Nota van zienswijzen geurgebiedsvisie Gilze en Rijen
Tekst van het document
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie Gemeente Gilze en Rijen
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening Ontwerp beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder Ontwerp geurgebiedsvisie Gemeente Gilze en Rijen
Rapportnummer:
P200734.001
Naam opdrachtgever:
ABG-gemeenten Dhr. T. van den Wijngaard
Postadres:
Gemeente Alphen-Chaam Postbus 3 5130 AA Alphen (NB)
Opstellers:
E. van Overbeek, H. Ullenbroeck
Status:
Definitief
Datum:
2 mei 2022
Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen BV Parklaan 21 5261 LR Vught T (073) 303 27 00 info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl
Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl
Inhoud 1
Inleiding .............................................................................................................. 3
2
Beantwoording zienswijzen ................................................................................. 4
P200734.001
1 Inleiding Burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen hebben op 22 februari 2022 besloten om de Ontwerpverordening geurhinder en veehouderij, de Ontwerpbeleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en de bijbehorende Ontwerpgeurgebiedsvisie ter inzage te leggen. De Wet geurhinder en veehouderij uit 2007 biedt gemeenten de mogelijkheid om met een verordening gemeentelijke geurnormen vast te stellen. De gemeente Gilze en Rijen wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Zo wordt een eigen keuze gemaakt voor de gebiedsgericht bescherming van geurgevoelige objecten tegen geur uit stalen van veehouderijen. De geurgebiedsvisie vormt de basis en de onderbouwing voor deze keuzes. De Ontwerpbeleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en veehouderij is bedoeld om bij ruimtelijke ontwikkelingen de mogelijke geurbelasting uit stallen van meerdere veehouderijen gebiedsgericht te beoordelen. Hiermee wordt afgewogen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Bovengenoemde stukken hebben van 25 februari 2022 tot en met 8 april 2022 ter inzage gelegen in het gemeentekantoor in Rijen. Ook hebben de stukken digitaal ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon iedereen een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Na de verwerking van de zienswijzen wordt de geurverordening en beleidsregel ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
Er zijn gedurende de terinzagelegging drie zienswijzen ingediend door: 1. Natuurplein De Baronie (natuur- en milieuorganisatie) Deze zienswijze is gedateerd op 26 januari 2022 en ontvangen op 27 januari 2022. Dit is voor dat de ontwerp-stukken in de gemeente Gilze en Rijen ter inzage lagen. De reden hiervan is dat de ontwerp-stukken van de gemeenten Alphen-Chaam en Baarle-Nassau eerder ter inzage lagen. Tijdens deze periode heeft “Natuurplein” al een zienswijze aan de gemeente Gilze en Rijen gestuurd. Kennelijk ging “Natuurplein” er van uit dat de stukken voor Gilze en Rijen toen ook ter inzage lagen. Per e-mail d.d. 24 februari 2022 is aan de secretaris van “Natuurplein” mede gedeeld dat de inzage termijn van de gemeente Gilze en Rijen niet gelijk liep met de gemeenten Alphen-Chaam en BaarleNassau. Hierbij is aangegeven dat we er van uit gaan dat de ingediende zienswijze van 26 januari 2022 kunnen betrekken bij deze Nota van Zienswijzen. Kennelijk was dit voor “Natuurplein” akkoord. Er is immers geen reactie gekomen op deze e-mail. 2. GGD Ook voor de GGD geldt dat aan de gemeente Gilze en Rijen een zienswijze is gestuurd voor dat de stukken ter inzage. Ook aan de GGD is aangegeven dat we er van uit gaan dat we deze zienswijze kunnen betrekken bij deze Nota van Zienswijzen. 3. Van Dun Advies B.V.
