CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

ONBP Hoofdstraat 23 Rijen (2022 06 03)

Raadscommissie Ruimte 27 september 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Hoofdstraat 23, Rijen26.367 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|29 In de omgeving van het plangebied komen de volgende bedrijven voor: Locatie

Aard bedrijvigheid

Milieu categorie

Richtafstand

Afstand

Hoofdstraat 19A

Zonnestudio

1

0m

36 m

Hoofdstraat 21

Mini supermarkt/ tattooshop/ kantoor

1

0m

0m

Hoofdstraat 25

Pizzeria

1

0m

0m

Hoofdstraat 27

Makelaardij

1

0m

28 m

Hoofdstraat 32

Gereedschapservice/monteur

1

0m

20 m

Hoofdstraat 40

Opleidingscentrum

1

0m

12 m

Hoofdstraat 48

Kapsalon

1

0m

50 m

Met de ontwikkeling wordt voldaan aan de vereiste richtafstanden tot de omliggende bedrijven en inrichtingen. De omliggende bedrijven worden niet in hun mogelijkheid beperkt en er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3

Bodemkwaliteit

Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkeling zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is, moet ten minste een verkennend bodemonderzoek verricht worden. Onderzoek Een bodemonderzoek is bij het voorliggend planvoornemen niet benodigd, aangezien geen bodemingrepen plaatsvinden en de bestaande bebouwing wordt gebruikt. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|30

5.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs).

Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|31 Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van Nederland.

Uitsnede Risicokaart Nederland

Inrichtingen Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. De dichtstbijzijnde inrichting ligt op circa 240 meter van het plangebied en betreft een gasdrukregel- en meetstation (Mimosalaan 22). De inrichting heeft geen PR 10-6 contour. Op basis van het Barim (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) heeft de inrichting een veiligheidsafstand van 25 meter. De woning ligt ruimschoots buiten deze contour. Derhalve vormt de inrichting geen belemmering voor het planvoornemen. Transport over wegen In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen wegen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid. Transport over water In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|32 Transport over spoor De spoorlijn Breda-Tilburg bevindt zich op circa 520 meter afstand van het plangebied. Over deze spoorlijn vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Voor de spoorlijn geldt een PR 10-6 contour van maximaal 8 meter. Hierbinnen zijn geen kwetsbare objecten toegestaan en beperkt kwetsbare objecten alleen onder zwaarwegende belangen. Het plangebied ligt hier ver buiten. Wat betreft het groepsrisico zal er geen significante verandering plaatsvinden. De beoogde functie trekt een kleiner aantal personen aan ten opzichte van de huidige situatie. Transport per buis Op circa 640 meter afstand van het plangebied ligt een aardgasleiding van de Gasunie. Op grond van de circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen kunnen transportroutes op meer dan 200 meter van het plangebied buiten beschouwing blijven. Binnen een afstand van 200 meter van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen per buis plaats. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Geluid

Wet geluidhinder Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveau als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij het vaststellen van geluidbelasting voor geluidsgevoelige functies zoals ‘wonen’ dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of voor de weg een maximum snelheidsregime geldt van 30 km/ uur. Op basis van de Wro is het noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er moet voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek In het kader van de transformatie van Hoofdstraat 23 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, naar de functie ‘wonen’, is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|33 Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Hoofdstraat en spoorlijn Breda-Tilburg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Pastoor Gillisstraat en Tuinstraat opgenomen in het akoestisch onderzoek. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Wet geluidhinder Hoofdstraat De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Hoofdstraat is maximaal 63 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh). Bij de gemeente Gilze en Rijen kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het de transformatie van een bestaand pand, kantoor naar woning, betreft. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op € 30.000,- (100 meter * 6 meter * € 50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Het betreft een enkele woning waar in eerste instantie geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden en de voorkeursgrenswaarde kan hiermee niet bereikt worden.

Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Het gebouw beschikt over ten minste één geluidluwe gevel. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie geen eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Er dient te worden voldaan aan het rechtens verkregen niveau. Uit het oogpunt van gezondheid en comfort is het wel aan te bevelen maatregelen aan de gevel te treffen. Voor het vaststellen van de hiervoor benodigde gevelgeluidwering is aansluiting gezocht bij de streefbinnenwaarde van 38 dB bij saneringsprojecten conform het Besluit Geluidhinder. Spoorlijn Breda-Tilburg De gevelbelasting bedraagt maximaal 55 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt niet overschreden. In het kader van de Wet geluidhinder wordt vanwege railverkeerslawaai geen restricties aan het onderzochte bouwplan opgelegd. Niet gezoneerde wegen Er is sprake van een 30 km/uur zone, waardoor bij onderstaande wegen (Pastoor Gillisstraat en Tuinstraat) niet getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de wegen wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|34 Pastoor Gillisstraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 55 dB (excl. aftrek artikel 110g Wgh). Zou de aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 50 dB, waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen als getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat er geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg te worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Tuinstraat De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 45 dB (excl. aftrek artikel 110g Wgh). Zou de aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 40 dB, waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op waarneempunt 6, 54 dB betreft ten gevolge van de Pastoor Gillisstraat.

Gezien de stenen schutting die langs de Pastoor Gillisstraat aanwezig is, en het feit dat op waarneempunt 6 enkel sprake is van een toetspunt op 1,5 meter hoogte, wordt verwacht dat dit zal resulteren in een reductie van minimaal 1 dB, waardoor gesteld kan worden dat de geluidbelasting maximaal 53 dB is. Indien er sprake is van een geluidbelasting van 53 dB, kan de gevel worden aangemerkt als een geluidluwe gevel, waardoor het woon- en leefklimaat sterk wordt verbeterd. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat plaatselijk de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder zal worden overschreden. Op basis van het gemeentelijk beleid kan een beschikking hogere waarde worden verleend. Bij de gemeente Gilze en Rijen dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend. Het definitief besluit voor hogere waarde wordt samen met dit bestemmingsplan vastgesteld.

5.6

Luchtkwaliteit

Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit in het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|35 Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3 40 μg/m3 20 μg/m3

Daarnaast voorziet de Wet luchtkwaliteit in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2021) ter plaatse gelegen onder de 10 μg/m3, is de concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2021) ter plaatse gelegen onder de 18 μg/m3 en is de concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2021) ter plaatse gelegen tussen de 10 en 15 μg/m3.

Op basis van de kaarten van het RIVM 2021 is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Luchtkwaliteit t.b.v. het aantal verkeersbewegingen Het planvoornemen maakt de transformatie van een monumentaal pand naar één woning mogelijk. Daarmee ligt het planvoornemen ver onder de gestelde grens van 1.500 woningen. De realisatie van één woning draagt dan ook ‘niet in betekende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Natuurwetgeving

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|36 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •

Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken;

•

Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

•

Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

•

Alle Natura 2000-gebieden.

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Onderzoek Het planvoornemen betreft een functiewijziging van een monumentaal pand naar de functie ‘wonen’, waarbij geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Momenteel is het plangebied in gebruik voor dienstverlening met bijbehorend parkeerplaats.

Gezien het enkel een functiewijziging betreft, wordt een quickscan natuurwetgeving niet noodzakelijk geacht. Indien er wel aanpassingen aan de gevel of het dak plaatsvinden, dient er een quickscan natuurwetgeving te worden uitgevoerd.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|37 Stikstof Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Met de inwerkingtreding van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op lokale effecten te toetsen. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Natura 2000 Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het Ulvenhoutse Bos. De afstand tot het Natura 2000-gebied bedraagt circa 7,8 kilometer. Het Ulvenhoutse Bos heeft ten minste één stikstofgevoelige habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Andere Natura 2000-gebieden zijn op een afstand van meer dan 10 kilometer gelegen. Ter plaatse wordt de functie ‘dienstverlening’ beëindigd. Hierdoor neemt het aantal verkeersbewegingen ter plaatse af (zie paragraaf 3.2) en daarmee ook het effect op de Natura 2000gebieden.

Gezien de afstand tot het plangebied, het gebruik van het tussenliggende gebied en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, zijn geen negatieve effecten te verwachten op het Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (of ligt er tegen aan). Gezien de relatief grote afstand tot het plangebied, het gebruik van het tussenliggende gebied en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, zijn geen negatieve effecten te verwachten op het Natuurnetwerk Brabant. Omdat er geen negatieve effecten te verwachten zijn, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciaal natuurbeleid. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8

Water

Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|38 Nationaal Water programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022-2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Men werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Regionaal Water en Bodemprogramma Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) van de provincie Noord-Brabant in werking getreden. Veilig, schoon en voldoende water en een gezonde bodem zijn de streefdoelen van het programma. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaatrobuust water- en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland. Waterbeheerprogramma 2021-2027 (Waterschap Brabantse Delta) In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.

