Transitiedocument tekst
Tekst van het document
Transitie bodem naar Omgevingswet
Transitiedocument Deel Tekst September 2021 versie 1.1
-1-
-2-
Transitiedocument Inhoudsopgave September 2021 versie 1.1
1.
Inleiding ................................................................................................................................ 2
2.
Taken en bevoegdheden ........................................................................................................ 5
3.
Verantwoord uitvoeringsniveau .............................................................................................. 8
4.
Overdracht en beheer van data (dossiers locaties, bodeminformatiesysteem) ........................ 10
5.
Behoud van bodemkennis .................................................................................................... 13
6.
Processen en procedures...................................................................................................... 16
7.
Opleiding en competenties bodemmedewerkers ................................................................... 17
8.
Financiële gevolgen op hoofdlijnen ...................................................................................... 21
-3-
1. Inleiding 1.1
Algemeen
Op 1 juli 2022 treedt de Omgevingswet met grote zekerheid in werking. De inwerkingtreding gaat gepaard met een verschuiving in bevoegdheid, van de Provincie naar alle 56 NoordBrabantse gemeenten (exclusief B5 gemeenten), voor de bodemverontreiniging in de vaste bodem die niet spoedeisend zijn onder de Wet Bodembescherming (Wbb). De spoedeisende bodemverontreinigingen en de bodemverontreiniging waarvan de sanering al is gestart of een beschikking op het saneringsplan is genomen dan wel een BUS (Besluit Uniforme Saneringen)melding is goedgekeurd blijven onder het Overgangsrecht onder het wettelijke regiem van de Wet Bodembescherming met als bevoegd gezagen de Provincie en de vijf grote Brabantse gemeenten (B5) die al bevoegd gezag voor bodem zijn. Alle gemeenten worden primair verantwoordelijk voor de leefomgeving en dus ook voor de bodemkwaliteit. Het Rijk is terughoudend met het opstellen van nationale regels. Onder de Omgevingswet blijft de provincie verantwoordelijk voor de kwaliteit van het grondwater. De Kader Richtlijn water en de grondwaterrichtlijn vormen de basis. Dit betekent ook dat grondwaterverontreinigingen die nu onder het bevoegd gezag van de B5 gemeenten vallen, na invoering van de Omgevingswet (tenzij overgangsrecht) onder het bevoegd gezag van de provincie gaan vallen. Het Waterschap heeft als rol uitvoering te geven aan het (grond)waterbeleid.
Voor de bodem van de waterwingebieden, de grondwaterbeschermingsgebieden en de zogenoemde boringsvrije zones geldt bovendien de provinciale (Interim) Omgevingsverordening. Met de komst van de Omgevingswet vindt een niet vrijblijvende verbreding van het bodembeheer plaats. Naast chemische kwaliteit moet er, gelet op de functies van de bodem en de maatschappelijke opgaven, ook in samenhang gekeken worden naar de ecologische en fysische kwaliteiten. Dit vraagt een veranderende rol van de bodemspecialist meer van adviseur naar (mede-)regisseur bij ontwikkelingen. 1.2
Aanleiding project en probleemstelling
De Wet bodembescherming wordt geleidelijk uitgefaseerd. Een gevolg daarvan kan zijn dat gebiedsgericht bodembeheer meer kan worden gefaciliteerd, zoals ook is afgesproken in het convenant bodem. De herziene artikelen treden naar onze verwachting grotendeels in een AMvB onder de nieuwe Omgevingswet in werking. Er is behoefte aan inzicht in de gevolgen van de Omgevingswet voor de VTH-taakuitvoering, om voorbereidingen te kunnen treffen voor uitvoering van de VTH-bodemtaken onder de Omgevingswet.
2
De precieze invulling van deze activiteitgerichte benadering is beleidsmatig in de Aanvullingswet bodem uitgewerkt. We gaan van bodem-saneren naar bodem-beheren. Daarnaast is de verbreding van bodem in relatie tot de belangrijke maatschappelijke opgaven een belangrijk aandachtspunt. Denk aan klimaatadaptie (verdroging, wateroverlast), energie (koude-warmte opslag), voedselproductie en intensivering gebruik van de ondergrond. De provinciale bodemtaken Wbb zijn uitbesteed aan de OMWB en de ODZOB. De ODZOB voert deze taken ook uit voor het gebied van de ODBN en zal dat ook voor de locaties die vallen onder het overgangsrecht na invoering van de omgevingswet blijven uitvoeren. Iedere omgevingsdienst gaat onder de Omgevingswet de nieuwe bodemtaken (basistaken) voor hun eigen regio uitvoeren. De bodemsaneringskennis Wbb in Noord-Brabant is nu voornamelijk geconcentreerd bij de provincie, de B5 gemeenten en de omgevingsdiensten. De bevoegdheidsverschuiving van provincie naar gemeenten heeft het gevaar in zich dat bestaande bodemkennis verloren gaat, dat taken onder de Omgevingswet niet goed worden opgepakt en dat bodemmedewerkers deels zonder werk komen te zitten. 1.3
Het transitiedocument
De drie Brabantse omgevingsdiensten en de provincie Noord-Brabant hebben afgesproken om een transitiedocument te maken, bestaande uit 2 delen: een deel voor de toekomstige taakuitvoering onder de bevoegdheid van de gemeente (dit document), en een separaat tweede deel voor de overblijvende provinciale taak. Het transitiedocument behandeld wat er werkinhoudelijk gaat veranderen en hoe we dat zoveel mogelijk gezamenlijk in Brabant vorm gaan geven. Het transitiedocument bestaat uit een tekstdeel waarin op begrijpelijke wijze voor eenieder die met deze transitie te maken heeft de transitie op hoofdlijnen is beschreven. Aangezien de overgang voor bodem zeer complex is, is het technisch inhoudelijke deel in bijlagen opgenomen. Het technisch inhoudelijke deel kan als naslagwerk worden gebruikt voor de voorbereiding op en uitvoering van de (nieuwe) bodemtaken onder de Omgevingswet. Het technisch inhoudelijke deel van het transitiedocument is een dynamisch werkdocument dat aangevuld wordt indien veranderingen optreden. In het transitiedocument worden de volgende onderdelen inzichtelijk gemaakt: 1. Taken en bevoegdheden, waaronder wettelijke basistaken en verzoektaken. 2. Verantwoord uitvoeringsniveau en daarmee samenhangend de financiële gevolgen op hoofdlijnen voor gemeenten voor uitvoering van de nieuwe bodemtaken 3.
