065. Bijlage 4 Verwerkingswijze baten en lasten GR Publiek Vervoer Zeeland
Tekst van het document
Verwerkingswijze baten en lasten GR Publiek Vervoer Zeeland Publicatiedatum: 8 sep 2025 om 15:48
Deel A: Vragen Algemeen Per 1-1-2026 wordt een nieuwe gemeenschappelijke regeling (GR) opgericht, namelijk de GR Publiek Vervoer Zeeland. Hierin zullen 13 Zeeuwse gemeenten en de Provincie Zeeland deelnemen. Feitelijk is geen sprake van een nieuwe GR, maar een bestaande (smaller) GR wordt omgezet naar deze nieuwe GR. De nieuwe GR gaat nadere inhoud geven aan publiek vervoer. Publiek vervoer is een systeemverandering waarbij binnen Flex de verantwoordlijkheden van gemeenten en provincie op een andere manier worden ingevuld. Het Ministerie van I&W is ook betrokken bij de implementatie van de GR. De gedeelde wens van alle betrokken overheden om in Zeeland deze systeemverandering te realiseren en daarvan te leren betekent dat pragmatisch met bestaande wet- en regelgeving moet worden omgegaan. Taken en verantwoordelijkheden In de concept tekst van de GR is hier o.a. het volgende over opgenomen: Artikel 3 Belangen 1. Het openbaar lichaam behartigt de belangen van de provincie en de gemeenten op het gebied van: a. Het organiseren van publiek vervoer in Zeeland; b. Het organiseren van doelgroepenvervoer in Zeeland. Artikel 4 Taken en bevoegdheden Het openbaar lichaam is belast met de volgende taken en bevoegdheden van Publiek Vervoer in Zeeland: 1.
Verzorgen van een optimaal werkend systeem van Publiek Vervoer voor inwoners en bezoekers van de provincie Zeeland, inclusief loket- en klantenservicefuncties, overgedragen door de provincie en gemeenten. 2. Zorgdragen voor vraaggestuurd Wmo doelgroepenvervoer en jeugdzorgvervoer, overgedragen door de gemeenten. Hieronder valt niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies/contracten.
3. Zorgdragen voor routegebonden leerlingenvervoer, dagbestedingsvervoer en jeugdzorgvervoer, opgedragen door de gemeenten. Hieronder valt niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies/contracten. 4. Zorgdragen voor contractmanagement, coördinatie en afstemming van busvervoer volgens een dienstregeling met vaste haltes en routes, opgedragen door de provincie. Hieronder valt niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies. 5. Verzorgen van een aanvullend flexibel vraagafhankelijk publiek vervoer (flex). Het gaat om vervoer zonder dienstregeling en zonder vaste routes met vastgestelde opstappunten, opgedragen door de provincie. Hieronder valt niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies/contracten. 6. Verzorgen van een goed werkend boeking-, plannings- en betaalsysteem (behalve betaalsysteem voor busvervoer) voor inwoners en bezoekers van het publiek vervoer, overgedragen door de provincie en gemeenten. 7. Regievoering en contractbeheer contracten deelnemers, overgedragen door de provincie en gemeenten. 8. Ondersteuning van beleidsvoorbereiding door deelnemers overgedragen door de provincie en gemeenten. Financiële stromen De GR is 100% aandeelhouder van de mobiliteitscentrale (t/m 2025 fungeert deze onder de naam Gemeentelijke Vervoerscentrale Zeeland BV).
