Agendapunt 05. Afstemmings- en handhavingsverordening 2022 (aangepast)
Tekst van het document
Van schending van de medewerkingsverplichting kan bijvoorbeeld sprake zijn als belanghebbende weigert om mee te werken aan een rechtmatig huisbezoek, voor zover dit niet heeft geleid tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Schending identificatieplicht (derde categorie onder f) Aanvraag Komt de belanghebbende bij een aanvraag zijn identificatieplicht niet na jegens het college of het UWV dan kan het college uiteindelijk besluiten om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 lid 1 Awb niet te behandelen. Als de aanvraag toch inhoudelijk wordt behandeld, dan kan de aanvraag worden afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld of de aanvrager aanspraak kan maken op bijstand.17 Ook is het mogelijk om de bijstand te verlagen met toepassing van de afstemmingsverordening (artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet). Tijdens de bijstand Komt de belanghebbende zijn identificatieplicht tijdens de bijstandsverlening (tijdelijk) niet na dan moet het college in beginsel de bijstand verlagen met toepassing van de afstemmingsverordening (artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet). Het in het geheel niet nakomen van de identificatieplicht leidt ertoe dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (er moet dan wel gerede twijfel zijn over de identiteit van de belanghebbende).
Het recht op bijstand moet dan om die reden worden ingetrokken. Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (vierde categorie) Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 10. Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7, vierde categorie, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals: -
16 17
het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en CRvB 17-02-2015, nrs. 14/5636 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2015:456 CRvB 20-08-2002, nr. 99/4459 NABW, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7316
23
-
het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.
Schending verplichting meewerken aan ontzorgen De gemeenteraad heeft ervoor gekozen om de bijstand te verlagen met toepassing van de afstemmingsverordening als belanghebbende weigert mee te werken aan het ontzorgen zoals bedoeld in artikel 56a van de Participatiewet. Deze keuze is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. De verplichting tot het verlenen van medewerking aan het ontzorgen treedt naar verwachting in werking per 1 januari 2022.18
Artikel 7a. Niet meewerken aan taaltoets Het kan voorkomen dat een belanghebbende een taaltoets moet afleggen, maar dat hij niet wilt meewerken. In sommige gevallen kan er een redelijke verklaring zijn. Hierbij kan worden gedacht aan ziekte of overmacht. Het is ook aannemelijk dat een belanghebbende zich verzet tegen het afleggen van de taaltoets. Artikel 18b, van de Participatiewet voorziet niet in deze gevallen. In het geval dat een belanghebbende weigert medewerking te verlenen aan de taaltoets (bijvoorbeeld door niet te verschijnen), dan kiest de gemeenteraad ervoor om dit te zien als een schending van de medewerkingsverplichting (artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet). 17 Hoogte verlaging Om nadrukkelijk een onderscheid te maken met de niet-nakoming van de overige verplichtingen als bedoeld in artikel 14 van deze verordening, is dit artikel ingevoegd. De hoogte van de maatregel is direct afgeleid van artikel 18b, lid 9 tot en met lid 11 Pw. De reden om naast het verlagingsbesluit zoals genoemd in artikel 18b Pw, nog een afzonderlijk artikel op te nemen in de Afstemmingsverordening, is de volgende. In artikel 18b wordt in het negende tot en met het elfde lid de hoogte van de maatregel genoemd die door de wetgever wordt verbonden aan het niet behalen van de taaltoets binnen een door het college vastgestelde termijn.
Echter, de landelijke wetgever heeft verzuimd vast te stellen welke maatregel er geldt wanneer een belanghebbende niet meewerkt aan de totstandkoming van de taaltoets dan wel voor een afspraak voor het afnemen van de taaltoets, niet verschijnt. Om dit verzuim op te heffen zijn Participatiewetdeskundigen het er over eens dat deze gedragingen kunnen worden ondergebracht onder het algemene begrip; “tekortschietend besef van verantwoordelijkheid” als bedoeld in artikel 18, tweede lid Pw. Hiermee is dan ook de rechtsgrond gegeven om voor deze gedragingen een maatregel te kunnen opleggen. Wanneer dit niet geregeld wordt in de verordening, dan kan het college voor deze gedragingen dus geen maatregel opleggen. Dit wordt niet wenselijk geacht, gelet op de achterliggende beleidsdoel- stellingen achter de Wet taaleis, met name dat het beheersen van de Nederlandse taal aanmerkelijk de kans kan vergroten op het verkrijgen van betaald werk. De keuze om hoogte van de maatregel bij het niet-meewerken aan de totstandkoming van de taaltoets dan wel het niet-verschijnen op een afspraak voor het afnemen van de taaltoets, gelijk te stellen aan het niet-behalen van de taaltoets binnen een door het college bepaalde termijn, is bewust gemaakt.
