raadsvoorstel geurgebiedsvisie Gilze en Rijen
Tekst van het document
RAADSVOORSTEL Commissie Ruimte Raadsvergadering: Behandelend medewerker: Cluster: Afdeling
5 juli 2022 18 juli 2022 Toon van den Wijngaard Ruimtelijke Ordening Ruimtelijke Ontwikkeling
Agendapunt: Portefeuillehouder: Programma:
Wethouder Machielsen Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing
Voorstel tot vaststellen van de Geurgebiedsvisie, de Verordening geurhinder en veehouderij Gilze en Rijen 2022 en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Gilze en Rijen 2022.
1. Voorgesteld besluit 1. De Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij vast te stellen 2. De Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Gilze en Rijen 2022 vast te stellen 3. De Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen geurhinder gemeente Gilze en Rijen 2022 vast te stellen 2. Eerdere besluitvorming Niet van toepassing 3. Samenvatting Met deze Geurgebiedsvisie, Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen geurhinder willen we meer perspectief bieden aan gestopte en nog te stoppen boeren én voor de boeren die doorgaan. Ook is deze visie bedoeld om afwegingen te maken bij ruimtelijke initiatieven in het buitengebied en de kernrandzones.
Voorstel 4. Inleiding Met deze geurgebiedsvisie wordt voorgesteld om gebiedsgericht kaders vast te stellen voor het aspect geur vanuit stallen om te komen tot het gewenste woon- en leefklimaat voor zo’n gebied. Dit gaat dan om de geurbelasting van veehouderijen ten opzichte van woningen in de directe omgeving. Ook kan dan beoordeeld worden of een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling of functieverandering kan leiden tot aantasting van bestaande rechten van veehouderijen in de omgeving. Met de geurgebiedsvisie en de geurverordening en beleidsregel die hieruit voortkomen is het mogelijk om meer balans te brengen tussen enerzijds de actieve agrarische functies en de overige functies. We willen hierbij nog opmerken dat het hiermee niet mogelijk is om direct emissies van o.a. ammoniak, stikstof, fijnstof en/of zoönose te reguleren. De gemeente kan geen eisen stellen aan de uitstoot van deze stoffen. De regelgeving voor uitstoot van ammoniak en stikstof ziet op de bescherming van natuurgebieden (Natura 2000) en hiervoor zijn de Rijksoverheid en de Provincie het bevoegd gezag. Voor fijnstof en zoönose geldt dat de Rijksoverheid hiervoor het bevoegd gezag is.
Zaaknummer: 399014
Met het oog op het in werking treden van de Omgevingswet zijn de vast te stellen Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder direct inpasbaar in het op te stellen Omgevingsplan. Ook zijn de beleidsregels die uw raad nu vaststelt ook nog van toepassing in de periode tussen het in werking treden van de Omgevingswet en het op te stellen Omgevingsplan. 5. Argumenten Hoe is het op dit moment geregeld? De gemeente Gilze en Rijen maakt momenteel rechtstreeks gebruik van de Wet geurhinder en veehouderij uit 2007. Met deze Wet gelden geurnormen voor de bebouwde kom en het buitengebied. Voor de bebouwde kom geldt een geurnorm van 3 Ou en voor het buitengebied geldt een geurnorm van 14 Ou. De Wet geurhinder en veehouderij maakt het met artikel 6 mogelijk dat de raad met een Verordening gebiedsgericht andere geurnormen vaststelt dan in deze Wet staat. Met deze geurgebiedsvisie en de hieruit voortkomende Verordening geurhinder en veehouderij willen we dit gebiedsgericht doen. Verder wordt een beleidsregel voorgesteld om gebiedsgericht normen te stellen voor het woon- en leefklimaat. Een dergelijke beleidsregel heeft de gemeente momenteel niet en wordt gemist bij functiewijzigingen in het buitengebied.
