Notulen/besluitenlijst Commissie Ruimte 19 april 2022
Tekst van het document
Verslag naar aanleiding van de openbare vergadering van de raadscommissie Ruimte, gehouden op dinsdag 19 april 2002 voorzitter: griffier: leden:
de heer W. Broeders mevrouw S. van Dijk de dames C. Hartog-Zweers, A. Krol en M. van der Meer en de heren C. Cornelissen, B. van Enschot, T. van Gageldonk, M. van Haperen, S. Hofman, R. van Iersel, D. van Loenhout, P. von Meijenfeldt, S. Schoenmakers en J. Wouters tevens aanwezig: de dames A. Stinenbosch, A. van der Veen en A. Zwarts (allen wethouders)
1. Opening en mededelingen De voorzitter opent de vergadering om 19.30 uur en heet alle aanwezigen en kijkers welkom. Vervolgens geeft de voorzitter aan dat dit de eerste commissievergadering is van de nieuwe raadssamenstelling en binnen een nieuwe vergaderstructuur. Benadrukt wordt het belang van een goede samenwerking tussen alle betrokkenen bij het hanteren van de nieuwe vergaderstructuur. 2. Inventarisatie spreekrecht Er hebben zich geen insprekers gemeld. 3. Vaststellen definitieve agenda De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 4. Verslag vergadering raadscommissie Ruimte d.d. 15 februari 2022 + actielijst Het verslag van de betreffende vergadering wordt ongewijzigd vastgesteld. Er zijn geen op- of aanmerkingen naar aanleiding van het verslag. De heer Van Haperen stelt dat er bij een aantal punten op de actielijst geen datum vermeld wordt voor de commissiebehandeling. Wanneer worden die data wel ingevuld? Actie 479 is voldoende in de commissie behandeld. De wethouder heeft aangegeven het punt mee te nemen. Derhalve mag het punt van de actielijst. De andere commissieleden kunnen zich in het laatste vinden. Het punt zal van de lijst worden afgevoerd. De voorzitter geeft aan dat de volgende week de actielijst in het college met de nieuwe wethouders zal worden afgestemd.
Dan is er in de volgende commissie een actueel overzicht van de actiepunten met de data van de commissiebehandeling. De heer Van Haperen vraagt of dat ook geldt voor de actiepunten die op dit moment geen datum hebben. De voorzitter bevestigt dit. 5. Raadsvoorstel ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Biestraat 3 te Gilze De behandeling van het agendapunt vindt plaats in twee termijnen. In de eerste termijn kan men vragen stellen aan de wethouder. Interrupties zijn niet toegestaan. Nadat de beantwoording van de vragen heeft plaatsgevonden volgt de tweede termijn zonder de portefeuillehouder. In die termijn kunnen de commissieleden met elkaar in debat en men kan, wanneer nodig, interrumperen. Mevrouw Hartog merkt op dat het plan uitstekend past in het bestemmingsplan Buitengebied. Goed voor milieu, natuur en landschapswaarden. Goed dat de bebouwing met cultuurhistorische waarden behouden blijft. Men kan zich goed vinden in het voorstel. De heer Cornelissen kan instemmen met het voorstel, mede door de bestemmingswijziging en de gevolgde procedure met de omwonenden. De heer Schoenmakers stemt eveneens in met het voorstel.
1
De heer Von Meijenfeldt is het eens met het voorstel. Nog wel een punt en een suggestie. Aandacht wordt gevraagd voor de uitrit van het terrein die uitkomt op het wandelpad dat voor de boerderij langs loopt. Het college moet ervoor zorgen dat daar een verkeersveilige situatie komt. Daarnaast leeft de wens dat er door de aanvrager meer uitgebreide bloemrijke vegetaties worden aangelegd. De heer Van Loenhout vindt het een logisch plan. Meer recreatie en minder boerderijen. Men is akkoord met het voorstel. Een hamerstuk. De heer Van Enschot is positief over het voorstel. Goed voor de omgeving. Wel is de veiligheid bij de uitrit een punt van aandacht. Mevrouw Van der Meer stemt in met het voorstel. Het kan een hamerstuk zijn. De voorzitter stelt vast dat er eigenlijk geen vragen gesteld zijn. Misschien kan de wethouder iets doen met de suggesties? Opmerkingen/beantwoording vragen De verkeerssituatie ter plekke verandert niet. Daar kan men niet op acteren. Bij de beplanting moet er wel rekening mee gehouden worden. Wel is men het landbouwverkeer kwijt. Dat is al een verbetering voor de verkeersveiligheid. De voorzitter stelt vast dat de eerste termijn is geweest. Daarnaast wordt geconstateerd dat het voorstel als hamerstuk naar de raad kan.
6a RIB geurvisie Gilze en Rijen (inclusief reactie GGD op geurgebiedsvisie) (verzoek D66) De voorzitter brengt naar voren dat de RIB wordt behandeld op verzoek van D66. Die fractie krijgt zo als eerste het woord. De behandeling vindt plaats in twee termijnen. In de eerste termijn kan men vragen stellen. Interrupties zijn niet mogelijk. Mevrouw Krol onderstreept het belang van de nieuwe geurgebiedsvisie. Het gaat over gezondheid en de leefbaarheid van de inwoners. De functies is het buitengebied veranderen de laatste jaren al behoorlijk. Dat zal nog wel een tijd doorgaan. Minder agrariërs, maar wel hetzelfde aantal dieren. Meer burgers zonder agrarische activiteiten. Een te hoge geurbelasting zorgt voor een ongezonde leefomgeving. Strenge normen voor de uitstoot van geur is goed voor de gezondheid en biedt ruimte voor nieuwe activiteiten in het buitengebied. In de geurgebiedsvisie worden nog niet alle stank veroorzakende punten meegenomen, zoals runderen en bedrijven die met mest en veevoer werken. Het is verbazingwekkend dat de overheid de afgelopen twintig jaar ruimere geurnormen heeft gehanteerd, dan de normen die ze eerder zelf heeft bepaald. Daarnaast zijn de geurnormen voor de veehouderij veel ruimer dan voor andere economische activiteiten. De raad heeft de bevoegdheid om de geurnormen aan te passen.
