CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

AGendapunt 05. Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen Bijlagen toelichting

Oordeelsvormende raad 9 december 2021, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Nieuwe Rijksweg 's Heer Hendrikskinderen24.816 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen Bestemmingsplan Ontwerp adviseurs • ingenieurs • openbare ruimte

COLOFON Documentgegevens Titel Rapportnummer Datum Status IMRO Gemeente

Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen 000138 28 juni 2021 ontwerp NL.IMRO.0664.BPHH11-ON99 Goes

Opdrachtnemer Naam Adresgegevens Auteur(s) Contactgegevens

Juust Goessestraatweg 17A 4421 AD Kapelle Janita van Gastel +31(0) 85 902 0222

Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen

Inhoudsopgave Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

Archeologisch onderzoek

4

Bijlage 2

Advies archeologie

86

Bijlage 3

Bodemonderzoek

89

Bijlage 4

Stikstofberekening

186

Bijlage 5

Quickscan Flora Fauna

201

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek

215

Bijlage 7

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

297

Bijlage 8

Nota inspraak en overleg

306

Juust

2

Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen

Bijlagen toelichting

Juust

3

Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek

Juust

4

Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐Heer Hendrikskinderen Nieuwe Rijksweg 2C‐2D Gemeente Goes Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐Heer Hendrikskinderen Nieuwe Rijksweg 2C‐2D Gemeente Goes Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

F.M.J. Delporte J.E.M. Wattenberghe

Colofon Titel

‘s‐Heer Hendrikskinderen Nieuwe Rijksweg 2C‐2D. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Auteur(s)

drs. F.M.J. Delporte, drs. J.E.M. Wattenberghe

Status rapport

Definitief

Datum

13 mei 2019

Projectcode

2019ART3

Projectleider

drs. F.M.J. Delporte

Projectmedewerker(s)

drs. F. Stevens (veldwerk)

Opdrachtgever

Juust

ISBN

2213 7424

Autorisatie

Naam

J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Archeoloog)

Datum

13 mei 2019

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact‐info.nl W www.artefact‐info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2019 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies.

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Inhoud Samenvatting ................................................................................................................................5 Administratieve Gegevens ............................................................................................................ 7 1

Inleiding

1.1

Aanleiding, doel en opzet van het onderzoek.................................................................... 9

1.2

Beleidskader .................................................................................................................... 10

1.3

Plangebied: afbakening en (toekomstig) grondgebruik ................................................... 12

2

Archeologisch Bureauonderzoek

2.1

Onderzoeksmethode ....................................................................................................... 14

2.2

Aardkundige Waarden ..................................................................................................... 15

2.2.1

Inleiding ................................................................................................................... 15

2.2.2

Algemene geologische geschiedenis ........................................................................ 15

2.2.3

Geologie, landschap en bodem ................................................................................ 18

2.2.4

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ............................................................... 21

2.3

Bewoningsgeschiedenis ................................................................................................... 23

2.3.1

Algemene bewoningsgeschiedenis van Zeeland ...................................................... 23

2.3.2

Historische gegevens ............................................................................................... 32

2.3.3

Archeologische Gegevens ........................................................................................ 43

2.4 3

Archeologisch verwachtingsmodel .................................................................................. 50 Inventariserend veldonderzoek

3.1

Doel en methode ............................................................................................................. 53

3.2

Resultaten........................................................................................................................ 55

4

Conclusie en Advies

4.1

Conclusie ......................................................................................................................... 57

4.2

Advies .............................................................................................................................. 58

Bronnen ...................................................................................................................................59 Verklarende Woordenlijst ........................................................................................................ 63 Tijdstabel.................................................................................................................................65 Bijlage 1

Verkavelingsplan

Bijlage 2

Boorstaten 3

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Samenvatting In opdracht van de Juust voerde Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in maart 2019 een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit binnen het plangebied Nieuwe Rijksweg 2C en 2D te ’s‐Heer Hendrikskinderen. De aanleiding wordt gevormd door het voornemen om het voormalige winkelterrein opnieuw in te richten en 30 percelen voor woningbouw te realiseren. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan Bebouwde Kom 's‐Heer Hendrikskinderen (2008) de enkelbestemmingen bedrijf en detailhandel. Om de geplande herinrichting mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Het onderzoek werd uitgevoerd in het kader van dit nieuwe bestemmingsplan. De onderzoeksresultaten laten toe te stellen dat binnen het plangebied geen verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit het neolithicum tot en met Romeinse tijd bestaat. Voor de middeleeuwen en nieuwe tijd geldt echter een hoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen, die mogelijk gerelateerd zijn aan het voormalige kasteel Huis te Werve. Eventuele archeologische resten kunnen aangetroffen worden onder de recente verharding en het hieronder gelegen opgebrachte pakket vanaf een diepte tussen 0,35 en 0,5 m –mv.

Om die reden wordt geadviseerd om in het nieuw op te stellen bestemmingsplan een dubbelbestemming waarde archeologie op te nemen in het gehele plangebied. Voor het oostelijke deel van het plangebied geldt dan een oppervlaktevrijstellingsgrens van 250 m² en een dieptevrijstelling tot 0,4 m ‐mv. Voor het westelijke deel van het plangebied, binnen de grenzen van de gemeentelijke vindplaats, geldt dan een oppervlakte‐vrijstellingsgrens van 50 m² en een dieptevrijstelling tot 0,4 m ‐mv. Indien bij de geplande herinrichting (graaf)werkzaamheden plaatsvinden die strijdig zijn met de regels in het nieuwe bestemmingsplan zal archeologisch vervolgonderzoek moeten worden uitgevoerd. Conform de AMZ‐cyclus dient dergelijk vervolgonderzoek te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven. Voorliggend rapport en bijhorend advies werd getoetst door de adviseur archeologie van de gemeente Goes. Het rapport werd goedgekeurd met die kanttekening dat aan de bevoegde overheid geadviseerd werd voor het hele plangebied één en dezelfde dubbelbestemming waarde Archeologie op te nemen in het bestemmingsplan met de vrijstellingsgrenzen 50 m² en 0,40 m‐mv.

5

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Administratieve Gegevens Onderzoeksvorm

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Projectnaam

‘s‐Heer Hendrikskinderen Nieuwe Rijksweg 2C‐2D

Locatie Provincie

Zeeland

Gemeente

Goes

Plaats

‘s‐Heer Hendrikskinderen

Adres / Locatie

Nieuwe Rijksweg 2C‐2D

RD coördinaten

NO

49.377 / 391.739

ZO

49.410 / 391.675

NW

49.134 / 391.648

W

49.152 / 391.614

Kaartblad

65 G

Kadastraal perceel

Goes, Sectie L, nrs. 445, 617 en W, nr. 343.

Oppervlakte plangebied

Circa 1,32 ha

Vigerende bestemmingsplan

Bebouwde Kom 's‐Heer Hendrikskinderen (2008).

