CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Verzamelverordening gemeente Gilze en Rijen Participatiewet IOAW IOAZ en Bbz 2017

Raadscommissie Samenleving 1 juni 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 202214.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het college kan besluiten om bovenop de target extra dienstbetrekkingen beschut werk te realiseren. Deze afweging maakt het college per geval. Artikel 8: Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde Het college kan de loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel uitsluitend inzetten als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, PW. Het gaat daarbij om personen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk. Het college kan deze - indien nodig - voor een langere periode inzetten. Met dit instrument compenseert de gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer. In artikel 10c PW is bepaald dat het aan college is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de PW is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of zij loonkostensubsidie voor hen inzetten. In artikel 8, tweede lid, van deze verordening is vastgelegd welke criteria het college daarbij in acht neemt. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, PW. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd. 19

Loonwaardebepaling In de PW en in de lagere regelgeving zijn de wettelijke eisen neergelegd waaraan de loonwaarde methodiek moet voldoen. Daarbinnen hebben de ge ee te e regio s eleids rijheid gekrege . De PW bepaalt dat de methode van loonwaardebepaling waarvoor de gemeente heeft gekozen, in de gemeentelijke verordening een plaats moet krijgen. Gemeenten moesten begin 2015 regionale afspraken maken over de loonwaardebepaling in het Werkbedrijf. Het opstellen van een methodiek voor loonwaardebepaling hing dus samen met de vorming van het Werkbedrijf. Voor de ABG gemeenten betreft dat de arbeidsmarktregio MiddenBrabant. Door middel van een aanbestedingsprocedure is gekozen voor de loonwaardemethodiek Dariuz. In artikel 8 van deze verordening is opgenomen dat dit de loonwaardemethodiek is die de gehele regio inzet. Het instrument voldoet aan voorwaarden van het Ontwerpbesluit loonkostensubsidie Participatiewet en is door het ministerie goedgekeurd. Naast de keuze van het instrument zijn er ook verschillende andere afspraken gemaakt met betrekking tot de loonwaardemeting zoals de regiogemeenten die uitvoeren. Zo is bijvoorbeeld afgesproken dat gemeenten gebruik kunnen maken van elkaars loonwaardespecialisten en dat een accountmanager die de plaatsing heeft verzorgd nooit degene kan zijn die de loonwaardemeting uitvoert.

Paragraaf 2.4: Studietoeslag Voorwaarden individuele studietoeslag Artikel 36b, eerste lid, PW spreekt zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de individuele omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag:  18 jaar of ouder is;  recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF2000) of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS);  geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 PW heeft; en  een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering (WSF2000) of een WTOStegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk WSF2000 of WTOS moet ontvangen. Het recht op studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd en inkomen. Of iemand van dit recht gebruik maakt, is niet in de PW geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op grond van de PW.

Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op WSF2000 of WTOS. De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op WSF2000 of WTOS heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen. De artikelen 12, 43, 49 en 52 PW zijn niet van toepassing bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, PW). De belanghebbende moet de aanvraag indienen bij het college. Het college houdt geen rekening met een eventuele draagkracht van de ouders (artikel 12 PW). Het college kan een individuele studietoeslag niet als lening verstrekken als een persoon met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 PW is namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, PW). Ook artikel 52 PW is niet van toepassing op de individuele 20

studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de PW). Dit maakt dat het college de individuele studietoeslag niet kan verstrekken in de vorm van een voorschot. Artikel 9: Indienen verzoek De persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, PW. Onder aanvraag is te verstaan: een verzoek van een persoon om een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, Awb). De belanghebbende dient de aanvraag in beginsel schriftelijk in te dienen (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop de belanghebbende het verzoek, als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, PW moet indienen, staat in deze verordening dat hij het verzoek moet doen met een door het college vastgesteld formulier. Het college ziet een verzoek dan als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 Awb) die is ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die hij vraagt (artikel 4:2, eerste lid, Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, Awb).

