CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Verzamelverordening Participatiewet IOAW IOAZ BBZ

Raadscommissie Samenleving 8 november 2023, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ 20238.608 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAADSVOORSTEL Commissie Samenleving: Raadsvergadering: Cluster: Afdeling: Zaaknummer:

8 november 2023 20 november 2023 Sociaal Beleid Sociaal Beleid 1045376

Agendapunt: Portefeuillehouder :

Wethouder Doremalen

Programma:

6 Sociaal Domein

Voorstel tot vaststellen Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2023

1. Voorgesteld besluit 1. De 'Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023' vast te stellen 2. Eerdere besluitvorming Op 13 juni 2022 is de Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ, Bbz 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. 3. Samenvatting Vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving is het nodig om de Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz (hierna: Verzamelverordening 2023) aan te passen. Deze wijzigingen komen voort uit het wetsvoorstel Breed Offensief wat eind 2022 is vastgesteld door de Eerste Kamer. Breed Offensief bevat een aantal veranderingen om inwoners beter te kunnen helpen mee te doen aan de samenleving en de arbeidsmarkt. De aanpassingen voor de Verzamelverordening 2023 zijn regionaal opgepakt en afgestemd zodat we in de regio zoveel mogelijk dezelfde dienstverlening kunnen bieden.

Voorstel 4. Inleiding In 2022 is de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. Vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving (wetsvoorstel ‘Breed Offensief’) is aanpassing van de Verzamelverordening noodzakelijk. Daarom is er in de arbeidsmarktregio een nieuwe verordening voorbereid. De wetswijzigingen hebben als doel om meer ruimte te bieden om inwoners te helpen participeren en re-integreren in de samenleving en arbeidsmarkt. 5. Argumenten 1.1 Door wijzigingen in de wet- en regelgeving (Breed Offensief) is aanpassing van de Verzamelverordening 2023 noodzakelijk. De Participatiewet is per 1 juli 2023 gewijzigd op een aantal onderdelen (zie 1.2) waardoor een nieuwe verordening wettelijk vereist is. Omdat de verzamelverordening Participatiewet in 2022 nog ingrijpend veranderd is, hebben we ons nu vooral gericht op het doorvoeren van de technische, wettelijke wijzigingen.

Zaaknummer: 1045376

1.2 De wijzigingen bieden meer ruimte om inwoners te helpen met meedoen aan de samenleving en de arbeidsmarkt. Vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is geconstateerd dat de Participatiewet voor een deel van de bijstandsgerechtigden niet werkt of past bij de situatie. Daarom wordt de Participatiewet gewijzigd op een aantal onderdelen om een betere basis te geven. De wijzigingen hebben tot doel: - Zorgen dat werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker vinden; - Het makkelijker maken voor werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen; - Werk voor mensen met een arbeidsbeperking aantrekkelijker maken (bijvoorbeeld door meer inkomen); en - Mensen met een arbeidsbeperking voor langere tijd aan het werk krijgen. Concreet betekent dat de wetswijzigingen betreffen: - Het harmoniseren van het aanbod van ondersteuning aan mensen met een arbeidsbeperking; - Het opnemen van een expliciete aanvraagmogelijkheid voor ondersteuning op maat; - Vereenvoudiging van de loonkostensubsidie. 1.3 De Verzamelverordening 2023 is in regionaal verband opgesteld en draagt bij aan eenheid in beleid in de regio. De Verzamelverordening 2023 is opgesteld in regionaal verband in onze arbeidsmarktregio. Dit is ook bij de vorige versies van de Verzamelverordening gebeurd. Hiermee stemmen we het beleid op het gebied van re-integratie en participatie op elkaar af.

Het neemt verschillen in beleid tussen gemeenten weg en geeft duidelijkheid aan inwoners en werkgevers. 1.4 De Adviesraad Gilze en Rijen adviseert positief over de Verzamelverordening 2023. De Adviesraad Gilze en Rijen is informeel meegenomen in het tot stand komen van deze Verzamelverordening 2023. In dit voortraject hebben zij feedback gegeven op een aantal punten die daarop gewijzigd zijn. Dit waren met name tekstuele aanpassingen. Zij zijn in hun formele adviesrol positief over deze Verzamelverordening 2023. In de bijlage is een formele collegereactie bijgevoegd. 2.1 Door de vaststelling van de Verzamelverordening 2023 kan de oude Verzamelverordening 2022 worden ingetrokken. De Verzamelverordening 2022 vervalt bij het vaststellen van de Verzamelverordening 2023.

