CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Aardstraat 2 en 2a, Molenschot

Gemeenteraad 17 oktober 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Ingekomen stukken - intern13.266 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Milieugevoelige functie Burgerwoning Burgerwoning Bedrijfswoning Burgerwoning Burgerwoning

Minimum afstand 50 meter 50 meter 50 meter 50 meter 50 meter

Werkelijke afstand 15 meter 55 meter 120 meter 150 meter 220 meter

Voldaan Nee Ja Ja Ja Ja

Tabel 2. Afstanden van bedrijven in de omgeving tot de woningbouwkavels op de planlocatie

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er formeel niet kan worden voldaan aan de afstand tot de burgerwoning aan de Kapelstraat 41. Deze minimale afstand van 50 meter heeft betrekking op het aspect geluid. Daarnaast kan er niet aan de minimum afstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geur voldaan worden. Ten aanzien van de aspecten stof en gevaar dient een afstand van 10 meter te worden aangehouden waaraan wel kan worden voldaan. In paragraaf 5.1.5 is het geluidaspect nader onderzocht en is geconcludeerd dat dit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse van de woning aan de Kapelstraat 41 is namelijk sprake van een ruim voldoende acceptabel woon- en leefklimaat. Voor de overige milieugevoelige functies in de omgeving kan worden voldaan aan de minimum richtafstanden. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

5.1.7 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

30

• •

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

31

Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 14 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

1

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer:

1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

32

800 m.

Figuur 14. Uitsnede risicokaart. Planlocatie rood omcirkeld.

Risicovolle inrichtingen Op een afstand van circa 800 meter ten zuiden van het plangebied is aan de Lage Aard 1 een bovengrondse propaantank van 18 m3 gelegen. De propaantank heeft geen risicocontour waardoor de afstand tot de planlocatie groot genoeg is waardoor deze risicovolle inrichting geen belemmering vormt voor het plan. Daarnaast is er in dit geval geen sprake van de toevoeging van (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en leidt de ontwikkeling niet tot een toename van de personendichtheid. Er vindt dus geen wijziging plaats ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor kan ten aanzien van risicovolle inrichtingen in de omgeving worden uitgegaan dat deze geen belemmering vormen voor de voorgestane ontwikkeling. Risicovol transport over wegen Conform de risicokaart vindt er in de nabijheid van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het plan. Risicovol transport over spoorwegen Conform de risicokaart vindt er in de nabijheid van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over spoorwegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het plan.

33

Risicovol transport over water Conform de risicokaart vindt er in de nabijheid van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over water waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het plan. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het plan.

5.1.8 Kabels en leidingen Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die planologisch-juridische bescherming behoeven en als gevolg daarvan een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

5.2.1

Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het VGRP gemeente Gilze en Rijen, het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 van Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschap Brabantse Delta, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

34

Het plangebied valt onder het beheer van Brabantse Delta. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan ‘Grenzeloos verbindend’ en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. De beleidsnotitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk’ maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem.

Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om negatieve hydrologische consequenties te compenseren. De inzameling en het transport van afvalwater is een wettelijk vastgelegde gemeentelijke taak. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan is weergegeven hoe de gemeente Gilze en Rijen haar rioleringstaak de komende planperiode vorm wil geven. Negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater dienen te worden voorkomen. Een van de uitgangspunten is dat alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten in principe waterneutraal dienen te zijn. De uitbreiding van het verhard oppervlak mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Hiertoe dient een compensatie voor het plangebied te worden gerealiseerd, welke bij verschillende omstandigheden moet worden getoetst. Voor compenserende maatregelen ten aanzien van afvoer naar oppervlaktewater, wordt de afstroming vergeleken met de landbouwkundige afvoer. Het verschil tussen de afstroming en de landbouwkundige afvoer wordt gecompenseerd in een voorziening met voldoende retentie.

5.2.2

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het initiatief heeft betrekking op de sloop en verwijdering van de aanwezige stallen en een aanzienlijk deel van de erfverharding. Hierdoor is sprake van een afname in verhard oppervlak. Voor de her te bouwen bedrijfsloods en de resterende bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren (greppel aan zuidzijde van het perceel) in stand blijven en zoals in de huidige situatie aangesloten blijven op het drukriool. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan. De omzetting van het agrarisch bedrijf in een agrarisch-technisch hulpbedrijf (waarbij de oppervlakte aan verharding en bebouwing afneemt) betreft een ontwikkeling die geen negatieve veranderingen teweeg brengt voor het aspect water. Hiermee wordt

35

voldaan aan de bergingseis van de gemeente Gilze en Rijen, waardoor het aspect water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Nederland (NNN). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen.

