Toelichting bestemmingsplan 'Broekdijk 60 Hulten'
Tekst van het document
Bestemmingsplan Broekdijk 60, Hulten Gemeente Gilze en Rijen Vastgesteld
Bestemmingsplan Broekdijk 60, Hulten Gemeente Gilze en Rijen Vastgesteld
Rapportnummer:
P04047
IMRO-identificatienummer
NL.IMRO.0784.BPBroekdijk60-VG01
Datum:
20 september 2022
Projectteam BRO:
TAu, JEr
Concept:
januari 2019
Voorontwerp:
--
Ontwerp:
april 2021, mei 2021, augustus 2021, april 2022, juni 2022
Vastgesteld:
november 2022
Kaft:
Abstract 1
Trefwoorden:
--
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 5 6
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling
7 7 9
3. BELEIDSTOETS 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
11 11 11 13 18
4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 Inleiding 4.2 M.e.r.-beoordeling 4.3 Cultuurhistorie en aardkundig waardevolle gebieden 4.4 Archeologie 4.5 Ecologie 4.6 Water 4.7 Bodem 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Akoestiek 4.10 Geur agrarisch 4.11 Verkeer en parkeren 4.12 Luchtkwaliteit 4.13 Externe veiligheid 4.14 Kabels en leidingen
22 22 22 23 26 28 32 34 34 36 37 38 40 42 44
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Artikelsgewijze toelichting op de planregels
46 46 46
Inhoudsopgave
1
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
50
7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg 7.2 Procedure 7.3 Beroep
51 51 51 52
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Flora en fauna quickscan Bijlage 2: Landschappelijke inpassing Bijlage 3: Omgevingsdialoog Bijlage 4: Vooroverlegreactie waterschap Brabantse Delta Bijlage 5: Vooroverlegreactie Provincie
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van de locatie Broekdijk 60 te Hulten. Op de locatie is een akkerbouwbedrijf gevestigd. Dit bedrijf is echter al enige tijd niet meer rendabel. Gezien de noodzakelijke investeringen en de beperkte uitbreidingsmogelijkheden op de locatie biedt de voortzetting van het agrarisch bedrijf geen economisch perspectief. De initiatiefnemer heeft om deze reden in de bedrijfsbebouwing nieuwe bedrijfsactiviteiten ontplooid in de vorm van een dierenpension en caravanstalling. Door het beperkte perspectief van het agrarisch bedrijf zijn het dierenpension en de caravanstalling door de jaren heen gegroeid tot de hoofdfunctie van de locatie. Initiatiefnemer heeft uitbreidingsplannen voor het huidige dierenpension en is voornemens de bestaande voormalige rundveestal compleet te renoveren en geheel in te zetten voor de functie dierenpension met bijbehorende voorzieningen. De caravanstalling vindt plaats in de jongste bedrijfsloods op de locatie. Ook deze activiteit wordt opgeschaald. Door de ontwikkeling van deze bedrijfsactiviteiten wijzigt de hoofdfunctie van de locatie van agrarisch naar niet-agrarisch. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor de locatie geldt namelijk dat deze bestemd is voor agrarische doeleinden.
De ontwikkeling van de functies op de locatie moet daarom geborgd worden in een nieuw bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen heeft op 14 juni februari 2016 besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de herontwikkeling van de Broekdijk 60. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch gezien mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan (postzegelplan) ex artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld. In voorliggende toelichting wordt aangetoond dat het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening voldoet aan de gestelde voorwaarden.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen M, nummers 718, 814 en 832 en heeft een totale oppervlakte van ca. 1,4 ha. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen, globaal tussen Rijen en Reeshof. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit agrarische gronden. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1.1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Hoofdstuk 1
3
GILZE
REESHOF
Figuur 1.1: Indicatie ligging plangebied (Bron: PDOK Viewer)
Hoofdstuk 1
4
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor het plangebied is bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Gilze en Rijen het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Gilze en Rijen op 1 juli 2013. Het plangebied (zie figuur 1.2) heeft hierin de bestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak. Tevens zijn een dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap -1’ en de aanduidingen ‘luchtvaarverkeerzone – 11’, ‘ihcs – 1’ en ‘overig – agrarisch balansgebied’ opgenomen. De voor ‘Agrarisch’ bestemde gronden zijn bedoeld voor een grondgebonden veehouderij, paardenfokkerij of akker- en vollegrondstuinbouw. In lid 42.12.3, onderdeel d zijn ontwikkelingen opgenomen die na een algehele beëdiging van een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf zijn toegestaan. De vervolgfunctie dierenpension is toegestaan als voldaan kan worden aan voorwaarden zoals opgenomen in lid 42.12.3. Eén van de voorwaarden is dat er stapeling van vervolgfuncties niet is toegestaan. Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van twee vervolgfuncties (dierenpension en caravanstalling), waardoor het initiatief niet mogelijk is binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan betreft een partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan en voorziet in de nieuwe planologisch-juridische kaders voor het plangebied waarbinnen het initiatief gerealiseerd kan worden.
Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan met het plangebied rood omlijnd (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Hoofdstuk 1
5
1.4 Leeswijzer De toelichting bij dit bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een beschrijving van het plan in hoofdstuk 2. De beleidstoets is in hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan opgenomen. In hoofdstuk 4 worden alle relevante milieuonderwerpen behandeld en verantwoord. De juridische toelichting is in hoofdstuk 5 opgenomen en in hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid beschreven. In hoofdstuk 7 is tenslotte de maatschappelijke haalbaarheid beschreven. Rapportages van uitgevoerde sectorale onderzoeken zijn als separate bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING
2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen, namelijk in een halfopen landschap tussen de kernen Rijen, Reeshof, Hulten en Dongen. De omgeving bestaat uit agrarisch gebied met overwegend agrarische bedrijven die verspreid door het gebied liggen. Het plangebied bestaat beslaat een voormalig agrarisch erf met bijbehorende bedrijfswoning. Op deze locatie was een akkerbouwbedrijf en rundveebedrijf gevestigd. De bedrijfsbebouwing bestaat uit de oude rundveestal (bouwjaar 1968, oppervlakte ca. 1.100 m2) en een bedrijfsloods (bouwjaar 2011, oppervlakte ca. 1.000m2). Daarnaast zijn er nog enkele bouwwerken aanwezig, zoals een hooiberg. Het plangebied is aan de oost- en noordzijde groen ingekaderd door heesters en bomen. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn ondertussen gestaakt en de locatie is in transitie. De eigenaren, die tevens initiatiefnemers zijn, zijn reeds bezig met de ontwikkeling van een dierenpension in een gedeelte van de rundveestal. Het dierenpension richt zich nu op de opvang van honden. Daarnaast zijn er rennen aanwezig die dienen als verblijf voor de honden.
Hoofdstuk 2
7
Figuur 2.1: Weergave huidige situatie van het plangebied. De voormalige agrarische bebouwing is in transitie.
Hoofdstuk 2
8
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatienemer is reeds bezig het opwaarderen van de oude rundveestal door de ruimte in te zetten als dierenpension en ruimtelijk te verbeteren door te potdekselen. Bij initiatiefnemer bestaat het voornemen om het pension uit breiden in en om de rundveestal en de bedrijfsloods om te vormen tot caravanstalling. In het beoogde toekomstperspectief wordt de locatie getransformeerd van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf. De nieuwe invulling biedt voldoende economische mogelijkheden. Daardoor wordt middels onderhavig plan de verwaarlozing en verloedering van leegstaande agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied voorkomen. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Elke ontwikkeling dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving. Onderdeel hiervan is in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid. In de landschappelijke inpassing wordt de omgeving van het plangebied bestudeerd. Aan de hand daarvan worden ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld. Als aan deze voorwaarden worden voldaan kan de bebouwing op een natuurlijke en verzorgde wijze worden ingepast en aansluiten op de aanwezige landschapsstructuren. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt alle in het plangebied aanwezige bebouwing alsmede het erf opgeknapt.
Dit leidt tot een verbetering van de ruimtelijke uitstraling van het plangebied. Daarnaast worden de volgende inrichtingsmaatregelen genomen om de locatie in te passen in het landschap: Aanplant lage haag aan de westzijde; Aanplant lage haag interne ordening; Aanplant enkele solitaire boom aan noordoostzijde plangebied; Aanplant struweel/ Aanvullen bestaande bosschage; Verwijderen exoten; Verwijderen van verharding; Ontwikkelen bloem- en kruidenrijk grasland; Verwijderen van de bestaande paardenbak. Figuur 2.2 geeft een schematische weergave van de toekomstige situatie van het plangebied waarin de inrichtingsmaatregelen zijn opgenomen. Vanwege de wijziging van een agrarisch naar een niet-agrarisch bedrijf in landelijk gebied is op grond van artikel 3.9 en artikel 3.73, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant verbetering van de omgevingskwaliteit verplicht. Met kwaliteitsverbetering wordt de fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving financieel geborgd. Voor de benodigde kwaliteitsverbetering kan, in lijn met hetgeen neergelegd is in de ‘Handreiking kwaliteitsverbetering landschap’ van de provincie Noord-Brabant (d.d.
1 november 2011), worden uitgegaan van een basisinspanning van 20% van de bestemmingswinst 1. In bijlage 2 is een uitgebreide berekening van de noodzakelijke kwaliteitsverbetering opgenomen.
1
Zie ‘Handreiking kwaliteitsverbetering landschap’ (d.d. 1 november 2011), p. 22.