Laat deze nieuwe raad die bevoegdheid oppakken om te zorgen voor een gezondere leefomgeving. Men is het dan ook eens met het punt dat daarvoor passende beleidsregels en een verordening moeten komen, waarbij rekening wordt gehouden met de nieuwe functies van het buitengebied. Wel is het van belang dat de inwoners van het buitengebied kunnen participeren in de opstelling van de visie. Ook moet men de door de GGD aangegeven punten meenemen. Nog drie vragen. Waarom zijn de inwoners, met name die van het buitengebied, niet betrokken bij de opstelling van de geurgebiedsvisie? Waarom heeft de wethouder de inwoners met name van het buitengebied niet geïnformeerd over het belang van deze visie en over de mogelijkheid om een zienswijze erover te indienen? Waarom heeft het college de zienswijze van de provincie op de conceptvisie niet met de raad gedeeld ondanks het verzoek dit wel te doen? De heer Van Gageldonk constateert dat de geurgebiedsvisie perspectieven biedt voor bewoners die in het buitengebied wonen. Vanuit dat gezichtspunt is er sprake van een prima visie. Opgevallen is dat de GGD een aantal aanbevelingen geeft, maar dat uit de beantwoording van de technische vragen blijkt dat die aanbevelingen niet verwerkt kunnen worden. De reden daarvoor is van procedurele aard.
De vraag is toch om het GGD-advies zoveel mogelijk over te nemen in plaats van de wettelijke ruimte te nemen om dit niet te doen. De vraag is dus om het advies wel over te nemen in deze geurgebiedsvisie. Wanneer dat op bepaalde punten niet wenselijk is, dan graag een goede onderbouwing hiervan. 2
De heer Van Loenhout sluit zich wat betreft het punt GGD volledig aan bij de heer Van Gageldonk. Voor de duidelijkheid, men heeft het hier over stankoverlast. Dat is wat anders dan een bredere discussie die men zou moeten voeren over luchtkwaliteit en andere schadelijke aspecten. Men zou graag zien dat de geurgebiedsvisie een onderdeel is van dit bredere palet. Wanneer dat niet gebeurt, dan is men met een geurgebiedsvisie bezig die door die andere aspecten mogelijk beperkt wordt. De heer Van Enschot stelt vast dat de reacties op de conceptvisie nog niet verwerkt zijn. Het is dus niet gepast om het concept te bespreken zonder dat de reacties daarin verwerkt zijn. Het antwoord op een technische vraag was niet geheel duidelijk. Daarom de volgende vraag aan de wethouder. Heeft het concept dat nu voorligt effect op bestaande agrarische bedrijven? Waar worden normen anders, scherper dan ze nu zijn? De heer Van Haperen maakt zich zorgen over het concept wat voorligt. Mede door het niet verwerken van de adviezen van de GGD. In hoeverre worden de wettelijke mogelijkheden aangegrepen om dit zo min mogelijk te doen? Spreker ziet graag dat die adviezen overgenomen worden. De heer Wouters brengt naar voren dat het rapport van Pouderoyen Tonnaer laat zien dat de geurbelasting in de woonkernen van de gemeente en in het buitengebied niet ongunstig is.
Slechts op vier plaatsen is er sprake van een te hoge belasting. Daar vinden op dit moment ontwikkelingen plaats die deze belasting binnen afzienbare tijd zullen verminderen. Gemeenten kunnen maatregelen nemen om de geurbelasting te verminderen. Dat gebeurt hier nu ook. Wat men in het concept mist, is de verwerking van de nota van zienswijzen. Men is benieuwd naar de reacties en naar de invloed ervan op de conceptgeurgebiedsvisie. Het is van belang dat bestaande bedrijven zich blijvend kunnen ontwikkelen binnen de huidige wet- en regelgeving. Men ziet het raadsvoorstel te zijner tijd met belangstelling tegemoet. De heer Van Iersel vindt het van belang dat de raad de zienswijzen te zien krijgt om een volledig beeld te krijgen. Wanneer komen die? De voorzitter vat samen wat er tot nu toe naar voren is gebracht. De heer Van Gageldonk benadrukt zijn vraag over de meer inhoudelijke benadering van het agendapunt. Opmerkingen/beantwoording vragen Het gaat over de gezondheid van inwoners. Maar dat is maar een deel van waar de geurgebiedsvisie over gaat. De visie heeft men ook nodig om te kijken naar welke activiteiten men naar toe wil. Wat wil men in de toekomst naast agrarische benutting in het buitengebied mogelijk maken? Dat is geprobeerd in beeld te brengen. De GGD kijkt sec naar de gezondheidscomponent. Men moet verder kijken dan naar sec het gezondheidsaspect.