Overdracht en beheer van data (dossiers locaties, bodeminformatiesysteem). 4. Behoud van bodemkennis.
3
5. Processen en procedures gericht op een goede technische uitwisseling met gemeenten. 6. Opleiding en competenties bodemmedewerkers.
4
2. Taken en bevoegdheden 2.1
Hoofdlijnen transitie bodemtaken
Transitie huidige bodemtaken Met de komst van de Omgevingswet worden gemeenten verantwoordelijk voor beleid en activiteiten (graven/saneren/toevalsvondsten) in de vaste bodem. Dit betekent voor de meeste gemeenten dat de bevoegd gezagstaken overgaan van de provincie naar de gemeenten. Daarentegen gaan er vanuit de huidige bevoegd gezag gemeenten, in NoordBrabant de B5-gemeenten Breda, Tilburg, Den Bosch, Helmond en Eindhoven, ook taken over van gemeente naar de provincie. Het betreft de verantwoordelijkheid voor de grondwaterkwaliteit. De provincie Noord-Brabant (en de B5-gemeenten) blijft bevoegd gezag voor situaties die onder het Overgangsrecht Wet bodembescherming vallen. Dit zijn onder meer locaties waarvoor een beschikking ernst en spoed is afgegeven en locaties waarvoor een saneringsplan of BUS-melding is ingediend. Locaties met ernstige bodemverontreiniging die niet (meer) als spoedeisend worden beschouwd worden door de provincie met ingang van de Omgevingswet overgedragen aan de nieuwe bevoegd gezag gemeenten. Voor nazorglocaties (bijvoorbeeld afgedekte verontreinigingen) is nog onbekend wie het bevoegd gezag wordt. De belangrijkste veranderingen zijn samengevat in onderstaande tabel. Veranderingen door komst Omgevingswet Wetgeving (nu) Bevoegd gezag (nu) Wet bodembescherming
Provincie NoordBrabant Gemeenten Breda, Tilburg, Den Bosch, Helmond en Eindhoven
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming
Besluit bodemkwaliteit
Provincie NoordBrabant Gemeenten Breda, Tilburg, Den Bosch, Helmond en Eindhoven Gemeenten
Omgevingswet
Bevoegd gezag
Activiteit graven en saneren (voormalig Wbb)
Gemeenten
Overgangsrecht (reeds beschikt en spoedeisend)
Provincie NoordBrabant Gemeenten Breda, Tilburg, Den Bosch, Helmond en Eindhoven Provincie NoordBrabant
Grondwater
Opslaan en toepassen (voormalig Bbk)
Gemeenten
De bevoegdheid voor grondwater en ontgrondingen blijft bij de provincie. Wel worden bij de provincie nieuwe beleidsinstrumenten opgesteld (Omgevingsvisie en provinciale
5
Omgevingsverordening). In deze instrumenten wordt het beleid voor grondwaterbescherming en ontgrondingen integraal herzien. Aanvullende taken Gemeenten hebben onder de Omgevingswet de opgave om evenwichtig functies toe te delen aan de fysieke leefomgeving. Bodem en ondergrond maken hier integraal onderdeel van uit. Het bodem- en ondergrondsysteem kan bijdragen aan veel functies (winning van drinkwater en energie, draagkracht, infiltrerende werking). Daar staat tegenover dat niet al deze functies samengaan en dat het gebruik van de ondergrond ook een negatief effect kan hebben op het bodem- en ondergrondsysteem (denk aan verzilting, bodemdaling of verontreiniging). Bij het ordenen van de ondergrond moet daarom worden gezocht naar een goede balans tussen beschermen en benutten. Aanvullende taken zijn o.a.: -
2.2
Vaststellen normen voor bodem in Omgevingsplan Belang ondergrond meewegen bij ruimtelijke activiteiten Taken rond nieuwe bodemproblematiek (sponsfunctie bodem, verschraling landbouwgronden, verspreiding Japanse Duizendknoop, enz.). Detailoverzicht transitie bodemtaken
Basistakenpakket Gemeenten zijn onder de Omgevingswet bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten, waaronder ook die met het onderwerp bodem te maken hebben. In de praktijk zal echter de vergunningverlening, toezicht en handhaving op deze activiteiten door omgevingsdiensten uitgevoerd worden. Op bestuurlijk niveau zijn namelijk afspraken gemaakt tussen gemeenten, provincies en rijk over de uitvoering van taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving bij milieutaken. Daarbij zijn afspraken gemaakt over taken die door gemeenten en provincies ondergebracht moeten worden bij omgevingsdiensten. Dit wordt ook wel het basistakenpakket (BTP) genoemd. Het basistakenpakket is onder de huidige wetgeving geborgd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In samenwerking met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten is onder de Omgevingswet een nieuw basistakenpakket vastgesteld. Zie hiervoor het Invoeringsbesluit van 28-10-2020. VTH-taken, basistaken en verzoektaken In bijlage 1 in de ‘wordt-was’-tabel zijn de toekomstige bodemtaken onder de Omgevingswet naast de vergelijkbare taak in het huidige wetgevingskader opgenomen. Het gaat deels ook om nieuwe taken die onder de huidige wetgeving niet voorkomen. In Bijlage 1 is onderscheid gemaakt in basistaken en niet-basistaken of verzoektaken.