Hoofdstuk 2
9
Voor dit initiatief komt de opgave voor de kwaliteitsverbetering ten gevolge van de bestemmingswijziging uit op € 43.460,40,- (zie bijlage 2). Door de in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen inrichtingsmaatregelen, alsmede de wijze van bestemmen, voorziet het plan in € 42.610,18,- aan kwaliteitsverbeterende maatregelen. Hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde bijdrage.
Figuur 2.2: Weergave toekomstige situatie van het plangebied.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSTOETS
3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht. Ook zal een toetsing van het plan aan dit beleidskader volgen. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet (Ow), die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in artikel 3.1, derde lid, Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen.
Hoofdstuk 3
11
De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.
Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Doorwerking plangebied Hoewel de NOVI geldend is voor het gehele Nederlandse grondgebied, is er geen sprake van directe doorwerking in het projectgebied. Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn er geen nationale belangen in het geding. Afwegingen met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen dienen in dat geval te worden gemaakt op gemeentelijk niveau. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is bepaald in artikel 1.1.1 Bro: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
Hoofdstuk 3
12
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn2. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (Artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Dit plan voorziet in de transformatie van een voormalig agrarische bedrijfslocatie naar een niet-agrarisch bedrijf met maximaal (of daaraan gelijk te stellen) milieucategorie 2. Er wordt een nieuwe passende invulling gegeven aan leegstaand agrarisch vastgoed waardoor verloedering in het buitengebied wordt voorkomen.
Gezien de aard van de ontwikkeling is er geen sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals omschreven in artikel 1.1.1 van het Bro. Het initiatief heeft geen verdere verstedelijking tot gevolg, zodat geconcludeerd kan worden dat het initiatief past binnen het streven naar duurzaam ruimtegebruik.
3.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant: Visie op de Brabantse Leefomgeving vastgesteld. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen. Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden: Gaan voor meerwaarde-creatie; gaan voor technische én sociale innovatie; gaan voor kwaliteit boven kwantiteit; gaan voor steeds beter; gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel.
2
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
13
De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één basisopgave, is deze opgave in feite tweeledig, aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Een en ander is als volgt geformuleerd: Doel 2050: “Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal”. Doel 2030: “Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak”. De basisopgave ligt – zoals al in de naam besloten ligt – aan de basis van vier hoofdopgaven.
De volgende hoofdopgaven worden benoemd: Werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant; werken aan de slimme netwerkstad; werken aan een concurrerende, duurzame economie. Doorwerking plangebied Het gemengd landelijk gebied is een veelzijdige gebruiksruimte. De Brabantse omgevingsvisie biedt mogelijkheden voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, waaronder niet-agrarische bedrijvigheid. Met dit initiatief wordt een niet-agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt dat voorziet in een kleinschalige stedelijke voorziening (caravanstalling en dierenpension) en niet conflicteert met andere functies in het gebied. De nieuwe situatie is niet belastend voor de natuur- milieu- en landschapswaarden. Deze waarden worden juist versterkt door de landschappelijke inpassing van het plangebied. Daarmee is er geen sprake van een negatieve invloed op de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan – maar juist van het tegenovergestelde. Tegelijkertijd levert de basisopgave geen belemmeringen op voor het initiatief zelf. Het initiatief is daarom in lijn met de omgevingsvisie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld.
De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze die gevraagd wordt in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot de Interim omgevingsverordening. Er wordt expliciet gesproken van een interimomgevingsverordening, om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving, moet aan de wettelijke bepalingen van
Hoofdstuk 3
14
die wetgeving voldoen en dient ter vervanging van zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt volgens de Interim Omgevingsverordening in de zone ‘Landelijk gebied’ en binnen de aanduiding ‘Reservering waterberging’. In artikel 3.73 zijn regels opgenomen voor de vestiging van een niet-agrarische functie in ‘Landelijk gebied’. Artikel 3.36 bevatten instructieregels voor ontwikkelingen binnen gebieden aangewezen voor reservering waterberging. De volgende voorwaarden zijn op grond van dit artikel van toepassing: Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b.