(adviesbureau) De Provincie Noord-Brabant (4) heeft in een e-mail aan de gemeente een reactie verzonden met “bemerkingen die bij de besluitvorming kunnen worden betrokken”. Hoewel ook hiervoor geldt dat deze bemerkingen zijn ontvangen voor dat de stukken ter inzage lagen, zijn ze bij deze Nota van Zienswijzen betrokken. In hoofdstuk 2 zijn de ingediende zienswijzen en de reactie van de provincie samengevat en in samenhang van een beantwoording voorzien.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
3
P200734.001
2 Beantwoording zienswijzen Samenvatting zienswijze
Beantwoording
1. Natuurplein De Baronie
Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen.
1.1 Onduidelijk is of er een directe relatie tussen NH3-uitstoot en geuremissie aanwezig is. Indiener gaat er vanuit dat met de voorliggende verordening en visie geen aanvullende regelingen m.b.t. NH3-uitstoot worden vastgesteld.
1.1 Er is wel een relatie tussen ammoniak- en geuremissie uit stallen, maar dit is geen directe relatie. De relatie zit in de emissie reducerende technieken (zoals luchtwassers) die zowel ammoniak- als geuremissies reduceren. De mate waarin, de wijze waarop en de techniek waarmee de reductie wordt bewerkstelligd is echter verschillend. De gemeente kan geen aanvullende eisen stellen aan ammoniakuitstoot vanuit stallen ter bescherming van stikstofgevoelige natuur, want hier gaat de rijksoverheid en de provincie over en niet de gemeente. De gemeente kan ten aanzien van ammoniak en stikstof geen eigen gemeentelijk beleid vaststellen en eigen regels stellen, maar moet de rijks- en provinciale regels toepassen. Dit staat ook toegelicht in par. 4.2 van de geurgebiedsvisie.
1.2 Indiener zou graag de gezondheidskundige advieswaarden van de GGD als uitgangspunt zien. De voorgestelde geurnormen voor de vier deelgebieden zijn hoger en geven onvoldoende garantie op een gezonde leefomgeving.
4
1.2 De gezondheidskundige advieswaarden van de GGD geven inderdaad meer bescherming tegen geurhinder in relatie tot een gezonde(re) leefomgeving. Maar deze advieswaarden beperken ook nieuwe gewenste ontwikkelingen zoals woningbouw aan de rand van dorpen en gewenste functieveranderingen in het buitengebied. De gemeente maakt hierin een belangenafweging, maar brengt hierin wel een differentiatie aan door middel van de gebiedsgerichte benadering.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
P200734.001
1.3 Stapsgewijs invoeren van strengere geurnomen met tijdpad en streefwaarden zou onderdeel van het geurbeleid moeten zijn.
1.3 De voorgestelde geurnormen gelden vanaf vaststelling door de gemeenteraad en de publicatie van dat besluit. Het is hierdoor niet mogelijk om voor de toekomst streefwaarden op te nemen in de geurverordening en beleidsregels. Welk kan de gemeenteraad op een later moment een nieuw besluit nemen over de geurnormen. Zie voor beantwoording t.a.v. de geurgebiedsvisie de beantwoording in 7.2.
1.4 Voldoen de normen aan de Europese richtlijnen, ook voor 2030 en later?
1.4. Er zijn geen specifieke Europese richtlijnen m.b.t. de geurbelasting die doorwerken in het vaststellen van gemeentelijke geurnormen voor veehouderijen. Wel zijn er Europese richtlijnen voor de toepassing van Best Beschikbare Technieken (vooral voor grotere veehouderijen), maar deze zijn geïmplementeerd in de nationale wet- en regelgeving (Wet milieubeheer en de actualisatie van vergunningen van zogenaamde IPPC-veehouderijen)
1.5 Wat is de ratio achter de hogere norm voor zones rond natuur, welke inzichten liggen hieraan ten grondslag? Is bekend hoe fauna reageert op de geurbelasting?
1.5 Het beleid is niet erop gericht om natuur te beschermen tegen geur. De provinciale begrenzing van de Zonering Beperking Veehouderijen (ZBV) ligt rondom onder andere natuurgebieden en is aangehouden voor de zonering van Deelgebied C, omdat dit gebieden zijn waar de intensieve veehouderij geen ruimte heeft om uit te breiden in stallen (het zogenaamde ‘bouwblok op de muur’). Het belang van andere functies wordt in deelgebied C hoger geacht dan die van de veehouderij. Hier wil de gemeente andere functies dan veehouderij extra beschermen.