De basistaken zijn uitgesplitst naar vergunningverlenende taken (inclusief afhandeling melding en informatieplicht) en toezichthoudende/handhavende taken. Bij de taken is het bevoegd gezag voor de taak aangegeven.
6
Naast de basistaken voeren de omgevingsdiensten in hun huidige takenpakket verzoektaken uit voor een aantal gemeenten en voor de Provincie. Het gaat met name om beleidsondersteuning, advisering en informatievoorziening op het gebied van bodem en ondergrond. Onder de Omgevingswet krijgen gemeenten meer beleidsruimte op het gebied van bodem en daarnaast ook de opgave om het bodem & ondergrond systeem integraal mee te wegen in ruimtelijke processen. Om hieraan invulling te geven is specialistische kennis nodig. Gemeenten moeten de afweging maken of zij deze kennis zelf in huis willen hebben, of gebruik willen maken van de kennis die bij de omgevingsdiensten aanwezig is.
7
3. Verantwoord uitvoeringsniveau Door Brabantbreed eenzelfde werkwijze te hanteren kan onder de Omgevingswet kosteneffectief gewerkt gaan worden (Stelt U zich eens voor dat de omgevingsdiensten bij de deelnemende gemeenten min of meer verschillende werkwijzen moeten gaan hanteren). Het kosteneffectief uitvoeren van de bodemwerkzaamheden betekent ook uitvoeren van bodemwerkzaamheden op een verantwoord schaalniveau. De werkzaamheden zijn veelomvattend waarbij een team van specialisten een noodzaak is. Een omgevingsdienst of een grote gemeente isis voor de meeste werkzaamheden een verantwoord schaalniveau. Voor een aantal werkzaamheden kan een verantwoord schaalniveau mogelijk Brabant-breed zijn. Het uitvoeringswerk daarvan kan dan bij één van de omgevingsdiensten worden neergelegd. Een minimaal verantwoord uitvoeringsniveau is zeer van belang zodat kwaadwillenden in Noord-Brabant minder kansen krijgen. Het minimaal gewenste uitvoeringsniveau kan desgewenst worden uitgebreid met de wensen die passen bij het ambitieniveau van gemeenten die meer willen. Het bevoegd gezag Wbb bestaat in Brabant uit de provincie en de zogenoemde B5 gemeenten (Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Tilburg). Na invoering van de Omgevingswet zijn 61 Brabantse gemeenten bevoegd gezag bodem.
Om te voorkomen dat er grote verschillen gaan ontstaan tussen de gemeenten is met een werkgroep in overleg gezocht naar een verantwoord uitvoeringsniveau. Er wordt door de leden van de werkgroep groot belang gehecht aan het op dezelfde wijze werken in Noord-Brabant. Ambities daarentegen kunnen wel verschillen. In dit hoofdstuk en de daarbij behorende technisch inhoudelijke bijlage wordt beschreven wat de taken uit de “wordt-was tabel” globaal inhouden, hoe de taken op een verantwoord niveau kunnen worden uitgevoerd en of maatwerk mogelijk en wenselijk is. De manier van uitvoering van bodemtaken zal onder de Omgevingswet niet alleen bepaald moeten worden aan de hand van het beschikbare budget vanuit het Rijk maar aan de hand van de vraag of die manier efficiënt en effectief genoeg is. Afhandeltermijnen worden korter, initiatiefnemers hoeven niet altijd meer informatie vooraf te sturen en besluiten moeten integraler zijn afgewogen. Het is daarom gewenst om sneller, integraler, projectmatiger, informatiegestuurd en risicogericht te werken. Dit houdt voor alle taken in dat werkwijzen zullen gaan veranderen. Op grond van de Omgevingswet heeft de gemeente straks de onderstaande taken. In de wordt-was tabel ( zie deel bijlagen: bijlage 1) is aangegeven welke taken basistaken zijn die bij de Omgevingsdienst worden ondergebracht. 1
Behandelen meldplichten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) 1.1
Graven in bodem met een kwaliteit onder de interventiewaarde bodemkwaliteit
1.2
Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
8
1.3
Saneren van de bodem
1.4
Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie.
1.5
Toepassen van bouwstoffen.
1.6
Toepassen van grond of baggerspecie
1.7
Grondbank of grondreinigingsbedrijf:
2
Beoordelen bodemonderzoeken 2.1
Eindonderzoek bodem
2.2
Voorafgaand bodemonderzoek
3
Bruidsschat Bodem 3.1
Bouwen op verontreinigde bodem:
3.2
Nazorg na saneren van de bodem:
3.3
Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
3.4
Historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
3.5
Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
4
Toevalsvondst en ongewone voorvallen en zorgplicht
5
Overige taken 5.2
Beheer BIS
5.3
Advisering bij ruimtelijke plannen
5.4
Beleidsvorming
5.5
Gesloten bodemenergiesystemen
5.6
Taken samenhangend met nieuwe bodemproblematiek (sponsfunctie bodem, verschraling landbouwgronden, verspreiding Japanse Duizendknoop, enz.);
5.7
Voormalige stortplaatsen
In bijlage 3 (zie deel bijlagen) wordt per taak het toepassingsbereik, het wettelijk kader, de regels, enkele opties voor maatwerk in het Omgevingsplan, een voorstel voor het uitvoeringsniveau, de risico’s van het niet uitvoeren van de taak en een toelichting uitgebreid toegelicht. De resultaten van de overleggen met de Brabantbrede werkgroep verantwoord uitvoeringsniveau zijn samengevat in een tabel (zie tabel 2 in deel bijlagen). Aan de hand daarvan wordt per omgevingsdienstregio een inschatting gemaakt van de te verwachten hoeveelheid bodemwerk. Tevens wordt het door de werkgroep gewenste verantwoord uitvoeringsniveau met alle gemeenten in regioverband besproken en daar waar nodig aangepast.
