3. bedraagt de afstand tussen gebouwen en de perceelsgrens minimaal 2 meter; 4. bedraagt de oppervlakte van sanitaire voorzieningen maximaal 5 m² per standplaats. 46

13.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 6 meter. 13.3

Nadere eisen

13.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 13.3.2 Voorwaarden De in artikel 13.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 13.4

Afwijken van de bouwregels

13.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 13.2.2 sub a onder 5 voor een kleinere afstand tot op de perceelsgrens; b. artikel 13.2.2 sub b onder 3 voor een kleinere afstand tot op de perceelsgrens; c. artikel 13.2.2 sub c onder 3 voor een kleinere afstand tot op de perceelsgrens. 13.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 13.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 13.2.3 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter. 13.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 13.4.1 en 13.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 13.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. het gebruiken, doen of laten gebruiken van gronden als uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeermiddelen is niet toegestaan anders dan ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - kampeerterrein”; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12584641/1