1.6 Indiener mist concrete verwijzingen naar het Kennis Platform veehouderij en humane gezondheid inzake de relatie tussen geurblootstelling/geurconcentratie en gezondheidseffecten.
1.6 De relatie tussen geurblootstelling /geurconcentratie en gezondheidseffecten is op hoofdlijnen beschreven. De essentie staat in de geurgebiedsvisie beschreven in par. 2.5. Hier staat ook een verwijzing naar het Kennis Platform veehouderij en humane gezondheid.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
5
P200734.001
6
1.7 Controle en handhaving moet een integraal deel van de visie zijn. Momenteel wordt alleen gereageerd op basis van klachten en/of herhaaldelijke overtredingen. Dit geldt ook voor controle en handhaving bij mesttransport en het uitrijden van mest.
1.7 Het klopt dat controle en handhaving erg belangrijk zijn. De geurgebiedsvisie is echter bedoeld om geurnormen en beleidsregels voor ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot geurhinder vast te stellen en niet bedoeld voor handhavingsbeleid.
1.8 Effectief meten van geur zou onderdeel moeten zijn van het monitoringsprogramma.
1.8 Er zijn bewegingen gaande op landelijk en provinciaal niveau om te meten wat veranderingen zijn in geurconcentraties als bepaalde maatregelen worden genomen. Maar dit bevindt zich in de onderzoeksfase en kan nog niet in de praktijk toegepast worden. Tot op heden is het zeer moeilijk om geurniveau te meten en om te bepalen van welke specifieke bron geur vandaan komt. Er is een beweging gaande om in de vergunning van middel- naar doelvoorschriften te gaan, maar omdat geur meten complex is zal het naar verwachting nog lange tijd duren voordat er een effectief en toepasbaar instrument is voor het meten van geur en waarvan de resultaten voldoende bruikbaar zijn voor vergunningverlening, monitoring en handhaving.
1.9 Hoe is de emissieregistratie geregeld?
1.9 Er wordt gekeken naar aantal dierplaatsen, diercategorie, stalsysteem en bijbehorende geuremissiefactoren uit de Regeling veehouderij en geurhinder (Rgv). Zo wordt de geuremissie op basis van wettelijk methodiek berekend. Bij luchtwassers wordt gekeken naar een goede werking van deze luchtwassers. Er is geen registratie/meting van feitelijke geuremissies.
1.10 Indiener vindt de huidige werkwijze van saldering van stikstof problematisch. Indiener verzoekt om op de kaartjes inzichtelijk te maken waar er sprake kan zijn van interne of externe saldering.
1.10 De geurgebiedsvisie ziet niet toe op het onderwerp Stikstof en Natura2000. De provincie heeft beleidsregels vastgesteld mb.t. saldering. Zie verder het antwoord bij 4.1
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
P200734.001
2. GGD
De reactie van de GGD geeft aanleiding tot een tekstuele correctie in paragraaf 3.5.1 van de geurgebiedsvisie.
2.1 GGD benadrukt dat er twijfel is over de actualiteit van de relatie tussen geurbelasting en geurhinder en de classificering zoals weergegeven in het PRA onderzoek. De GGD adviseert om in elk geval inzichtelijk te maken wat de voorgestelde ontwikkelingen betekenen in relatie tot de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarden (5 OU voor een woonkern en 10 OU voor het buitengebied); hoeveel woningen per gemeente per deelgebied voldoen aan dit criterium in de huidige en beoogde scenario’s.
2.1 De gezondheidskundige advieswaarden van de GGD geven inderdaad meer bescherming tegen geurhinder in relatie tot een gezonde(re) leefomgeving. Maar deze advieswaarden beperken ook nieuwe gewenste ontwikkelingen zoals woningbouw. De gemeente maakt hierin een belangenafweging, maar brengt hierin wel een differentiatie aan door middel van de gebiedsgerichte benadering.