9
4. Overdracht en beheer van data (dossiers locaties, bodeminformatiesysteem) Het werkkapitaal voor chemische verontreinigingen in de bodem is enerzijds een goede beschikbaarheid van de informatie uit (digitale) bodemdossiers en anderzijds een goed werkend bodeminformatiesysteem. Ook onder de omgevingswet is voor een goede uitvoering een goede ontsluiting van de archieven onmisbaar. Het bewaren van overheidsinformatie is geregeld in de Archiefwet van 1995 (momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe Archiefwet 2021: de nieuwe Archiefwet 2021 brengt niet direct verandering in de bewaartermijnen; wel in de termijn van overbrenging en daarmee openbaarmaking (deze zijn aan elkaar gekoppeld. Dat is nu 20 jaar en wordt waarschijnlijk teruggebracht naar 10 jaar) ( Archiefwet 2021 stand van zaken maart voor advies naar Raad van State). Bodemdossiers dienen blijvend bewaard te worden (minimaal 100 jaar). Overigens kent de selectielijst vele termijnen op het gebied van bodem, afhankelijk van het thema. Bijvoorbeeld onderzoeken die betrekking hebben op ernstige bodemverontreinigingen dienen blijvend bewaard te worden. Bodemdossiers en digitale bodeminformatie zijn op verschillende plaatsen aanwezig. Fysieke bodemdossiers bij de provincie en bij de gemeenten.
Digitale bodeminformatie bij de provincie, de omgevingsdiensten en de gemeenten (zie bijlage locatie bodeminformatie en opvragen bodeminformatie). Met de transitie naar de omgevingswet worden alle gemeenten bevoegd gezag. Bij de warme overdracht worden de digitale dossiers niet overgedragen van provincie naar gemeenten. De dossiers blijven ‘eigendom’ van het oorspronkelijke bevoegde gezag, zijnde de provincie, maar kan vanuit de Archiefwet bij een overdracht van taken aan een andere overheidsinstantie wel deze dossiers beschikbaar stellen aan de nieuwe bevoegde gezagen of afhankelijk van de wens van een gemeente naar een omgevingsdienst als de betreffende bodemtaken daar worden belegd. Momenteel beslaat het provinciale bodemarchief bijna 1 strekkende kilometer. Het volledige fysieke blijvend te bewaren archief wordt door de provincie gedigitaliseerd. Dit project loopt waarschijnlijk tot 2024-2025. Het digitaliseren van het provinciale papieren archief zal gaan gebeuren met vervanging, wat inhoudt dat de digitale dossiers de authentieke papieren dossiers gaan vervangen. Deze mogen dan ook volgens een te volgen procedure en met de expliciete toestemming van GS vernietigd worden. Het beschikbaar stellen van het digitale archief is zowel voor provincie als mogelijk ook voor de omgevingsdiensten een tijdrovend en kostbaar gevolg van de transitie naar de omgevingswet.
10
Zowel voor de provincie als voor de omgevingsdiensten zal er naar een oplossing gezocht moeten worden om de digitale dossiers te delen met de gemeenten. Daarnaast bestaat de wens om zoveel mogelijk digitale bodemrapporten te koppelen aan het Brabantse bodeminformatiesysteem: Squit iBIS. Als dat gebeurt dan kan via het bodemloket een rapportage worden gemaakt met bodeminformatie uit het BIS van een bepaald gebied, met daarin links om de bodemrapporten zelf te downloaden. Dit kan veel kostenbesparing opleveren bij informatieverstrekking aan burgers en bedrijven. Mogelijk gaan niet alle bodemrapporten aan het BIS gekoppeld worden. Er kan bijvoorbeeld onderscheid gemaakt gaan worden in de volgende categorieën rapporten: a. Nieuwe binnengekomen rapporten kunnen digitaal worden aangeleverd en meteen in Squit IBIS ingelezen. De benodigde arbeidstijd om deze rapporten toe te voegen is relatief gering. b. De rapporten vanaf oktober 2010 zijn wel digitaal beschikbaar maar zijn gekoppeld aan zaaksystemen bij de provincie en OMWB/ODZOB vanaf november 2013 (zie bijlage: locatie bodeminformatie en opvragen bodeminformatie). Het koppelen aan het BIS kost extra tijd en geld maar kan veel kostenbesparing bij toekomstige informatieverstrekking gaan opleveren. c.
Voor de fysieke op dit moment nog niet gedigitaliseerde rapporten daterend van voor oktober 2010 komen na digitalisering waarschijnlijk niet in Squit IBIS maar worden op een andere wijze digitaal beschikbaar gemaakt. Een mogelijkheid daarvoor is een digitaal uitwisselingssysteem zoals bijvoorbeeld sharepoint. De frequentie van het opvragen van deze rapporten (voor ontwikkelingen bij historische locaties en bijvoorbeeld in het kader van WOB-verzoeken) zal naar alle waarschijnlijkheid laag zijn. Een werkgroep, bestaande uit de provincie en de drie Omgevingsdiensten heeft de voor- en de nadelen van het digitaliseren van bodemrapporten en het koppelen aan het BIS in hoofdlijnen in kaart gebracht. De provincie inventariseert de daarmee samenhangende kosten. In de loop van 2021 is de verwachting dat de provincie knopen gaat doorhakken en een werkwijze kiest en gaat uitvoeren. Voor het gehele proces en de uitvoering daarvan denkt men 4 tot 5 jaar nodig te hebben. De gemeenten hebben van medio 2013 tot op heden vanuit de omgevingsdiensten digitaal toegestuurd gekregen de rapporten, beschikkingen en evaluaties betreffende de Wbblocaties. Wat ze niet toegestuurd hebben gekregen zijn de akkoordbrieven na uitvoering van een BUS-tup. Deze zijn alleen naar de initiatiefnemers, respectievelijk hun gemachtigden gegaan. Het akkoord geven op alle BUS-tup zijn wel in het BIS opgenomen.