Er zitten agrarische ondernemers in het buitengebied. Men is blij met de initiatieven om de intensieve veehouderij te stoppen. Echter, men moet ook als plattelandsgemeente deze bedrijven in het buitengebied koesteren. Voorlopig staat dat op gespannen voet met de gezondheid. Bestaande agrarische bedrijven kunnen doen wat ze nu doen binnen wet- en regelgeving. Op het moment dat ze willen uitbreiden, moeten ze ervoor zorgen dat de geuruitstoot binnen de geurgebiedsvisie past. Er komt nog een nota van zienswijzen. Daarin staat een inhoudelijke reactie op het punt waarom een zienswijze wel of niet overgenomen wordt. Daarom is de reactie van de provincie ook nog niet meegestuurd. Die moet nog via het college in de nota worden verwerkt. Alle inwoners van het buitengebied en van de kernen worden uitgenodigd om mee te denken over de geurgebiedsvisie. Bij iedereen is de vraag neergelegd om zich te laten horen. Alle zienswijzen zullen inhoudelijk worden meegenomen. De heer Van Enschot vindt het antwoord nog niet geheel duidelijk. Wanneer bestaande bedrijven willen uitbreiden dan moeten ze voldoen aan de wet. Gaat het dan om de oude of de nieuwe wetgeving? En wat wanneer een bedrijf niet uitbreidt? Opmerkingen/beantwoording vragen Voor de betreffende bedrijven geldt de oude wetgeving. 3
Tweede termijn Mevrouw Krol is onthutst nadat ze de wethouder heeft horen zeggen dat de burgers niets mogen zeggen. Tegelijkertijd zegt de wethouder dat de burger zich moet laten horen. Dat is een soort van met twee maten meten. Graag de mening van de andere commissieleden over dit punt. De heer Van Iersel heeft van de wethouder gehoord dat inwoners op het openbare stuk een zienswijze kunnen indienen. Hoe wil mevrouw Krol dat anders zien? Mevrouw Krol geeft aan dat men burgers niet kan dwingen om een zienswijze in te dienen. Echter, de aankondiging van die mogelijkheid was heel summier. Bij een dergelijke verandering van het beleid zou het normaal geweest zijn om de burgers beter te informeren over de mogelijkheid om daarop te reageren. Men heeft niet het gevoel dat dit voldoende is gebeurd. Men denkt dat veel inwoners niet precies weten waar de conceptgeurgebiedsvisie over gaat. Het gaat om een brede dialoog over het buitengebied. Buiten geur heeft men te maken met stikstof en andere zaken. Alles bij elkaar beperkt het de ondernemer om uit te breiden. Wel komt er door het verbeteren van de luchtkwaliteit meer ruimte voor andere activiteiten. Hoe kijken de andere commissieleden daartegen aan? De heer Van Gageldonk merkt op dat er wellicht wat voor te zeggen is om met direct betrokkenen in overleg te gaan. Echter, een conceptvisie is lastig te bespreken.
Bespreking met direct betrokkenen is goed, maar dan met een meer definitieve visie als uitgangspunt. De heer Van Loenhout had ook willen voorstellen om de discussie te verbreden. Geurnormen alleen bepalen niet of een bedrijf wel of niet mag uitbreiden. Bij een brede discussie op een later moment moet men zich daarvan bewust zijn. Stikstof, fijnstof en andere zaken spelen ook een rol. Die toekomstige normen zijn nog niet bekend. Wat dat betekent voor de ondernemers weet men nog niet. Dat is wel van belang om de ondernemers goed te kunnen helpen. De heer Van Enschot vreest de brede discussie. Dat is een discussie die jaren kan duren. Men heeft het nu over een geurvisie. Laat de raad zich daartoe beperken. Ten opzichte van de inspraakprocedure die D66 voorstelt merkt spreker op dat dit in afwijking is van de normale inspraakprocedure. Iedereen kent de normale gang van zaken op dit punt. Er is geen reden om bij dit onderwerp een uitzondering te maken. Mevrouw Krol wil helemaal geen uitzondering maken. Men wil dit als een normale praktijk maken, dat bij een belangrijke beleidswijziging de betrokken inwoners fatsoenlijk op de hoogte worden gesteld om ze de gelegenheid te geven hierop te reageren. Dat is in dit geval niet gebeurd. Het zou normale praktijk moeten zijn. De heer Van Enschot stelt voor dat D66 een voorstel moet indienen voor een wijziging bij procedures.
Niet een wijziging voorstellen tijdens de procedure. De heer Van Haperen merkt op dat de wethouder aangegeven heeft dat het over meer onderwerpen gaat, dat het goed zou zijn een breder standpunt in te nemen. De heer Van Enschot geeft aan dat men zich nu moet beperken tot de geurvisie. Daarbij wordt nog gewacht op de nota van zienswijzen. Welke ruimte heeft de commissie dan nu om zich uit te spreken over de inhoud van de geurvisie? De heer Van Enschot vindt dat dit afhankelijk is van de beschikbare informatie. Het is niet bekend wanneer informatie over fijnstof en dergelijke beschikbaar komt. Wanneer die informatie beschikbaar is, dan hoeft een bredere discussie niet te leiden tot vertraging. Is die informatie er niet dan mag dat niet tot vertraging leiden van de discussie over de geurvisie. De heer Van Haperen blijft van mening dat het goed is om geur in een bredere opzet te bespreken. Een reden daarvoor is dat in de Omgevingswet veel punten beleidsneutraal worden overgenomen. Met dit document neemt de gemeente een standpunt in. Wanneer men wacht op de nota van zienswijzen dan kan de geurvisie al af zijn en dan zou men weer moeten gaan bijsturen. De raad moet het bredere gesprek dus wel voeren. Misschien via een raadsinformatieavond.