Een mondeling verzoek valt hiermee dus niet aan te merken als een verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b PW. Artikel 10: Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon In eerste instantie onderzoekt het college zelf of er sprake is van verminderd arbeidsvermogen op basis van beschikbare gegevens. Wanneer het college niet in staat is zelf deze beoordeling te maken, dan zal zij een extern advies inwinnen. Artikel 11: Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Voordeel van eenmalige verstrekking is dat het college alleen bij de aanvraag hoeft te kijken of belanghebbende voldoet aan alle voorwaarden. Het college hoeft niet later ook nog te onderzoeken of iemand is blijven studeren. Wel zal het college bij een nieuwe aanvraag voor een volgende periode op dat moment weer moeten onderzoeken of iemand voldoet aan de criteria. Een studiejaar start op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar. Artikel 12: Hoogte individuele studietoeslag Het college kent de studietoeslag per persoon die voldoet aan de voorwaarden toe. Een individuele studietoeslag edraagt € , per aa d.

Is sprake a gehu de die alle ei afzo derlijk oldoe aan de voorwaarden voor een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een individuele studietoeslag. Artikel 13: Betaling individuele studietoeslag Het college betaalt een individuele studietoeslag eenmalig per studiejaar in één bedrag uit. Dit is het bedrag zoals neergelegd in artikel 12 van deze verordening, vermenigvuldigd met 12 maanden. Bij de start van een nieuw studiejaar kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Hiertoe moet hij een nieuwe aanvraag indienen.

Paragraaf 2.5: Tegenprestatie Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW. Deze mogelijkheid staat al langere tijd in de wet, maar met de invoering van de WWB maatregelen 2015, welke zijn opgegaan in de PW) is de verplichting tot het opstellen van een verordening opgenomen. Opvallend hierbij is dat de wet nog steeds een discretionaire bevoegdheid aan het college geeft om de tegenprestatie op te dragen en 21

niet spreekt van een wettelijke verplichting. Maar de verplichte verordening geeft een ander signaal aan gemeenten: de wetgever verlangt van de gemeenten dat zij de tegenprestatie regelen, maar gemeenten hebben de vrijheid om de tegenprestatie naar vermogen op te leggen. De mogelijkheid tot het opleggen van een tegenprestatie is beperkt door hetgeen is opgenomen in artikel 4 EVRM rondom gedwongen arbeid. De arbeid moet van korte duur, incidenteel en onbeloond zijn en het mag beslist geen verdringing opleveren op de arbeidsmarkt. Artikel 14: Doelgroep en doel De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie geldt in beginsel voor iedereen die een uitkering ontvangt. Dit geldt niet alleen voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de PW, maar ook voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. Het opleggen van een tegenprestatie naar vermogen is geen middel, maar een doel. Doel is om uitkeringsgerechtigden, die tot dusver aan de zijlijn stonden, te prikkelen om zich in te zetten voor de samenleving als tegenprestatie voor de ontvangen uitkering. Artikel 15: Inhoud van een tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.

Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Het college dient hierbij maatwerk toe te passen. Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie het college van hem verwacht. Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden In de wet is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van de reguliere betaalde werkzaamheden: het moet o iets extra s gaa aar or aal gesproke gee volledige betaalde kracht voor wordt ingezet. De in dit artikel gestelde voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14) en op de eisen van het EVRM. In beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden zij in ieder geval als tegenprestatie kan inzetten (artikel 15, tweede lid, van deze verordening). Deze werkzaamheden zijn te beschouwen als een uitwerking van artikel 15 van deze verordening.

Samenwerking met maatschappelijke organisaties De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).

22

Artikel 16: Het opdragen van een tegenprestatie Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te dragen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja, welke tegenprestatie zij aan de belanghebbende opdraagt. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan een belanghebbende bezwaar en beroep aantekenen (TK 20132014, 33 801, nr. 7, p. 49).Het college moet rekening houden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden zoals zorgtaken. Het college draagt de erkzaa hede i ers op aar er oge . Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten Geen tegenprestatie Als daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, PW). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) (artikel 9, vijfde lid, PW).