Bekende waarden binnen plangebied AMK status

‐

Archis vondstlocatie

‐

Zeeuws Archeologisch Depot

‐

Opdrachtgever Naam

Juust

Contactpersoon

Mevr. J. van Gastel

Adres

Goessestraatweg 19, 4421 AD Kapelle

Contactgegevens

T

085 9020 222

E

janita@juust.nl

Bevoegde Overheid Naam

Gemeente Goes

Contactpersoon

Dhr. A. Dorleijn

Adres

Postbus 2118, 4461 GE Goes

Contactgegevens

T

0113 249714

E

a.dorleijn@goes.nl

7

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Adviseur Bevoegde Overheid Naam

OAS ‐Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband

Contactpersoon

Dhr. K.J.R. Kerckhaert

Adres

Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Contactgegevens

T

0118 670870

E

Kjr.kerckhaert@goes.nl

Beheer en plaats van documentatie en vondsten Naam

Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) Erfgoed Zeeland (EZ)

Adres

Looierssingel 2, Postbus 49, 4330 AA Middelburg depot@erfgoedzeeland.nl

Depotbeheerder

dhr. J.J.H. van den Berg T

0118 670618

E

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

Uitvoerder Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.

Contactpersoon

Drs. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Contactgegevens

T

0115 851614

E

janwattenberghe@artefact‐info.nl

Onderzoeksgegevens Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Uitvoeringsperiode

Maart 2019

Projectnummer Artefact

2019ART3

Archis onderzoeksmelding

BO: 4677276100; IVOO: 4681163100

8

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

1

Inleiding

1.1

Aanleiding, doel en opzet van het onderzoek

In opdracht van de Juust voerde Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in maart 2019 een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit binnen het plangebied Nieuwe Rijksweg 2C en 2D te ’s‐Heer Hendrikskinderen. De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen om het voormalige winkelterrein, gelegen binnen het plangebied, te herontwikkelen. De totale oppervlakte beslaan circa 1,32 ha. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan Bebouwde Kom 's‐Heer Hendrikskinderen (2008) de enkelbestemmingen bedrijf en detailhandel. De gemeente Goes heeft een archeologiebeleid dat in 2011 werd vastgesteld. Dit nieuwe beleid werd nog niet vertaald in de ‘oudere’ bestemmingsplannen maar de omgang met archeologie is geregeld in de Erfgoedverordening. Het plangebied is op de beleidsadvieskaart grotendeels gesitueerd in een zone waarvoor een vrijstellingsgrens van 250 m2 en een dieptevrijstelling tot 0,4 m. Het westen van het plangebied is gelegen in een zone waarvoor slechts een vrijstelling geldt van 50 m2 en 0,4 m. De geplande herinrichting past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. In het kader van het nieuw op te stellen bestemmingsplan dient een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen te worden voorgelegd.

Afbeelding 1

Ligging van het plangebied in Nederland.

Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen een omschreven gebied, om daarmee te komen tot een specifieke archeologische verwachting. Dit verwachtingsmodel wordt middels een verkennend booronderzoek getoetst. Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een specifieke archeologische verwachting, op basis

9

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

waarvan een beleidsbeslissing genomen kan worden ten aanzien van (eventueel) vervolgonderzoek. Het rapport bevat, waar mogelijk, gegevens over aan‐ of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden en aardwetenschappelijke eigenschappen. Het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen werd uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 4.1 en de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland.1

1.2

Beleidskader

Rijk Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (mogelijk in 2019 in werking tredende) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Daarnaast is er op landelijk niveau een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en ‐vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per Periode en Complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd.

Provincie Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017‐2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld2. In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast heeft de provincie in 2009 aanvullende richtlijnen opgesteld voor het uitvoeren van een Bureauonderzoek, onderzoek op veen en onderzoek op dagzomend en dun afgedekt dekzand. Deze werden in 2014 en 2017 geactualiseerd en aangevuld.3 In 2008 werd een Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland (POAZ) opgesteld die in 2016 werd geëvalueerd4. Naar aanleiding daarvan is ook de POAZ 2017‐2020 opgesteld en gepubliceerd5. Voor de periode 2017 – 2020 zijn hierin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland geselecteerd.

1 Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 3112, 14 juli 2017. 2 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 3112, 14 juli 2017. 4 Van Dierendonck, 2016. 5 Provincie Zeeland, 2017.

10

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 2 Ligging van het plangebied op de Topografische Kaart. Schaal 1: 15.000. Bron: ESRI, het Kadaster 2019.

Gemeente Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. Het onderhavig archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd binnen het kader van het ruimtelijke ordeningsbeleid, de beleidsnota en de beleidskaart van de gemeente Goes. Deze werd in 2011 door Vestigia BV opgesteld en vervolgens door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Goes onderschreven. Het is sindsdien geldig als beleid. Dit gemeentelijk beleid is meegenomen in de verschillende sinds 2011 opgestelde bestemmingsplannen. Voor gebieden waar archeologieregels opgenomen zijn in het bestemmingsplan zijn deze leidend en primeren deze boven het gemeentelijk beleid. In gebieden met oudere bestemmingsplannen wordt het gemeentelijke beleid gevolgd. Op de beleidskaart van de gemeente wordt het westen van het plangebied afgebeeld binnen een gebied met archeologische waarde. Het overige deel bevindt zich in een gebied met een hoge verwachting op

11

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

het aantreffen van vindplaatsen. Op basis van de Erfgoedverordening geldt voor deze gebieden een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 50 en 250 m2 én dieper reiken dan 0,40 m ‐mv. In de beleidsnota van de gemeente is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld (laag 1‐4). Het grootste deel van de bekende archeologische informatie is afkomstig uit laag 1 (de bovenste laag). Het gaat daarbij vooral om relatief jonge (klei)bodems. Deze zijn op basis van bodemkundige kenmerken onderverdeeld in hoge, middelhoge en lage verwachting. Onder laag 1 liggen afgedekte, oudere landschappen: hierin kunnen prehistorische en Romeinse sporen van bewoning en gebruik zijn geconserveerd (laag 2‐4). De archeologische maatregelenkaart‐in‐lagen bestaat dan ook uit vier laagniveaus. Deze niveaus zijn gebaseerd op de geologische lagen die in Zeeland voorkomen:    

Laag 1: Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) Laag 2: Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) Laag 3: Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) Laag 4: Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel)

Voor het bepalen van de archeologische waarde van deze geologische niveaus werden deze getoetst aan gekende landschappelijke, bodemkundige en archeologische waarnemingen. Op basis van deze gecombineerde gegevens werd de kaart opgedeeld in zones met verschillende maatregelcategorieën. Elke categorie (1 tot 8) vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of – wanneer de waarde nog niet is vastgesteld – een archeologische verwachting. Op de Maatregelenkaart Laag 1 (Laagpakket van Walcheren) is het westen van het plangebied gelegen in een zone met categorie 2, terreinen van archeologische waarde. Het oosten van het plangebied maakt deel uit van een zone met categorie 4, een zone met een hoge verwachting. Op Laag 2 (Hollandveen), 3 (Laagpakket van Wormer) en 4 (Laagpakket van Wierden) is het plangebied integraal gelegen binnen een ruime zone met categorie 8: geen verwachting.

1.3

Plangebied: afbakening en (toekomstig) grondgebruik

Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de dorpskern van ’s‐Heer Hendrikskinderen. Het betreft de percelen behorende bij de Nieuwe Rijksweg 2C en 2D. Het plangebied omvat drie percelen kadastraal bekend onder Gemeente Goes, Sectie L, Perceel 617 en 445 en Sectie W, Perceel 343. De totale oppervlakte betreft circa 1,32 ha. Binnen het plangebied zullen na sloop van de bestaande opstallen (tuincentrum en verharding) 30 percelen voor woningbouw gerealiseerd worden. Daartoe is een verkavelingsplan opgesteld (zie afbeelding 3). Exacte verstoringsgegevens met oppervlakte en diepte van de realiseren graafwerkzaamheden zijn nog niet bekend.