De heer Wouters verwacht dat er nog een raadsvoorstel over het onderwerp komt waarbij de nu beschikbare informatie over geurbeleid is meegenomen en ook de zienswijzen. Dat voorstel wordt behandeld in de commissie. Daar kunnen de commissieleden op reageren. Spreker stelt voor om dat raadsvoorstel af te wachten. Mevrouw Krol wijst de vorige spreker erop dat het komende raadsvoorstel alleen zal gaan over de 4
geurgebiedsvisie en niet over de bredere aspecten. Die aspecten moeten eerst worden bekeken, inclusief een discussie daarover. Anders blijft men aan de gang en moet het ambtelijk apparaat een soort dubbel werk verrichten. De heer Wouters vraagt zich af of men dan wel wil praten over de participatie van de inwoners bij dit specifieke onderwerp. Mevrouw Krol bevestigt dat ze graag participatie van de gezamenlijke inwoners over dit onderwerp zou willen. De heer Wouters heeft zijn twijfels. De heer Van Haperen heeft van de heer Wouters gehoord dat het stuk in de vorm van een raadsvoorstel in de commissie komt. Spreker heeft liever dat er aan de voorkant door de commissie kaders worden geplaatst om mee te nemen in het raadsvoorstel. Daarna kan er een participatieroute doorlopen worden. Hoe wil de heer Wouters de kaders vanuit de raad meegeven? De heer Wouters brengt naar voren dat bij de conceptvisie een onderzoeksrapport is gevoegd. Daarop hadden partijen ook kunnen reageren. Dat is niet gebeurd. Waarom moet men dan zo hoognodig nu de discussie voeren en niet straks bij het raadsvoorstel? Mevrouw Krol begrijpt de heer Wouters niet zo goed. Men heeft nu de RIB voorliggen. Daar reageert een aantal partijen op. De heer Wouters meldt dat naast de GGD ook andere partijen een idee naar voren hebben gebracht.
Mevrouw Krol vindt het daarom zo jammer dat ondanks vragen de zienswijze van de provincie nog niet is meegestuurd. Dan had men een betere discussie kunnen voeren. De heer Van Haperen vraagt de mening van de heer Wouters over het voorliggende conceptvoorstel. De heer Wouters heeft het voorstel gelezen en kan zich erin vinden. Het gaat natuurlijk over het hele gebied van de ABG-gemeenten. In beide andere gemeenten is de problematiek veel groter dan in deze gemeente. Men maakt zich niet zoveel zorgen over wat er in deze gemeente gaat gebeuren. Mevrouw Krol wijst de heer Wouters erop dat men voor Gilze en Rijen over de materie spreekt. Het kan zijn dat de problematiek in beide andere gemeenten groter is. Dat betekent dat deze raad moet kijken naar een voor deze gemeente passende reactie op de geurgebiedsvisie. De heer Van Iersel brengt in dat het stappenplan eerder besproken is. De bouwstenen worden nu aangereikt. Op dit punt is de raad gretig. Men moet echter ook de rust nemen om andere partijen zoals ZLTO in de problematiek mee te nemen. Men is bezig stappen te zetten en men kan ermee doorgaan. Bij een volgende stap moeten de verschillende zienswijzen worden meegenomen. De heer Van Haperen vraagt ook de heer Van Iersel de mening over het conceptvoorstel. Dat staat los van de zienswijzen.
Kan men zich er inhoudelijk in vinden of moet het scherper? De heer Van Iersel denkt dat men in het concept de juiste zaken raakt. Maar dat moet worden getoetst bij de GGD, ZLTO en de provincie. Daarna komt de verdere uitwerking van het concept. De heer Van Haperen vindt het een mooi antwoord. Tegelijkertijd niet echt een antwoord. Het wordt niet duidelijk waar de fractie van de heer Van Iersel staat wat betreft dit onderwerp, waar men de prioriteiten legt. De heer Van Iersel wil nu nog niet de discussie aangaan. Men wil eerst de mening weten van partijen als ZLTO. Wanneer die zienswijzen er zijn, kan men scherper discussiëren. Dan kan men ook goed een standpunt innemen. Mevrouw Krol brengt naar voren dat het station, de mogelijkheid dat andere partijen hun reactie kunnen geven, al gepasseerd is. De zienswijzetermijn is een paar weken geleden gesloten. De reacties zijn er. De helft van de fracties wil een bredere discussie voeren alvorens men de discussie over de geurgebiedsvisie voert. Wil de heer Van Iersel nu wel of niet de discussie aan de voorkant aangaan, voordat de definitieve geurgebiedsvisie naar de raad komt? De heer Van Iersel geeft aan dat de nota van zienswijzen nog naar de commissie komt samen met het raadsvoorstel, zoals het normaal gaat. Dan heeft men de totale informatie. Daarna volgt de discussie in de commissie.