6. Risico’s en kanttekeningen 1.1 De invoering van de expliciete aanvraagmogelijkheid voor ondersteuning op maat door werkgevers en werknemers kan leiden tot hogere uitvoerings- en re-integratiekosten. De expliciete aanvraagmogelijkheid voor werkgevers en werknemers kan zorgen voor meer begeleidingsvragen en -trajecten. Dat is op zichzelf positief, maar leidt mogelijk ook tot hogere uitvoerings- en re-integratiekosten. VNG schreef in een reactie op het wetsvoorstel (27 juni 2022) hierover het volgende. “De beoogde versterking van de persoonlijke ondersteuning (op de werkplek) waaronder de jobcoach, heeft financiële consequenties. Gemeenten zijn het niet eens dat hierin voldoende wordt voorzien via de jaarlijkse uitkering in het Gemeentefonds voor het werkdeel van het P-budget. Meer jobcoaching/persoonlijke ondersteuning op de werkplek, zoals nadrukkelijk wordt Zaaknummer: 1045376

beoogd, brengt meer re-integratielasten met zich mee, waarin het beschikbare budget niet voorziet.” Ten behoeve van kostenbeheersing is in de verordening een bepaling opgenomen die voorziet in het aanbieden van de goedkoopst passende voorziening (artikel 4, lid 3) en een bepaling die stelt (artikel 8a lid 2 sub g) dat de kosten van de voorziening proportioneel moet zijn. De kostenbeheersing wordt verder opgepakt in overleg met financiën en gemonitord tijdens de gebruikelijke momenten in de P&C cyclus. 1.2 Er komen mogelijk meer wijzigingen aan waardoor op korte termijn een nieuwe Verzamelverordening nodig zal zijn Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft meer wijzigingen voor de Participatiewet aangekondigd, bijvoorbeeld als het gaat om inkomstenvrijlating voor jongeren (27-). Deze wijzigingen worden naar verwachting per 1 januari 2025 van kracht – dit is afhankelijk van een nieuw kabinet. Indien de wet wordt gewijzigd, wordt ook weer een nieuwe Verzamelverordening in de arbeidsmarktregio voorbereid. 7. Alternatieven Het vaststellen van een verordening is wettelijk verplicht. Derhalve zijn er geen alternatieven besproken. 8. Lasten, baten en dekking Investering: Er zijn geen financiële gevolgen verbonden aan dit voorstel. Eenmalige kosten: n.v.t. Structurele kosten: n.v.t. Dekking: n.v.t. 9.

Duurzaamheid en inclusie Vanuit de Participatiewet bieden we inwoners een vangnet (financieel) en helpen we inwoners om (weer) mee te doen aan de samenleving en mogelijk te re-integreren op de arbeidsmarkt. 10. Relatie tot ABG-Organisatie De Verzamelverordening 2023 is regionaal gemaakt zodat in de arbeidsmarktregio Midden-Brabant zo veel mogelijk dezelfde dienstverlening kan worden aangeboden. In Alphen-Chaam en BaarleNassau wordt dezelfde verordening voorgelegd. 11. Communicatie en vorm van participatie De wijzigingen in de Verzamelverordening 2023 zijn besproken met de Adviesraad Sociaal Domein Gilze en Rijen. Het formele advies van de adviesraad is bijgevoegd. Om de verordening voor inwoners begrijpelijk te maken, werken we aan een oplegger in begrijpelijke taal waarin kort staat uitgelegd wat de belangrijkste punten uit de verordening zijn en waar een inwoner gebruik van kan maken. Dit communiceren we via onze kanalen, zoals de gemeente website. Zaaknummer: 1045376

Daarnaast zullen we, zodra de raad de Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023 heeft vastgesteld, de verordening publiceren in het gemeenteblad. Het gemeenteblad is te vinden op www.officielebekendmakingen.nl.