12

ARTEFACT! RAPPORT 443

Afbeelding 3

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Verkavelingsplan. Bron: opdrachtgever.

13

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

2

Archeologisch Bureauonderzoek

2.1

Onderzoeksmethode

Voorliggend Archeologisch Bureauonderzoek werd uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 4.1 en de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland6. Om tot een specifieke archeologische verwachting te komen werden volgende werkzaamheden uitgevoerd:  bepalen van het onderzoekskader (aanleiding onderzoek en begrenzing onderzoeksgebied);  het vaststellen van het huidige en historische gebruik van het onderzoeksgebied en naaste omgeving door het raadplegen van de beheerder/eigenaar van de grond en/of de opdrachtgever en de door hen overgedragen gegevens;  het vaststellen van de toekomstige inrichting van het onderzoeksgebied;  het raadplegen van de gemeentelijke maatregelenkaart‐in‐lagen;  het bepalen van de landschappelijke (geologische en bodemkundige) kenmerken aan de hand van bestudering van de bodem‐, geologische en geomorfologische kaarten  het bestuderen van oude kaarten;  het raadplegen van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN);  het raadplegen van relevante literatuur en luchtfoto’s;  het inventariseren van gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort;  het raadplegen van de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Nederland;  het raadplegen van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) en AWN.  Het raadplegen van het gemeentelijk archief.

Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van de hieronder genoemde historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het onderzoeksgebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in het rapport.  Kaart van Zeeland. Jacob van Deventer, 1546;  Minuutkaart en Netkaart door Jacob van Deventer, 1572;  Ostium Scaldis, Kaart van de Zeeuwse Delta uit het midden van de 16de eeuw, door C. Sgrooten, 1573;  Zelandiae comitatus. Het nieuwe aanzien van westelijk Staats‐Vlaanderen. N. Visscher, 1656 ;  Topographie de la Zelande, Le rouge (naar Visscher‐Roman), 1748;  Kaart van Zeeland door D.W.C. Hattinga 1753;  Kadastrale Kaart (Minuutkaart), Goes Sectie A, circa 1832;  Topografische Militaire Kaart, Veldminuut Goes en Omgeving, door Hubar, 1857;  Gemeente‐atlas door Kuyper, 1867;  Kaart van Witkamp, 1883;  Topografische Militaire Kaart (Bonnebladen): 1914;  Topografische Kaart: 1950, 1962, 1972, 1984, 1993;  Overzichtskaart van Zuid‐Beveland door C. Dekker;  Luchtfoto’s en satellietfoto’s 1944, 1959, 1972, 1989, 2003, 2005, 2007, 2008 en 2010 tot 2017.

6 Aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland 2014: Hoofdstuk 1: Bureauonderzoek.

14

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

2.2

Aardkundige Waarden

2.2.1

Inleiding

In dit rapport is gekozen om zo veel mogelijk de lithostratigrafische nomenclatuur te gebruiken en dus zo veel mogelijk de Duinkerke‐transgressies buiten beschouwing te laten. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven waarin de oude nomenclatuur (RGD, van Rummelen 1960) ‘vertaald’ wordt naar de huidige (De Mulder et al. 2003). Tabel 1 Vertaling van de oude naar de nieuwe lithostratigrafische nomenclatuur. Bron: De Mulder et al. 2003.

Oude nomenclatuur

Nieuwe nomenclatuur

Formatie van Twente

Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel)

Basisveen

Basisveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop)

Afzettingen van Calais

Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk)

Hollandveen

Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop)

Afzettingen van Duinkerke

Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk)

2.2.2

Algemene geologische geschiedenis

De omgeving van het plangebied behoort tot het zuidwestelijke zeekleigebied en is gelegen op Zuid‐ Beveland. De geologische basis, die bepalend is voor het uitzicht van het huidige landschap, begint na het laatste glaciaal (weichselien, laat‐paleolithicum, tot 9.700 v. Chr.). Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het preboreaal en boreaal (mesolithicum, 8.400 – 6.950 v. Chr.) stijgt de zeespiegel en vernat het pleistocene landschap langzaam (zie afbeelding 4). Hierdoor begint zich op lager gelegen delen van het landschap een laag basisveen te vormen. Dit fenomeen deed zich eerst voor in het noorden van Beveland, maar de veengrens verschuift hierna door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op naar het zuiden. Aan het veenvormingsproces komt een einde in het vroeg‐atlanticum (circa 6.000 v. Chr., laat‐mesolithicum).7 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking loopt het noordelijke deel van Zeeland geleidelijk onder water en ontstaat een getijdengebied met platen, slikken en schorren. Grote delen van het pleistocene landschap worden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) zijn bij een open kust gevormd in het midden‐ en laat‐atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). Deze afzettingen zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden.

7 Van Rummelen, 1978, 62‐64.

15

ARTEFACT! RAPPORT 443

Vanaf het subboreaal stagneert de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er worden meer kleiige sedimenten afgezet. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Deze wortels zijn een indicatie voor de veenvorming die begint plaats te vinden. Vanaf deze periode begint het getijdengebied geleidelijk te verlanden en plaatselijk begint er zich veen te vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het midden‐subboreaal (laat‐neolithicum, 3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstaat met daarachter een groot veenlandschap bestaande uit een veenmoeras met kleine vennen en veenstroompjes.8 Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend.

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 4 Curve van de holocene zeespiegelstijging in het zuidwestelijke kustgebied van Nederland. Bron: De Boer 2008, naar Kiden 1995.

Aanwijzingen voor bewoning tot in het vroeg‐ subatlanticum (ijzertijd, 250 v. Chr.) zijn vooral aangetroffen in het strandwallengebied en bij Brabers. Voor de late‐ijzertijd en vroeg‐Romeinse tijd lijkt er ook een concentratie in de duingebieden en nabij de goed ontwaterde veengebieden langs de Schelde in het noorden van Walcheren en op Zuid‐Beveland ontstaan te zijn. Pas in de periode dat de mariene invloed was afgenomen en delen van het hoog opgegroeide veen voldoende ontwaterd zijn, worden de overige veengebieden bewoond. Vanaf de Flavische periode (midden‐Romeinse tijd) lijkt er dan ook een gestage stijging van de bewoning te hebben plaatsgevonden. Gedurende deze Romeinse perioden worden grote delen van het veengebied ten behoeve van de grootschalige verbreiding van de bewoning ontwaterd. Dit deed men door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes en watergangen. Doordat het ontwaterde veen ging inklinken krijgt de zee opnieuw vat op dit gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2e helft van de 2e eeuw.

De Romeinse bewoning kende mede hierdoor (maar ook ten gevolge van andere redenen van sociaaleconomische en politiek‐ militaire aard), een terugval of op z’n minst een hiaat in bewoning in het laatste kwart van de 2e eeuw (midden‐Romeinse tijd) maar bloeide, in zekere mate nadien opnieuw op. Vanaf het midden‐ subatlanticum (laat‐Romeinse tijd) kan de zee dan ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstaat. De bewoning is op dat moment reeds sterk terug gelopen. Vanaf het derde kwart van de 3e eeuw is er namelijk een sterke daling in de bewoning vastgesteld op basis van archeologisch onderzoek. Deze zal niet enkel het gevolg zijn van de onrusten ten gevolge van de Germaanse stammen maar ook van de toenemende vernatting van het landschap.9 Bewoning uit de laat‐Romeinse tijd is dan ook zo goed als ongekend, enkel op de duinen op Westerschouwen en bij Domburg en Aardenburg lijkt er sprake van bewoningscontinuïteit.