Hoe ziet de gebiedsgerichte aanpak er uit en wat willen we bereiken? We willen gebiedsgericht perspectief bieden voor de verschillende (niet) agrarische functies in het buitengebied. Hierbij leggen we per deelgebied vast welke mate van geurbelasting acceptabel is om te spreken van een acceptabel woon- en leefklimaat. Zo weten bewoners en gebruikers van het buitengebied waar ze aan toe zijn als ze een initiatief hebben voor functiewijziging. Dit geldt vooral bij verzoeken tot functiewijziging van stoppende of gestopte veehouderijen, maar ook voor initiatieven van veehouderijen die verder willen ontwikkelen. Voor de gebiedsindeling is als uitgangspunt de aanwezigheid van woningen en veehouderijen genomen in een bepaald gebied. Onderstaand schema geeft aan welke vier gebiedstyperingen leidend zijn:
Zaaknummer: 399014
Op basis van deze gebiedstyperingen is een vertaalslag gemaakt naar vier deelgebieden, namelijk de deelgebieden A, B, C en D. (zie de tabel hieronder). Hierbij is rekening gehouden met het onderscheid tussen bebouwde kom en buitengebied, en de gebieden die de provincie hanteert voor de ontwikkeling van veehouderijen. Deelgebied A is de bebouwde kom en de deelgebieden B, C en D zijn gelegen buiten de bebouwde kom, danwel het buitengebied. Zie hiervoor ook onderstaand schema met aansluitend de argumenten voor de voorgestelde normen. Hierbij is de eenheid “Ou” de geurconcentratie die wordt uitgedrukt in ouE/m3. Het percentage dat in deze tabel wordt genoemd is het percentage geurgehinderden. Een hinderpercentage van bijvoorbeeld 12% betekent dat in een bepaald gebied 12 % van de inwoners geurhinder kan ondervinden.
Welke normen stellen we voor en welke argumenten horen hierbij? Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van één veehouderij op een geurgevoelig object. Dit is in de meeste gevallen een (burger)woning in het buitengebied. Deelgebied A is de bebouwde kom. Hier wordt aangesloten bij de voorgrondgeurnorm die geldt volgens de Wet geurhinder en veehouderij. Die bedraagt in deze wet 3 Ou en 8 % geurgehinderden in de bebouwde kom. Deelgebied B zijn de kernrandzones zoals die ook wordt gehanteerd door de provincie met de Zone Beperking Veehouderij rond kernen. Hier dient terughoudend omgegaan te worden met de ontwikkeling/uitbreiding van veehouderijen. Ook de toename van geurbelasting moet worden voorkomen, dan wel is een afname van de geurbelasting gewenst. Voorgesteld wordt daarom om voor deelgebied B een voorgrondnorm van 5 Ou vast te stellen. De huidige (wettelijke) norm is 14 Ou. Ook voor deelgebied C geldt dat deze door de provincie wordt aangemerkt als Zone Beperking Veehouderij. Deze gebieden liggen verderaf van de kernen en grenzen bijna overal aan deelgebied D. Voor deelgebied C wordt een voorgrondnorm van 8 Ou voorgesteld. Deze sluit aan bij de wettelijke norm voor het buitengebied in ‘niet concentratiegebieden’. Vanwege de beperkingen die vanuit de provinciale regels voor deze gebieden gelden achten we deze norm passend voor deze gebieden.
Zaaknummer: 399014
De deelgebieden D zijn de voormalige ‘landbouwontwikkelingsgebieden’ en de overige buitengebieden die als agrarisch kerngebied aangemerkt kunnen worden. In deze gebieden is het grootste gedeelte van de huidige veehouderijen gevestigd en aannemelijk is dat in deze gebieden de veehouderijen de komende jaren zullen blijven bestaan. Volgens de Wet geurhinder en veehouderij is in deze gebieden de voorgrondnorm 14 Ou. Voorgesteld wordt om in de deelgebieden D een voorgrondnorm van 10 Ou vast te stellen. De volgende argumenten liggen hieraan ten grondslag: 1. De provincie gaat in de (interim)omgevingsverordening uit van het maximaal hinderpercentage van 20%. Dit is de grens voor de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) van veehouderijen. Voorgesteld wordt om 20% geurgehinderden ook te gaan hanteren voor de voorgrondbelasting. Het geurhinderpercentage van 20% komt overeen met 10 Ou voorgrondbelasting. 14 Ou voorgrond komt overeen met 25% geurgehinderden. 2. Veehouderijen die willen ontwikkelen/uitbreiden hebben meestal te maken met ruimtelijke aspecten om een dergelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Vanwege de rechtstreeks werkende regels in de provinciale verordening hebben deze veehouderijen ook direct met deze regels te maken. Concreet betekent dit dat een voorgrondnorm van 10 Ou geldt. Dit betekent tegelijkertijd dat de huidige 14 Ou sowieso niet benut kan worden. 3.