12. Vervolg Planning: Na de vaststelling van de verordening door gemeenteraad, treedt deze – na publicatie - per 1 december 2023 in werking met terugwerkende kracht tot 1 juli 2023.

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN GILZE EN RIJEN P.A.M. (Monique) van Bavel D.A. (Derk) Alssema Secretaris burgemeester

Bijlage(n) :

Bijlage 1: Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023 Bijlage 2: Overzicht wijzigingen Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023 Bijlage 3: Formeel advies Adviesraad Sociaal Domein Gilze en Rijen Bijlage 4: Collegereactie formeel advies Adviesraad Sociaal Domein Gilze en Rijen

Zaaknummer: 1045376

Agendapunt Vergadering d.d. 20 november 2023 DE RAAD VAN DE GEMEENTE GILZE EN RIJEN; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders nr. ;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid en 10b, zevende lid, van de Participatiewet;

besluit:

Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 1: Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. Algemene bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel b, PW; b. Arbeidsverplichting: de verplichting, genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdeel a PW en artikel 37, eerste lid, onder a, b en c van de IOAW/IOAZ; c. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; d. Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een uitkering, dan wel een voorziening in het kader van de wet; e. Benadelingsbedrag: het bedrag dat ten onrechte teveel is of wordt verleend als uitkering; f.

Bijstandsnorm: de toepasselijke norm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, PW;

g. Bijzondere bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel d, PW; h. Beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, deel van het inkomen waarop geen beslag mag worden gelegd; i. Brede intake: een onderzoek naar de mogelijkheden van een uitkeringsaanvrager of belanghebbende naar werk of participatie waarbij aandacht is voor alle leefgebieden en dat indien van toepassing wordt verwerkt in een plan van aanpak of PIP. Indien noodzakelijk wordt een nader onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en beperkingen uitgevoerd, eventueel door een externe deskundige; j. Dringende redenen: bijzondere omstandigheden waardoor maatregelen/verlagingen in een situatie kunnen leiden tot een onaanvaardbare situatie (zoals vergroten schuldenproblematiek of huisuitzetting); k. Doelgroep re-integratie: personen aan wie op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW, of op grond van artikel 36 IOAW, of op grond van artikel 36 IOAZ door de gemeente

Zaaknummer: 1045376

ondersteuning bij de re-integratie en/of participatie kan worden geboden; l.

Duurzame arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen arbeid via een uitzendbureau, die over een periode van ten minste zes maanden wordt verricht en waar geen voorziening aan verbonden is in de vorm van loonkostensubsidie;

m. Flankerende voorziening: een voorziening, waarvan de inzet een randvoorwaarde is voor de belanghebbende voor deelname aan re-integratievoorzieningen en nakoming van de arbeidsverplichtingen (waaronder schuldhulpverlening en kinderopvang); n. Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ; o. Inlichtingenplicht: de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand, IOAW, IOAZ of Bbz; p. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; q. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; r.

IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; s. Jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; t. Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die het college kan verstrekken aan een werkgever om een werknemer met een verminderde loonwaarde vanwege een beperking al dan niet tijdelijk in dienst te nemen; u. Kan-bepaling: een bepaling die voorschrijft dat het college bepaalde maatregelen, voorzieningen of ondersteuning kan inzetten, waarmee ruimte wordt geboden aan het samenstellen van een passend pakket aan ondersteuning dat aansluit bij de individuele omstandigheden van belanghebbende (maatwerk). v. Mantelzorg: langdurige zorg, gedurende 8 uur of meer per week, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; w. Medewerkingsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een huisbezoek, als ook naar het opstellen van en de voortgang van een re-integratietraject; x.

NUG(-ger): een persoon die behoort tot de doelgroep van de PW, maar die geen uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de PW, IOAW of IOAZ;

Zaaknummer: 1045376

y. Overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de PW; z. Participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving door onder andere het verrichten van betaald regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een tegenprestatie; aa. Participatiepartner: re-integratiebedrijf, werkgever of maatschappelijke partner, waarmee de gemeente samenwerkt in het kader van de wet; bb. Persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de PW en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10a van de PW; cc. PIP: persoonlijk plan inburgering en participatie, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet inburgering 2021; dd. Plan van aanpak: een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a PW of een trajectplan; ee. Praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; ff. Preferent proces loonkostensubsidie: dit preferente werkproces stroomlijnt het aanvragen, verlengen en uitbetalen van de loonkostensubsidie Participatiewet om voor werkgevers hinderlijke verschillen tussen gemeenten te verminderen; gg. PW: de Participatiewet; hh.