Immers, het eindresultaat is in beide situaties nagenoeg gelijk, namelijk dat naar het oordeel van het college een redelijk vermoeden bestaat jegens belanghebbende dat hij of zij niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst, welke noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit komt met zoveel woorden terug in de formulering van het eerste lid van artikel 14a. 18
TK 2019-2020, 35 483 nr. 3, blz. 24
24
Het spreekt voor zich dat wanneer belanghebbende verschoonbare redenen heeft voor het niet meewerken aan de taaltoets dan wel aan het niet-verschijnen voor de taaltoets, dat in die situaties het college dient te worden of iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Als dat het geval is, ontvalt aan het voorgenomen maatregelbesluit de feitelijke grondslag hiervoor. Het is dan vervolgens aan het college om met belanghebbende vervolgafspraken te maken wanneer belanghebbende wel in staat is om deel te nemen aan de taaltoets.
Artikel 8. Gedragingen IOAW en IOAZ De artikelen 8 en 12 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. Binnen de IOAW bestaat de mogelijkheid de uitkering te verlagen op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en IOAZ of blijvend of tijdelijk te weigeren op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en IOAZ. Artikel 8 van de verordening staan de gedragingen zoals bedoeld in artikel 20, tweede lid, op grond waarvan De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Voor een toelichting op deze categorieën wordt verwezen naar de toelichting op artikel 8 van deze verordening. Voor de gedragingen die aanleiding geven de uitkering tijdelijk te weigeren, wordt verwezen naar artikel 17 van deze verordening.
Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en 8. Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld in de artikelen 7 en 8 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 7 en 8 genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen.
Artikel 9a. Waarschuwing Een waarschuwing kan onder meer worden gegeven in gevallen waar belanghebbende een verzuim binnen korte tijd al heeft hersteld voor een maatregel is opgelegd en het opleggen van de maatregel contraproductief zou zijn. De waarschuwing wordt niet als zodanig benoemd in artikel 18 van de Participatiewet of artikel 20, tweede lid van de IOAW en de IOAZ. In die artikelen wordt gesproken over het afstemmen van de uitkering en over het verlagen van de uitkering indien niet aan de verplichtingen wordt voldaan. In bepaalde situaties kan het voorkomen dat gedragingen formeel gezien in strijd zijn met de verplichtingen van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ maar dat bij de beoordeling van de gedraging wordt geconstateerd dat er in de situatie van belanghebbende sprake is van een incident en dat het direct verlagen van de uitkering niet in verhouding staat tot het overige goede gedrag van belanghebbende. Het afstemmen leidt in deze gevallen niet tot een verlaging van de uitkering en kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Een waarschuwing kan alleen worden gegeven voor de gedragingen van de eerste en de tweede categorie van de artikelen 7 en 8 van deze verordening. De waarschuwing is geen maatregel, maar wordt wel betrokken bij recidivebepalingen.
25
Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). In dit artikel is vastgelegd dat de maatregel gedurende een maand wordt opgelegd. Recidive De duur van de maatregel bij recidive is opgenomen in artikel 16, derde lid, van deze verordening.
Artikel 11. Verrekenen verlaging Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling. Verrekenen bij bijzondere omstandigheden Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: • • •
vergroting schuldenproblematiek; (dreigende) huisuitzetting; afsluiting van gas en elektriciteit.
De maand van oplegging In het eerste lid wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin de bijstand feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd wordt). Toedeling over twee maanden bij bijzondere omstandigheden Is sprake van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor genoemd, dan kan worden verrekend over twee maanden. Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig procent bedraagt (artikel 11, tweede lid, van deze verordening) Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde arbeid In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging. Geen verrekening bij recidive
26
Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 11 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in artikel 16, derde lid, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk.
Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 11 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Verrekening en maatregel wegens schending inspanningsverplichting Wet taaleis Ingeval een maatregel is opgelegd wegens schending van artikel 18b, van de Participatiewet en tegelijkertijd een andere maatregel loopt, dan kan het voorkomen dat beide maatregelen samen meer dan 100% van de bijstandsnorm bedragen. Als sprake is van een maatregel wegens schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, dan kan door gebruik van artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet beide maatregelen worden geëffectueerd. Dit geldt alleen als sprake is van een maatregel op grond van artikel 18b, negende lid, of artikel 18b, tiende lid, van de Participatiewet. Artikel 5, tweede lid, van deze verordening is namelijk niet van toepassing op maatregelen op grond van artikel 18b, van de Participatiewet. Inkeerregeling Op grond van artikel 18, elfde lid van de Participatiewet, kan de gemeente de verlaging stoppen als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt.