Men wil nu graag het concept volgen en voor een verdere discussie wacht men op de zienswijzen. Mevrouw Krol geeft aan dat wanneer men die weg volgt, het alleen over de geurgebiedsvisie gaat. Een deel van de raad wil graag een debat over de impact van alle elementen die in het buitengebied een rol spelen. 5
Die elementen zijn van belang voor de geurgebiedsvisie. Wil de heer Van Iersel die discussie wel of niet aangaan? De heer Van Iersel brengt naar voren dat er voor het onderwerp een stappenplan is gemaakt en geaccordeerd. Nu wordt er gesproken over een discussie in een breder perspectief. Dat is mooi. Echter, spreker wil eerst wachten op de verschillende zienswijzen om te zien waar de ruimte voor de verschillende organisaties zit. De heer Van Enschot heeft een vraag voor mevrouw Krol. De voorzitter geeft aan dat mevrouw Krol haar termijn heeft gehad. De vraag moet wachten tot de volgende discussie. De heer Van Haperen merkt op dat de heer Van Iersel gesproken heeft over het stappenplan. Maar zou het niet goed zijn om eerder in het proces binnen de commissie de kaders te bepalen voor de richting die men denkt op te moeten? Dat zou ook betekenen dat men aan de voorkant een gesprek moet aangaan over niet-beleidneutrale documenten. De heer Van Iersel staat er niet afwijzend tegenover. Echter, men moet eerst de informatie hebben en met elkaar delen voordat men een standpunt kan innemen over zaken die een hele beroepsgroep kunnen raken. De heer Van Haperen is het eens met het punt dat men in de commissie niet vrijelijk iets over een onderwerp moet vinden. Wel kan de discussie plaatsvinden voordat er een voorstel ligt met daaraan gekoppeld een zienswijzeprocedure.
Dan zit men al ver in het proces. De voorzitter constateert dat deze RIB in voldoende mate is behandeld. Daarmee is de discussie over het onderwerp gesloten. 6b RIB prestatieafspraken Leystromen (verzoek PvdA) De voorzitter geeft aan dat het om de jaarlijkse prestatieafspraken gaat met de Leystromen waarbij UWHuurdersraad betrokken is. De RIB is geagendeerd op verzoek van de PvdA. De partij nodigt de raad uit om te reageren op de volgende vragen: Wilt u als commissie tijdig voor het komende jaar betrokken worden bij de prestatieafspraken? Vindt men dat de huurdersvereniging betrokken moet worden bij dit overleg? De behandeling vindt plaats in twee termijnen. Als eerste krijgt de PvdA het woord. De procedure voor de twee termijnen is bekend. De heer Von Meijenfeldt geeft aan dat in de oplegnotie al veel informatie staat over de situatie. Het gaat over de prestatieafspraken waarbij drie partijen betrokken zijn. Formeel heeft de raad geen rol. De prestatieafspraken vallen onder de bevoegdheid van het college. Voor de raad is het toch belangrijk, omdat men de situatie in relatie tot de woonvisie scherp in de gaten moet houden. De relatie in het tripartite overleg is bijzonder. Het logo van de huurdersvereniging is wel opgenomen bij de prestatieafspraken, terwijl die vereniging geen goedkeuring heeft gegeven aan de voorliggende afspraken.
Men had wel met de afspraken moeten instemmen. Dat SHL niet heeft ingestemd, komt doordat in de afspraken een verruiming van de huurdersbijdrage is opgenomen van 1%-punt. Dat gaat boven de wettelijke huurverhoging die verbonden is aan de inflatie. Het is vreemd dat de gemeente daar wel mee heeft ingestemd. Elders is die voorwaarde weer niet opgenomen. Om die reden wordt het punt aan de orde gesteld. Daarnaast is SHL niet betrokken bij de uitvoeringsagenda. Men hoopt dat SHL bij de verdere uitwerking wel zal worden betrokken. In de afspraken wordt verwezen naar de tijdelijke woningen. Echter, op het onderdeel flexwoningen zijn geen prestatieafspraken gemaakt. Het is echter wel een belangrijk onderdeel van de afspraken. Kan de wethouder informatie geven over het tijdelijk beschikbaar stellen van een locatie voor tijdelijke woningen en de afspraken die hierover met Leystromen zijn gemaakt? De heer Van Loenhout vindt de prestatieafspraken van belang om samen te werken aan betaalbare en duurzame woningen. Daarbij is het van belang dat de bewoners goed mee participeren. De beantwoording van het college baart wat zorgen. Kan de wethouder uitleggen hoe de bewoners bij de afspraken zijn betrokken? Men heeft gehoord dat een project in Rijen-Zuid wat stroefheden kent.
Kan de wethouder toezeggen dat men gaat proberen om dit op te lossen? De voorzitter is even kwijt op welke afspraken de vorige spreker doelt. De heer Van Loenhout geeft aan dat het gaat over de schriftelijke vraag van D66 over dit onderwerp. Het 6
college geeft aan dat dit besproken is met de huurdersraad. Echter, die club is voor het laatst in 2019 bij elkaar geweest. Er is een nieuwe SHL voor in de plaats gekomen. Met deze stichting is niet gesproken over de prestatieafspraken. Is er dan nog sprake van actieve bewonersparticipatie? De heer Van Enschot geeft aan dat de partij al eerder met de wethouder besproken heeft wat wenselijk is bij het tot stand komen van de prestatieafspraken. De oplegnotitie van de PvdA ondersteunt spreker betreffende punt 1 en 2. Punt 3 is niet bedoeld voor de commissie. Mevrouw Van der Meer is het eens met de vorige spreker over de oplegnotitie van de PvdA. Men is er een voorstander van om als commissie zaken te bespreken op het moment dat er invloed mogelijk is. Dat moet wel passen bij het opstellen van de prestatieafspraken waar ook nog eens verschillende gemeenten bij betrokken zijn. De vraag aan het college is of dit mogelijk is. De heer Wouters heeft kennisgenomen van de prestatieafspraken 2022. Men ondersteunt de opmerkingen van de VVD en Gemeentebelang betreffende de oplegnotitie van de PvdA. Aan de wethouder de vraag wat de mogelijke invloed is van de huurdersheffing.