8 Vos en van Heeringen, 1997, 28. 9 De Clercq en Van Dierendonck, 2008, de Clercq, 2009 en van Dierendonck, 2012.

16

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

De Schelde volgt op dat moment grotendeels de huidige bedding van de Oosterschelde, maar heeft mogelijk een brede zijarm die doorheen Zuid‐Beveland stroomt. Volgens Steur en Ovaa loopt deze bedding vanaf het gebied ten noorden van Arnemuiden zuidwaarts tot bij Ellewoutsdijk. Hier buigt hij om en loopt naar het noordoosten richting Wemeldinge.10 Vos en van Heeringen geven een grotendeels gelijkaardig verloop voor de Schelde weer maar duiden verschillende kleinere zijtakken van de Schelde aan.11 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het midden‐subatlanticum (laat‐Romeinse tijd) resulteert in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hebben ingesneden worden zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden worden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand komen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak. In deze periode ontstaat ook de Honte, ten zuiden van Zuid‐Beveland. Deze getijdengeul ontwikkelt zich geleidelijk tot een zeegat die de Schelde met de zee zal verbinden. De Honte als waterweg wordt dan ook een belangrijk economisch gegeven in de middeleeuwen. De bewoning op Zuid‐Beveland in die periode situeert zich nog steeds op de hogere en drogere delen.

In dit onbedijkte land waren dit de oeverwallen langs Afbeelding 5 Patroon met natuurlijke en de kreken en, waar de kreken reeds volledig antropogene getijdengeulen op Walcheren. dichtgeslibd waren, de hoge inversieruggen. Ook Bron: Vos en van Heeringen, 1997. het schorrengebied raakt stilaan voldoende opgeslibd waardoor het slechts tijdens stormvloeden weer onder water te staan. Dit maakte deze gebieden ook economisch interessant. In die periode vindt er dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt ligt hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf de 11e en 12e eeuw beginnen de bewoners zich met dijken tegen het water te beschermen. Daarnaast worden er ook nieuwe gebieden ingepolderd. In het nieuw gewonnen land wordt naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen werd hoofdzakelijk gebruikt bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had een aanzienlijke verlaging en erosie van het oppervlak tot gevolg.12 Deze erosie werd in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken. Dit had tot gevolg dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kon hebben waarbij veel land verloren ging. Veel dorpen op Zuid‐Beveland zijn verdronken in de stormvloeden van 1530 en 1532, zoals deze waarvan de resten nu nog te vinden zijn in het Verdronken land van Zuid‐ Beveland.

10 Dekker 1971, 12‐14.

11 Vos & Van Heeringen 1997, bijlage II, kaart 13. 12 Dekker 1971, 20.

17

ARTEFACT! RAPPORT 443

2.2.3

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Geologie, landschap en bodem

Voor het verkrijgen van inzicht in de geologische opbouw van het plangebied en de directe omgeving daarvan, kan gebruik worden gemaakt van de Geologische overzichtskaart (TNO 2010), de oudere Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, Blad Beveland (RGD 1978), de Bodemkaart van Nederland (StiBoKa 1987) en de Geomorfologische kaart van Nederland (StiBoKa/RGD 1986). Een nadeel bij het gebruik is de relatieve grofschaligheid van deze kaarten. Deze informatie is niet bedoeld en ook niet bruikbaar voor een beoordeling op perceelsniveau. Wel bieden de kaarten kaders voor een globale inschatting van de geologische en de paleogeografische situatie.

Afbeelding 6 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Schaal 1:25.000. Bron: Van Rummelen 1978.

Projectie op de Geologische Kaart van Nederland (RGD 1978, afbeelding 6) geeft aan dat het plangebied gelegen is binnen een zone met code DO.2. Dit betekent dat hier geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II) aanwezig zijn. De geul waarin deze afzettingen zijn ontstaan heeft de oorspronkelijk aanwezige oudere afzettingen van het Hollandveen en het Laagpakket van Wormer weg geërodeerd. Het betreft hier een vrij een smalle geul gelegen binnen een ruimer gebied met komafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II) op Hollandveen en Het Laagpakket van Wormer (code AO.2). Op basis van de Bijkaart bij de Geologische

18

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Kaart ligt de top van het pleistocene dekzand in het plangebied tussen 15 en 20 m –NAP. De top is hier wellicht geërodeerd door de geul. Op de Geomorfologische Kaart van Nederland (afbeelding 7) bevindt het plangebied zich in een niet gekarteerde zone. Op basis van de omliggende waarden betreft het hier mogelijk een gebied met een getij‐inversierug (code 3K33). De Nieuwe Rijksweg is op deze kaart gelegen ter plaatse van een dijk met een hoogteverschil tussen 0,5 en 1,5 m (roze lijn op afbeelding 7).

Afbeelding 7 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Schaal 1:25.000. Bron: StiBoKa 1986.

Op de Bodemkaart van Nederland bevindt het plangebied zich eveneens in een niet gekarteerd gebied. Dit niet gekarteerd gebied bevindt zich in een zone met poldervaaggronden (zie afbeelding 8). Dergelijke gronden zijn relatief jonge zeekleigronden waarin nauwelijks of slechts in beperkte mate bodemvorming heeft plaatsgevonden. De in de omgeving van het plangebied gelegen poldervaaggronden zijn kalkrijk, zijn ontwikkeld in lichte zavel en hebben een homogeen aflopend of oplopend profiel (code Mn15A).

19

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 8 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Schaal 1: 25.000. Bron: StiBoKa 1987.

Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 2). Deze trappen geven een klassenindeling weer van de verschillende grondwaterstanden naar diepte en seizoensvariatie. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII (van respectievelijk extreem nat tot extreem droog). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. Het gekarteerde deel van het plangebied is gelegen in een zone met grondwatertrap VI. Tabel 2 Indeling grondwatertrappen.

grondwatertrap

I

II

III

IV

V

VI

GHG in cm ‐mv (< 20) (< 40) < 40 > 40 < 40 40 ‐ 80 GLG in cm ‐mv < 50 50‐80 80‐120 80‐120 > 120 > 120 GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand

VII > 80 (> 160)

20

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Ten behoeve van dit onderzoek zijn ook de boorgegevens uit het DINO‐loket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd. Deze boringen zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische lagen te achterhalen. Op basis van deze boringen is een ondergrondmodel samen te stellen voor een gekozen locatie waarbij boorgegevens worden geïnterpoleerd tot een voorspelling van de bodemopbouw op het gekozen punt. Uiteraard gaat het om de verwachte bodemopbouw die af kan wijken van de werkelijke situatie vanwege onbekende lokale omstandigheden. Volgens het ondergrondmodel op een puntlocatie ter plaatse van het centrum van het plangebied (appelboor GeoTop) is vanaf het maaiveld tot op een diepte van 15 m –mv (circa 14,75 m –NAP) zand en in mindere mate klei van het Laagpakket van Walcheren aanwezig. Het Laagpakket van Walcheren rust op een diepte van 15 m ‐mv rechtstreeks op de Formatie van Boxtel. Eerder in de omgeving uitgevoerde booronderzoeken (zie afbeelding 23 en tabel 3) hebben eveneens uitgewezen dat in de onmiddellijke omgeving van het plangebied geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig zijn en dat deze eventueel oorspronkelijk aanwezige oudere niveaus (Hollandveen en Laagpakket van Wormer) weg geërodeerd hebben.