De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Ulvenhoutse Bos’ en ‘Regte Heide & Riels Laag’ welke op een afstand van respectievelijk 4,1 kilometer en 12,3 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Ook blijkt dat het plangebied niet binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is gelegen. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende bij Natuurnetwerk Brabant is op een afstand van circa 450 meter gelegen ten zuidoosten van het plangebied. Voor het project dient te worden aangetoond of stikstofdepositie kan optreden ter plaatse van natuurgebieden (Natura 2000). Middels berekeningen is onderzocht of vanwege de gewenste ontwikkeling stikstofdepositie ontstaat. Voor de Aeriusberekening en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar bijlage V. Uit de berekening blijkt dat de depositieresultaten niet hoger dan 0,00 mol/ha/jr. te zijn, waarmee de grenswaarde niet wordt overschreden. De nieuwe situatie heeft dus geen negatief effect op omliggende natuurgebieden.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren.

36

Het wijzigen van de bestemming brengt de voorkomende planten- en diersoorten niet in gevaar. Daarnaast is het planvoornemen om binnen het plangebied een deel van de aanwezige bebouwing en verharding te slopen. Bij ruimtelijke planvorming en ingrepen is het verplicht om een toetsing aan de natuurwetgeving uit te voeren. De varkensstallen op het perceel zouden als verblijfsplaats voor dieren kunnen fungeren. Aangezien de stallen worden gesloopt, dient vóór de sloop te worden vastgesteld of dit een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Daarom is op 16 december 2020 een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als separate bijlage IV bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. De voorgenomen ontwikkeling en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop.

De gebouwen dienen gesloopt te worden buiten het broedseizoen. De nieuwbouwwerkzaamheden worden tevens buiten het broedseizoen uitgevoerd. Belangrijk echter om te vermelden is, dat de termijn voor de sloop van de stallen zoals voorgeschreven in de voorwaarden van de SRV niet overschreden worden, zodat de subsidie niet in gevaar komt. Deze termijn bedraagt binnen 24 maanden na 1 juli 2020. De stallen dienen derhalve gesloopt te zijn uiterlijk 30 juni 2022. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem

37

aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Op het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 0,4 meter. Uitzondering hierop vormen de gronden waar reeds een bouwvlak aanwezig is. Op deze gronden mag binnen de bouwvlakken – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – worden gebouwd zonder dat een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie is vastgesteld. Volgens de archeologische beleidskaart valt het plangebied echter binnen categorie 4 (hoge archeologische verwachting). Voor categorie 4 geldt dat onderzoek nodig is bij “bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 500 m2 en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.” Ondanks het gegeven dat de omvang van de ontwikkeling de oppervlakte-ondergrens ruimschoots overschrijdt, is de uitvoering van een archeologisch onderzoek niet aan de orde doordat de nieuwe loods ter plaatse van de te slopen stallen wordt gerealiseerd en deze gronden tot zeker 2 meter diepte zijn verstoord.

In bijlage VI is een overzichtstekening toegevoegd waarop de bebouwing van de huidige en beoogde situatie is weergegeven. Uit deze tekening blijkt ter plaatse van de nieuw te bouwen loods geen archeologische waarden meer te verwachten zijn. Conclusie Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Mochten er derhalve bij werkzaamheden archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan zal dit – in overeenstemming met de wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10, lid 1 van de Erfgoedwet 2016 – per direct worden gemeld aan de gemeente Gilze en Rijen.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn geen cultuurhistorische elementen of bebouwing weergegeven op of nabij het plangebied. Bij de landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3.2) is wel rekening gehouden met het behoud en terugbrengen van cultuurhistorische- en landschappelijke elementen.

38

5.6

Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1 Mobiliteit De omzetting van het agrarisch bedrijf naar een agrarisch-technisch hulpbedrijf met opslag zal per saldo een afname van het aantal verkeersbewegingen teweeg brengen. Het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie t.b.v. het varkensbedrijf (aanleveren voer, brengen ophalen varkens en afleveren mest) is hoger dan het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie (af en toe afleveren en ophalen van machines voor het onderhoud). Aangezien de Aardstraat het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie kon verwerken, behoeft deze geen aanpassingen. Het aspect verkeer levert dan ook geen belemmeringen op voor onderhavig plan.

5.6.2 Parkeren Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van de gebruiksfuncties in het plangebied dient altijd voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd te zijn. Het parkeerbeleid van de gemeente Gilze en Rijen is opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Gilze en Rijen’. Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein dient te geschieden. Ter plaatse van de bedrijfswoning en het agrarisch-technisch hulpbedrijf is voldoende ruimte op het terrein om te parkeren. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.

39

HOOFDSTUK 6.1

6 Juridische opzet

Algemeen 6.1.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.

6.1.2 Planonderdelen Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding (plankaart) en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting (zoals onderhavige toelichting), die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing dan wel motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd.

6.1.3 Inhoud algemeen Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.

6.1.4 Regels De regels zijn opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De regels bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke

40

bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke (dubbel)bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Afwijken van de gebruiksregels; Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk ‘Afwijken van de bouwregels’ en ‘Afwijken van de gebruiksregels’.

Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het artikel ‘Wijzigingsregels’.