Betekent dit dat de corporatie meer gaat bouwen of gaat men het geld besteden om eerder van het gas af te komen? De heer Van Iersel kan zich vinden in het feit dat de punten 1 en 2 van de oplegnotitie iets zijn voor de commissie en dat punt 3 aan het college is. De heer Schoenmakers geeft aan dat de vragen 1 en 2 in de notitie van de PvdA met een volmondig ja beantwoord kunnen worden. Men is benieuwd naar het antwoord van de wethouder op vraag 3. In aansluiting hierop de vraag aan de wethouder hoe de overleggen zijn verlopen en hoe de huurdersorganisatie dit heeft ervaren. Graag een verbijzondering van de antwoorden op de technische vragen 7 en 8, met name op het punt van de reacties van SHL. Hoe gaat het college de actieve participatie van de huurdersorganisatie bevorderen? Dit was het proces. Inhoudelijk leven er ook nog wat vragen.
Waarom is het college akkoord gegaan met het voorstel om voor nieuwbouw geen aanvullende eisen op het gebied van energiezuinigheid op te nemen? Waarom ziet men onder het punt duurzaamheid geen pilots in deze gemeente terug? Waarom is gekozen voor de afname van het aantal DAEB-huurwoningen, terwijl de woonvisie een lichte stijging van deze woningen aangeeft? De heer Von Meijenfeldt geeft in aanvulling op de samenvatting van de voorzitter betreffende de gestelde vragen nog aan dat zijn vraag over de instemming van de gemeente met de 1%-punt huurverhoging er ook nog bij hoort. SHL heeft daar niet mee ingestemd. Opmerkingen/beantwoording vragen In de prestatieafspraken staat onder het kopje Samenwerking hoe dat proces is ingericht. Op basis van de woonvisie en het bod van Leystromen wordt er door verschillende betrokken partijen op gemaakte afspraken gereageerd. De kaders die de commissie/raad meegeeft, staan in de woonvisie. Van daaruit gaat het college met Leystromen en huurdersorganisaties in gesprek over het uiteindelijke voor alle partijen aanvaardbaar bod. Het is goed dat de raad een keer in gesprek gaat met Leystromen, maar het is aan het college om tot prestatieafspraken met Leystromen te komen. De woonvisie is daarvoor de input. Het uitgangspunt dat de prestatieafspraken tijdig voor het nieuwe jaar gemaakt moeten zijn, blijft onveranderd.
Het afgelopen jaar is dat proces niet goed verlopen. Daarbij heeft de overgang van de oude naar de nieuwe huurdersorganisatie een rol gespeeld. Om deze reden is men nu al met elkaar in gesprek over de prestatieafspraken 2023. De huurdersorganisatie wordt daarbij actief uitgenodigd. Het proces van UWHuurdersraad naar het nieuwe SHL is moeizaam verlopen. SHL wordt nu pas echt actief. De moeizame overgangsfase is er de oorzaak van dat de huurdersvereniging de prestatieafspraken niet getekend heeft. De huurverhoging van 1%-punt komt terug bij het punt betaalbaarheid op pagina 5 van de afspraken. Dat is om zo nodig extra investeringsruimte te scheppen. Het gaat om een maximale verhoging boven de inflatiecorrectie. Die 1%-punt wordt pas mogelijk wanneer Leystromen daarover overleg heeft gevoerd met de verschillende partijen. De verhoging is dus nog niet akkoord. De wet waarmee de huurdersheffing wordt afgeschaft is nog niet van kracht. Wanneer de heffing wordt afgeschaft worden de gelden, die ermee gemoeid zijn, ingezet voor verduurzaming. Nu moet het gemiddelde energielabel bij het bestaande woningbestand in 2023 B zijn. Nieuwe woningen (Rijen7
Zuid) moeten energieneutraal zijn. Over de verduurzaming is men met elkaar in gesprek. In deze gemeente is 29% van het woningbestand sociale woningbouw. In de woonvisie staat dat er daarvan woningen zijn die verkocht kunnen worden als niet-DAEB. Dat moet echter zo weinig mogelijk gebeuren. De bewoners zitten helaas in een middenklasse groep die nergens anders kan aankloppen. Echter, het is wel zo dat de corporatie er juist voor de sociale woningbouw is.
Tweede termijn De heer Von Meijenfeldt neemt op basis van het gegeven antwoord aan dat de wethouder instemt met het betrekken van de raad dan wel de commissie bij de prestatieafspraken. De raad kan dan toetsen of de wensen in de woonvisie gerealiseerd worden binnen de prestatieafspraken. De voorzitter geeft aan dat de wethouder nu niet in de discussie betrokken kan worden. Andere commissieleden kunnen wel commentaar op het naar voren gebrachte punt geven. De heer Von Meijenfeldt heeft uit de eerste termijn al begrepen dat de commissie die betrokkenheid op prijs stelt. Daarnaast hoopt spreker dat met de gezette stappen de problemen van SHL nu kunnen worden opgelost. De heer Van Loenhout vindt het goed om te horen dat de wethouder het een goed idee vindt dat de commissie in gesprek gaat met Leystromen. Op de vragen 1 en 2 van de notitie van de PvdA kan men positief reageren. De heer Schoenmakers heeft goede dingen gehoord, zoals dat Rijen-Zuid energieneutraal gaat worden. Ook is mooi dat men nu gemiddeld al op label B zit in Gilze en Rijen. Dat zijn mooie dingen die men in de afspraken terug kan zien. Mevrouw Van der Meer heeft zojuist van de heer Schoenmakers een andere samenvatting gehoord van het antwoord dat de wethouder heeft gegeven wat betreft de energielabels. De heer Schoenmakers meldt dat hij daarom ook zo verrast was.