2.2.4

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Tijdens het onderzoek werd het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd. Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser‐altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in (de omgeving van) het plangebied. De lager gelegen gebieden hebben een blauwe en groene kleur, de hoger gelegen delen hebben een gele tot rode kleur. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel in kaart worden gebracht, hetgeen belangrijk kan zijn voor de lokalisering van verdwenen nederzettingspatronen. Binnen stedelijke context blijkt het AHN, vanwege de bebouwing en nivellering, echter niet steeds een bruikbare bron, althans niet op perceelsniveau. Bij projectie van het plangebied op een grootschalige uitsnede van de AHN is te zien dat het plangebied (en ‘s‐Heer Hendrikskinderen) gelegen zijn op een relatief hoog rug (geel‐ en roodtinten op afbeelding 9) die een relatief laag gelegen gebied (blauwtinten op afbeelding 9) doorsnijdt. De grote, laag gelegen zone, bekend als De Poel betreft een komgebied. Het plangebied, en ‘s‐Heer Hendrikskinderen, zijn gelegen op een kleine inversierug in het komgebied. Ten zuiden van deze rug zijn in het komgebied nog meerdere hoger liggende, lijnvormige elementen waarneembaar (eveneens geeltinten op afbeelding 9).

Dit zijn wellicht eveneens de restanten van zijtakken van en fossiele inbraakgeul. Langs de noordelijke, westelijke, en in mindere mate, zuidelijke zijde van het komgebied is een reeks van dijken zichtbaar. Deze zijn hoog gelegen en worden op afbeelding 9 egaal rood afgebeeld. Ten noorden, westen en zuiden van de dijken ligt het maaiveld hoger dan in de Poel. Dit betreft hier recentere polders waar de zee veel langer sediment heeft kunnen afzetten tegen de dijk, waardoor het maaiveld hier beduidend hoger is komen te liggen dan binnen de Poel. Aan de oostelijke zijde van het weergegeven kaartbeeld is een brede inversierug die het komgebied van noord naar zuid doorkruist waar te nemen. Op deze brede rug is Goes gesitueerd. Ook de contouren van de oude vesting van Goes zijn duidelijk herkenbaar.

21

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 9 Projectie van het plangebied op een uitsnede van het AHN. Waarden hoger dan 2 m +NAP en lager dan 2 m –NAP zijn uitgefilterd. Schaal 1:50.000. Bron: AHN.

Op afbeelding 10 wordt de omgeving van het plangebied gedetailleerd weergegeven. Waarden boven 1,50 m +NAP en beneden 1,5 m –NAP zijn hier egaal (donkerrood c.q. donkerblauw) ingekleurd. De oude dorpskern van ‘s‐Heer Hendrikskinderen bestrijkt de volledige breedte van de geulrug en is gelegen op circa 0,7 tot 0,95 m +NAP. De kerk, in het zuidoosten van de dorpskern, ligt op een lichte verhevenheid (rode rand rondom het gebouw op afbeelding 10, circa 1,45 m +NAP). De Nieuwe Rijksweg, gelegen langs een oude dijk ligt hoger dan de eigenlijke dorpskern (meer dan 2 m +NAP). Binnen het plangebied bedraagt de maaiveldhoogte 0 tot 0,2 m +NAP.

22

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 10 Projectie van het plangebied op een uitsnede van het AHN. Waarden hoger dan 1,5 m +NAP en lager dan 1,5 m –NAP zijn uitgefilterd. Schaal 1:10.000. Bron: AHN.

2.3

Bewoningsgeschiedenis

2.3.1

Algemene bewoningsgeschiedenis van Zeeland

Ten behoeve van het opstellen van de archeologische verwachting wordt gebruik gemaakt van de relatie die bestaat tussen de situering van de archeologische vindplaatsen en het landschap, of zelfs specifieke landschapselementen. Deze relatie (locatiekeuzefactoren) verschilt per archeologische periode en per complextype. Omdat de locatiekeuze sterk gebonden is aan het landschap in Nederland in de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NoaA2) verdeeld in zogenaamde Archeoregio’s. Hierbij is het onderzoeksgebied ingedeeld bij het Zeeuws Zeekleigebied.

Paleolithicum (circa 300.000 – 8.800 v. Chr.) In Zeeland zijn vondsten uit het paleolithicum bijzonder schaars. De vroegste getuigen van menselijke aanwezigheid dateren uit het midden‐paleolithicum (tot circa 35.000 BC) en bestaan uit enkele afslagen en werktuigen, waaronder vuistbijlen, uit vuursteen. Deze relicten van Neanderthalers werden echter enkel in verspoelde (Cadzand), opgebaggerde (Ellewoutsdijk) of in losse context (Nieuw‐Namen en Serooskerke) aangetroffen. De circa 150.000 jaar oude vuistbijl die nabij Serooskerke aangetroffen is werd gevonden op de slikken bij de Schelpenhoek. Hoe deze vuistbijl op

23

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

de slikken terechtgekomen is blijft onbekend, volgens Jongepier is deze vermoedelijk opgevist uit de Hammen (een geul voor de kust bij Serooskerke) en samen met de overige inhoud van de netten op de schorren gedeponeerd.13 Het enige bekende Nederlands Neanderthaleroverblijfsel betreft het fragment van een schedel die 15 kilometer voor de Zeeuwse kust met een schelpenzuiger werd opgehaald.14 Ook van de daarop volgend periode, het laat‐paleolithicum (35.000 tot 8.800 BC), werden de meeste artefacten in secundaire context waargenomen: zo werden op het strand van Cadzand aangespoelde, en op de akkers rond Nieuw Namen vuurstenen werktuigen gevonden.15 Een bijzondere exponent uit deze periode is de zogenaamde Lyngby‐bijl, vervaardigd uit rendiergewei en opgebaggerd uit de Westerschelde nabij Ellewoutsdijk16. De meer dan 100 vuurstenen werktuigen van de Tjongercultuur die bij de bouw van een bejaardentehuis in Axel werden aangetroffen op een paleosol getuigen van de vroegste menselijke bewoning van Zeeland. De langgerekte pleistocene dekzandruggen in het zuiden van Zeeuws‐Vlaanderen nodigden blijkbaar uit tot het opslaan van kleine tijdelijke kampementen, getuige de spitsen, schrabbers, stekers en afslagen die werden verzameld. Bij het graven en boren van de Westerscheldetunnel kwamen ook de nodige dierlijke resten naar boven uit dit tijdperk.