Recidive: hiervan is sprake wanneer een belanghebbende zich binnen 12 maanden na de dagtekening van het besluit waarin de gedraging als verwijtbaar is aangemerkt opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, zoals die genoemd wordt in deze verordening dan wel de wet. Alleen bij boetes is de recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar; ii. Re-integratieverplichting: de verplichting genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, PW en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en IOAZ; jj. Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die worden verricht, eventueel naast of in aanvulling op beloonde arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het versterken van het arbeidsperspectief en dienen als wederdienst voor de ontvangen uitkering; kk. Uitkering: de bijstandsuitkering op grond van de PW of de uitkering op grond van de IOAW of IOAZ; ll. Uitkeringsgerechtigde: een persoon die uitkering ontvangt ingevolge de PW, IOAW, IOAZ of Bbz; mm.

UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

nn. Verlaging: het verlagen van de bijstand of grondslag op grond van artikel 18 tweede lid van de PW resp. 20 lid 2 IOAW/ IOAZ; oo. Verminderde loonwaarde: de lager vastgestelde loonwaarde indien een persoon vanwege een beperking niet in staat is het wettelijk minimum uurloon te verdienen;

Zaaknummer: 1045376

pp. Verrekenen: de verrekening zoals bedoeld in artikel 60, vierde lid, PW, dan wel artikel 28, zevende lid, IOAW of artikel 28, zevende lid, IOAZ; qq. Voorziening: een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in de arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie waaronder begrepen de ondersteuning vanuit de gemeente, een onderzoek naar de belastbaarheid en de noodzaak tot inzet van loonkostensubsidie; rr. Waarschuwing: het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen van een verlaging of boete, maar waarin wel wordt bevestigd dat er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen; ss. Wachttijd: wettelijk bepaalde periode van vier weken waarin de belanghebbende, jonger dan 27 jaar, verplicht is zelf op zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend en het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie onderzocht; tt. Wet: de PW, IOAW, IOAZ en Bbz tezamen. Hoofdstuk 2: re-integratie en tegenprestatie PARAGRAAF 2.1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 2: Opdracht en taak van het college 1. Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie en die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 2.

Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen. 3. Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning rekening met de vraag van de arbeidsmarkt en de (scholings-)mogelijkheden, alsook met de interesses, vaardigheden en ontwikkelkansen van de belanghebbende en diens individuele omstandigheden. Deze omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van de belanghebbende, eventuele structurele beperkingen, de mogelijkheid dat deze belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. 4. Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van flankerende voorzieningen die belemmeringen voor participatie, re-integratie en arbeidsinschakeling kunnen opheffen (zoals bijvoorbeeld vervoer). 5. Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van voorzieningen prioriteren naar gelang de financiële mogelijkheden en rekening houden met maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 6. Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij dan zorg voor een evenwichtige verdeling. Artikel 3: Aanspraak 1. Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan een belanghebbende dan wel aan de werkgever van de belanghebbende. 2.

Op basis van een brede intake stemt het college de ondersteuning en voorzieningen af op het vergroten van de zelfredzaamheid van de belanghebbende via de kortste weg naar (duurzame) arbeidsinschakeling dan wel een zo hoog mogelijke arbeidsproductiviteit of als dat niet mogelijk is, naar betekenisvolle maatschappelijke participatie.

Zaaknummer: 1045376

3. Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan een persoon indien van toepassing vast in een plan van aanpak, dat in samenspraak met de belanghebbende wordt opgesteld. 4. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 5. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van het aanbieden van voorzieningen aan NUG-ers. 6. Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd vanwege een reden, zoals opgenomen in artikel 6, sub a en e van deze verordening. PARAGRAAF 2.2: VOORZIENINGEN Artikel 4: Voorzieningen 1. Het college kan een belanghebbende behorende tot de doelgroep re-integratie: a. (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid; b. begeleiden bij het zoeken naar en het verkrijgen en behouden van arbeid; c. ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en scholing; d. verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie; e. anderszins een voorziening verstrekken in verband met bepaalde specifieke re-integratieof participatieactiviteiten. 2.

Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning bieden ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie, zoals opgenomen in paragraaf 2.3 van deze verordening. 3. Het college biedt de goedkoopste, passende voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af en verwerkt dit in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 4. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze verordening en de wet geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel 5: Voorzieningen duale trajecten inburgering Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep van de Wet Inburgering en die een bijstandsuitkering ontvangen, een voorziening aanbieden op basis van de wet en deze verordening. Artikel 6: Beëindiging van een voorziening Het college kan een voorziening beëindigen als: a.

de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de PW of de artikelen 13 en 37 van de IOAW of IOAZ niet (langer) nakomt of niet naar vermogen hier gebruik van maakt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep reintegratie; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de PW; Zaaknummer: 1045376

d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; e. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening en de beleidsregels worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; f. door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de voorziening niet wenselijk is omdat de participatiepartner niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de geldende voorwaarden voldoet. Artikel 7a: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar 1. Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de PW een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten zoals bedoeld in artikel 10a van de PW. 2. Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a van de PW verricht, ontvangt conform lid 6 van dat artikel ieder half jaar een premie mits naar vermogen is meegewerkt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling. 3. De maximale termijn voor deze onbeloonde additionele werkzaamheden bedraagt 2 jaar.

Deze termijn kan onder voorwaarden, opgenomen in artikel 10a lid 9 en 10 van de PW, éénmalig worden verlengd met 2 jaar. 4. Het college kan op basis van artikel 10a PW of artikel 38a IOAW/IOAZ aan een uitkeringsgerechtigde van 27 jaar of ouder en die niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. 5. De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onder j van de PW. 6. Het college stelt beleidsregels vast ten aanzien van de participatieplaats, voor wat betreft de premie zoals bedoeld in lid 2, de scholing zoals bedoeld in lid 5 en de voorwaarden en verplichtingen die daaraan verbonden zijn.

Artikel 7b: Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4 en 6, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2.3. Artikel 7c: Proefplaats 1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaatsing is de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; Zaaknummer: 1045376

d.

4.

5.

6.

de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. Het college weigert de toestemming, bedoeld in lid 1, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, lid 5, van de PW. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in lid 1, buiten beschouwing gelaten. Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2.3 van deze verordening.

Artikel 7d: Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: a. behoort tot de doelgroep re-integratie; of b. een persoon is aan wie het UWV een uitkering verstrekt. 2. Wanneer het aantal geraamde beschutte werkplekken in één kalenderjaar al is gerealiseerd, dan krijgen de mensen waarvan eerder is vastgesteld dat ze tot de doelgroep beschut werk behoren en die nog niet geplaatst zijn, voorrang op de mensen die later tot de doelgroep worden toegelaten. 3. Bovenop het aantal geraamde beschutte werkplekken kan het college besluiten om extra dienstbetrekkingen beschut werk te realiseren. Artikel 7e: Loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3.

Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. Artikel 7f: Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep re-integratie als omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW; en b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen; en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; of d. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid, PW. 3. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van de regionaal overeengekomen gevalideerde methodiek.

Zaaknummer: 1045376

PARAGRAAF 2.3: SPECIFIEKE BEPALINGEN BIJ PERSOONLIJKE ONDERSTEUNING BIJ WERK EN OVERIGE VOORZIENINGEN Paragraaf 2.3.1: Generieke bepalingen bij persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 8a: Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 4 en 6, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PROonderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden, met een minimale arbeidsduur van 8 uur indien de verwachting is dit binnen een jaar zicht is op urenuitbreiding naar tenminste 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f.

er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 8b: Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 3.

Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. Paragraaf 2.3.2: Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 9a: Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in

Zaaknummer: 1045376

2.

3.

4.

opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.

Artikel 9b: Jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt is erkend door het UWV op grond van het meest actuele ‘Erkenningskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV’, of heeft hbo werk- en denkniveau en een opleidingsmodule tot jobcoach gevolgd waarvoor een erkend certificaat is behaald. 2. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de omvang van het contract en de begeleidingsbehoefte. 3. Het college kan van de in het tweede lid bedoelde maximale inzet afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan, tenzij er met een werkgever anders wordt overeengekomen of indien er al sprake is van een bestaande jobcoachrelatie die in het belang van de werknemer voortgezet kan worden.