Spreker hoorde de wethouder zeggen dat men nu gemiddeld op B zat en dat men in Rijen-Zuid naar A zou gaan. Mevrouw Van der Meer denkt dat het goed is om de antwoorden nog eens terug te luisteren. De heer Schoenmakers zal dat zeker doen. Spreker geeft aan het eens te zijn met de vragen van de notitie van de PvdA. Nog een vraag. Wordt de woonvisie wel goed gevolgd in de afspraken? De DAEB-woningen lopen in aantal terug. Dan is er nog wat onduidelijkheid over het aantal sociale woningen op termijn als onderdeel van het totale woningbestand. Wellicht moeten de commissieleden dat onderdeel nog eens lezen. Mevrouw Van der Meer complimenteert de PvdA met de oplegnotitie. De gestelde vragen zijn zeker interessant. Voor een goede voorbereiding voor deze commissie zou het vooraf ontvangen van de notitie beter geweest zijn. De heer Schoenmakers hoopt dat met de nieuwe woonvisie de zaken wat betreft de sociale woningen weer worden rechtgetrokken. De voorzitter stelt vast dat de RIB voldoende is behandeld. Daarmee is de discussie over het onderwerp gesloten. 7a Brandbrief actiegroep Stop Houtrook Nu (verzoek D66) De voorzitter geeft de vorm van behandeling aan, twee termijnen met wat er per termijn gaat plaatsvinden. Mevrouw Krol brengt naar voren dat het algemeen bekend is dat luchtvervuiling slecht is voor de gezondheid.
Uitstoot is luchtvervuiling op een plek waar iedereen veilig zou moeten zijn. Enkel voorlichting geven over uitstoot blijkt in de praktijk onvoldoende te zijn. Als raad moet men bereid zijn een extra stap te zetten, door bijvoorbeeld bij nieuwbouw geen rookkanalen toe te staan. Men kan ook denken aan het voorkomen van rookoverlast door middel van een bepaling in de APV. Zijn de overige commissieleden bereid om een extra stap, meer dan voorlichting, in welke vorm dan ook te zetten om de overlast van houtrook te beperken? De heer Van Gageldonk denkt dat het punt voorlichting nog onvoldoende benut is. Men moet zich daarbij niet beperken tot houtkachels. Barbecues en dergelijke horen ook tot de luchtvervuilers. Wanneer men als de raad de mensen wil dwingen in een bepaald gedrag moet men die punten ook meenemen. Een 8
vegetariër die de hele zomer barbecuet is natuurlijk hypocriet. Dat levert ergernis op. Dat is het dilemma waar men mee zit. Men is voor een meer intensieve voorlichting. Niet alleen aan de zomerstokers, maar ook aan de buren om vooral met elkaar in overleg te gaan. De heer Van Loenhout vindt dat men met elkaar aan luchtvervuiling moet werken. Men is het eens met de vorige spreker dat men de voorlichting breder moet trekken. Naar verwachting komt er een landelijke regeling voor een stookverbod. Dat is de beste manier om het probleem aan te pakken. Om nu in de APV zaken te regelen, zou wel eens averechts kunnen uitwerken. De juridische mogelijkheden zijn nu beperkt. De heer Hofman kan enerzijds meegaan in wat de andere fracties tot nu toe hebben gezegd. Anderzijds wil men de vrijheid van de inwoners niet beperken. Daarnaast zit men nu in een energiecrisis. Voor veel mensen is houtstook de enige weg om de energiekosten te verlagen. Men ziet af van verdere vernauwing van maatregelen. Voorlichting is het beste alternatief dat men kan bieden. De heer Van Haperen onderschrijft het Schone Lucht Akkoord, waarvan de uitstoot van houtrook een onderdeel is. Op dit punt is voorlichting zeker beter uit te nutten. Geen rookkanalen in nieuwbouwwoningen is een interessante gedachte. Echter, veel meer voorlichting is altijd goed. De heer Wouters sluit zich aan bij de vorige sprekers.
De vraag is wat de juridische mogelijkheden zijn en hoe men dat kan handhaven. Zeker wanneer er geen landelijk beleid is. De heer Cornelissen wil ook inzetten op voorlichting. Misschien kan de wethouder aangeven wat de extra mogelijkheden zijn bij bepaalde weersomstandigheden. Mevrouw Van Dijk vindt het van belang dat, wanneer men een discussie wil voeren over handhaving, daar nog reacties op komen. Opmerkingen/beantwoording vragen De juridische mogelijkheden tegen houtrook of houtrookoverlast zijn er op dit moment nauwelijks. Dat betekent ook dat het de vraag is hoe maatregelen in de APV houdbaar zijn, wanneer iemand daar bezwaar tegen maakt. Daarnaast speelt nog eens het punt handhaving. Dat kan men nog niet realistisch aan de inwoners uitleggen. Het continueren van voorlichting is op dit moment het allerbelangrijkste. Komen er landelijke richtlijnen waaraan men kan aanhaken, dan kan men daarop acteren. Tweede termijn Mevrouw Krol is het eens met het punt dat er een probleem is voor mensen die het moeilijk hebben met de energiecrisis en die aangewezen zijn op hout stoken. Daar moet men rekening mee houden. De meeste fracties geven aan dat men verder moet gaan met voorlichting. Wat zijn dan de suggesties om op dat gebied nog wat te kunnen doen? Daarover is niets gehoord. Er zijn toch veel mensen die last hebben van houtrook.