Veehouderijen in de deelgebieden D die zorgen voor een overbelaste situatie zitten niet ‘op slot’. Deze veehouderijen moeten bij een ontwikkeling sowieso maatregelen nemen om de overbelaste situatie terug te brengen. Dit kan door het toepassen van emissiearme stallen, emissiearme technieken en/of aanpassing van geuremissiepunten. Overigens is deze voorgrondnorm van 10 Ou niet van toepassing op voormalige (bedrijfs)woningen van veehouderijen (vab’s). Dan geldt alleen een vaste afstand van 50 meter. IV-bedrijven worden dus niet geraakt bij een norm van 10 Ou als het gaat om bescherming van voormalige (bedrijfs)woningen bij vab-locaties.
Zaaknummer: 399014
In de afbeelding hier onder is de begrenzing van de gebieden A tot en met D verbeeld:
Zaaknummer: 399014
Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen op een voor geur gevoelig object. De achtergrondbelasting is van toepassing op de effecten van geurhinder uit stallen van veehouderijen op het woon- en leefklimaat in een gebied. Ontwikkelingen in het buitengebied die zien op nieuwe functies moeten getoetst worden aan de cumulatieve geurbelasting. Deze achtergrondbelasting is van belang bij ruimtelijke procedures zoals bestemmingsplannen/omgevingsplannen. Hiermee wordt vastgelegd welk niveau van cumulatieve geurhinder acceptabel is. Dit wordt ook wel het woon- en leefklimaat genoemd. Momenteel missen we een duidelijk beleidskader voor de toetsing van het woon- en leefklimaat in relatie tot initiatieven in het buitengebied. Het voorstel is om voor de toetsing van het woon- en leefklimaat uit te gaan van: Woningen die worden aangemerkt als een voor geurhinder gevoelig object. Het voorstel is om voor deze woningen in de deelgebieden A, B, C en D respectievelijk 10 Ou, 13 Ou, 20 Ou en 20 Ou als bovengrens voor de achtergrondbelasting vast te stellen. Woningen bij een voormalige veehouderij en nieuwe woningen op een locatie van een voormalige veehouderij (vab’s), ruimte voor ruimte woning op een kavel van een voormalige veehouderij.
Omdat het hier gaat om vab-woningen is het voorstel dat een soepelere achtergrondbelasting van 28 Ou in met name deelgebied D acceptabel is. Hieronder een overzicht van de voorgestelde achtergrondnormen in de vier deelgebieden:
Raadplegen stakeholders en mogelijkheden voor inspraak Bij de voorbereiding en opstellen van deze visie hebben we overleg gevoerd met ZLTO BaarleNassau, GGD en Natuurvereniging Mark en Leij. Ook hebben we de provincie Noord-Brabant geconsulteerd. Voor de inspraak hebben de stukken gedurende zes weken ter inzage gelegen en tijdens deze periode is de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen. De GGD heeft een zienswijze ingediend. Ook hebben we een zienswijze ontvangen van Natuurplein de Baronie. Deze organisatie werkt samen met Natuurvereniging Mark en Leij. Totaal zijn drie zienswijzen ontvangen en we hebben een reactie ontvangen van de provincie NoordBrabant. We hebben alle zienswijzen samengevat en beoordeeld in de Nota van zienswijzen die als bijlage onderdeel uitmaakt van dit voorstel. Zaaknummer: 399014
De algehele conclusie is dat dat de zienswijzen geen aanleiding geven om de normen die gesteld worden in de Verordening en de Beleidsregel aan te passen. Wel geeft de zienswijze van Van Dun Advies aanleiding om paragraaf 6.3 van de geurgebiedsvisie aan te passen. Dit is zienswijze 3.3 in de Nota van zienswijzen en die gaat over de criteria die in de visie gesteld worden voor plattelandswoningen. Als gevolg van deze zienswijze wordt met de Nota van zienswijze voorgesteld om het criterium van ‘minimale afstand van 25 meter tussen plattelandswoning en stallen’ aan te passen naar ‘minimale afstand van 25 meter tussen bedrijfswoning en dichtstbijzijnde emissiepunt van de stallen’. Hiermee wordt beter aangesloten bij de praktijk. Voor het bepalen van de geurbelasting is bij mechanisch geventileerde stallen immers het dichtstbijgelegen emissiepunt bepalend en deze liggen over het algemeen verder van de (plattelands)woning dan de gevel van de stal. Ook geeft de zienswijze van de GGD aanleiding om een tekstuele correctie van paragraaf 3.5.1 van de visie door te voeren. In deze paragraaf stond dat de gezondheidskundige advieswaarde voor fijnstof (PM10) 25μg/m3 bedraagt. Dit moet zijn 15 μg/m3. Tenslotte geeft de reactie van de provincie aanleiding om paragraaf 2.1.2 van de visie aan te passen.