De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is bovendien niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW (artikel 9, zevende lid, PW). Voorts houdt het college bij het opdragen van een tegenprestatie rekening met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en de vergoeding hiervan. Artikel 17: Duur en omvang van een tegenprestatie De uitvoering van de tegenprestatie kunnen we opdragen voor de maximale duur van drie maanden. Let wel: het gaat hier om de termijn waarop de belanghebbende daadwerkelijk werkzaam is op de tegenprestatie, niet de volledige termijn waarop deze is opgelegd waarbinnen (gedeeltelijke) werkzaamheden zijn verricht. Er moet sprake zijn van een korte duur: daarom is er voor gekozen om maximaal 8 uur per week, en maximaal 80 uur per kalenderjaar een tegenprestatie op te dragen. Naast de tegenprestatie kan de belanghebbende de rest van de week nog steeds voldoen aan een eventuele re-integratie – of arbeidsverplichting. We leggen binnen een periode van twaalf maanden een tegenprestatie slechts eenmaal op. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode van twaalf maanden. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van een belanghebbende.

Artikel 18: Afzien van het opleggen van een tegenprestatie Er is een aantal redenen waarom het college geen tegenprestatie oplegt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd voor mantelzorg in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op. Daarnaast legt het college geen aanvullende tegenprestatie op als iemand al voldoende maatschappelijk actief is en op deze wijze een tegenprestatie levert aan de maatschappij.

Hoofdstuk 3: Afstemming van de uitkering Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking getreden. Sinds die datum is het college verplicht een bestuurlijke boete op te leggen als sprake is 23

van schending van de inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid van het college om bij schending van de inlichtingenplicht een maatregel op te leggen is verdwenen. Gaat het om schending van een andere verplichting dan de inlichtingenplicht, dan is een maatregel nog wel aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan schending van de medewerkingsplicht, arbeids- en reintegratieverplichting, aan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, het zich zeer ernstig misdragen of het niet nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. In paragraaf 3.1 en 3.2 is de verplichting als bedoeld in artikel 18 PW uitgewerkt om vorm en inhoud te geven aan een sanctiebeleid (vaststellen afstemmingsverordening). Het verlagen van de uitkering is voorgeschreven als de belanghebbende naar het oordeel van het college:  tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan;  de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, anders dan benoemd in artikel 17, eerste lid, PW niet of onvoldoende nakomt. Het sanctiebeleid is uitgewerkt vanuit de visie, dat een uitkering als een tijdelijke overbrugging is te zien naar participatie met betaald (gesubsidieerd) werk.

Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn uitkeringsgerechtigden wettelijk verplicht al datgene te doen (en na te laten) wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Zij kunnen daarbij ondersteuning krijgen met voorzieningen. De tegenhanger hiervan is het sanctiebeleid. Als een belanghebbende een noodzakelijk traject naar participatie frustreert, handelt het college metterdaad en streng (lik op stuk beleid). Ook waar het agressie/geweld tegen die dienstverleners die de wetten uitvoeren betreft.

Paragraaf 3.1: Algemene bepalingen Maatwerk uitgewerkt in de artikelen 19 t/m 22 Het sanctiebeleid moet voldoen aan de vereisten van de PW en de Algemene wet bestuursrecht. Deze bepalingen komen tegemoet aan de beginselen van zorgvuldigheid, rechtszekerheid en motivering bij het opleggen van een sanctie. De gestelde waarborgen verduidelijken de rechtspositie van de klant in relatie tot de PW-inkomensgarantie op minimumniveau. Artikel 19: Het opleggen van een verlaging van de uitkering De regels, zoals deze voortkomen uit constante jurisprudentie zijn hierbij aangehaald. Het college beoordeelt het opleggen van een maatregel op de volgende criteria:  de ernst van de gedraging: welke verplichting is niet of niet correct nagekomen;  de mate van verwijtbaarheid: is de het de belanghebbende wel volledig te verwijten dat hij een verplichting niet is nagekomen; en  de persoonlijke omstandigheden: soms zijn de omstandigheden zodanig dat de gedraging niet aan te rekenen valt en soms kunnen de omstandigheden ook een reden zijn om geen maatregel op te leggen. Met name deze laatste overweging is maatwerk, omdat het college hier uitgaat van de persoonlijke situatie van de belanghebbende. Artikel 21: Afzien van het opleggen van een verlaging In dit artikel is een termijn gesteld waar binnen het college een maatregel kan opleggen.