De mobiliteitscentrale is een BV. De activiteiten bestaan voornamelijk uit: het verrichten van alle handelingen op het gebied van de exploitatie van een regiecentrale ten behoeve van de uitvoering van het vervoer. De jaarrekening van deze BV wordt opgesteld in overeenstemming met Titel 9 2 BW en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving. De mobiliteitscentrale is verantwoordelijk voor het inplannen van de ritten, afhandeling klachten en het onderhouden van de contacten met de taxivervoerders. De taxivervoerders sturen voor de diensten die zij leveren, facturen aan de mobiliteitscentrale. De mobiliteitscentrale rekent deze kosten 1-op1 door aan de GR. In de GR Publiek Vervoer komen de volgende financiële stromen: 1. De kosten voor het vraagafhankelijk WMO vervoer (doorbelast door de mobiliteitscentrale) 2. De kosten voor het vraagafhankelijk jeugdvervoer (doorbelast door de mobiliteitscentrale) 3. De kosten voor het vervoer Flex (doorbelast door de mobiliteitscentrale)
4. De secretariaatskosten van de GR zelf (met name kosten van de ambtelijk secretaris) 5. De uitvoeringskosten van de mobiliteitscentrale De hierboven benoemde taken worden door de gemeenten en Provincie op grond van delegatie opgenomen in de GR. De deelnemers in de GR betalen gedurende de komende 4 jaar een gefixeerde bijdrage welke is gebaseerd op historische kosten t/m 2024 en is doorgerekend naar prijspeil 2026 (waar van toepassing ook rekening is gehouden met aanbestedingseffecten), die vervolgens jaarlijks wordt geïndexeerd. De lasten worden per jaareinde niet met de individuele gemeenten afgerekend. Het kan dus hierbij zijn dan de ene gemeente/Provincie betaald voor de (extra) kosten van de andere gemeente/Provincie. Hier is dus sprake van solidariteit richting de andere deelnemers in de GR. De mobiliteitscentrale zal de GR periodiek van managementinformatie voorzien, waaronder het gebruik per vervoersoort per gemeente. Er wordt echter niet afgerekend per gemeente. De gemeenten en Provincie dragen een vaste gefixeerde bijdrage in de GR. De managementinformatie zal worden gebruikt in de evaluatie na afloop van de fixatieperiode. Omdat de lasten niet 1-op-1 worden afgerekend met de deelnemers in de GR ligt het primaire financiële risico bij de GR en niet bij de deelnemers.
Als sprake is van tekorten in de GR die de financiële continuïteit van de GR bedreigen, zullen door de GR keuzes en besluiten moeten worden genomen om deze tekorten bij de deelnemers in rekening te brengen. Verder is het van belang om te benoemen dat de verschillende vervoersstromen door elkaar heen gaan lopen (busjes gaan zowel WMO vervoer, jeugdvervoer als OV-flex vervoer aanbieden). Daarom wordt in de verslaggeving binnen de GR gekozen voor één programma, waarin de verschillende deelprogramma’s (WMO vervoer, jeugdvervoer en OV-flex vervoer) ondergebracht worden. De mobiliteitscentrale factureert maandelijks de inzeturen aan de GR. De GR rekent deze kosten vervolgens toe aan de deelprogramma’s op basis van de gefixeerde bedragen in de begroting. Overige uitgangspunten •
Voor de onder 1 en 2 genoemde kosten is een indicatie van de gemeente vereist. De individuele gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de afgifte van deze indicaties.
•
De individuele gemeenten en Provincie zijn ook zelf verantwoordelijk voor het beleid omtrent hierboven genoemde onderdelen.
•
Voor de kosten onder 3 is geen indicatie vereist. Iedere burger kan gebruik maken van deze diensten (het reguliere OV tarief is hierbij van toepassing).
•
Mocht een individuele gemeente een onrechtmatige beschikking afgeven, komen deze kosten voor rekening van de GR. Dit risico ligt dus bij de GR. Omdat sprake is van een gefixeerde bijdrage door de gemeenten, vindt kwijting door de GR plaats als een onrechtmatige beschikking wordt afgegeven. Er wordt dan geen bedrag geclaimd bij de gemeente. Overigens leidt dit niet tot extra uitgaven binnen de GR. Als de reiziger geen WMO beschikking heeft, geldt het OV tarief. Dit ligt doorgaans lager dan de eigen bijdrage voor de WMO. Dit leidt dus eerder tot hogere kosten voor de reiziger en niet voor de GR.
•
Daarnaast is het van belang dat gemeenten gedurende de fixatieperiode geen essentiële wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld door soepeler beschikkingen af te geven. Via managementinformatie door de mobiliteitscentrale vindt hierop toezicht plaats door de ambtelijk secretaris van de GR.