er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. De gewenste ontwikkeling voorziet in de sanering en herbestemming van een verouderd agrarisch bedrijf. Door de gemeente Gilze en Rijen is een gebiedsgerichte benadering gemaakt voor de Broekdijk. In paragraaf 3.4 (gemeentelijk beleid) is getoetst aan deze gebiedsgerichte benadering. Uit deze toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling past in de omgeving De nieuwe functie zal worden gevestigd binnen het bestaande bouwvlak. Het gebied wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een diversiteit aan functies, zoals agrarisch, wonen en bedrijvigheid. Met name richting het zuiden (spoorlijn Breda-Tilburg) is er veel bedrijvigheid. Daarnaast wordt opgemerkt het plangebied zich perfect leent voor de functie dierenpension. De locatie ligt centraal tussen stedelijk gebied, waar een belangrijk deel van de klandizie vandaan komt. Een dierenpension is bij uitstek een functie die kan leiden tot geluidoverlast wanneer deze in of nabij een woonwijk/stedelijk gebied is gesitueerd, door de ligging van het plangebied is hiervan geen sprake. Verder wordt er invul-
Hoofdstuk 3
15
ling gegeven aan vrijkomende agrarische bebouwing waardoor leegstand en verloedering wordt voorkomen. Gezien het voorgaande wordt gesteld dat de locatie zich uitstekend leent voor het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten (dierenpension en caravanstalling). Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel en de ontwikkeling betreft geen ontwikkeling van een kantoor, lawaaisport en/of mestbewerking. De te handhaven bebouwing is noodzakelijk voor een efficiënte bedrijfsvoering. De noordelijke loods zal worden gebruikt voor caravanstalling. De zuidelijke bebouwing zal worden gebruikt voor het dierenpension en voorts is er een bedrijfswoning aanwezig zodat er constant toezicht kan worden gehouden op het bedrijf. De nieuwe functies (dierenpension en caravanstalling) leiden tot een kwaliteitsverbetering en versterking van de omgevingskwaliteit. In dit geval is sprake van een fysieke verbetering van de natuur- en landschapswaarden ter plaatse door het landschappelijk inpassingsplan en de kwaliteitsverbetering. Voor een beschrijving van de kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar bijlage 2. Het plan past binnen de kaders van de Interim omgevingsverordening. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a.
over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Zoals onder lid 1 is betoogd past de functie dierenpension en caravanstalling binnen de omgeving. De extra verkeersaantrekkende werking van het plan is relatief beperkt (zie paragraaf 4.10). Het dichtstbijzijnde bedrijf ligt op een grote afstand waardoor er geen sprake is van hinder. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object (woning) ligt op een afstand van ca. 189 meter. Gezien deze afstand is het op voorhand aannemelijk te veronderstellen dat de activiteiten niet leiden tot hinder bij de woning en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat de effecten op de omgeving toelaatbaar zijn en de bedrijfsactiviteiten op de locatie inpasbaar zijn. In de regels is geborgd dat buitenopslag niet is toegestaan. Daarnaast is ook in de planregels geborgd binnen welke bebouwing, welke functie is toegestaan. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b.
een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;
Hoofdstuk 3
16
c.
een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.
De ontwikkeling betreft geen detailhandelsvoorziening dan wel een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg. Artikel 3.36 Reservering waterberging Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van functies. De instructieregels zijn gericht op het beperken van functies en activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. Zoals in paragraaf 4.6 is beschreven zal de ontwikkeling niet leiden tot een toename aan verhard oppervlak. Het waterbergend vermogen van de gronden zal door de ontwikkeling niet verminderen. Er wordt derhalve voldaan aan de Interim omgevingsverordening. In artikel 3.9, derde lid, van de Interim omgevingsverordening is bepaald welke aspecten een verbetering van de landschappelijke kwaliteit mede kan omvatten: Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b.
het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Voor een beschrijving van de kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar bijlage 2.
Hoofdstuk 3
17
3.4 Gemeentelijk beleid De ruimtelijke ambities van de gemeente Gilze en Rijen zijn verwoord in een trilogie aan beleidsdocumenten. Het eerste deel is de ‘Toekomstvisie Gilze en Rijen 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’. De andere twee beleidsdocumenten in de trilogie zijn van minder groot belang ten aanzien onderhavig initiatief. Zeker het laatste deel, de structuurvisie ‘Stedelijk gebied Gilze en Rijen’, is niet relevant, aangezien deze visie enkel betrekking heeft op te kernen Gilze en Rijen. Het tweede deel van de trilogie, het ambitiedocument ‘Ambitie Gilze en Rijen – nieuwe kansen!’, bevat geen ambities die van direct belang zijn in het licht van onderhavig initiatief. Toekomstvisie Gilze en Rijen 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’ De gemeente Gilze en Rijen heeft in maart 2012 de toekomstvisie voor de gemeente vastgesteld. De gemeende wil hiermee richting geven aan het beleid van de gemeente in de periode tot 2025. De toekomstvisie geeft aan welke toekomst de gemeente wenselijk vindt.
Voor 2025 heeft de gemeente Gilze en Rijen de navolgende ambities: Versterken van de positie als woongemeente in het goed tussen twee steden; Benutten van de strategische ligging aan belangrijke vervoersassen in Midden-Brabant en versterken van de positie als werkgelegenheidsgemeente met economisch duurzame en beeldbepalende bedrijven; Versterken van de vitaliteit van kernen met goede voorzieningen op het vlak van sport en cultuur die optimaal worden gebruikt; Versterken van de economische draagkracht van het buitengebied en van de belevingswaarde van dat buitengebied. De structuur van het buitengebied is een open agrarisch landschap, afgewisseld met bossen. Het buitengebied is bijna 90% van de totale oppervlakte van de gemeente Gilze en Rijen. Ten opzichte van andere Brabantse gemeenten geeft de gemeente Gilze en Rijen veel bos en natuurlijk terrein (60 hectare per 1.000 inwoners, tegenover 35 hectare gemiddeld). Het grootste deel van het buitengebied (70%) heeft een agrarische bestemming. Er zijn verschillende soorten bedrijven waaronder rundveebedrijven en intensieve veehouderijbedrijven. In vergelijking met andere delen van Brabant is de sector van de intensieve veehouderij is hier van beperkte omvang.