De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of e-mail indienen.
Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): • • • •
het te snel interen van vermogen; het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. het verwijtbaar verliezen van een inkomstenbron
Verschil door eigen toedoen niet behouden algemeen geaccepteerde arbeid voor en na de melding Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting als dit heeft plaatsgevonden ná de melding om bijstand (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). In dat geval moet afstemming
27
plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van deze verordening. Als het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid heeft plaatsgevonden vóór de melding om bijstand, dan is sprake van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In dat geval kan op grond van artikel 12 van deze verordening een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. Kan het exacte benadelingsbedrag niet worden vastgesteld, dan bedraagt de verlaging 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. Er is gekozen voor een percentage dat niet te hoog maar ook niet te laag is.
Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.19
Artikel 13. Niet nakomen van overige verplichtingen De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Verplichting artikel 57 participatiewet Als de belanghebbende niet aan de verplichting meewerkt dat in zijn naam noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand worden verricht, dan kan het college de bijstand verlagen met toepassing van de afstemmingsverordening (artikel 18 lid 2 Participatiewet). De gemeenteraad heeft ervoor gekozen om de bijstand niet te verlagen met toepassing van de afstemmingsverordening als belanghebbende weigert mee te werken aan de budgettering op grond van artikel 57 onderdeel a van de Participatiewet. In dat geval kan het college besluiten over te gaan tot het verlenen van bijstand in natura op grond van artikel 57 onderdeel b van de Participatiewet. Hierdoor wordt voorkomen dat de financiële situatie van belanghebbende verergert, terwijl de budgetteringsplicht is bedoeld om dreigend afglijden van belanghebbende te voorkomen.20Met bijstandsverlening in natura kan het beoogde doel worden bereikt. Verplichtingen artikel 55 Participatiewet
19
CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515 NABW e.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344
20
TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 77
28
Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten: 1. verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand onderdeel b) voorbeelden: - bestedingsverplichting bijzondere bijstand; - verplichting tot het niet maken van nieuwe schulden.
(
2. verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling ( onderdeel c) voorbeelden: - medische hulp zoeken; - meewerken aan medisch onderzoek; - zich op advies van een arts onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard; - het volgen en afmaken van een agressie-regulatietraining; - opheffen inschrijving Kamer van Koophandel en beëindigen werkzaamheden als zelfstandige, voor zover de inschrijving beletsel vormt of blijkt te vormen bij de daadwerkelijke beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt; - aanvragen re-integratie door UWV; - beroep doen op schuldhulpverlening.
3. verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand ( onderdeel d) voorbeelden: - de verplichting alimentatie te eisen en innen; - de verplichting een voorlopige teruggaaf aan de Belastingdienst te vragen; - de verplichtingen om rechtsmiddelen aan te wenden tegen een afgewezen voorliggende voorziening. 4. verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand ( onderdeel e) voorbeelden: - te gelde maken onroerend goed; - een erfdeel opeisen. De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.
Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van
29
steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen.21 Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.22 Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de betreffende personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.23 Dus als er uitvoering gegeven wordt aan de betreffende wetten. Het is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen; dan is alleen het strafrecht van toepassing.24 Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting in zowel de Participatiewet. ( artikel 9, zesde lid) als in de IOAW en IOAZ (artikel 37, eerste lid, onderdeel g lid IOAW en IOAZ).25
Artikel 15. Samenloop van gedragingen Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b, van de Participatiewet. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b, van de Participatiewet. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.
Samenloop met een bestuurlijke boete Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is. Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in 21
Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24. CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 23 Rechtbank Noord-Nederland 14-12-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4957. 24 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26. 22
25
CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660
30
dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid). Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing. Samenloop met een boete op grond van de Wet inburgering 2021 In artikel 27 Wet inburgering 2021 is een samenloopregeling opgenomen: het opleggen van een bestuurlijke boete blijft achterwege als voor dezelfde gedraging de bijstand is verlaagd op grond van artikel 18 of 18b van de Participatiewet. Op het moment dat beide keuzes nog openstaan, kiest het college ervoor om de bijstand te verlagen en geen boete op te leggen. Is de bijstand eenmaal verlaagd, dan is een boete niet meer aan de orde (artikel 27 Wet inburgering 2021). Artikel 16. Recidive Verdubbeling duur of hoogte verlaging Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een zelfde verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging.
Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen van een verlaging of als op grond van artikel 9a van deze verordening is volstaan met een waarschuwing. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging of de waarschuwing is opgelegd, is verzonden. Omdat bij gedragingen in de eerste en tweede categorie bij verdubbeling van de duur niet altijd voldoende prikkel uitgaat om tot gedragsverandering te komen en bij gedragingen uit de derde en vierde categorie verdubbeling van de hoogte over het algemeen als te belastend wordt ervaren en onacceptabele financiële consequenties kan hebben, wordt individueel bepaald of de hoogte of de duur van de maatregel wordt verdubbeld. Maatwerk is mogelijk als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, b.v.
beëindiging van de uitkering voordat de maatregel volledig is geëffectueerd.
Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. De uiteindelijke keuze voor verdubbeling van de hoogte of de duur wordt individueel. Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
31
verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen. Eenzelfde gedraging vereist voor recidive Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, onderdeel a), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, onderdeel b, onder 1°) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, onderdeel b, onder 4°). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden.
Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee maanden Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges.26 Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).
Artikel 17 Tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering Binnen de IOAW bestaat de mogelijkheid de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren op grond van artikel 20, eerste lid IOAW/IOAZ. De uitkering kan blijvend of tijdelijk worden geweigerd als belanghebbende: a. is ontslagen op grond van een zeer dringende reden (op staande voet); b. zelf ontslag heeft genomen zonder dat er zeer ernstige bezwaren waren tegen de voortzetting van de dienstbetrekking; c. heeft nagelaten om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; d. door zijn eigen schuld geen algemeen geaccepteerde arbeid krijgt. Er is voor gekozen geen grond op te nemen voor het blijvend weigeren van de uitkering, maar aansluiting te zoeken bij de hoogte van de maatregel bij de schending van een geüniformeerde verplichting. Dat betekent dat de uitkering op grond van artikel 17 voor de duur van een maand met 100% wordt verlaagd. Valt een gedraging niet onder een van deze noemers van artikel 20, eerste lid en artikel 17 van deze verordening, dan kan de uitkering op grond van artikel 20, tweede lid, worden verlaagd. Zie voor de gedragingen die aanleiding geven de uitkering te verlagen, artikel 8 van deze verordening. 26
CRvB 12-09-2017, nr. 16/6802 PW-T, ECLI:NL:CRVB:2017:3676
32
33
3. Handhavingsverordening Algemeen De uitvoering van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en het minimalbeleid is sinds 1 januari 2015 overgedragen aan de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van Gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden. Daar waar het de uitvoering van deze overgedragen taken betreft, wordt in deze Handhavingsverordening gesproken over de uitvoeringsorganisatie. Wanneer het in deze verordening gaat om bevoegdheden die niet zijn overgedragen, wordt gesproken over het college. Met deze verordening is invulling gegeven aan de verordeningsplicht uit artikel 8b van de Participatiewet, artikel 35 IOAW en artikel 35 IOAZ en artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning om regels op te stellen over de bestrijding van misbruik van uitkeringen en voorzieningen. Controle vindt plaats door handhaving. Onder handhaving worden “alle activiteiten die ervoor zorgen dat mensen zich aan wet- en regelgeving houden” verstaan. Handhaving draagt bij aan een goede balans tussen het recht op een voorziening / hulp-op-maat en de plichten die daarbij horen. Fraude verstoort dit evenwicht. Wie ten onrechte gemeenschapsgeld misbruikt, haalt uiteindelijk de solidariteit onderuit en belemmert een doeltreffende uitgave van gemeenschapsgeld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat handhaving in de wetten een prominente plaats heeft gekregen.
Aan het onderwerp is expliciet aandacht besteed in artikel 8b Participatiewet, artikel 35 IOAW en artikel 35 IOAZ. In artikel 53a van de Participatiewet krijgt de gemeente de bevoegdheid om onderzoek te doen zonder toestemming van de inwoner. Het is belangrijk bij het handhavingsbeleid te onderkennen dat er achtereenvolgens gehandeld kan worden met preventieve maatregelen en repressieve maatregelen. Preventieve maatregelen richten zich op het voorkomen van fraude door optimale voorlichting en dienstverlening. Tot de repressieve maatregelen behoren het vroegtijdig constateren en afhandelen van niet nagekomen verplichtingen en fraude.