In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in de periode 2022-2027 uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het Waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma hebben we aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd. Maar ook met trends en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regelgeving van de Keur het volgende opgenomen: •

Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid.

•

Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m 2 maar minder dan 10.000 m2 moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m2).

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|39 Uitgangspunten gemeente Gilze en Rijen Op basis van de voorgeschreven wettelijke taken, de regionale en gemeentelijke visie in de afvalwaterketen en de gemeentelijke ambitie zijn drie hoofddoelen omschreven. •

Het duurzaam beschermen van de volksgezondheid;

•

Het op peil houden van de kwaliteit van de leefomgeving;

•

Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater).

De drie algemene hoofddoelen zijn verder uitgewerkt in zeven thematische doelen: 1. Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; 2. Doelmatig inzamelen en verwerken van hemelwater (daar waar de perceelseigenaar redelijkerwijs niet in staat is dit zelf te doen); 3. Voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel nadelig beïnvloedt; 4. Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord); 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering; 6. Zo mogelijk infiltratie van regenwater in de bodem; 7. Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem en grondwater zoveel mogelijk voorkomen. Het beleid is erop gericht een versnelde of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen door infiltratie of retentie. Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar, daar ligt immers de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt hydrologisch neutraal ontwikkelen tot t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dat komt overeen met retentie van 60 mm. Voor verbouwingen zonder vergroting van het verhard oppervlak eist de gemeente een retentie van 7 mm per vierkante meter. Situatie

Retentie/infiltratie

Bestaande situaties

Geen aanvullende retentie van hemelwater

Verbouwing zonder vergroting van verhard oppervlak

Retentie van 7 mm hemelwater, van toepassing op het gehele perceel

Verbouwing met vergroting van verhard oppervlak

Retentie van 60 mm hemelwater, enkel van toepassing op het extra verhard oppervlak

Nieuwbouw

Retentie van 60 mm hemelwater, van toepassing op het gehele perceel

Het uitgangspunt is dat perceeleigenaren redelijkerwijs trachten te voldoen aan de retentienormen voor hemelwater. Als dat niet eenvoudig lukt, wordt samen met de gemeente gezocht naar de meest geschikte oplossing, conform de voorkeursvolgorde (infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied, berging in bestaand watersysteem). Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. Het planvoornemen betreft een functiewijziging van een monumentaal pand naar de bestemming ‘Wonen’, waarbij geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Momenteel is het plangebied in gebruik voor dienstverlening met bijbehorend parkeerplaats.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|40 Bestaande situatie Het plangebied ligt in het centrum van Rijen, gemeente Gilze en Rijen. In het plangebied is een monumentaal pand met aanbouw en een garage aanwezig. Het terrein is geheel verhard en heeft een oppervlakte van 680 m2. Hemelwater Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een verhard erf met bestaande bebouwing. De afvoer van neerslag, afkomstig van de huidige daken, verloopt op traditionele wijze door lozing op het rioolstelsel. Afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het waterschap Brabantse Delta. Binnen of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen. Toekomstige situatie Afkoppelen hemelwater Onderhavig planvoornemen betreft een functiewijziging van een monumentaal pand naar de functie ‘wonen’, waarbij geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Derhalve kan gesteld worden dat het aandeel verhard oppervlak gelijk blijft. Compenserende maatregelen op basis van het beleid van het waterschap en de gemeente is daarmee niet noodzakelijk. Indien de functiewijziging een verbouwing met zich meebrengt, zonder dat het verhard oppervlak toeneemt, dient er een retentie van 7 mm/m² hwa te worden gerealiseerd. Afvalwater De bebouwing blijft aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Kabels en leidingen

Op of in de directe nabijheid van de locatie zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, welke de realisatie van de boogde ontwikkeling kunnen belemmeren. Bovendien worden geen bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd, waardoor onderzoek niet noodzakelijk is.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|41

5.10

Vliegbasis Gilze-Rijen

Het plangebied is gelegen binnen één luchtverkeerszone van de vliegbasis Gilze-Rijen, waardoor een hoogtebeperking is opgelegd voor aanvliegroutes. In het bestemmingsplan “Centrumgebied Rijen” van de gemeente Gilze en Rijen is op de locatie de gebiedsaanduiding ‘overig- ihcs – 1’ opgenomen. Binnen de aanduiding ‘overig - ihcs – 1’ is de hoogtebeperking vastgesteld op 56 meter boven NAP. De gewenste ontwikkeling ligt ver beneden deze hoogte, de vliegbasis zorgt daarmee niet voor beperkingen. Conclusie Vliegbasis Gilze-Rijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|42

6.