Voor deelgebied B stelt de GGD voor om de gezondheidskundige advieswaarde voor de bebouwde kom zowel wat betreft voorgrond- als achtergrondgeurbelasting over te nemen. Houd daarbij rekening met het daadwerkelijke aantal (toekomstige) woningen in de verschillende deelgebieden.
2.2 Op pagina 77 van de geurgebiedsvisie wordt het belang van een streefwaarde voor achtergrondgeurbelasting benoemd. Deze zou door de gemeenteraad moeten worden vastgesteld. Er wordt voorgesteld om de streefwaarde op langere termijn te baseren op de advieswaarde van de GGD. In de visie is niet terug te zien welke stappen nodig zijn om op lange termijn deze streefwaarde te halen. Met de twee uitgewerkte scenario’s komt deze streefwaarde niet in zicht. De GGD adviseert vast te leggen op welke termijn (bijvoorbeeld over 5 jaar) deze
Voor deelgebied B (kernrandzones) geldt nu een voorgrond geurnorm van 14 Ou, m.u.v. de kernrandzone van Alphen waar nu een norm van 8 Ou geldt. Voorgesteld wordt deze norm aan te scherpen naar 5 Ou. De voorgestelde norm m.b.t. de achtergrondbelasting is 13 Ou. Een nog scherpere geurnorm voor deelgebied B conform het advies van de GGD (2 Ou voorgronden 5 Ou achtergrondbelasting) biedt extra bescherming, maar blokkeert gewenste functieveranderingen. Als er voor wordt gekozen om voor deelgebied B het advies van de GGD over te nemen, komt het belang van de woningbouwopgave in het geding i.v.m. de omgekeerde werking voor bestaande veehouderijen. De voorgestelde normen (5 Ou voorgrond en 13 Ou achtergrond) voor deelgebied B worden als meer passend gezien. 2.2 De geurgebiedsvisie is bedoeld als onderbouwing bij de besluitvorming van de geurnormen en de beleidsregel in 2022 En is niet bedoeld als basis voor het nemen van besluiten over aangepaste normen over enkele jaren. Daar kan nu nog niet op worden voorgesorteerd. Gemeente streeft naar lagere geuremissies en hieraan gerelateerde geurbelasting en verdere
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
7
P200734.001
geurgebiedsvisie wordt geactualiseerd en bij deze actualisatie de streefwaarde als uitgangspunt te hanteren.
verbetering van het leefklimaat, maar hoe snel dit gerealiseerd wordt is moeilijk te voorspellen. Naast de invloed van de gemeentelijke geurnormen, de provinciale normen en de landelijke regelgeving t.a.v. geur uit stallen, zullen ook economische ontwikkeling van de veehouderij en het stikstof- en klimaatbeleid belangrijke bepalende factoren zijn. De ontwikkeling van de geurbelasting zal worden gevolgd en daarover zal de gemeenteraad periodiek worden geïnformeerd. Als die ontwikkeling aanleiding geeft tot heroverweging c.q. aanpassing van de normen, kan er een nieuw voorstel aan de gemeenteraad worden voorbereid. Onder de Omgevingswet zal dit vorm moeten krijgen via het aanpassen het gemeentelijk omgevingsplan.
2.3 De GGD vraagt aandacht voor bestaande en mogelijk nieuwe knelpunten zoals bijvoorbeeld in het voormalig LOG Oostflank . Het is voor de GGD onvoldoende duidelijk of deze geurgebiedsvisie de oplossing van bestaande knelpunten dichterbij brengt. Uit de visie blijkt niet hoe de gemeente van plan is om te gaan met geuroverlast in bestaande knelpunten. De GGD dringt aan dat in knelpuntsituaties naar een specifieke oplossing wordt gezocht in samenspraak met (vermoedelijke) veroorzakers en omwonenden. Verder adviseert de GGD op basis van gezondheidskundige overwegingen om de 50% regeling geheel af te schaffen, omdat deze niet leidt tot het realiseren van een goed woon- en leefklimaat.