Deze termijn geldt alleen voor de niet-geüniformeerde maatregelen van artikel 18, vierde lid, PW. Concreet betekent dit dat als de gedraging meer dan 2 jaar voordat het college deze constateert heeft plaatsgevonden, zij afziet van het opleggen van een maatregel. Let wel: dit geldt niet voor de schending van de inlichtingenplicht! Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als 24

hier dringende redenen voor zijn. Dit zal niet vaak het geval zijn. Hierbij valt te denken aan de zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 PW. Artikel 22: Ingangsdatum en tijdvak en recidive In het eerste lid is bepaald dat de verlaging pas kan ingaan op het moment dat iemand hiervan op de hoogte is gesteld, dus als hij of zij de beschikking heeft ontvangen. Daarom gaat de verlaging in op de maand volgend op de maand waarin de beschikking aan de belanghebbende is verstuurd in. Meestal wijzigt de toepasselijke norm niet. Voor de effectuering van de verlaging geldt de norm in de maand waarin het college de maatregel effectueert, om te voorkomen dat zij belanghebbende financieel onevenredig benadeelt. Een voorbeeld hierbij is dat iemand de norm alleenstaande heeft op het moment dat het college de maatregelwaardige gedraging constateert, en leeft als gehuwde (met de norm voor gehuwden) op het moment dat het college de verlaging effectueert. Als het college een verlaging van 10% gedurende één maand oplegt, zal zij deze effectueren op de norm voor gehuwden. In dit geval is de verlaging hoger, maar het kan andersom ook zo zijn dat de verlaging lager uitvalt als de situatie omgekeerd is (gehuwdennorm is gewijzigd in een norm voor een alleenstaande).

In het tweede lid is bepaald dat verlaging geen terugwerkende kracht kent en ingaat per de eerste van de maand volgend op de beschikkingsdatum. Uitzondering hierop is bij de aanvraag. Als er dan sprake is van een maatregelwaardige gedraging gaat deze in per ingangsdatum van de uitkering of datum gedraging, als deze hierna ligt, mits de uitkering niet al is uitbetaald. Is de uitkering al wel uitbetaald, dan geldt de hoofdregel van de eerste van de maand volgend op de beschikking. Het derde lid bepaalt de sanctie in het geval een belanghebbende in een maand aan meerdere dezelfde - maatregelwaardige gedragingen begaat. De belanghebbende laat een herhaling zien van één bepaalde gedraging. De sanctie is in dat geval dat het college de tweede en volgende gedraging ziet als zelfstandige gedraging. Voor iedere gedraging legt het college dan een verlaging op. In het vijfde lid is bepaald dat, wanneer er sprake is van meerdere - verschillende maatregelwaardige gedragingen, het college in dat geval altijd de maatregel met de hoogste sanctie oplegt. In dit geval gaat het om een situatie waarin het college in één onderzoek constateert dat de belanghebbende meerdere - verschillende - maatregelwaardige gedragingen heeft begaan.