Artikel 9c: Jobcoaching in natura 1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 8a tot en met 9b van overeenkomstige toepassing. Artikel 9d: Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 8a tot en met 9b, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4.

Het college werkt in beleidsregels uit: a. aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen; Zaaknummer: 1045376

b. c. d.

welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren; hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd moet zijn; of hoe de evaluatie van de jobcoaching plaats vindt.

Artikel 9e: Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. Paragraaf 2.3.3: Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 9f: Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Een vervoersvoorziening dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3.

De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 9g: Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. Bijvoorbeeld een spraak- of gebarentolk. 2. Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe het de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit bepaalt. Artikel 9h: Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. Zoals een aangepaste bureaustoel, toetsenbord of koptelefoon. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld.

In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

PARAGRAAF 2.4: TEGENPRESTATIE Zaaknummer: 1045376

Artikel 10: Tegenprestatie 1. Iedere uitkeringsgerechtigde voor wie dit zinvol is heeft een plan van aanpak met hierin opgenomen activiteiten ter bevordering van arbeidsinschakeling, re-integratie of maatschappelijke participatie. 2. Het naar vermogen meewerken aan deze activiteiten zoals genoemd in het eerste lid van dit artikel wordt gezien als tegenprestatie voor de ontvangen uitkering. 3. Indien een plan van aanpak niet van toepassing is wordt geen tegenprestatie opgelegd.

Hoofdstuk 3: Afstemming via verlaging van de uitkering PARAGRAAF 3.1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 11: Het opleggen van een verlaging van de uitkering 1. Het college kan de uitkering overeenkomstig de wet en deze verordening verlagen als een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de PW dan wel de verplichtingen genoemd in deze verordening en/ of de wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, PW en artikel 13, eerste lid, IOAW en IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich zeer ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 24 van deze verordening, 2. Een verlaging van de uitkering is altijd maatwerk en wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin de belanghebbende of diens gezin verkeert.

Artikel 12: Besluit 1. Het besluit tot het opleggen van de verlaging van de uitkering of van de waarschuwing vermeldt in ieder geval: de reden hiervan, de eventuele duur en hoogte van de verlaging als ook de afweging van de individuele omstandigheden zoals bedoeld in deze verordening. 2. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op grond van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee voor recidive. Artikel 13: Afzien van het opleggen van een verlaging 1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 2. Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, dan wordt dit gemotiveerd in het besluit vastgelegd. Artikel 14: Ingangsdatum, tijdvak en recidive 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging van de uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke bijstandsnorm of grondslag. 2.

In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een besluit op een aanvraag of beëindiging, voor zover de uitkering nog niet is Zaaknummer: 1045376

3.

4.

5.

6.

7.

uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering terug tot de ingangsdatum van de uitkering dan wel de datum waarop het verzuim betrekking heeft. Indien een belanghebbende in één maand meerdere afspraken niet nakomt waardoor de uitkering kan worden verlaagd, dan wordt de hoogte en duur van de verlaging vastgesteld op de gedraging waarvoor de hoogste verlaging kan worden opgelegd op grond van de wet of deze verordening. In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. De verlaging wordt vastgesteld voor de duur van één maand, tenzij sprake is van: a. recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld, tenzij in deze verordening of de wet anders is bepaald; b. verwijtbaar gedrag waarvoor in de verordening een afwijkende duur is vastgesteld. Bij de effectuering van de verlaging kan het college gebruik maken van de mogelijkheid om de verlaging te spreiden over drie maanden om daarmee de belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Dit geldt voor alle verlagingen, tenzij er sprake is van recidive.

Als door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of niet volledig kan worden toegepast kan bij een nieuwe aanvraag binnen de termijn van 1 jaar de verlaging of het deel dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd.