JURIDISCHE REGELGEVING

6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.

6.2

Systematiek van de regels

De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP2012 en IMRO 2012) vastgelegd welke kleuren, lijnen, symbolen e.d. toegepast worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de bestemmingen nader toegelicht. Hieronder wordt een toelichting gegeven op welke wijze een en ander in de regels is vastgelegd. De regels zijn als volgt ingedeeld: Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten. Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: •

Bestemmingsomschrijving;

•

Bouwregels;

•

Eventuele nadere eisen;

•

Eventuele afwijking van de bouwregels;

•

Eventuele specifieke gebruiksregels;

•

Eventuele afwijking van de gebruiksregels;

•

Eventuele wijzigingsregels.

Hoofdstuk 3: Algemene regels: Dit hoofdstuk bevat de regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: •

Anti-dubbeltelregeling;

•

Algemene bouwregels;

•

Algemene aanduidingsregels;

•

Algemene afwijkingsregels;

•

Algemene gebruiksregels;

•

Algemene wijzigingsregels;

•

Algemene procedureregels.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|43 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: •

Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven staan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en het opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven;

•

Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.

6.3

Beschrijving van de bestemmingen

Artikel 3 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: de afzonderlijke huisvesting van huishoudens of daarmee vergelijkbare economische eenheden van een of meer personen in vrijstaande, halfvrijstaande, aaneengebouwde eengezinshuizen en gestapelde woningen, al dan niet in samenhang daarmee aan-huis-verbonden-beroepen, tuinen en erven, rijksmonument ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – rijksmonument’ en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en uitritten. Artikel 4 Waarde – Archeologie - 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|44

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkelingen betreffen een particulier initiatief en bevinden zich op particulier terrein. Daarnaast wordt een planschadeovereenkomst vóór de terinzagelegging van dit ontwerpbestemmingsplan afgesloten met de initiatiefnemer.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Op basis van de gemeentelijke beleidsnota ‘Omgevingsdialoog bij Ruimtelijke plannen’ is door de initiatiefnemers een omgevingsdialoog uitgevoerd. Initiatiefnemers hebben middels een brief de omwonenden geïnformeerd en gevraagd om een reactie. Middels de reacties is gebleken dat er geen bezwaren naar voren zijn gekomen tegen de bestemmingswijziging naar wonen. De reacties hebben niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. De namen zijn bekend bij de gemeente. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het voorontwerp-bestemmingsplan voorgelegd aan de vooroverlegpartners: de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap Brabantse Delta. PM Ontwerp Na de instemming van het college van burgemeester en wethouders op het ontwerpbestemmingsplan is het ontwerp 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad zienswijze in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. PM Vaststelling Na vaststelling wordt het plan, samen met het besluit tot vaststelling hiervan, opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen.

Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

REGELS

|1

1 Inleidende regels

2

Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten

2 7

2 Bestemmingsregels

9

Artikel 3 Centrum - 2 Artikel 4 Waarde - Archeologie - 3

9 12

3 Algemene regels

18

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Artikel 6 Algemene bouwregels Artikel 7 Algemene gebruiksregels Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Artikel 11 Algemene procedureregels

18 19 21 22 23 24 25

4 Overgangs- en slotregels

26

Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel

26 27

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|2

1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan "Hoofdstraat 23 Rijen" van de gemeente Gilze en Rijen; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen); 1.3 aan huis gebonden beroep: een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroep met ondergeschikte functies, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- of Vergunningenbesluit milieubeheer geldt zoals vermeld in bijlage 1. Het beroep dient qua omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij bijbehorende bijgebouwen te passen en de woonfunctie dient als primaire functie behouden en herkenbaar te blijven; hieronder dienen niet te worden begrepen de uitoefening van ambachtelijke bedrijven; 1.4 aan huis gebonden bedrijf: het beroepsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk met ondergeschikte functies, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- of Vergunningenbesluit milieubeheer geldt.