De B5 gemeenten zullen hun data betreffende beschikte grondwaterverontreinigingen aan het nieuwe bevoegd gezag aangaande grondwater, de provincie beschikbaar moeten gaan stellen. Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) Sinds 25 mei 2018 geldt in de hele EU dezelfde privacywetgeving: de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij alle keuzen die gemaakt gaan worden dient rekening gehouden te worden met de extra kosten voor anonimiseren.
11
Voor wat betreft informatie over de chemische bodemkwaliteit werpt de AVG nog belemmeringen op. Bedacht moet worden hoe om te gaan met de AVG. Het AVG-proof uploaden (en verstrekken) heeft de voorkeur, maar heeft vermoedelijk een grote financiële component. Er moet worden verkend wat AVG-proof dan is (wat mag precies wel en wat niet). • Bij de ODBN wordt momenteel een verkenning uitgevoerd met betrekking tot het geautomatiseerd AVG-proof maken van documenten. De uitkomsten hiervan moeten worden afgewacht. • Per 1 januari 2021 zijn de (vóór die datum) in het bodeminformatiesysteem (Squit iBis) van de OMWB ingevoerde digitale bodemonderzoeksrapporten zonder tussenkomst van OMWB of gemeenten raadpleegbaar voor derden. De onderzoeken zijn op te vragen via een deeplink in de Omgevingsrapportage. Voor nieuwe invoer is in 2021 een proef begonnen met het -deels geautomatiseerd- anonimiseren van de bodemrapporten. Daarnaast probeert de OMWB van adviesbureaus gedaan te krijgen dat ze hun rapporten AVG-proof gaan aanleveren. De OMWB gaat er vanuit dat de invoer van bodemonderzoeken in de loop van 2021 volledig AVG-proof zal plaatsvinden. • De directies van de ODBN en de ODZOB hebben nog geen standpunt over het AVG-proof maken ingenomen.
Als een besluit is genomen staat de weg weer open voor geautomatiseerde uitlevering met behulp van deeplinks in Omgevingsrapportage en eventueel via wms (kaartlaag met deeplinks). Een beperkt deel van de 56 nieuwe bevoegd gezag gemeenten gebruikt niet het Brabantse Squit IBIS maar heeft een ander bodeminformatiesysteem. Als die gemeenten alsnog gaan meedoen met het Brabantse Squit zullen ze beheerkosten en vooral conversiekosten besparen bij de overdracht van data door de Provincie. Beschikbaarheid van data Digitale informatiebronnen worden steeds belangrijker. Steeds meer informatie met betrekking tot de ondergrond is digitaal beschikbaar. Bijvoorbeeld bij infra zie je dat er een vraag naar is en aan behoeften kan worden voldaan. Kosten en schade kan op deze wijze worden voorkomen. In bijlage 4 is een niet uitputtende opsomming opgenomen waar informatie digitaal te vinden is.
12
5. Behoud van bodemkennis Beperkte hoeveelheid bodemkennis in Noord-Brabant Veel kennis van bevoegd gezag taken bodem is nu aanwezig bij provincie, de B5 gemeenten en de OMWB en ODZOB. Daarnaast is bij de gemeenten en de drie Omgevingsdiensten veel kennis met betrekking tot bodemadviestaken en het Besluit bodemkwaliteit aanwezig. De mensen die over deze kennis beschikken zijn beperkt in aantal en van belang om op een goede wijze bodem onder de Omgevingswet voor Noord-Brabant vorm te gaan geven. De uitdaging zal zijn om de bestaande kennis en menskracht op een dusdanige wijze te gaan organiseren, zodat alle gemeenten op een goede wijze bediend kunnen gaan worden. Er is een minimale omvang noodzakelijk om een groep kennisdragers hun werk goed te kunnen laten doen. De kans bestaat op fragmentatie en verloren gaan van kennis na invoering van de Omgevingswet zeker als een deel van de 61 Brabantse gemeenten zelf de kennis in huis willen gaan halen. Risico kan zijn dat noodzakelijke bodemkennis (zeker in het kader van bevoegd gezag taken) (deels) voor Noord-Brabant verloren gaat. Een van de doelen van dit project is het behoud van specialistische bodemkennis in Brabant, waarbij door samenwerking en goede afstemming met elkaar de noodzakelijke bodemkennis voor de regio’s behouden blijft.
Bodem speelt tevens een cruciale rol bij de huidige duurzaamheidproblematieken zoals energie, klimaat, en voedselproductie. Hoe hier op een goede wijze mee om te gaan is volop in ontwikkeling. De uitdaging zal zijn om enerzijds de bodemmensen daar goed in mee te nemen. en anderzijds als bevoegd gezagen bodem mee te gaan in de noodzakelijke ontwikkelingen om bodem breder te maken. De taken met betrekking het raakvlak bodem en energie / klimaat/ vitale bodems worden veelal uitgevoerd door andere collega’s dan de traditionele bodemmedewerkers. Om integraal op een goede wijze al deze taken uit te voeren zullen een goede samenwerking en kennisnetwerken essentiële onderdelen zijn. Er dreigt een gevaar van verlies aan deskundigheid op het terrein van bodem door een verandering in schaalniveau. Alleen grote gemeenten zijn in staat om voldoende deskundigheid in eigen huis te hebben. Zeker kleine gemeenten zullen niet in staat zijn om zelf alle benodigde specialismen in huis te halen. Juridische capaciteit kan mogelijk ook een probleem gaan vormen. Veel oudere bodemmedewerkers zijn onlangs met pensioen gegaan of gaan binnen afzienbare tijd uit het werkveld vertrekken. Bodemopleidingen zijn heel lang niet populair geweest en de mensen die nu afstuderen hebben voor een belangrijk deel heel andere kennis opgedaan. Breder maar minder diep opgeleid.
Onduidelijk is waar deze nieuw opgeleiden terecht gaan komen.