Mesolithicum (circa 8.800 – 4.900 v. Chr.) Op het einde van de laatste ijstijd resulteerde een aangenamer klimaat in een veranderd landschap. In aanvang zal het huidige Noordzeebekken nog grotendeels droog hebben gelegen. Onder invloed van de klimaatwijziging veranderde en diversifieerde ook de dierenwereld. Het wild bestond onder andere uit oerrunderen, wisenten en edelherten, maar ook kleinere soorten als everzwijnen, bevers, otters en vogels. De mens was voor zijn dagelijks eten niet meer aangewezen op enkele diersoorten maar kon kiezen uit een breed voedselaanbod dat behalve door de jacht ook verkregen werd door te vissen en het verzamelen van noten en vruchten. Dit had grote gevolgen voor het nederzettingspatroon van de mens, aangezien hij niet langer over grote afstanden hoefde rond te trekken om in zijn onderhoud te voorzien, want voedsel was alom aanwezig in een dergelijk landschap. Kenmerkend voor het mesolithicum is dat men zich voor de jacht aan de nieuwe samenstelling van de meer kleinere wildsoorten ging aanpassen. Men ging allerlei kleinere en lichtere wapens gebruiken, zoals vuurstenen pijlen, benen vishaken en gevlochten visfuiken. De overvloed aan bepaalde voedselbronnen in een bepaald seizoen leidt tot meer seizoensgebonden kampementen. Mensen konden nu ook langer op één plaats blijven, maar de bewoning was nog niet permanent.

Waarschijnlijk trokken deze mesolithische gemeenschappen als nomaden rond, in een vast jaarcyclus van kamp naar kamp, binnen een eigen territorium. Het aangenamer klimaat zal in Zeeland hebben geresulteerd in een toename van de menselijke aanwezigheid. Vindplaatsen uit het mesolithicum zijn in Zeeland primair bekend uit Zeeuws‐ Vlaanderen. Deze vindplaatsen zijn daar aangetroffen in de top van het pleistocene dekzand. Het warmere klimaat zorgde echter voor een snel stijgende zeespiegel waardoor het oorspronkelijk, grotendeels droge Noordzeebekken onder water kwam te staan. Het rijzende water zorgde voor een sterk veranderend landschap waarbij veengroei en later sedimentaire afzettingen het oorspronkelijke landschap gaan bedekken. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vindplaatsen uit het Mesolithicum ook in de rest van Zeeland aanwezig. Deze zijn echter bijzonder moeilijk op te sporen omdat ze zijn bedekt 13 Jongepier, 2010, 31‐32 en 2012, 3. 14 Jongepier, 2009,15. 15 Kuipers en Swiers, 2005, 15. 16 Jongepier, 1995, 33.

24

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

onder een metersdik pakket van klei en veen. De vondst van een menselijke kies op het strand van Burgh‐Haamstede wijst in elk geval naar een wijd verbreide aanwezigheid van de mesolithische mens in ook de lager gelegen delen van het landschap gedurende deze periode. De bij Burgh‐Haamstede aangetroffen kies dateert uit het mesolithicum (C14 datering in 8290 BP/6340 v. Chr.) en is vermoedelijk afkomstig van Doggerland, het verdronken lager gelegen prehistorische landschap tussen Nederland, Engeland en Denemarken. Aangenomen wordt dat de kies bij baggerwerkzaamheden in het Noordzeebekken vrijgekomen is en bij Burgh‐Haamstede aangespoeld of met opgespoten zand aangevoerd is.17 Opgravingen in Aardenburg, Nieuw‐Namen en Axel documenteerden haardplaatsen met vuurstenen werktuigen. Afslagen en vuursteenknollen die aan elkaar konden gepast worden illustreren dat in deze tijdelijke jachtkampen ook specifieke activiteiten als vuursteenbewerking plaatsvond18. Vuursteenvondsten werden verder nog aangetroffen in Terneuzen, Koewacht, het Verdronken Land van Saeftinghe, Sluiskil, Aardenburg en het Sas van Gent (Suikerplein). Uit de latere fase van het Mesolithicum zijn in Zeeland geen verdere vondsten bekend.

Dit is wellicht te wijten aan de toenemende vernatting van het landschap.19 Ten gevolge van deze vernatting was bewoning slechts mogelijk op de dekzandruggen in zuidelijk Zeeuws‐Vlaanderen en de hogere delen van het getijdengebied dat de rest van Zeeland kenmerkt

Neolithicum (circa 5.300 – 2.000 v. Chr.) In het neolithicum was bewoning slechts mogelijk op de strandwallen, de dekzandruggen in het zuiden van Zeeuws‐Vlaanderen en enkele hoger opgeslibde delen van het getijdengebied dat Zeeland kenmerkte. Tijdens het neolithicum veranderde de mens geleidelijk aan zijn manier van bestaan. Hij ging zich in steeds grotere mate voorzien in zijn voedselbehoefte door het houden van vee en het verbouwen van gewassen. De mensen gingen de natuur naar hun hand zetten en in plaats van rond te trekken, vestigde men zich op vaste locaties in meer standvaste boerderijen. Als gevolg van het toepassen van landbouw en veeteelt werd de mens gebonden aan een vaste plek in het landschap, in plaats van rond te trekken tussen tijdelijke kampementen. Neolithische sporen in Zeeland zijn echter schaars. In Saeftinghe werden een aantal fragmenten aardewerk uit de Michelsbergcultuur gevonden en kortgeleden werden bij een Archeologische Begeleiding in de Autrichepolder bij Westdorpe twee haardkuilen gedocumenteerd die op basis van radiokoolstofdatering in het laat‐neolithicum A (2850‐ 2450 v. Chr.) en B (2450‐2000 v. Chr.) kunnen worden geplaatst. Een tijdens hetzelfde onderzoek aangetroffen kuil met verbrand dierlijk bot dateert uit het midden‐neolithicum (3400‐2850 v.

Chr.)20.Buiten Zeeuws‐Vlaanderen, op Schouwen‐Duiveland, zijn sporen van bewoning uit het laat‐ neolithicum (2.850 tot 2.000 v. Chr) aangetroffen. Dit betreft de nederzettingssporen die opgetekend werden bij Brabers (Haamstede). Op deze hoger gelegen zone, die omstreeks 3.100 v. Chr. ontstaan is en recenter bedekt geraakt met jonge zeeklei21 werden eind jaren ’50 van de 20e eeuw bij archeologisch onderzoek drie huisplattegronden uit het laat‐neolithicum aangetroffen, in combinatie met vuursteen, aardewerk, het fragment van een polijststeen en van een maalsteen. Op basis van zowel C14 dateringen als de typologie van de aangetroffen huisplattegronden en vondsten kan de

17 Van der Plicht, et al, 2016. 18 Kuipers en Swiers, 2005, 16. 19 Jongepier, 2012, 35. 20 Coppens, 2017. 21 Beekman, 2007.