Het bedrijf dient qua omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij bijbehorende bijgebouwen te passen en de woonfunctie dient als primaire functie behouden en herkenbaar te blijven; 1.5 aan-/uitbouw: een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt, deel van een hoofdgebouw dat door zijn indeling en inrichting is bestemd om hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van de hoofdfunctie; 1.6 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.7 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.8 aaneengebouwde woning: een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer hoofdgebouwen; 1.9 afhankelijke woonruimte: een tijdelijke zelfstandige woonvorm ten behoeve van mantelzorg, waarbij bewoning van een (bij)gebouw tijdelijk is toegestaan en er sprake is van de huisvesting van één huishouden; 1.10 ambachtelijk bedrijf: een bedrijf -niet zijnde een aan huis gebonden beroep- waarbij het productieproces grotendeels wordt uitgevoerd met de hand of althans niet in hoofdzaak gemechaniseerd, geautomatiseerd of met behulp van werktuigen, die door energiebronnen buiten de menselijke arbeidskracht worden aangedreven.

Voor zover van laatstbedoelde werktuigen gebruik wordt gemaakt, zijn deze als ondergeschikt te beschouwen aan de menselijke handvaardigheid; 1.11 archeologisch deskundige: een door het college van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de geldende kwaliteitscriteria VTH en adviseert en beoordeelt conform de ten tijde van het advies of beoordeling geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|3 1.12 archeologisch onderzoek: onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische relicten door een gecertificeerde instantie werkend volgens de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Aanpak (PvA) (bij booronderzoek) of Programma van Eisen (PvE) (bij gravend onderzoek); 1.13 archeologisch rapport: rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA); 1.14 archeologische verwachting: de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten.

1.15 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten; 1.16 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.17 bebouwingspercentage: een aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel of bouwvlak, dat ten hoogste mag worden bebouwd; 1.18 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.19 begane grond: bouwlaag waarvan het vloerpeil ter hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een onderbouw; 1.20 behoudsmaatregelenplan: document waarin maatregelen zijn geformuleerd die getroffen worden om archeologische resten in de bodem te behouden en te beschermen tijdens de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de gronden nadien; 1.21 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.22 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.23 bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.24 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk

oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.25 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.26 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder;

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|4 1.27 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.28 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.29 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.30 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.31 bouwwerk, geen gebouw zijnde: een bouwwerk voorzien van maximaal één gesloten wand; 1.32 dakopbouw: bouwlaag welke maximaal 70% van het bebouwde oppervlak van de daaronder gelegen bouwlaag van het hoofdgebouw omvat; 1.33 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.34 dienstverlening: het bedrijfsmatig verrichten van diensten van of ten behoeve van het publiek al dan niet met baliefunctie, zoals een uitzendbureau, bank, stomerij, wasserette, apotheek, kapsalon, schoonheidssalon, schoenmaker of reisbureau;

1.35 eengezinswoning: een gebouw dat uitsluitend één woning omvat; 1.36 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met twee of meer wanden omsloten ruimte vormt; 1.37 gecertificeerde instantie: instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet; 1.38 gestapelde woning: een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat en/of woningen boven een andere functie op de begane grond en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd; 1.39 gevellijn: denkbeeldige lijn die strak langs de gevel van een gebouw loopt tot aan de bouwperceelsgrenzen, dan wel de aangeduide lijn; 1.40 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht; 1.41 huishouden: persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen;

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|5 1.42 inwoning: het bewonen van een woonruimte die deel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen, met dien verstande dat dit slechts toegestaan is in het hoofdgebouw, dan wel in met het hoofdgebouw verbonden aangebouwd bijgebouwen en dat woningsplitsing en/of kamerverhuur niet toegestaan is; 1.43 kamerverhuur en/of logies: de verhuur van een deel van een al dan niet zelfstandige woonruimte ten behoeve van bewoning aan personen; 1.44 mantelzorg: het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op basis van vrijwilligheid en buiten organisatorisch verband; 1.45 mantelzorgbehoevende: eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak; 1.46 mantelzorgverlener: diegene die (deels) in een behoefte van een mantelzorgbehoevende voorziet; 1.47 meergeneratiewoning: één woning die krachtens een omgevingsvergunning geschikt is gemaakt voor bewoning door twee huishoudens met een familierelatie en met een fysieke koppeling, waarbij sprake is van inwoning gerelateerd aan de familierelatie; 1.48 NAP: Nieuw Amsterdams Peil; 1.49 ondergeschikte functies: functies waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de bebouwing als zodanig mag worden gebruikt; 1.50 perceelsgrens: een grenslijn tussen bouwpercelen onderling en tussen bouwpercelen en openbaar gebied; 1.51 Plan van