13
Bij de transitie naar de Omgevingswet zal eerst nog het zwaartepunt op ‘warme overdracht’, stortplaatsen, etc. liggen. Dit zal naar de toekomst waarschijnlijk minder gaan worden. Onderwerpen als klimaatadaptatie en vitale landbouw zullen in belangrijkheid gaan toenemen. Bodem is voor een belangrijk deel gemeentegrens-overschrijdend. De afzonderlijke regio’s hebben hier een kans om het in gezamenlijkheid optimaal te regelen opdat meer efficiënt en kosteneffectief gewerkt kan worden. De behoefte bij behoud van kennis is tweeledig: enerzijds een goed systeem bouwen waar je elkaar in de praktijk tegenkomt en netwerken deelt en aan de andere kant heb je ook behoefte aan een locatie waar je gegevens kunt vinden. Om de bodemkennis in Brabant te behouden en te versterken wordt gedacht aan de volgende mogelijkheden. 1.
Er wordt gewerkt aan een Brabant-brede pilot regionaal schakelpunt (RSP). Vanuit de regio kan de kennisbehoefte worden opgehaald. De kennisinstituten kunnen benodigde kennis ontwikkelen en terugbrengen in het netwerk. Opgedane ervaringen vanuit landelijke werkgroepen zoals bodem en ondergrond, het Veluwe beraad (op bestuurlijk en managementniveau), kennisinstituten en koepels van overheden en ministerie kunnen worden meegenomen. Dit gaat ook over strategische kennis waarin de kennisinstituten willen voorzien. Ze willen ook juist de verbindingen met de regio’s gaan leggen, bijvoorbeeld door het inzetten van Regionale implementatiecoaches Omgevingswet. In gezamenlijkheid met provincie, B5 gemeenten, kleinere gemeenten en omgevingsdiensten in gesprek met VNG wordt getracht een pilot naar Brabant te halen om te komen tot een RSP.
2.
Organiseren van een soort platform dat in eerste instantie door de provincie gevuld gaat worden met zaken zoals hoe het in het verleden is gegaan (denk bv aan Bosatex en andere onderwerpen). Kennis die van belang is als een vergelijkbare situatie zich in de toekomst weer voor gaat doen. Mogelijk het platform gaan koppelen aan personen. (Bijvoorbeeld Actief Bodembeheer de Kempen (ABdK), mensen die daar in het verleden een rol in hebben gespeeld). Provincie heeft kennis van het verleden, huidige kennis zit op meer plaatsen. Het idee is een soort levend platform door de bodemmensen gevoed en in stand gehouden, waar we elkaar opzoeken om uitdagingen op te kunnen gaan lossen. Het zal steeds minder van de provincie worden en steeds meer van de gemeenten en de omgevingsdiensten. Een idee is om een deel van het kennisverhaal daar te gaan borgen. Een plek te hebben om als eerste te gaan zoeken.
3.
Nauwe samenwerking met groepen als bodembeheer van de toekomst. Deze zijn kennis aan het uitdiepen en uitschrijven. Een duidelijke verbinding met de regio met Bodembeheer van de toekomst creëren. Welke behoeften liggen daar en hoe kunnen we daar op aanhaken ook naar de toekomst toe. Bij bodembeheer van de toekomst wordt ook de verbreding gezocht naast de chemische bodemkennis ook vitale bodem,
14
energie enz. Het is een uitdaging deze te combineren. Ga je dat met dezelfde mensen doen of ga je je meer richten op het vormen van nieuwe netwerken. 4.
In Noord-Brabant een vergelijkbare organisatie opzetten als het Gelders ondergrond overleg (GOO)( https://goo.gelderseomgevingsdiensten.nl/) waar landelijk met veel waardering naar wordt gekeken.
5.
Bodem breed zit de kennis bij veel verschillende mensen. Het wordt steeds belangrijker deze goed te ontsluiten. Het koppelen van mensen met ervaring aan samenwerkingsverbanden. Versterken van persoonlijke netwerken met oog voor het niet teveel belasten van mensen met uitgebreide netwerken. Dit kan goed geïncorporeerd worden in een RSP.
Klassieke bodemkennis kan ook een valkuil zijn. Welke onderwerpen zijn in de toekomst voor het vakgebied bodem van belang. Ruimtelijke ordening, energie, landbouw zijn nu centrale vraagstukken en bodemsanering wordt steeds meer gelijkwaardig of zelfs ondergeschikt aan deze thema’s. Bodemsanering en bodemkwaliteit worden onderdelen vergelijkbaar in grootte als de andere onderdelen. Bij bijvoorbeeld waterschappen is kennis aanwezig in relatie tot klimaatadaptatie die van belang is voor gemeenten.
15
6. Processen en procedures De processen en procedures dienen enerzijds mogelijk te maken dat er kosten efficiënt gewerkt kan gaan worden en anderzijds dat er een effectieve en goede technische uitwisseling met gemeenten kan plaatsvinden. De Omgevingsdiensten zijn op twee niveaus bezig met de inrichting van de processen. Enerzijds Omgevingsdienst breed waar zoveel mogelijk op eenzelfde wijze gewerkt gaat worden en anderzijds een nadere invulling per vakgebied. Het ontwerpen van de processen is een proces in drie stappen: 1. Een procesbeschrijving per werkproces 2. Nadere invulling van de werkprocessen met instructies, brieven, checklisten enz. voor het opstellen van standaardproducten 3. Nadere invulling met voor het vakgebied bodem specifieke producten. Aan de implementatie worden de volgende eisen gesteld: 1. De implementatie van de Omgevingswet vindt plaats in samenhang met de implementatie van het ROK VV, ROK T&H, aanbevelingen VTH Kompas provincie, aanbevelingen collegiale toets en de organisatieontwikkeling; 2. Tussen de implementatieresultaten worden de dwarsverbanden bewaakt: a. De werkprocessen en de Productencatalogus dienen eerst (her)ontworpen te zijn, zodat daarna het VTH-systeem ontworpen kan worden; b. De eindproducten (werkprocessen en standaarden) bij vergunningverlening, toezicht & handhaving en advies zijn uniform.