Artikel 18. Begripsbepalingen
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 19. Fraudepreventie Zoals hierboven al aangegeven staat op het terrein van handhaving het bevorderen van de spontane nalevingbereidheid van de inwoners voorop. Inwoners worden (iedere keer weer) gewezen op de aan de hulp-opmaat verbonden verplichtingen. Het is daarbij echter niet realistisch te denken dat daarmee in alle gevallen voorkomen wordt dat door inwoners onjuiste of onvolledige informatie verstrekt wordt. In die gevallen zullen repressieve maatregelen gehanteerd worden. In dit kader zijn dat opsporing, zo nodig met inzet van de sociale recherche en sanctionering.
Artikel 20. Controle Om te achterhalen of aan een inwoner onterecht te veel is verstrekt, wordt openbare informatie en worden gegevens die aan de uitvoeringsorganisatie zijn verstrekt, bekeken. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het
34
Inlichtingenbureau. Als iemand bijvoorbeeld gaat werken maar dit niet aan de klantmanager van de uitvoeringsorganisatie doorgeeft, krijgt de klantmanager Inkomen via het Inlichtingenbureau een signaal. Deze signalen worden onderzocht, de inwoner wordt gehoord en indien nodig wordt te veel betaalde uitkering teruggevorderd. Daarnaast kan een boete worden opgelegd. Artikel 21 Verantwoording college Het college legt jaarlijks verantwoording af over het gevoerde beleid. Het college kan daarbij gebruik maken van gegevens die door de Uitvoeringsorganisatie in de kwartaalrapportages en jaarrekening aan het college verstrekt. Het terugvorderen van teveel of ten onrechte verstrekte bijstand of het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht, vallen niet onder de bevoegdheid van de raad, maar onder die van het college, reden waarom dit niet in de verordening is opgenomen. De Uitvoeringsorganisatie heeft hier beleidsregels voor opgesteld. Een actief terugvorderingsbeleid in combinatie met een op te leggen boete geeft het signaal af dat misbruik en/of oneigenlijk gebruik niet getolereerd wordt. Tevens wordt door een actief terug- en invorderingsbeleid beoogd sturing te geven aan een verantwoorde besteding van het inkomensdeel van de Participatiewet en de IOAW/IOAZ. Bij een verwijtbare schending van de inlichtingenplicht kan bij een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Er wordt afgezien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien het bedrag waarvoor is gefraudeerd boven de aangiftegrens komt. In de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude wordt als aangiftegrens een benadelingsbedrag van € 50.000,00 gehanteerd. Zo wordt dubbele bestraffing voor eenzelfde feit voorkomen. In dat geval zal het college een proces verbaal op moeten maken en aangifte moeten doen bij het OM. De Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude bevat nog enkele andere redenen op grond waarvan strafrechtelijke afdoening voorrang zou moeten hebben.
Artikel 22 Privacy Privacy is een belangrijke aandachtspunt voor de gemeente. De gemeente vindt de eenmalige gegevens uitvraag belangrijk, maar dit mag nooit de privacy van de inwoner schenden. Daarom maakt de gemeente aan de inwoner duidelijk wat de gemeente met de gegevens van de inwoner doet en wanneer de gemeente zonder toestemming van de inwoner bepaalde onderzoeksmethoden inzet.
Artikel 23 Toezichthouders In de Participatiewet staat een aantal verplichtingen waaraan belanghebbenden moeten voldoen, waaronder de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 Participatiewet. Daarnaast wordt in artikel 53a lid 6 Participatiewet een algemene bevoegdheid gegeven om te controleren of belanghebbenden aan deze verplichtingen voldoen. In artikel 41 lid 10 Participatiewet is de verplichting opgenomen voor belanghebbende om bij de aanvraag een machtiging te verlenen om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand. Deze controlemogelijkheden houden impliciet in dat de bevoegdheid bestaat tot het betreden van plaatsen (met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner; zie over het doen van een). Om onduidelijkheid hierover te voorkomen artikel 76a Participatiewet de mogelijkheid om toezichthouders aan te wijzen. Van deze bevoegdheden mag de toezichthouder overigens op grond van artikel 5:13 Awb alleen maar gebruik maken voor zover dat voor de uitvoering van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
35
Het Dagelijks bestuur van GR De Bevelanden heeft bij de sociale rechercheurs van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg aangewezen als toezichthouders.
Artikel 24 Slotbepalingen Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Goes in de openbare vergadering van 10 februari 2022. de griffier
drs. B.C. van Doornum
de voorzitter
drs. M. Mulder MSc.
36