Vraagstelling Kernvraag: Waar moeten de baten en lasten van de genoemde vervoerstaken worden verantwoord volgens het BBV. WMO doelgroepenvervoer en jeugdzorgvervoer (financiële stromen 1 en 2) Wij zijn van mening dat deze baten en lasten thuishoren binnen de GR. Hieraan liggen de volgende argumenten: •
De GR draagt het financieel risico
•
Er is geen sprake van een individueel afrekening richting de deelnemers en de bijdrage is gefixeerd (op basis van een solidariteitssysteem)
NB: De gemeenten blijven beleidsverantwoordelijk en geven indicaties af. Flex vervoer (financiële stroom 3) Wij zijn van mening dat deze baten en lasten thuishoren binnen de GR. Hieraan liggen de volgende argumenten: •
De GR draagt het financieel risico
•
Er is geen sprake van een individueel afrekening richting de deelnemers en de bijdrage is gefixeerd (op basis van een solidariteitssysteem)
NB: Geen indicaties van de Provincie vereist. Sprake van een open toegang voor alle inwoners. Overige financiële stromen
Op grond van bovengenoemde argumenten horen deze ook thuis binnen de GR. Voordat u tot een standpunt komt, zijn wij gaarne bereid tot een nadere toelichting. A. Riemens, Senior financieel adviseur gemeente Terneuzen D. Grevink, Kwartiermaker publiek vervoer Zeeland
Deel B: Reactie BBV
De situatie beschreven zoals beschreven in de casus is ingewikkeld gemaakt. De verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden is erg complex gemaakt tussen de gemeenten en de GR. In de kern is bij deze casus bij in ieder geval de geldstromen 1 en 2 sprake van mandaat 1. De kosten voor het vraagafhankelijk WMO vervoer (doorbelast door de mobiliteitscentrale) 2. De kosten voor het vraagafhankelijk jeugdvervoer (doorbelast door de mobiliteitscentrale) Op basis van de beschreven casus zijn de deelnemende gemeenten en provincie immers zelf verantwoordelijk voor het beleid. De beschikkingen/indicaties worden ook afgegeven door de gemeenten. De GR heeft wel de verantwoordelijkheid voor regievoering en contractbeheer voor de contracten met deelnemers, overgedragen gekregen door de provincie en gemeenten op basis van delegatie. Ten slotte is de GR belast met ondersteuning van beleidsvoorbereiding. Dit betekent dat de baten en lasten van in ieder geval deze twee geldstromen in de begrotingen en jaarrekeningen van de deelnemende gemeenten en provincie moeten worden opgenomen, omdat de GR allemaal op uitvoering gerichte taken heeft als gevolg van het door de gemeenten en provincie vastgestelde beleid en de door gemeenten afgegeven beschikkingen/indicaties.
Echter, Er van uitgaande dat in de Regeling van de GR is vastgelegd dat de lasten niet 1-op-1 met de deelnemers worden verrekend en dus het principe van solidariteit wordt toegepast (gefixeerde bedragen per gemeente en provincie) en dat de GR het uiteindelijke risico op bijvoorbeeld een onjuiste indicatie/toekenning 'overneemt' gezien de volgende passage in de casus: "Omdat sprake is van een gefixeerde bijdrage door de gemeenten, vindt kwijting door de GR plaats als een onrechtmatige beschikking wordt afgegeven. Er wordt dan geen bedrag geclaimd bij de gemeente". is hier feitelijk sprake van delegatie en worden de baten en lasten dus toch in de begroting en jaarrekening van de GR opgenomen en worden bij de gemeenten en provincie alleen de gefixeerde bijdrage verantwoord in de begroting en jaarrekening. De Commissie wijst bij deze complexe casus op twee punten:
1. Zodra 1 het niet 1-op-1 met de deelnemers verrekenen en/of het 'overnemen' door de GR van de uiteindelijke risico's op bijvoorbeeld een onjuiste indicatie/toekenning vervalt of wijzigt, vervalt ook de feitelijke delegatie. 2. In dit kader adviseert de Commissie goed naar de juridische houdbaarheid en haalbaarheid van de beschreven casus te kijken. Het is een aandachtspunt dat de gemeenten of provincie een foutieve (onrechtmatige) beschikking/indicatie kunnen afgeven, waarvan het risico door het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling wordt overgenomen en dus gedragen. Vanuit een bestuurlijk-juridisch oogpunt is dit merkwaardig en zal op houdbaarheid en haalbaarheid onderzocht moeten worden. Dit antwoord heeft uitsluitend betrekking op deze specifieke vraag en is dan ook niet vanzelfsprekend van toepassing op elke situatie. Algemene uitgangspunten en duiding van het BBV die voor iedereen gelden worden door de commissie BBV op de website gepubliceerd via de notities en nieuwsberichten. Deze vraag en het bijbehorende antwoord wordt dan ook na vier weken gearchiveerd en is dan niet meer voor iedereen zichtbaar op de website van de commissie BBV.
Mogelijke langere publicatie van het gegeven antwoord via een apart nieuwsbericht is voorbehouden aan de commissie BBV en geschiedt na vaststelling en besluit door de commissie in haar volgende vergadering, waarbij gekeken wordt naar algemene toepassing en mogelijke aanvullende duiding die niet al in de door de commissie gepubliceerde notities te vinden is. Als u op basis van dit door de commissie BBV gegeven antwoord een vervolgvraag heeft, dan dient u deze te stellen door een nieuwe vraag in te voeren op de website bij ‘Vraag & Antwoord BBV’ en daarbij te verwijzen naar de eerste vraag. Het is niet mogelijk deze via een reactie op het antwoord aan de commissie kenbaar te maken. Met vriendelijke groet, Kevin Ruigrok Secretaris Commissie BBV