Bij deze uniformiteit gaat het om uniformiteit van structuur, sjablonen en werkinstructies; c. De eindproducten (werkprocessen en standaarden) bij vergunningverlening, toezicht & handhaving en advies zijn integraal. Integraliteit betekent sluiten inhoudelijk op elkaar aan; d. Opleidingen/trainingen/werkinstructies met betrekking tot Omgevingswet algemeen, VTH-systeem, processen en standaarden sluiten op elkaar aan. Een nadere uitwerking van de processen en procedures vindt per Omgevingsdienst plaats.
16
7. Opleiding en competenties bodemmedewerkers De Omgevingswet is een andere wijze van werken. Meer kijken naar wat mogelijk is dan kijken naar wat is toegestaan. Van bodem saneren naar bodem beheren. Meer samenwerken en minder alleen regels uitvoeren. Bij deze andere wijze van werken horen andere competenties en zullen voor een goede implementatie van de Omgevingswet medewerkers voor een deel bijgeschoold moeten worden. In ieder vakgebied zijn zeer verschillende medewerkers werkzaam. Het vakgebied bodem heeft zich geëvalueerd tot een specialistisch vakgebied met voor een belangrijk deel technisch vakinhoudelijk werk. Er zijn grote hoeveelheden regels die voor een groot deel eenduidig zijn uit te leggen en toe te passen. De complexiteit en onzekerheden zijn te vinden in ingewikkelde verontreinigingssituaties met meerdere stakeholders. In vergelijking met bijvoorbeeld een vakgebied als Ruimtelijke Ordening zijn er minder onzekerheden. Om bij RO een project te kunnen realiseren dient met veel vakgebieden rekening te worden gehouden. Tot op heden is het vakgebied bodem meer van dit mag wel en dat mag niet dan het gezamenlijk zoeken naar mogelijkheden om een project toch te kunnen realiseren. Een risico kan zijn dat de transitie van sectoraal naar integraal denken niet of in onvoldoende mate gemaakt gaat worden.
Integraal werken onder de Omgevingswet is voor een groot deel van het bodemwerk nieuw. Integraliteit maakt het werk meer onzeker. Er moet met veel extra zaken rekening gehouden gaan worden die waarschijnlijk niet allemaal in beeld zijn (het vakgebied bodem wordt onder de Omgevingswet veel breder). Daarnaast zal de kennis en ervaring opgedaan met het sectoraal werken bij het traditionele bodemwerk goed van pas komen bij het toekomstbestendig maken van het integrale werken onder de Omgevingswet. Met de komst van de Omgevingswet vindt tevens een niet vrijblijvende verbreding van het bodembeheer plaats. Naast chemische kwaliteit moet er, gelet op de functies van de bodem en de maatschappelijke opgaven, ook in samenhang gekeken worden naar de ecologische en fysische kwaliteiten. Dit vraagt een veranderende rol van de bodemspecialist meer van adviseur naar (mede-)regisseur bij ontwikkelingen. De huidige specialismen van de bodemmedewerkers zijn: toezichthouder / handhaver (basistaken bij omgevingsdiensten) (MBO, HBO); vergunningverlener (verzoektaken, bevoegd gezag gemeenten en provincie, grotendeels uitbesteed aan omgevingsdiensten) (HBO, WO); adviseur (verzoektaken, bij gemeenten, deels in dienst bij omgevingsdiensten) (HBO, WO); juristen (provincie, omgevingsdiensten, bevoegd gezag gemeenten) (HBO, WO).
17
Met betrekking tot de opleiding en competenties zijn ons inziens een aantal onderdelen van belang1: 1. Vakinhoudelijke veranderingen in het vakgebied bodem zoals verwoord in het hoofdstuk taken en bevoegdheden (exclusief het juridische deel). 2. Verbreding van het vakgebied. 3. Van sectoraal denken naar integraal denken. 4. Van adviseur naar (mede-)regisseur bij ontwikkelingen. Ad.1.: Vakinhoudelijke veranderingen in het vakgebied bodem. Dit geldt voor iedere bodemmedewerker. Hoofdstuk 2 van dit document kan hiervoor gebruikt worden als introductie en naslagwerk. Korte vakinhoudelijke bodem-technische cursussen worden bijvoorbeeld aangeboden door Geoplan, Bodembreed Academie, Scobe Academy. Op (bodem)juridisch gebied door Berghauser Pont Academie en Schulink opleidingen (Wolters Kluwer). Ad.2.: Verbreding van het vakgebied Bodem speelt een cruciale rol bij de huidige duurzaamheidproblematieken zoals energie, klimaat, en voedselproductie. Hoe hiermee om te gaan is volop in ontwikkeling. De uitdaging zal zijn om enerzijds de bodemmensen daar goed in mee te nemen en anderzijds als bevoegd gezagen bodem mee te gaan in de noodzakelijke ontwikkelingen om bodem breder te maker. Deze nieuwe werkzaamheden vinden plaats op het snijvlak van meerdere disciplines en worden vaak door niet traditionele bodemmensen behandeld.
In veel gevallen blijven deze aandachtsgebieden onder de huidige wetgeving geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing. Voorbeeld: een expert op het gebied van chemische bodemverontreinigingen is geen expert op het gebied van vitale bodem. Bodemvruchtbaarheid is nu een aandachtsgebied voor landbouworganisaties die tot op heden met een focus op een maximale productie zonder aandacht voor de kwalitatieve aspecten van bodems hebben geopereerd. Doordat de meeste bodems uitgeput raken of zijn en er sprake is van een sterk afnemende biodiversiteit wordt steeds meer het belang ingezien dat overheden daar ook een sturende rol in gaan nemen. Voor kleine gemeenten zal het niet doenlijk zijn om een specialist voor ieder vakgebied in dienst te hebben. Oplossingen kunnen gezocht worden door het werk te organiseren op een regionaal schaalniveau en in het combineren van specialismen. Extra opleiding (bijvoorbeeld bodemspecialist met te verwerven kennis van bodemecosystemen en biodiversiteit) of ervaring in een nieuw specialisme is een mogelijke weg die gevolgd kan gaan worden.