Aanpak (PvA): document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van booronderzoek (verkennende of karterende boringen) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Voor aanvang van het onderzoek dient het PvA door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd; 1.52 plangebied: het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft; 1.53 Programma van Eisen (PvE): document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van gravend onderzoek (proefsleuven, opgraving of archeologische begeleiding) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA); voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd; 1.54 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.55 ruimtelijke plannen: alle bestemmingsplannen, inpassingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen binnen het plangebied die vastgesteld zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|6 1.56 seks- en/of pornobedrijf: een voor het publiek toegankelijk gebouw of gedeelte van een gebouw, in welk gebouw of welk gedeelte, handelingen, vertoningen en/of voorstellingen van erotische en/of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt mede begrepen een sekswinkel zijnde een gebouw of een gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte is bestemd en/of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig te koop en/of te huur aanbieden, waaronder mede begrepen uitstalling, verkopen, verhuren en/of leveren van seksartikelen; een prostitutiebedrijf is hieronder begrepen; 1.57 stedenbouwkundige samenhang: het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaald beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n); 1.58 twee-aaneengebouwde woningen: blokken van twee vrijstaande eengezinswoningen welke aan maximaal één zijde in de zijdelingse perceelsgrens zijn gebouwd en door een gemeenschappelijke scheidingsmuur met elkaar zijn verbonden; 1.59 vloeroppervlakte: de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen; a. b.

bruto verkoopvloeroppervlak: de totale vloeroppervlakte van winkels, gerekend op alle bouwlagen, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten; netto verkoopvloeroppervlak: de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte, alleen op de begane grond, ten behoeve van de detailhandel;

1.60 voorgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loop langs de voorgevel van het hoofdgebouw en wordt doorgetrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen; 1.61 vrijstaand bijgebouw: een bij een woning behorend gebouw, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte, of hobbyruimte, dat niet in directe verbinding staat met de woning en dat niet voor bewoning is bestemd; 1.62 vrijstaande woning: eengezinswoningen welke aan beide zijden van de woning niet in de zijdelingse perceelsgrens zijn gebouwd; 1.63 weg: een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen, bermsloten en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende bushaltes, parkeerplaatsen en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 1.64 woning: een (gedeelte van een) gebouw, uitsluitend geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, of voor de huisvesting buiten het verband van een huishouden tot en met maximaal vier personen; 1.65 zijdelingse en achterste perceelsgrens: een grenslijn tussen bouwpercelen onderling.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|7

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: wordt gemeten tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het betreffende bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.2 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel, bouwvlak of ander terrein: de buitenwerks gemeten oppervlakte van het op een bouwperceel aanwezige c.q. op te richten gebouw, bouwwerken geen gebouwen zijnde of gebouwencomplex, gemeten op één meter boven het gemiddelde maaiveld van het aansluitende afgewerkte terrein; 2.3 bebouwingspercentage: een aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel of bouwvlak, dat ten hoogste mag worden bebouwd; 2.4 dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.6 de breedte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat; 2.7 de diepte van een gebouw:

horizontaal tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels gemeten van de voorgevel tot de achtergevel en 1 m boven peil en waarbij de grootste maat (gemeten evenwijdig aan één van de zijgevels ) bepalend is; 2.8 de verticale diepte van een gebouw: de diepte van een gebouw, gemeten vanaf peil; 2.9 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.10 lessenaarsdak: een dakvorm die bestaat uit slechts één dakvlak of dakschild, dat onder een zekere helling is aangebracht.

Hierbij betreft de goothoogte de laagste zijde en de bouwhoogte de hoogste zijde; 2.11 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.12 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.13 de lengte en breedte van een bouwwerk: horizontaal tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidingsmuren), met dien verstande dat wanneer de zijgevels niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte; 2.14 de vloeroppervlakte van een bouwwerk: horizontaal tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren over alle bouwlagen; NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|8 2.15 peil: a. b.

voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; in andere gevallen de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van de bouw en binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftopbouwen, lichtkoepels, antennes, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken bui ten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|9

2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Centrum - 2 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Centrum - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

ter plaatse van de aanduiding 'wonen': één woning al dan niet in samenhang daarmee aanhuis-gebonden-beroepen; bij wonen behorende toegangen en bergingen; rijksmonumenten: ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding rijksmonument'; bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven.