In het zesde lid, onderdeel b is bepaald dat bij recidive de duur van de verlaging in principe altijd twee maanden is, ook als er sprake is van een derde of vierde overtreding. Dit in afwijking van de geüniformeerde verlagingen, waarbij de duur van de verlaging bij herhaalde niet nakoming is gesteld op drie maanden. In het geval dat het college een verlaging van 100% gedurende een maand oplegt, dan verdubbelt de duur van de verlaging bij recidive. In het geval dat het college een verlaging van 50% gedurende een maand oplegt, verdubbelt de hoogte van de verlaging bij recidive. In het zevende lid is bepaald dat, als de uitkering is beëindigd het college geen verlaging van de uitkering meer kan effectueren. Wanneer de klant binnen een jaar een nieuwe uitkering aanvraagt en het college deze toekent, dan kan zij de verlaging of het deel dat nog niet is geëffectueerd, alsnog effectueren op de nieuwe uitkering vanaf de ingangsdatum. Artikel 23: De berekeningsgrondslag van de verlaging. Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 24: Waarschuwing In plaats van het opleggen van een verlaging kan het college bij gedragingen van de 2e categorie zoals bedoeld in artikel 26 sub b en artikel 27 sub b van deze verordening volstaan met het geven van een 25

schriftelijke waarschuwing. Dit kan alleen in de situaties waarin de verordening dit toestaat. De waarschuwing telt mee voor de recidive en het college moet hiertoe dan ook beschikken en registreren. Artikel 25: Horen van de belanghebbende(n) Het college moet de belanghebbende horen en het besluit altijd schriftelijk nemen. Vanzelfsprekend zijn de bepalingen van de Awb hierop ook van toepassing. In dit artikel staan alleen de bijzondere bepalingen voor de uitvoering van de PW. De sanctie gaat pas in als de belanghebbende hier van op de hoogte is gesteld. Het college kan slechts in bepaalde situaties, zoals opgenomen in deze verordening, gemotiveerd afzien van het horen.

Paragraaf 3.2: Gedragingen en bijbehorende maatregelen Paragraaf 3.2.1: Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 26: Gedragingen PW De artikelen 26 en 28 moet men in onderlinge samenhang lezen. In artikel 26 zijn de schendingen van verplichtingen uit de PW geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die hierin staan genoemd, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën kent artikel 28 een gewicht toe in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Gedragingen in de eerste categorie De gedragingen die hier genoemd zijn wegen allemaal zeer zwaar gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde om al datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Een tekortkoming van deze aard druist zo in tegen het uitgangspunt van participatie naar vermogen, dat een verlaging van de uitkering van 100% voor de duur van één maand proportioneel is geacht. Deze verlaging is bovendien redelijk en billijk geacht, omdat de belanghebbende door diens opstelling, houding of gedrag niet zelf in het bestaan kan voorzien. Daarnaast sluit de bepaling in de verordening hiermee aan bij de in de wet genoemde (wel geüniformeerde) maatregelen.

Gedragingen in de tweede categorie De gedragingen die hier genoemd wegen minder zwaar dan de gedragingen in de eerste categorie. Gelet op de aard van de gedragingen in relatie tot het teruglopende participatiebudget, is een verlaging van 20% gedurende één maand niet disproportioneel geacht. Artikel 27: Gedragingen IOAW en IOAZ De artikelen 27 en 28 moet men in onderlinge samenhang lezen. In artikel 27 zijn de schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die hierin staan genoemd zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën kent in artikel 28 een gewicht toe in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging is ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Artikel 28: Hoogte en duur van de verlaging In het eerste lid staan de verlagingspercentages behorende bij de verlagingswaardige gedragingen als bedoeld in de artikelen 26 en 27. Met de Wet Maatregelen WWB 2015, thans opgenomen in de PW, zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (artikel 18, vierde en vijfde lid, PW). Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming van de gedragingen in 26