Artikel 15: Inkeerbepaling 1. Als een verlaging over meerdere maanden geëffectueerd wordt, kan op verzoek van een belanghebbende de effectuering over de resterende maanden ongedaan worden gemaakt als belanghebbende ondubbelzinnig aantoont alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan niet eerder worden ingediend dan de dag waarop de effectuering van de verlaging start en niet later dan dat de maatregel volledig geëffectueerd is. 3. Indien belanghebbende ondubbelzinnig aantoont alsnog te voldoen aan de verplichting waarvoor een verlaging is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de verlaging vanaf die dag komt te vervallen. Artikel 16: De berekeningsgrondslag van de verlaging 1. De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag. 2. De verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag, dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag, zoals opgenomen in deze verordening. 3. In afwijking van het eerste lid, kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt verleend met toepassing van artikel 12 (onderhoudsplicht ouders) PW; b.

de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft; c. het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten of premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen, die een uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens Bbz of IOAZ. 4. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in artikel 23, eerste lid, van deze verordening, wanneer sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Zaaknummer: 1045376

Artikel 17: Waarschuwing 1. Het college kan bij gedragingen uit de tweede en derde categorie, zoals bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing opleggen, als het college hiertoe in de individuele omstandigheden aanleiding ziet. 2. Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van recidive zoals bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onderdeel a, van deze verordening. Artikel 18: Horen van belanghebbende(n) Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld de eigen zienswijze naar voren te brengen. Hiervan kan worden afgezien als: a. de belanghebbende de zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden; of b. het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. PARAGRAAF 3.2: GEDRAGINGEN EN BIJBEHORENDE VERLAGINGEN Paragraaf 3.2.1: niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en overige verplichtingen Artikel 19: Gedragingen PW Gedragingen van een belanghebbende die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren of waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 tweede lid, 18, 55 en 56a van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

1. eerste categorie: a. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie; c. het niet of voldoende meewerken aan een re-integratietraject; d. het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na melding voor jongeren tot 27 jaar 2. tweede categorie: a. het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 9a, eerste lid, PW bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekking van de ontheffing van de arbeidsplicht; b. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; c. het niet nakomen van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 17 tweede lid of het niet nakomen van een nadere verplichting op basis van artikel 55 PW. d. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b, tweede lid, PW, waarvoor belanghebbende een schriftelijke uitnodiging heeft ontvangen. 3. derde categorie: a. het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het financieel ontzorgen.

Zaaknummer: 1045376

b. het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; Artikel 20: Gedragingen IOAW en IOAZ 1. Het college maakt geen gebruik van de wettelijke bevoegdheid om de IOAW- of IOAZuitkering blijvend of tijdelijk te weigeren. In plaats daarvan kunnen deze uitkeringen op grond van deze verordening verlaagd worden. 2. Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 2. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid tijdens de uitkering; 3. het weigeren van een passend re-integratie aanbod; 4. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie; 5. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. b. tweede categorie: 1.

het niet naar vermogen meewerken aan een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet naar vermogen deelnemen aan taalwervingslessen voor mensen die onvoldoende de Nederlandse taal beheersen; 2. het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht; 3. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren. c. derde categorie: 1. het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; Artikel 21: Hoogte en duur van de verlaging en waarschuwing 1. De verlaging bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening, wordt vastgesteld op: 1. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie; 2. 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie; 3. 5% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de derde categorie. 2. Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, PW, niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. 3.

Het college kan op basis van dringende individuele omstandigheden besluiten om het percentage, zoals genoemd in het eerste lid, onder a, en het tweede lid van dit artikel te halveren. 4. Het college kan bij gedragingen uit de tweede en derde categorie, zoals bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing opleggen, als het college hiertoe in de individuele omstandigheden aanleiding ziet. 5. Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van recidive zoals bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onderdeel a, van deze verordening. 6. De duur van de verlaging als bedoeld in lid 1 en lid 2 van deze bepaling wordt verdubbeld indien er sprake is van recidive (ofwel herhaling van het gedrag). Indien sprake is van herhaalde recidive (ofwel opnieuw herhaling van het gedrag) wordt de verlaging vastgesteld op drie maanden. Zaaknummer: 1045376

Paragraaf 3.2.3: Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 23: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in artikel 23, 24 en 26 van deze verordening dan wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2. Indien sprake is van verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening, wordt een verlaging toegepast gedurende één maand met inachtneming van het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel. 3. De verlaging als bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld op de hoogte van de netto voorliggende voorziening, met een maximum van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag. 4. Het verwijtbaar verlies zoals bedoeld in het tweede de lid wordt in beginsel berekend op basis van de hoogte van de voorliggende voorziening, gedurende de laatste gehele maand. 5. Bij versneld interen van vermogen waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Deze bepaling geldt alleen voor de PW. 6.