In deze paragraaf staat dat 1 januari 2025 genoemd als beëindigingsdatum voor nertsenhouderijen. Deze datum is vervroegd waardoor alle nertsenhouderijen al op 21 maart 2021 moesten zijn beëindigd. Zienswijze 4.1 van de Nota van zienswijzen gaat hier op in. Overigens is dit niet direct van toepassing op onze gemeente omdat er in onze gemeente geen nertsenhouderijen aanwezig waren. Voor een volledig overzicht van de zienswijzen en de beoordeling hiervan verwijzen we u naar de bijgevoegde Nota van zienswijzen die het college op 17 mei 2022 heeft vastgesteld. 6. Risico’s en kanttekeningen Er staat tegen het vaststellen van de Geurgebiedsvisie, de Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder geen bezwaar/beroep open. Wel kan te zijner tijd bezwaar worden gemaakt tegen verleende vergunningen waarin dit geurbeleid wordt toegepast. 7. Alternatieven Met dit instrumentarium en de hierbij behorende geurnormen beogen we op het gebied van geur vanuit agrarische stallen om meer balans te creëren tussen agrarische bedrijvigheid en overige functies in het buitengebied. Een alternatief is om hiervoor andere normen vast te stellen. Het college is van mening dat met deze normen op langere termijn ruimte blijft bestaan voor agrarische bedrijven, met een woon- en leefklimaat dat acceptabel is voor de desbetreffende deelgebieden. 8.
Lasten, baten en dekking Deze geurgebiedsvisie is opgesteld door het adviesbureau Pouderoyen Tonnaer. De lasten hiervan waren opgenomen in de begroting 2022. Inmiddels is de opdracht van Pouderoyen Tonnaer afgerond en zijn de kosten conform de opdracht betaald. 9. Duurzaamheid en inclusie Duurzaamheid en Inclusie hebben geen directe relatie met dit dossier.
Zaaknummer: 399014
10. Relatie tot ABG-Organisatie Voor de gemeenten Alphen-Chaam en Baarle-Nassau is deze visie ook opgesteld met dezelfde geurnormen. In Alphen-Chaam zijn de stukken op 21 april 2022 vastgesteld. In Baarle-Nassau is vaststelling door de raad voorzien op 29 juni 2022. 11. Communicatie en vorm van participatie Zie hierboven onder “Raadplegen stakeholders en mogelijkheden voor inspraak” 12. Vervolg Indien uw raad instemt met dit voorstel zullen de “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Gilze en Rijen 2022” en de “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Gilze en Rijen 2022” gepubliceerd worden. Deze treden dan één dag na publicatie in werking. Tegen het vaststellen van de Geurgebiedsvisie, de Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen geurhinder staat geen bezwaar/beroep open.
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN GILZE EN RIJEN R.M. (René) Wiersema D.A. (Derk) Alssema secretaris burgemeester
Bijlage(n) : - Nota van Zienswijzen - Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij - Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Gilze en Rijen 2022 - Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Gilze en Rijen 2022
Zaaknummer: 399014
Agendapunt Vergadering d.d. 18 juli 2022 DE RAAD VAN DE GEMEENTE GILZE EN RIJEN; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders nr. 399014;
besluit: 1. De Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij vast te stellen. 2. De Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Gilze en Rijen 2022 vast te stellen. 3. De Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen geurhinder gemeente Gilze en Rijen 2022 vast te stellen.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 juli 2022 DE RAAD VOORNOEMD, de griffier,
de voorzitter,
S. van Dijk
D.A. Alssema
Zaaknummer: 399014