25

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

nederzetting toegeschreven worden aan de Vlaardingencultuur22. De neolithische bewoning van Brabers zal een permanent of seizoensgebonden karakter hebben gehad. Gedurende het neolithicum is heel Zuid‐Beveland een traag verlandend getijdengebied met brede geulen en natte slikken, begroeid met dichte rietkragen. De vondst van een pijlpunt wijst erop dat in dit gebied wel gejaagd is, systematische bewoning wordt vooralsnog in dit natte gebied niet verwacht. Deze vondsten blijven een uitzondering. Het gros van de vondsten uit deze periode zijn echter niet in situ aangetroffen. Het betreffen meestal oppervlaktevondsten van vuurstenen werktuigen. Zo werd bij graafwerkzaamheden ten behoeve van het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aan de bestaande watergangen bij Den Inkel te Kruiningen een laatneolithische pijlpunt gevonden op de top van de kwelderafzettingen van het Laagpakket van Wormer.23

Bronstijd (circa 2.000 ‐ 800 v. Chr.) Vondsten uit de bronstijd zijn erg schaars in Zeeland. De langzaam doorgaande zeespiegelrijzing en het weinig toegankelijke landschap zal vermoedelijk weinig kans op permanente bewoning hebben geboden. De hoger gelegen kustgebieden (strandwallen en oude duinen) waren wel nog geschikt voor bewoning. Dat er mogelijk wel wat bewoning is geweest in de iets hoger gelegen delen van Zeeland tijdens de bronstijd, zou kunnen afgeleid worden uit enkele losse vondsten zoals de opgebaggerde hielbijl (uit de midden‐bronstijd) voor de kust van Westkapelle en een paar losse vuurstenen pijlpunten op de strandwallen van Schouwen‐Duiveland24. Op de oude duinen van Schouwen‐Duiveland (de Westerenban) werden daarnaast ook een pijlpunt, een bronzen naald, een speerpunt en een fibula, grotendeels daterend uit de late bronstijd, aangetroffen samen met een aantal fragment aardewerk die door van Heeringen aan de Den Haag pottery style group (uit late bronstijd) toegeschreven worden.25 In Zeeuws‐Vlaanderen, in de groeve van Nieuw‐Namen, werden enkele jaren geleden fragmenten van twee potten uit de bronstijd aangetroffen.26 Zoals hierboven aangegeven was reeds van voor de aanvang van de bronstijd veengroei ontstaan in de omgeving van het plangebied, waardoor het gebied niet interessant zal zijn geweest voor bewoning.

IJzertijd (circa 800 ‐ 12 v. Chr.) In de ijzertijd wordt Zeeland grotendeels bedekt door een uitgestrekt veenlandschap. In de vroege ijzertijd is de bewoning dan ook nog zeer schaars. Uit deze periode zijn verschillende vondsten bekend op de duinen bij op Schouwen‐Duiveland, deze worden door van Heeringen ondergebracht bij de Rotterdam pottery style group.27 Op basis van de vondst van een fragment aardewerk uit de late bronstijd tot vroege ijzertijd is er mogelijk bewoningscontinuïteit vanuit de late bronstijd tot midden‐ ijzertijd.28 Vanaf de vierde eeuw v. Chr. neemt de bewoning toe, mede mogelijk gemaakt door een goede ontwatering van het landschap, waardoor oxidatie en een klink in de top van het veenniveau ontstaat. Dit uitgestrekte en goed ontwaterde veenlandschap aan de Belgische en Zeeuwse kust vormde vanaf 22 Verhart, 1992, Beekman, 2007. 23 Jongepier, 2012, 35‐37. 24 Kuipers en Swiers, 2005, 17‐18. 25 Van Heeringen, 1989, 190‐191. 26 Jongepier, 1995 en 2012. 27 Van Heeringen, 1989, 196‐197. 28 Van Heeringen, 1988.

26

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

de late ijzertijd, maar vooral vanaf de Romeinse tijd een vrij intensief bewoont gebied. De ontwatering van dit gebied verliep via verschillende veenstromen. Vindplaatsen uit de midden‐ en late ijzertijd zijn in Zeeland vooral bekend op Walcheren, Tholen en Schouwen. De middelen van bestaan waren nu exclusief gericht op landbouw (onder andere werd in Zeeland het verbouwen van rogge en huttentut aangetoond) en veeteelt (onder andere runderen, schapen, geiten en varkens). De nederzettingen bestonden uit alleenstaande boerderijen, die werden bewoond door een kernfamilie, die volledig op de eigen gemeenschap was gericht. Bij Oostkapelle op Walcheren werden vondsten en sporen uit deze periode aangetroffen, waaronder enkele fragmenten briquetagemateriaal (waarvan aangenomen wordt dat dit gebruikt werd bij zoutwinning).29 Op de duinen bij Schouwen‐Duiveland werden dan weer grote hoeveelheden aardewerk‐ en botfragmenten uit de midden‐ tot late ijzertijd die aangetroffen.30 Eveneens op Schouwen‐Duiveland zijn op het zuidelijke deel van Brabers nederzettingssporen uit de late ijzertijd aangetroffen in een cultuurlaag die ook gedurende de Romeinse tijd in gebruik is gebleven. De aangetroffen paalsporen en greppels, die uit de 1e eeuw v. Chr.

dateren, konden evenwel niet tot herkenbare structuren herleidt worden.31 Bewoningssporen uit deze periode werden eveneens aangetroffen in Arnemuiden en Serooskerke (Veere). In Grijpskerke werd een rituele kuil met meer dan 660 kilogram aardewerk uit de late ijzertijd aangetroffen, samen met botmateriaal (zowel menselijk als dierlijk), fragmenten van twee maalstenen, fragmenten van enkele braadspitten (vervaardigd uit klei). Voor wat betreft Tholen bestaan de vondsten uit een fragment van een armband in git, aardewerk en enkel fragmenten basaltlava die bij Sint Maartendsijk werden aangetroffen, aardewerk en een tweede armband, dit maal in glas, bij Poortvliet en aardwerk en bewoningsresten (aangepunte palen) bij Tholen‐ Ceresweg.32

Romeinse tijd (12 v. Chr. ‐ 450 n. Chr.) Rond 50 BC verschenen de Romeinen in de Lage Landen. Voor het eerst worden deze streken vermeld in historische bronnen zoals De bello gallico van Julius Caesar. De eerste tastbare, goed dateerbare bewijzen voor de Romeinse tijd In Nederland dateren uit 19 v. Chr., met de bouw van het eerste 42 ha grote legioenskamp op de Hunerberg bij Nijmegen. Voor wat betreft Zeeland vormde de aanvang van de Romeinse tijd geen ingrijpend breukvlak op het gebied van bewoning. Ook in de Romeinse tijd was Zeeland een uitgestrekt veengebied. De bewoning zal zich nog steeds voornamelijk geconcentreerd hebben op de strandwallen en langs de oevers van de Schelde, die een belangrijke handels(vaar)weg vormde. Pas in de periode dat de mariene invloed was afgenomen en delen van het hoog opgegroeide veen voldoende ontwaterd waren, werden de overige veengebieden bewoond. Het is dan ook pas vanaf de Flavische periode (midden‐Romeinse tijd) dat er een gestage stijging van de bewoning lijkt te hebben plaatsgevonden.33 De ontwatering van het uitgestrekte veengebied waartoe het grootste deel van Zeeland hoorde verliep via verschillende veenstromen. De latere Westerschelde is wellicht ontstaan als veenrivier die water afvoerde naar de Noordzee. Dat het beschikbare veen toen door de lokale bevolking werd gebruikt, lijdt dan ook geen twijfel.

Nabij Terneuzen werden, bij de aanleg van de Zeesluis in 1962, in het veen greppels waargenomen. Resten van veenextractie werden niet enkel in de omgeving van 29 Jongepier, 2012, 39.41. 30 Van der Valk en Beekman, 2011. 31 Trimpe Burger, 1995. 32 Van Heeringen, 1988b. 33 De Clercq, 2009.