Bedrijvigheid in het buitengebied Gilze en Rijen heeft een groot buitengebied met veel agrarische bedrijven, met name intensieve veeteeltbedrijven en rundveehouderijen. De agrarische bedrijvigheid blijft van primair belang in het buitengebied. De verdergaande liberalisering van de agrarische sector zal onherroepelijk leiden tot schaalvergroting en tot vermindering van het aantal bedrijven. Blijvende ondernemers moeten hun bedrijven optimaal kunnen inrichten. Daarbij is onder meer verbreding van hun bedrijfsactiviteiten aan de orde. De gemeente ondersteunt initiatieven om vrijkomende agrarische bebouwing te gebruiken voor nieuwe vormen van ondernemerschap. De gemeente wil kansen creëren voor 'ondernemen in een groen decor'. Daarnaast geven we enige ruimte aan initiatieven voor nieuwe landgoederen. Voor de gemeente staat daarbij wel voorop dat nieuwe activiteiten in het buitengebied niet de ontwikkeling van de agrarische activiteiten in de weg staan.
Hoofdstuk 3
18
Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt een nieuw economisch perspectief geboden aan een voormalige agrarische bebouwing, waardoor leegstand wordt voorkomen. De bedrijfsactiviteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn passend op de locatie. Daarnaast is sprake van een goede landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering in het buitengebied van de gemeente. Het initiatief is dan ook in lijn met de toekomstvisie. Gebiedsgerichte benadering Broekdijk 60 in Hulten is gelegen tussen Rijen en de wijk Reeshof in Tilburg. Om de ontwikkeling integraal te benaderen en te voldoen aan provinciaal beleid (art. 3.73 lid 1 onder a) heeft de gemeente Gilze en Rijen de partiële herziening Broekdijk 60 in Hulten getoetst aan de ontwikkelingsrichting van het gebied. Broekdijk 60 in Hulten ligt in een relatief geïsoleerd open gebied met een beperkte ontsluiting. Het landschap kenmerkt zich door openheid met relatief weinig bebouwing. Verspreid door het gebied heen liggen diverse bouwvlakken, die overwegend agrarisch zijn. Conform het bestemmingsplan Buitengebied geldt de gebiedsaanduiding ‘Agrarisch Balansgebied’.
In het Agrarisch Balansgebied gelden conform de toelichting van het bestemmingsplan Buitengebied (pagina 10) de volgende beleidslijnen: behoud en ontwikkeling van de duurzame, grondgebonden landbouw, voor zover passend binnen het landschap; realisatie van de ecologische verbindingszones in combinatie met beekherstel; behoud en ontwikkeling van de verschillende karakteristieke landschappen; behoud en beperkte ontwikkeling van de duurzame intensieve veehouderij, waarbij op duurzame locaties meer ontwikkelingsruimte wordt geboden; het onder voorwaarden bieden van agrarische neven- en vervolgfuncties (in het kader van verbrede landbouw en in vrijkomende agrarische bebouwing). Daarnaast is op pagina 32 en 33 van de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ een tabel weergegeven met vervolgfuncties bij agrarische bedrijven. Zowel een statische opslag en dierenpension zijn in deze tabel onder het “agrarisch balansgebied’ genoemd als functies die na planwijziging mogelijk gemaakt kunnen worden. Gezien de ligging van het gebied zijn agrarische functies, zoals akkerbouw en grondgebonden agrarische bedrijven, in dit gebied hier het meest op zijn plaats.
Wel stelt de gemeente Gilze en Rijen als aanvullende beleidslijn dat, indien agrarische bedrijven stoppen en een agrarische functie ter plaatse niet meer mogelijk is, er gezocht moet worden naar een passende herbestemming. Leegstand van agrarisch vastgoed willen wij zoveel mogelijk voorkomen. Hiermee voorkomt de gemeente Gilze en Rijen verloedering en oneigenlijk gebruik. Bij de herbestemming van een VAB-locatie is onze visie dat bestaande bebouwing gebruikt kan worden voor een vervolgfunctie, maar dat uitbreiding van het aanwezige oppervlakte van bebouwing in principe ongewenst is. De openheid van het gebied moet intact blijven, uitbreiding van bedrijfsoppervlakte past hier maar in zeer beperkte mate in.