de eerste categorie als bedoeld in de artikelen 26 en 27 aan te sluiten bij de maatregelen voor het schenden van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit omwille van duidelijkheid. Bovendien zijn diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen in de eerste categorie. In het tweede lid is bepaald dat het college op basis van individuele omstandigheden kan besluiten de verlaging van 100% gedurende een maand op te delen in twee maanden verlaging van 50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen met kleine kinderen die door de verlaging van 100% in dusdanige problemen komen dat de huisvesting in het geding komt. Hierbij zij opgemerkt dat het hebben van kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet gaan om de gehele situatie. Artikel 29: Niet nakomen overige verplichtingen PW Artikel 55 PW geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de klant. Deze verplichtingen zijn beperkt tot een viertal categorieën, te weten:  verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;  verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;  verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en  verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Dit artikel ziet op de verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling. De overige verplichtingen komen terug in artikel 33. Voorbeeld van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling is het zich onderwerpen, op advies van een arts, aan een noodzakelijke behandeling van medische aard, omdat de beperkingen arbeidsinschakeling in de weg staan. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen wordt door het college een verlaging van de uitkering van 50% gedurende één maand opgelegd. Paragraaf 3.2.2: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 30: Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting In het eerste lid is bepaald dat bij het verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging van de uitkering 100% gedurende een maand bedraagt. Dit is volgens de PW de minimale verlaging (artikel 18 vijfde lid, PW). Volgens het tweede lid kan het college op basis van individuele omstandigheden besluiten de verlaging van 100% gedurende een maand op te delen in twee maanden verlaging van 50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen met kleine kinderen die door de verlaging van 100% in dusdanige problemen komen dat de huisvesting in het geding komt.

Hierbij zij opgemerkt dat het hebben van kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet gaan om de gehele situatie. Als er sprake is van recidive (het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting), bedraagt de verlaging 100% gedurende twee maanden.

27

Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige verlaging, bedraagt de verlaging 100% gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, PW). Wettelijk heeft de belanghebbende de mogelijkheid om zich te herstellen. Hij kan hiervoor een verzoek doen en moet dan aantonen nu wel te voldoen aan de verplichtingen. Deze mogelijkheid is verder uitgewerkt in beleidsregels. Paragraaf 3.2.3: Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 31: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken zoals:  een onverantwoorde besteding van vermogen;  geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;  het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering. Het benadelingsbedrag bepaalt de hoogte van de sanctie. Wanneer er geen benadelingsbedrag is vast te stellen (maar er is wel benadeling), dan volstaat het college met het opleggen van een schriftelijke waarschuwing. Wanneer een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden, en hij daardoor een beroep moet doen op een uitkering, verlaagt het college de uitkering.

De verlaging is gelijk aan het netto inkomen, wat de belanghebbende zou hebben verdiend, als hij de arbeid had behouden, met een maximum van 100% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Dit is een zware sanctie, maar dit sluit aan bij de bepalingen zoals genoemd in artikel 18, vierde lid, PW (schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen) en artikel 26, aanhef, onderdeel a, sub 6 van deze verordening. Bij het onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken) van vermogen is de hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de schadelast voor de gemeente. Deze maatregel geldt niet voor de IOAW nu deze regeling geen vermogensbepaling kent. Wanneer er sprake is van versneld interen of wegschenken van vermogen verlaagt het college de uitkering gedurende het eerder bijstandsafhankelijk zijn met 100%. Als dit tot problemen leidt kan het college bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken, zoals bedoeld in artikel 48 PW. Het college berekent het versneld interen van vermogen naar de systematiek van 1½ maal de bijstandsnorm per maand. Wanneer een belanghebbende tekortschietend besef betoont bij het aanvragen van bijzondere bijstand, bijvoorbeeld door geen gebruik te maken van een voorliggende voorziening, stemt het college de bijzondere bijstand af met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien.