Indien toepassing van het vijfde lid leidt tot onbillijkheden, dan wordt toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onderdeel b, PW en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder, dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn. 7. Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor (bijzondere) bijstand geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend is voor het soort kosten waarvoor (bijzondere ) bijstand wordt aangevraagd en het beroep op de voorliggende voorziening is niet meer mogelijk dan kan de bijzondere bijstand worden verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien. Artikel 24: Zeer ernstige misdragingen 1. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen en instanties, die zijn belast met de uitvoering van de PW, als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de PW, kan de uitkering worden verlaagd. 2. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ of Bbz, kan de uitkering worden verlaagd. 3. Het agressieprotocol treedt in werking in geval van een zeer ernstige misdraging. 4. Het college legt een verlaging op van 100% gedurende één maand. 5.

Bij recidive legt het college een verlaging op van 100% gedurende drie maanden. 6. Bij een nieuwe aanvraag in het kader van de PW, IOAW, IOAZ en Bbz kan een verlaging worden geëffectueerd indien er het jaar voorafgaand aan de aanvraag als de belanghebbende zich het jaar voor aanvraag ernstig heeft misdragen tegenover personen en instanties die belast zijn met de uitvoering van eerdergenoemde regelingen. Artikel 25: Verlaging versus boete Wet inburgering 2021 1. Indien het college voor dezelfde gedraging een boete op grond van de Wet inburgering 2021 kan opleggen en de bijstand op grond van artikel 18 PW kan verlagen, dan kiest het college ervoor een boete op te leggen en de bijstand niet te verlagen. 2. Het college kan de opgelegde boete op grond van de Wet inburgering 2021 verrekenen met de uitkering op grond van de PW.

Zaaknummer: 1045376

Hoofdstuk 4: Handhaving en bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik Artikel 26: Hoogwaardig handhaven 1. Het voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar het landelijk model voor hoogwaardig handhaven. 2. Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot hoogwaardig handhaven waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt geregeld: a. de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik; b. de wijze van verificatie van gegevens en van informatie uitwisseling met derden; c. de wijze waarop controles worden uitgevoerd; d. de wijze waarop oneigenlijk gebruik en misbruik wordt opgespoord en afgehandeld. Artikel 27: Bevorderen rechtmatigheid 1. Het college beoordeelt de rechtmatigheid van de uitkeringen op basis van de informatie uit landelijke systemen en de overgelegde gegevens. 2. Bij twijfel doet het college nader onderzoek en kan daarbij gebruikmaken van diverse onderzoeksmiddelen, opgenomen in beleidsregels. Bij het gebruik van deze middelen hanteert het college de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Artikel 28: Aangifte bij het Openbaar Ministerie Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van de gemeente, kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude.

Artikel 29: Terugvorderen vastgestelde benadelingsbedragen Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot herziening, terug- en invordering waarbij tenminste wordt geregeld: a. op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van een verstrekte voorziening; b. op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering, dan wel van invordering kan worden afgezien; c. met welke frequentie heronderzoeken moeten plaatsvinden. Artikel 30: Verhaal Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot verhaal op de onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld: a. op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot verhaal; b. wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van een verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen voorziening; c. met welke frequentie verhaalsonderzoeken moeten plaatsvinden. Hoofdstuk 5: Slotbepalingen Artikel 31: Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Zaaknummer: 1045376

Artikel 32: Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2023'. Artikel 33: Inwerkingtreding De verordening treedt in werking de dag na publicatie en werkt terug tot en met datum 1 juli 2023 Artikel 34: Intrekking oude verordening De volgende verordening wordt ingetrokken: 1. 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2022'

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 20 november 2023 DE RAAD VOORNOEMD, de griffier,

de voorzitter,

S. van Dijk

D.A. Alssema

Zaaknummer: 1045376

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13333900/2