Hoofdstuk 3
19
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ worden een aantal passende vervolgfuncties voor het gebied genoemd (artikel 42.12.3). Bij de herontwikkeling van VAB-locaties kijken wij naar de functies die passend zijn in het gebied, waarbij in de basis cumulatie van vervolgfuncties niet toegestaan is (pagina 31 van de toelichting van het bestemmingsplan Buitengebied). De beleidslijn uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is echter een momentopname. Ten opzichte van de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geldt inmiddels dat het gebruik van het buitengebied niet meer in hoofdzaak in gebruik is door de agrarische sector. De gemeente Gilze en Rijen wil dan ook openstaan voor andere en nieuwe passende functies in het buitengebied. In het kader van zorgvuldig ruimtegebruik, en in het geval dat bebouwing van kwalitatief goede aard is, zijn wij van mening dat afgeweken kan worden van de beleidslijn uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Cumulatie behoort daardoor in beperkte mate tot de mogelijkheden. Indien er sprake is van cumulatie moeten deze functies logischerwijs passen binnen de schaal en de identiteit van het gebied. Om te oordelen wat passend is, kijken we zowel naar het type landschap, de hoeveelheid bebouwing in het gebied, alsmede naar de ontsluiting van het gebied en aard en intensiteit van de beoogde ontwikkeling.
De gemeente Gilze en Rijen heeft als visie dat het gebied tussen Rijen en de Reeshof zoveel mogelijk open moet blijven, waarbij de N260 een harde stadsrand van de Reeshof vormt. Wij willen voorkomen dat door grootschalige (stedelijke) ontwikkelingen Rijen en de Reeshof aan elkaar vastgroeien. Dit is ook in lijn met de dubbelbestemming ‘waarde – landschap – 1’. Deze bestemming borgt dat de geldende (enkel)bestemmingen tevens bestemd zijn voor het behoud, versterking en ontwikkeling van het open karakteristieke landschap. Mede vanwege de geïsoleerde ligging van het gebied (tussen Rijen, de Reeshof en Vliegbasis Gilze en Rijen en de afsluiting van de N282 bij Hulten) leent het gebied zich niet voor initiatieven op het gebied van bijvoorbeeld grootschalige recreatie of grootschalige niet-agrarische bedrijvigheid, waar veel verkeersbewegingen bij komen kijken. Als herontwikkeling van een agrarische bedrijfslocatie in dit gebied zich voordoet is de visie van de gemeente Gilze en Rijen dat kleinschalige niet-agrarische bedrijvigheid met een beperkte verkeersaantrekkende werking als wenselijk en passend in het gebied wordt beschouwd. Hierbij kan gedacht worden aan startende ondernemers of voor kleinschalige bedrijven. Voor deze bedrijven is vaak geen plek op het nabijgelegen bedrijventerrein de Haansberg, die zich vooral leent voor de vestiging van zwaardere, grotere bedrijvigheid.
In onderhavige bestemmingsplanherziening acht de gemeente Gilze en Rijen een herbestemming van ‘agrarisch’ naar ‘bedrijf’ met een functieaanduiding ‘statische opslag’ en ‘dierenpension’, kijkend naar het gebied als passend en ruimtelijk aanvaardbaar, omdat: Zowel de vraag naar een statische opslag als een dierenpension volgen uit een behoefte vanuit het stedelijk gebied Rijen en Tilburg de Reeshof. De VAB-locatie aan de Broekdijk 60, Hulten is door de centrale ligging tussen de Rijen en Reeshof hier geschikt voor; Het gebied leent zich door de openheid, en geïsoleerde ligging en op afstand gelegen (agrarische) bedrijven en woonbestemmingen uitstekend voor een dierenpension. Een degelijke functie kan enige geluidsoverlast opleveren. Door deze functies toe te staan in een (open) gebied met weid verspreide bebouwing ontstaat zo min mogelijk overlast voor omliggende locaties en percelen. Een dergelijke functie toestaan in het stedelijk gebied of in meer verstedelijkt buitengebied, waarbij er meer en dichterbij woonbestemmingen zijn gelegen is in dat veel minder gewenst;
Hoofdstuk 3
20
Voor een statische opslag is slechts sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking. De statische opslag zal worden gebruikt voor de stalling van caravans, campers e.d. Dergelijke goederen worden doorgaans slechts enkele malen per jaar uit de opslag gehaald. Het moment waarop de goederen waarop gehaald verschilt daarnaast van elkaar. Ook voor een dierenasiel enpensions is slechts sprake van een lage verkeersaantrekkende werking. Dit volgt uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’, waarbij één van de indices ‘Verkeer’ is. Bij ‘dierenasiels en pensions’ geldt zwaarte ‘1’ voor personenvervoer. Gelet hierop is zowel voor de statische opslag als een dierenpension geen onevenredige verkeersaantrekkende werking in relatie tot de omliggende wegenstructuur te verwachten; In afwijking van de beleidslijn uit het bestemmingsplan Buitengebied is cumulatie aan de Broekdijk 60 in Hulten voorstelbaar. In dit open en agrarische gebied zullen de agrarische bedrijven die overblijven grootschaliger worden. Een VAB-locatie met kwalitatief goede bebouwing, in een afgemeten bouwvlak, welke landschappelijk goed is ingepast kan meerdere functie herbergen. Zeker, in onderhavig geval, omdat de functies een beperkte verkeersaantrekkende werking hebben, elders ongewenst zijn en in de behoefte voorzien.
