RIB-bijlage 1 reactie op rapport commissie Van Aartsen
Tekst van het document
Postbus 8035 5601 KA Eindhoven T: 088 369 03 69 I: www.odzob.nl
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat T.a.v. staatssecretaris S. van Veldhoven Postbus 20901 2500 EX Den Haag
uw kenmerk
uw bericht van
-
-
ons kenmerk
datum <[korteverzenddatum]>
onderwerp
contactgegevens
Rapport Commissie Van Aartsen
e-mail :
m.vanderven@odzob.nl
tel.
088-3690280
:
Geachte mevrouw Van Veldhoven, Het rapport “Om de Leefomgeving” van de commissie Van Aartsen is recent besproken in de besturen van de drie Brabantse omgevingsdiensten (ODZOB, ODBN en OMWB). Omdat we als Brabantse diensten hetzelfde aankijken tegen enkele belangrijke aanbevelingen in het rapport, en conform uw verzoek, geven wij hierover in deze brief gezamenlijk onze reflectie. We verzoeken u om onze reactie mee te wegen bij het uitwerken van de vervolgvoorstellen. Onze leefomgeving verdient hoogwaardige zorg, nu en in de toekomst. Het is daarom gewenst dat de omgevingsdiensten versterkt worden, waar dat nodig is. Wij zien het rapport op onderdelen als steun in de rug voor een verdere professionalisering van de omgevingsdiensten. De komende jaren zien wij belangrijke ontwikkelingen op ons afkomen in het veld van de leefomgeving waar wij als omgevingsdiensten op willen anticiperen. Het is van essentieel belang dat wij goed zijn voorbereid om deze ontwikkelingen op een kwalitatief goede manier het hoofd te kunnen bieden. Wij zien wel grote verschillen per regio en omgevingsdienst. De Brabantse diensten hebben de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet in hun doorontwikkeling en werken intensief samen. Wij beseffen dat dit niet geldt voor alle omgevingsdiensten.
Landelijk zijn de verschillen tussen de omgevingsdiensten, qua structuur, robuustheid en fase van ontwikkeling, groot. De gesignaleerde problematiek in het rapport van de commissie speelt daarom niet bij alle omgevingsdiensten en niet bij alle diensten in dezelfde mate. Onze besturen hebben geen behoefte aan een nieuwe stelseldiscussie. De deelnemers zien in dat de omgevingsdiensten belangrijke partners zijn om VTH-taken goed uit te voeren. Dat is een ontwikkeling die echt is gegroeid in de afgelopen jaren. Wij hebben daarom geen behoefte om opnieuw een discussie aan te gaan over de vraag of alle taken uit het basistakenpakket verplicht moeten worden overgedragen aan de diensten, zoals de VNG nu doet. De vrijblijvendheid op dat punt had al lang voorbij moeten zijn. We zijn het eens met de commissie dat de wijze van financiering geen belemmering mag zijn voor de effectiviteit van het toezicht. Een landelijk afgestemde normfinanciering is wellicht daarvoor niet de meest gewenste methode. Wij adviseren nader onderzoek te doen naar de meest passende wijze van financiering
pagina 1 van 2
voor zowel de verplichte basistaken als verzoektaken. Wellicht kan dit gecombineerd worden met het door de commissie geadviseerde aanvullende onderzoek over de ondergrens van voldoende robuuste omgevingsdiensten. Wij kunnen ons evenwel goed voorstellen dat er nieuwe afspraken komen over additionele financieringsstromen voor taken zoals BRZO; een meer robuuste financiering zou meer recht doen aan de positie van BRZO-taken binnen Nederland. Deze taken zouden niet afhankelijk mogen zijn van lokale afwegingen. De besturen van de Brabantse omgevingsdiensten vinden dat de energie de komende jaren zeker wèl moet uitgaan naar datgene, waarvoor de omgevingsdiensten ooit zijn opgericht, namelijk het verder verbeteren van de kwaliteit van VTH. De diensten moeten gaan inzetten op verhoging van de kwaliteit, uniforme mandaten, expertise en deskundigheid binnen de diensten. Thema’s als digitalisering, innovatie, cultuurverandering en het ontwikkelen van vernieuwende concepten zijn daarbij essentieel. Alleen dan kunnen zij een volwaardige adviesrol gaan vervullen en hét expertise centrum zijn dat noodzakelijk is om ook in de toekomst slagvaardig en effectief de veranderingen op het terrein van de leefomgeving het hoofd te kunnen bieden.
Dat zijn voorbeelden van onderwerpen waar energie in gestoken moet worden en waar ook het Rijk structureel aandacht aan zou moeten besteden, in plaats van de huidige focus op incidenten. Als een omgevingsdienst evident niet voldoet aan de kwaliteitseisen, maar ook in de situatie dat een deelnemer weigert om alle basistaken over te dragen, is het wenselijk dat daarop geacteerd gaat worden. Het ontwikkelen van onafhankelijk en effectief toezicht kan daarbij helpen en zal uiteindelijk de kwaliteit bij alle omgevingsdiensten kunnen verbeteren. Mocht onze reactie aanleiding geven tot vragen, dan vernemen wij dat graag.
Met vriendelijke groet,
Namens het Dagelijks Bestuur van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, M. van Schuppen, voorzitter
Namens het Dagelijks Bestuur van Omgevingsdienst Brabant-Noord, M. Bakermans, voorzitter
Namens het Dagelijks Bestuur van Omgevingsdienst Midden- en West- Brabant, P. Depla, voorzitter
cc: •
Omgevingsdienst.nl
•
Ministerie I en W, mevrouw I. Absil en mevrouw M. Tieleman
•
Provincie Noord-Brabant, de heer P. Smit
pagina 2 van 2