6.2

Verbeelding Voor alle ontwikkelingen zijn de bestemmingen afgesteld op het daarvoor geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 01-07-2013) inclusief de specifieke aanduidingen. De dubbelbestemmingen of gebiedsaanduidingen zijn veelal 1 op 1 overgenomen. Toegevoegd is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch technisch hulpbedrijf’ en ‘specifieke vorm van bedrijf – landschappelijke inpassing’, de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – voormalige agrarisch bedrijf’ en de maatvoering ‘maximum bebouwd oppervlak 1441 m2’.

6.3

Toelichting op de regels In de regels voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen en aanduidingen net als de relevante begrippen, meetvoorschriften en algemene regels

41

zijn veelal overgenomen van het voor die locatie geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 01-07-2013). Daarbij zijn regels toegevoegd met betrekking tot de opgenomen aanduidingen op de verbeelding.

6.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

6.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ De opzet voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: - bestemmingsomschrijving; - bouwregels; - nadere eisen; - afwijken van de bouwregels; - specifieke gebruiksregels; - afwijken van de gebruiksregels; - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; - wijzigingsbevoegdheid. In de planregels zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Artikel 3 Agrarisch De bestemming ’Agrarisch’ is gelegen op gronden die bestemd zijn voor akker- en vollegrondstuinbouw en bij deze bestemming behorende voorzieningen. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ zijn geen gebouwen toegestaan, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Artikel 4 Bedrijf De gronden gelegen binnen de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch technisch hulpbedrijf’ zijn bestemd voor een agrarisch technisch hulpbedrijf. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ is een bedrijfswoning, een bijgebouw met een oppervlakte van 320 m2 en bedrijfsbebouwing met een oppervlakte van 1441 m2 toegestaan. Gebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak.

Het (doen/laten) gebruik(en) van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – agrarisch technisch hulpbedrijf' ten behoeve van een agrarisch

42

technisch hulpbedrijf is uitsluitend toegestaan indien binnen 3 maanden na in gebruik name van de nieuw te bouwen loods de bestaande werkplaats is geamoveerd. Artikel 5 Groen – Landschappelijke inpassing De bestemming ’Groen – Landschappelijke inpassing’ is gelegen op gronden die een groene inrichting krijgen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage bij de regels is bijgevoegd. Binnen de bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ zijn geen gebouwen toegestaan, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Artikel 6 Waarde - Archeologie Ter bescherming van de archeologische waarden is een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ opgenomen.

6.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 8 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen ten aanzien van het realiseren van ondergrondse bouwwerken. Tevens is een regeling opgenomen voor de minimumafstand van gevoelige objecten ten opzichte van landbouwbedrijven en kassen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo. In deze bepaling is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit bestemmingsplan moet worden aangemerkt. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de regeling opgenomen behorend bij de bescherming van de in- en uitvliegfunnel behorend bij de vliegbasis Gilze - Rijen. Er geldt een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een hogere bouwhoogte dan 56 m boven NAP. Daarnaast geldt er een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een hogere bouwhoogte dan 42,6 m boven NAP ten behoeve van het verstoringsgebied rondom de start- en landingsbaan.

Tevens is het niet toegestaan woningen toe te voegen binnen de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geluidsgevoelige functie – 2’.

43

Artikel 11 Algemene ontheffingsregels In de algemene ontheffingsregels is een regeling opgenomen ten aanzien van het in gebruik nemen van een (vrijstaand) bijgebouw/bedrijfsgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming ‘Waarden – Archeologie’ geheel of gedeeltelijk te verwijderen. Tevens is in dit artikel een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van verandering van een bouwvlak en is er een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van de wijziging in de bestemming ‘Verkeer’. Artikel 13 Algemene procedureregels In dit artikel is een verwijzing naar afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen indien gebruik gemaakt wordt van een wijzigingsbevoegdheid. Artikel 14 Overige regels In dit artikel Dewordt vastgelegd dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

6.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Artikel 15 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 16 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder bestemmingsplan ‘Aardstraat 2 Molenschot’.

de naam: Regels van het

44

HOOFDSTUK

7 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

7.1

Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Binnen het plangebied wordt een extra woning gebouwd, zodat sprake is van een bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro in samenhang met artikel 6.2.1. onder a Bro. Doordat er in het kader van de beoogde ontwikkeling geen aanpassingen in de openbare ruimte nodig zijn, is er geen sprake van verhaalbare kosten, waardoor volgens artikel 6.2.1a, aanhef en onder b van het Bro geen verplichting tot kostenverhaal geldt. De gemeente sluit een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer. Hiermee wordt vastgelegd dat eventuele tegemoetkomingen in planschade aan derden, toegebracht door een planologische wijziging, door de gemeente verhaald kunnen worden op initiatiefnemer van het plan.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan ‘Herontwikkeling Aardstraat 2 en 2a te Molenschot’ wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11813986/1