De reeds aanwezige bebouwing is van goede kwaliteit en is noodzakelijk voor een efficiënte bedrijfsvoering. Door eventueel bebouwing te saneren kunnen beide vervolgfuncties niet meer worden uitgeoefend, en ontstaat er geen rendabele bedrijfsvoering meer. Beide functies vullen elkaar aan en zorgen voor een economisch perspectief voor de initiatiefnemer; Zowel een statische opslag als een dierenpension kunnen zich niet vestigen op het nabijgelegen bedrijventerrein de Haansberg in Rijen. Het bedrijventerrein de Haansberg is geïntensiveerd met bebouwing en wordt gekenmerkt door milieubelastende bedrijven waarbij hogere milieucategorieën gelden. Doordat de nadruk is gelegd op bedrijven met een hoge milieucategorie is er feitelijk geen plek voor kleinschalige bedrijvigheid, zoals de beoogde statische opslag en dierenpension. Een nieuw bedrijventerrein ontwikkelen voor kleinschalige niet-agrarische bedrijvigheid is voor de gemeente Gilze en Rijen niet aan de orde, nu er door strengere milieuwetgeving en verminderde bedrijfsopvolging steeds meer VAB-locaties ontstaan. Een aantal van deze VAB-locaties zullen in de toekomst herbestemd moeten worden. Dit kan door (kleinschalige) initiatieven te laten landen in dit deel van het buitengebied.
In dit geval ontstaat aan de Broekdijk 60, mede door kwalitatieve goede bebouwing en landschappelijke inpassing een goede invulling van de VAB-locatie die past binnen de gemeentelijke visie voor dit (deel)gebied.
Hoofdstuk 3
21
4.
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook onderhavig plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan de milieuhygiënische aspecten.
4.2 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van de bijlage het Besluit m.e.r. waarbij de drempelwaarden uit kolom 2 van deze D-lijst niet worden overschreden. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie getransformeerd naar een niet-agrarisch bedrijf. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt.
Doorwerking plangebied Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen is de vraag die beantwoord dient te worden of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D11.2 (D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In hoeverre een ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D11.2 te kwalificeren is, kan niet in algemene zin worden beantwoord. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 18 juli 2018 duidelijk gemaakt dat ook een behoorlijke wijziging niet gekwalificeerd hoeft te worden als een
Hoofdstuk 4
22
stedelijk ontwikkelingsproject (ECLI:NL:RVS:2018:2414). Ook spreekt de ABRvS uit dat het begrip ruimte laat voor interpretatie en afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Volgens de ABRvS spelen onder andere de aard en omvang van een ontwikkeling een rol bij de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is volgens de Afdeling niet doorslaggevend of er sprake is van aanzienlijke negatieve milieugevolgen (zie ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694). De Afdeling bevestigt dit laatste nog eens in een uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348). In onderhavig concreet geval gaat het om het herbestemmen van een voormalige intensieve veehouderij ten behoeve van de ontwikkeling van een dierenpension en caravanstalling, bedrijfsactiviteiten van maximaal milieucategorie 2. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot hinder voor omliggende functies maar zelfs tot een verbetering voor de milieuomstandigheden en leefomgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of gevaarlijke technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen.
Ook blijkt uit onderhavig bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet in aan orde.
4.3 Cultuurhistorie en aardkundig waardevolle gebieden Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
Hoofdstuk 4
23
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)3. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Doorwerking plangebied Aan de hand van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan en de CHW is bepaald of in en rondom het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. In onderstaande figuur 4.1 is een voor het plangebied relevante uitsnede van de CHW opgenomen.
Figuur 4.1 Uitsnede plangebied Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant (bron: provincie Noord-Brabant).
Het plangebied bevindt zich in het cultuurhistorische gebied ‘de Baronie’. Over dit gebied is in de CHW het volgende opgenomen: “De Baronie is onderdeel van een dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. De Aa of Weerijs en de Mark bevinden zich in het westelijke deel. In het oostelijke gedeelte ligt de breuklijn die de westgrens vormt van de Roerdal Slenk. In het zuiden stromen 't Merkske, de Chaamse beken en de Strijbeekse beek. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De regio Baronie bezit bossen die de hele bosgeschiedenis weerspiegelen. Het Liesbos, het Ulvenhoutse Bos en het Chaamse Bos zijn zeer oude bossen die de kaalslag van de middeleeuwen overleefden. Voorts zijn er in het zuidoosten de bossen van de heideontginningen uit de periode 1850-19504”.