Wat kan men verder doen wat betreft voorlichting om de doelgroep echt te bereiken? Hoe lang moet men nog voorlichten voordat men maatregelen moet nemen? Wat kan de gemeente zelf doen in afwachting van landelijke maatregelen? Hoe kan men beter optreden tegen notoire overlastgevers van houtrook? Wat kan men doen om het voor iedereen aangenamer te maken? De heer Hofman vraagt mevrouw Krol naar het aantal meldingen van overlast in de gemeente. Hoeveel meldingen komen er op dit punt binnen bij de boa’s? Mevrouw Krol weet dat niet. Wanneer de wethouder het weet, dan hoort men het graag. De vraag is of iedereen wel aangifte doet van de overlast. De heer Van Gageldonk heeft het gevoel dat mensen heel slecht weten hoe men op een normale manier kan stoken en wat de effecten zijn. Aan de andere kant kloppen mensen die er last van hebben nog te weinig bij de buurman/-vrouw aan om het punt aan te kaarten. Het gaat om een wisselwerking. Mevrouw Krol is het eens met het punt dat buren er elkaar op zouden moeten aanspreken. Echter, men weet niet hoe buren echt reageren. Er is op dit moment geen juridische grond op basis waarvan men een ander kan dwingen om met houtvuur te stoppen. Men is nu op zoek naar een mogelijkheid om houtrook wel te stoppen. De heer Van Gageldonk snapt het dilemma. Het is op lokaal niveau heel lastig dit te organiseren zonder nationale kaders. Daar moet men op wachten.
Tussentijds moet men zoveel mogelijk inspanning steken in 9
voorlichting. Mevrouw Krol vraagt de heer Van Gageldonk wat voor soort informatie men dan nog moet verstrekken. Er is al een campagne geweest afgelopen najaar. Wat moet men dan nu doen? De heer Van Gageldonk weet het ook niet precies. Er zijn mensen die niet lezen. De heer Van Loenhout komt met een paar suggesties. Een zwaarwegend advies op het moment dat er sprake is van code rood. Een signaal nu even niet stoken. Bij excessen zou men een buurtcoach kunnen inzetten om het probleem op te lossen. Geen rookkanalen bij nieuwbouw is het bekijken waard of dat juridisch haalbaar is. Ook kan men nog kijken of men bij extreme droogte stoken kan verbieden in verband met brandgevaar. De heer Van Haperen is van mening dat men alle suggesties in overweging moet nemen. De heer Hofman merkt op dat het onderwerp wel landelijk speelt. Op landelijk niveau zijn genoeg initiatieven als stookalert. Dat geeft een richting voor wanneer men wel of niet moet stoken of barbecueën. Op basis hiervan kan men kijken hoe men iets juridisch goed kan onderbouwen. Dan hoeven de ambtenaren zich daarop niet te fixeren. Ze hebben het al druk genoeg. De heer Van Haperen denkt dat het goed is dat men de mensen op het punt zoveel mogelijk aanspreekt waar dat mogelijk is. Via internet, de website stookwijze.nu, kan men advies inwinnen en men kan laagdrempelig overtredingen melden.
In het kader van het Schone Lucht Akkoord kan de gemeente daar werk van maken met extra voorlichten en extra communiceren. De heer Wouters sluit zich aan bij de woorden van eerdere sprekers. De mogelijkheden om houtrookoverlast aan te pakken zijn zeer beperkt. Handhaving is onmogelijk. Misschien kan men bij code rood een alert laten uitgaan om niet te stoken. Voor verdere acties is men afhankelijk van de centrale overheid. De heer Cornelissen wil ook wel graag toetsen, maar men wacht daarbij wel op iets wat juridisch haalbaar is. Een ander punt is dat mensen wel kunnen melden, maar dat de gemeente met die meldingen weinig kan doen. De heer Van Haperen denkt dat het melden wel heel belangrijk is. Dan kan men een inzicht krijgen in het probleem. Vervolgens kan men dan aangeven welke juridische middelen de gemeente nodig heeft. De voorzitter geeft aan dat het agendapunt in voldoende mate is behandeld. Hiermee is het agendapunt afgesloten. 8. Rondvraag en sluiting De voorzitter geeft nu ruimte voor de rondvraag. Mevrouw Krol heeft voor dit agendapunt al vooraf een vraag gesteld. De heer Van Loenhout is benieuwd of Leystromen nu wel of niet participeert met woningbouw in het stationsgebied. De voorzitter meldt dat de vraag van mevrouw Krol betrekking had op het Centrumplan-Oost.
Er is genoteerd dat op 8 januari de wethouder heeft aangegeven dat het contract met de supermarkt getekend zou worden. Wat is de huidige status? De heer Schoenmakers geeft aan dat zijn vraag op hetzelfde betrekking heeft. De vraag is ook hetzelfde. Opmerkingen/beantwoording vragen Voor zover de wethouder (Stinenbosch) weet is Leystromen niet specifiek bij de woningbouw in het stationsgebied betrokken. Normaliter wordt Leystromen in de gehele gemeente bij woningbouw wel betrokken. De opmerking dat het contract met de supermarkt in januari getekend zou zijn, is verrassend. Men is nog volop met elkaar in gesprek. Wanneer er witte rook is, dan hoort de raad dat als eerste.
10
De voorzitter constateert dat er verder geen vragen meer zijn. Een woord van dank voor wethouder Stinenbosch. Het was haar laatste commissievergadering. Niets meer aan de orde zijnde, sluit de voorzitter na alle aanwezigen bedankt te hebben voor hun inbreng de vergadering om 21.25 uur.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 31 mei 2022. , voorzitter , griffier
11
Actielijst volgt z.s.m.!
12