27

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Terneuzen aangetroffen maar ook op verschillende plaatsen in het Vlaamse kustgebied en in Zeeland. In België werden bij Raversijde veenwinningskuilen uit de Romeinse tijd herkend.34 In Zeeland werden hoofdzakelijk op Zuid‐Beveland resten van Romeinse veenputten gevonden. Ten zuiden van Goes, bij de Poel, werden door toenmalig provinciaal archeoloog van Heeringen aslagen en veenwinningsputten aangetroffen.35 Maar ook in de zak van Zuid‐Beveland, met name te ’s‐Heer Abtskerke en Nisse en op Walcheren, bij Serooskerke36 werden bij archeologisch onderzoek sporen van veenontginning vastgesteld. Te Serooskerke (Walcheren) werden bovendien resten van een dijklichaam aangetroffen, opgebouwd uit veen‐ en kleiplaggen. Recent werd een gelijkaardige dijk vastgesteld bij Steene (West‐Vlaanderen).37 De tot heden werden Romeinse woningen uit de vroeg‐ en midden‐Romeinse tijd vastgesteld en onderzocht in Serooskerke, Colijnsplaat, Ellewoutsdijk, Brabers, Kats en Poortvliet. Deze dateren globaal uit de periode tussen het begin van de eerste eeuw en het midden van de twee eeuw.

Romeinse bewoning kende een duidelijke terugval vanaf de tweede helft van de 2e eeuw, met uitzondering van Brabers is bij geen van de overige hiervoor vermelde vindplaatsen bewoning vastgesteld die later doorloop dan het einde van de 2e eeuw.38 De reden voor deze terugval had mogelijk enerzijds een natuurlijke oorsprong, er zijn aanwijzingen voor overstromingen van de verlaten nederzettingen39, maar ook onrusten van sociaaleconomische en politiek‐militaire aard lijken hun rol te hebben gespeeld.40 Vanaf de 2e eeuw werden tevens dijken en terpen opgeworpen die het, steeds meer aan getijdewerking onderhevige landschap, geschikt voor bewoning maakte. Voorbeelden werden aangetroffen te Serooskerke maar ook in het huidige Belgische kustgebied: Oostende‐Stene, Plassendale‐Zandvoorde en Raversijde. Gedurende de 3e eeuw is er dan, mede doordat de sociaaleconomische en politiek‐militaire problemen grotendeels waren opgelost, ook opnieuw sprake van een zeker mate van heropbloei.41 Deze heropbloei duurde tot het derde kwart van de 3e eeuw, waarna er opnieuw een sterke daling in de bewoning vastgesteld op basis van archeologisch onderzoek. Deze zal niet enkel het gevolg zijn van de onrusten ten gevolge van de Germaanse stammen maar ook van de toenemende vernatting van het landschap.

De grondige ontwatering en exploitatie van het veen in de voorafgaande periode had een klink van het veen tot gevolg. De hierdoor ontstane maaiveldverlaging, samen met de gegraven afwateringsloten, lieten toe dat het stijgende zeewater steeds meer vat kreeg op het land.42 Dit had als gevolg dat vanaf het einde van de Midden‐Romeinse Tijd het Zeeuwse landschap geleidelijk onder een steeds stijgende zeespiegel zal verdrinken. Bewoning uit de laat‐Romeinse tijd is binnen Zeeland dan ook zo goed als ongekend, enkel bij Domburg op de Kop van Schouwen en bij Aardenburg lijkt er sprake van bewoningscontinuïteit in de laat‐Romeinse tijd.43 Twee van de bekendste componenten van Romeins Zeeland zijn de nederzetting bij Aardenburg en de godin Nehalennia. Aardenburg is rond het midden van de 2e eeuw ontstaan en is tot in het vierde kwart van de 3e eeuw in gebruik gebleven. Mogelijk bevond zich aanvankelijk op deze locatie een eerste beperkte nederzetting maar de kern van het geheel werd gevormd door een castellum 34 Pieters, 1996. 35 Van Heeringen, 1995. 36 De Clercq en van Dierendonck, 2008, 22. 37 Dijksta en Zuidhoff, 2011; Demey et al., 2013. 38 Van Dierendonck, 2012, 44‐45, de Clercq, 2009, 449. 39 De Clercq en van Dierendonck, 2008, 9. 40 De Clercq, 2009. 41 Idem. 42 Kuipers en Swiers 2005, 20‐28. 43 De Clercq en van Dierendonck, 2008, de Clercq, 2009

28

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

(Romeins fort) dat hier in het kader van de kustverdediging werd opgericht en dat dienst deed als regionaal logistiek en militair‐bestuurlijk centrum. Dit castellum bestond aanvankelijk uit een hout‐ en aardeversterking (Aardenburg I) maar kende verschillende ver‐ en herbouwfasen (onderscheiden zijn Ia, II, IIa en III) en resulteerde uiteindelijk in een stenen versterking. Tot het geheel hoorde ook een badgebouw, een tempel en een civiele nederzetting (vicus). Uit onderzoek bij Aardenburg is tevens gebleken dat de plaats op economisch vlak ook een zekere rol te spelen had. Zo zijn er aanwijzingen gevonden voor het verwerken van schelpdieren (tot vissaus of schelpdierconserven) en het produceren of herstellen van ijzeren objecten en terracotta voorwerpen. Een deel van deze productie en activiteit zal een interregionale afzetmarkt hebben gehad en zal grotendeels via de zee en waterwegen verspreid zijn.44 De tweede bekende component van Romeins Zeeland betreffen de altaren gewijd aan de godin Nehalennia. Op een aantal van deze altaren komen de namen voor van handelaren in zout en vissaus, een van de belangrijkste exportproducten vanuit Zeeland. Bij Colijnsplaat en Domburg werden dan ook tempelcomplexen, gewijd aan deze godin, teruggevonden. Deze tempelcomplexen bestonden waarschijnlijk uit omheinde of ommuurde open ruimten waarbinnen de eigenlijke tempel gelegen was.

In Domburg wordt duidelijk dat ook andere goden vereerd werden. 45

De middeleeuwen (450 n. Chr.‐1500 n. Chr.) Vanaf de tweede helft van de 3e eeuw verdrinkt het Zeeuwse landschap geleidelijk aan onder de steeds stijgende zeespiegel. Het Zeeuwse gebied moet lange tijd ongeschikt geweest zijn voor bewoning, uitgezonderd de Oude Duinen langs de kust en de pleistocene zandgronden. Bewoningscontinuïteit na de Romeinse Tijd is ook hier echter nog niet aangetoond, wel is er mogelijk een kleinschalige 4e‐eeuwse bewoning in Aardenburg vastgesteld. Deze is echter eveneens niet doorgezet tot in later perioden.46 Zeeland wordt in de 4e tot 6e eeuw geteisterd door stormvloeden die diepe getijdengeulen in het veenlandschap uitschuren, en van waaruit grote gebieden onder water komen te staan en dikke pakketten klei en zand worden afgezet. Pas op het einde van de 7e eeuw lijkt de rust wat weer te keren en zijn veel geulen verland. Door klink van het omliggende veenlandschap ontstaan in het landschap hoger gelegen kreekruggen die opnieuw bewoning in het gebied toelieten. Zo is ten oosten van het Walcherse Serooskerke op een dergelijke kreekrug een boerderij aangetroffen die dateert uit circa 675 tot 725. Deze boerderij, die ten minst één maal herbouwd is, betref een woonstalboerderij en was gericht op het houden van schapen.47 Ook op duinen en stranden op Schouwen‐Duiveland zijn resten aangetroffen die dateren uit vroege middeleeuwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10855165/1