3 4
Zie https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8. Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) provincie Noord-Brabant.
Hoofdstuk 4
24
Het initiatief voorziet in het herbestemmen van de bestaande bebouwing in het plangebied. Door onderhavig initiatief worden de functies duidelijk gekaderd en ingepast in het landschap. Het initiatief zal daardoor de cultuurhistorische waarden van de regio, en specifiek die van het cultuurhistorische gebied ‘de Baronie’, niet belemmeren. In aanvulling op vorengaande is de Broekdijk, de weg waaraan het plangebied gelegen is, aangemerkt als een lijn met de waarde ‘redelijk hoog’. Het initiatief heeft echter geen invloed op de situering van de bebouwing en ruimtelijke aspecten van de Broekdijk. Daarom vindt er ook op dit vlak geen aantasting plaats van cultuurhistorische waarden. Aardkundig waardevolle gebieden Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. De in Noord-Brabant aanwezige dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld.
De provincie Noord-Brabant heeft de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant5 ontwikkeld. Op deze kaart is zichtbaar welke gebieden als aardkundig waardevol worden geclassificeerd. Ingevolge artikel 3.28 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant dienen bestemmingsplannen die van toepassing zijn op aardkundig waardevol gebied mede te zijn gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant. Doorwerking plangebied Een voor het plangebied relevante uitsnede van de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart, zoals te zien is in navolgende figuur 4.2.
5
Zie https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=ae83285be89f4501b60b1346cf9c3acd.
Hoofdstuk 4
25
Figuur 4.2 Uitsnede plangebied Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant (bron: provincie Noord-Brabant).
Uit de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant komt naar voren dat het plangebied zich niet bevindt in aardkundig waardevol gebied. Om die reden bestaan er vanuit dit deelaspect geen belemmeringen.
4.4 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Hoofdstuk 4
26
De gemeente Gilze en Rijen op 26 april 2011 het ‘Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen' vastgesteld. In dit beleidsplan is een kaart opgenomen waarin de archeologische verwachtingswaarde geclassificeerd wordt. Hiermee gaat de classificatie in op de (verwachte) mogelijkheid tot het aantreffen van archeologische vondsten. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Doorwerking plangebied Het plangebied is op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Gilze en Rijen niet bestemd met een archeologische dubbelbestemming. De gronden binnen het plangebied zijn daarmee niet (mede) bestemd voor het beschermen van de in deze grond aanwezige archeologische waarden. In het ‘Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen’ onderscheidt de gemeente Gilze en Rijen een zevental verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. In figuur 4.3 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien, waarop de projectlocatie is weergegeven.
4.3 Uitsnede plangebied Archeologische beleidskaart gemeente Gilze en Rijen (bron: Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen).
Hoofdstuk 4
27
Voor de projectlocatie geldt dat er sprake is van categorie 6: een gebied met een lage verwachting. Het gaat bij deze categorie om gebieden waar de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en projectbesluiten van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld. Ook zal bij m.e.r.-plicht nader onderzoek worden verlangd. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging en die een oppervlakte kleiner dan 25.000 m2 beslaat. Er wordt niet voorzien in nieuwe bebouwing of activiteiten waarvoor bodemingrepen noodzakelijk zijn. Om die reden is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het aspect archeologie levert geen belemmeringen op.
4.5 Ecologie De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
Hoofdstuk 4
28
2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Doorwerking plangebied Onderhavig bestemmingsplan maakt de functiewijziging van het plangebied mogelijk die niet direct voorziet in nieuwe ruimtelijke ingrepen.
De uitbreiding van de hondenkennel in de bestaande gebou-
Hoofdstuk 4
29
wen kan echter wel een negatief effect hebben op aanwezige natuurwaarden die beschermd zijn ingevolge de Wet natuurbescherming. Derhalve is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de natuurwaarden en de mogelijk negatieve effecten daarop in beeld te brengen 6. Voor het volledige onderzoeksrapport van de quickscan wordt verwezen naar de bijlagen. In navolgende alinea’s zijn de conclusies uit de ecologische quickscan opgenomen. Wettelijke gebiedsbescherming Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’, bevindt zich op circa 8,9 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied. De effecten die eventueel in het genoemde gebied zouden kunnen optreden zijn externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gelet op de afstand tussen het plangebied en betreffende Natura 2000-gebieden is het echter geheel onwaarschijnlijk dat er een toename in licht en geluid is in de Natura 2000-gebieden. Daarnaast is de bedrijfsbebouwing goed geïsoleerd en is er enkel een beperkte toename in verkeersbewegingen te verwachten tijdens de gebruiksfase. Voor de aanlegfase geldt dat het plan enkel voorziet in een inpandige verbouwing van reeds bestaande bedrijfsgebouwen; de constructie van de gebouwen en de belangrijkste bouwtechnische zaken zijn reeds aanwezig.