Deze afstemming toont gelijkenis met de afstemming, zoals opgenomen in het vijfde lid van dit artikel. De uiterste consequentie kan zijn dat de belanghebbende geen bijzondere bijstand krijgt voor bepaalde kosten, omdat een voorliggende voorziening de kosten volledig zou hebben vergoed. Artikel 32: Zeer ernstig misdragen Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, PW. Onder de ter zeer er stig isdrage is i deze erorde i g i elk ge al erstaa : elke or a o ge e st en agressief (fysiek) contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm is als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Handelingen die 28

door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek- en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de PW belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' is aangegeven dat het college de verlaging van de uitkering alleen kan opleggen bij misdragingen in het kader van de uitvoering van de PW. Als er sprake is van misdragingen jegens de met de uitvoering van de PW belaste personen en instanties zonder dat deze bezig zijn met de uitvoering van de PW (dus eventueel in hun privésituatie), zal het college altijd aangifte doen en kan het college een gebouwverbod opleggen. Bij zeer ernstige misdragingen treedt het agressieprotocol in werking. Dit protocol voorziet in onder meer een ordegesprek, het doen van justitiële aangifte (altijd bij fysiek geweld) en een gebouwverbod. Daarnaast legt het college een verlaging van de uitkering van 100% gedurende een maand op.

Bij recidive verlaagt het college de uitkering gedurende drie maanden met 100%. Dit omdat de impact van zeer ernstig misdragen op de personen maar ook op de organisatie dermate groot zijn, dat we dit zoveel mogelijk moeten zien te voorkomen. De hoogte van de sanctie heeft naast een repressief ook een preventief aspect. Artikel 33: Niet nakomen overige verplichtingen Artikel 55 van de PW geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de klant. Deze verplichtingen zijn beperkt tot een viertal categorieën, te weten:  verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (geregeld in artikel 30 van deze verordening);  verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;  verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; en  verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. De sanctie is afgestemd op het soort verplichting dat de belanghebbende niet nakomt en de impact hiervan op de bijstandsverlening. Hoofdstuk 4: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik In dit hoofdstuk is de verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8b PW: de gemeenteraad stelt, in het kader van goed financieel beheer, regels op voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Deze regels moeten waarborgen dat de uitvoering van de bijstand aan de eisen van rechtmatigheid voldoet. Gelet op de financiële verantwoordelijkheid van de gemeente is naast controle van de rechtmatigheid van de bijstand ook het beheersen van het volume in de bijstand belangrijk. Een effectieve handhaving vertaalt zich immers in een besparing op het BUIG-budget. Het beleid voor handhaving is sinds langere tijd ingericht naar het model van hoogwaardig handhaven. Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier pijlers, waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn: 1. goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen; 2. het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane naleving PW); 29

3. het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik en 4. het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik. Het college werkt de pijlers van hoogwaardig handhaven verder uit in beleidsregels en richtlijnen voor de uitvoering. Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van oneigenlijk gebruik en misbruik van de PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 is gewaarborgd door te werken naar de uitgangspunten van het landelijke model voor programmatisch en hoogwaardig handhaven. Het college voert de vier visievelden van dat model in samenhang uit. De nadruk ligt op preventie en gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is beter dan genezen. Artikel 36: Aangifte bij het Openbaar Ministerie Het college legt geen bestuurlijke boete op als zij aangifte doet van fraude bij het Openbaar Ministerie (OM), vanwege het beginsel 'ne bis in idem' (niet 2x straffen voor hetzelfde feit). Als het OM echter besluit niet tot vervolging over te gaan, dan kan het college wel sanctioneren. Dit kan wel enige tijd later zijn, omdat het OM de aangifte zal moeten beoordelen en dat kost tijd.

Artikel 37: Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen Het college vordert ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto uitkering door oneigenlijk gebruik of misbruik van de PW, IOAW, IOAZ of Bbz 2004, in beginsel altijd volledig terug volgens de door het college vastgestelde beleidsregels terugvordering en verhaal. Deze beleidsregels voorzien mede in het afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten van bijstand, de termijn waarover belanghebbende naar draagkracht moet terugbetalen en het matigen dan wel afboeken (kwijtschelden) van terug te vorderen kosten van bijstand.

Hoofdstuk 5: Slotbepalingen De slotbepalingen behoeven geen toelichting.

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11474078/1