3.2 Bouwregels Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken die ten dienste staan van deze bestemming, waarbij tevens wordt voldaan aan de volgende bepalingen: 3.2.1 Algemeen Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, zoals hoofdgebouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken, met dien verstande dat: a. b.

woningen mogen uitsluitend een zelfstandige of een gezamenlijke hoofdingang hebben, die direct vanuit de openbare ruimte bereikbaar is; het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is weergegeven.

3.2.2 Gebouwen Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. b. c. d.

e. f.

gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; de voorgevel van het gebouw dient in of maximaal 2 meter achter de voorgevellijn te worden gebouwd; het bouwvlak mag voor 70% bebouwd worden; de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduidingen 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' of 'minimale - maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduidingen 'minimale - maximale goot- en bouwhoogte (m)', de goot- en bouwhoogte niet minder mag bedragen dan is aangegeven; ter plaatse van de aanduiding 'wonen' bedraagt de maximale diepte van het hoofdgebouw 15 meter; gebouwen dienen te worden afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 35° en maximaal 60° bedraagt.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|10 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. b. c.

d. e.

erfafscheidingen, waarbij de bouwhoogte vóór de voorgevellijn maximaal 1 meter mag bedragen en achter de voorgevellijn maximaal 2 meter; overkappingen dienen achter de voorgevellijn te worden gebouwd en uitsluitend binnen het bouwvlak; reclamevoorzieningen aan de gevel van gebouwen, waarbij de reclamevoorziening maximaal 1 meter vanaf de gevel hangt, de onderkant van de reclamevoorziening minimaal 2,2 meter boven het trottoir hangt en de reclamevoorziening minimaal 0,6 meter vanaf de weg hangt; kunstobjecten, vlaggenmasten en lichtmasten mogen maximaal 6 meter hoog zijn; de bouwhoogte van overige andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

3.2.4 Parkeren Bij het oprichten en uitbreiden van gebouwen of het veranderen in gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren als het eventueel laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen. Op eigen terrein dient voorzien te zijn in voldoende parkeeraccommodatie conform de parkeerrichtlijnen opgenomen als bijlage 2. 3.3 Nadere eisen 3.3.1 Eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering, de bebouwingsdiepte, hoogte en de dakvorm van hoofd- en bijgebouwen en van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.3.2 Voorwaarden a.

b.

de onder lid 3.3.1 genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met inachtneming van de bebouwingsregels: 0. indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit, het stedenbouwkundig beeld en handhaving van het historisch beeld dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en/of architectonische inpassing in de bestaande bebouwing; 1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; 2. voor het behoud van rijksmonumenten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument'; van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige samenhang is sprake als door een bebouwings- of gebruiksinitiatief: 0. de karakteristiek van de openbare ruimte wordt aangetast; 1. de diversiteit (qua verschijning, functie of tijdsbeeld) en de historische of stedenbouwkundige betekenis van de bebouwing wordt aangetast.

3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Dakvlak Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning voor het bouwen af te wijken van het bepaalde in lid 3.2.2 sub f voor het bouwen van een afwijkende dakvorm, mits stedenbouwkundig verantwoord. 3.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gebouwen en gronden voor een seks- en/of pornobedrijf en prostitutie.

NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat23-ON01

bestemmingsplan Hoofdstraat 23 Rijen

|11 3.6 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning voor gebruik ten behoeve van aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten afwijken, voor zover aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'wonen' danwel aangeduid met 'maximum aantal wooneenheden', van het bepaalde in lid 3.5, met dien verstande dat: a.

b. c. d. e. f.

de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij maximaal 25% van het bebouwd oppervlak van de aanwezige bebouwing met een maximum van 60 m² ten behoeve van een aan huis gebonden bedrijf mag worden gebruikt; de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed; het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer; de activiteit milieuhygiënisch inpasbaar is in de woonomgeving waarbij geldt dat deze past in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten; de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner; door de uitoefening van de activiteiten het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig verandert, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11802455/1