18
Ad3.: Van sectoraal denken naar integraal denken Een deel van de medewerkers zal met een sterk veranderde rolinvulling te maken gaan krijgen. Van het huidige beschouwde aanbod geeft alleen de 2-daagse opleiding van Scobe Academy duidelijk de veranderende rollen aan. Mogelijk volgen nog andere aanbieders van opleidingen. Voor medewerkers die altijd gefunctioneerd hebben onder een systeem met een duidelijke Wet- en regelgeving van wat wel en niet mag kan het een grote overgang zijn om te gaan functioneren onder een Wet- en regelgeving die uitnodigt om te gaan onderzoeken wat mogelijk is. Mogelijk zal voor deze medewerkers meer nodig zijn dan een cursus van één of twee dagen. Te denken valt bijvoorbeeld aan coaching om op een goede wijze om te kunnen omgaan met het veranderde werkveld. Ad4.: Van adviseur naar (mede-)regisseur bij ontwikkelingen. De meeste bodemadviseurs communiceren binnen hun werkzetting al met vele disciplines om projecten mogelijk te maken. De stap naar (mede-)regisseur bij ontwikkelingen zal door de meesten dan ook na enige oefening goed te maken zijn. Om op goede wijze de nieuwe taakuitvoering te kunnen vervullen kan coaching (door een meer ervaren collega of door een externe professional) een goed instrument zijn. Het zal van belang zijn om vroegtijdig aan te schuiven bij overleggen zodat de bodemadviseur deel kan nemen aan de planvorming.
Vakinhoudelijke opleiding: Voor bodemmedewerkers veranderd er veel bij invoering van de Omgevingswet. Nog veel bodemcollega’s (vergunningverlening, toezicht, handhaving en advies) vinden het lastig om in te schatten wat er bij/na de overgang naar de Omgevingswet van hen verwacht wordt. Het lezen van alle stukken zoals Aanvullingswet Bodem, Aanvullingsbesluit Bodem, invoeringsbesluit, Bal, Bkl, etc. is voor de meesten een te grote kluif. Bodem+ wil hier graag in ondersteunen door 1 of meerdere diepgang trainingen te verzorgen. Voor de trainingen kan ook zelf worden aangegeven waar behoefte aan is en kunnen zelf casussen worden ingebracht. Er wordt bijvoorbeeld gedacht aan een sessie voor graven, saneren en bouwen, een sessie voor grondwater, een sessie voor toepassen en opslaan, een sessie voor bodemenergie, etc. Bodem+ rekent hier geen kosten voor. Wel moeten we alles zelf faciliteren qua (ict) omgeving, etc., maar zij verzorgen de training. Voorwaarde hierbij is nog wel dat de medewerkers die de training gaan volgen eerst het webinar op https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/implementatie/ondersteuning/webinartraining/webcolleges-webinars/webinars/webinar-bodem-omgevingswet-aanvullingswetbodem/ volgen en de daarbij gevoegde bijlagen doornemen.
Bodem+ wil dus graag met de Brabantse bodemmedewerkers kijken waar de behoeften liggen en dit met ons verder uitwerken naar de meest optimale training(en).
19
De wens zal ook zijn om de cursussen aan te bieden zo dicht mogelijk bij de invoeringsdatum van de omgevingswet, zodat implementatie in de lijn zo optimaal als mogelijk kan geschieden. Ook vanuit de markt worden korte vakinhoudelijke bodem-technische cursussen bijvoorbeeld aangeboden door Geoplan, Bodembreed Academie, Scobe Academy (voor een verdere uitwerking zie deel bijlagen bijlage 5). Op (bodem)juridisch gebied door Berghauser Pont Academie en Schulink opleidingen (Wolters Kluwer).
20
8. Financiële gevolgen op hoofdlijnen De financiële gevolgen op hoofdlijnen voor gemeenten voor uitvoering van de nieuwe bodemtaken zijn nog niet bekend. Het onderhandelen met betrekking tot de omvang van de budgetten voor de uitvoering van de bodemtaken vindt plaats in landelijke overleggen waar vijf partijen in participeren, namelijk de ministeries BZK en I&W, IPO, VNG en de Unie van Waterschappen. Eind 2020 zou bekend gemaakt worden welke bedragen gemeenten voor het uitvoeren van deze taken zouden mogen verwachten. De landelijke vertraging heeft eind 2020 geleid tot pogingen van de VNG om het bepalen van de financiering vlot te trekken ondernomen: Brief parlement VNG 13-10-2020 en door de Motie Haarlemmermeer Omgevingswet en bodem die door 99,86% van de gemeenten werd ondersteund. Door het uitstel van de invoering van de Omgevingswet van 1-1-2021 naar 1-1-2022 (en inmiddels 1-7-2022) diende eerst de financiering van de bevoegd gezag taken bodem voor 2021 geregeld te gaan worden. De financiering voor 2021 is voor de huidige bevoegd gezagen per 1 februari 2021 geregeld. Als de financiering voor het bevoegd gezag bodem voor 2021 geregeld is, dan kan men verder met het bepalen van de financiën voor de bevoegd gezag gemeenten bodem onder de omgevingswet. Na de val van Rutte III, januari 2021 is invoering van de omgevingswet niet controversieel verklaard.
De verwachting is dat pas vlak voor invoering van de omgevingswet meer bekend zal zijn. Omdat het financieel nog steeds niet duidelijk is voor gemeenten welke gelden voor de bodemtaken onder de Omgevingswet door het Rijk beschikbaar gaan worden gesteld focussen we niet op de hoeveelheid geld dat beschikbaar komt voor gemeenten maar op hoe de taken op een minimaal verantwoord niveau uitgevoerd zouden moeten gaan worden.
21