2.3 De gemeente Alphen-Chaam werkt vanuit het thema “plattelandsontwikkeling” aan vraagstukken m.b.t. de transitie van het buitengebied en de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. En wil zo veel als mogelijk komen tot een gebiedsgerichte aanpak voor het bieden van perspectief voor veehouders en aanpakken van bestaande knelpunten. De aangescherpte geurnormen helpen hierbij maar lossen de knelpunten niet geheel (en zeker niet alleen) op. Een gemeentelijke geurnorm leidt namelijk niet tot een verplichting om die geurnorm te halen. Zie hiervoor de toelichting in de geurgebiedsvisie. De aanpak voor het LOG Oostflank is een lange termijn aanpak. Hier is maatwerk vereist, zoals inspelen op ontwikkelingen en ruimte geven voor aan gewenste transities. Zie de uitleg in par 5.4. en 7.3. van de geurgebiedsvisie. De mogelijkheid tot afschaffen van de 50%regeling in de Wet geurhinder en veehouderij en in de Omgevingswet ligt bij het Rijk en niet bij de gemeente. Zie voor ontwikkelingen in de wet- en regelgeving paragraaf 2.6 van de geurgebiedsvisie
8
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
P200734.001
De gemeente kan op dit moment alleen op basis van de Crisis- en herstelwet in concrete gevallen afwijken binnen een bandbreedte van 0%-50%, mits goed onderbouwd. Zie par. 6.5 in de geurgebiedsvisie. 2.4 In het concept gebiedsgericht geurbeleid is op dit moment niets opgenomen over te hanteren afstanden met betrekking tot dieren zonder wettelijke geuremissiefactor. De GGD adviseert tenminste 100 meter afstand tot een gevoelige bestemming aan te houden en om hierbij een staffeling op te nemen, waarbij afhankelijk van de grootte van een bedrijf een grotere afstand moet worden aangehouden.
2.4 Er is geen historie van klachten bekend ten aanzien van geurhinder door grotere veehouderijen met dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld, waaronder melkveehouderijen. Er zijn zover bekend geen knelpuntsituaties die aanleiding geven om af te wijken van de landelijke vaste afstanden die gelden voor stallen voor huisvesting van dieren zonder geuremissiefactor.
2.5 De GGD is van mening dat ook voormalige bedrijfswoningen en plattelandswoningen eenzelfde mate van bescherming moeten genieten als gewone burgerwoningen in het buitengebied. In het bijzonder vraagt de GGD aandacht voor de categorie wonen in deelgebied B waarvoor een veel hogere norm van 13 Ou/m3 wordt voorgesteld, en de categorie Vab/nietwonen in deelgebied D waarvoor 28 Ou/m3 wordt voorgesteld.
2.5 Zie de beantwoording in 7.1 ten aanzien van deelgebied B. Deelgebied D is agrarisch gebied. Hier vindt de gemeente het voor Vab-locaties en nietwoonfuncties gelet op de huidige omstandigheden aanvaardbaar als er sprake is van een hogere geurbelasting (hoger dan de advieswaarden van de GGD). Het hanteren van de advieswaarden van de GGD als geurnorm vermindert de mogelijkheid om mee te werken aan gewenste functieveranderingen c.q. tot een passende bestemming te komen. Er is ten opzichte van de huidige normen geen sprake van een versoepeling voor deze categorie objecten, aangezien het hinderpercentage bij een achtergrondbelasting van 28 OU (25%) overeenkomt met het hinderpercentage van de huidige voorgrondnorm van 14 OU (25%
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
9
P200734.001
2.6 In de visie is onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke invloed van veehouderijen uit België. Hierdoor is er mogelijk sprake van een onderschatting van de daadwerkelijke geurbelasting. Het advies is om ook de geuremissies van deze veehouderijen in de berekening van de geurbelasting mee te nemen.
2.7 De gezondheidskundige advieswaarde voor fijnstof (PM10) bedraagt 15μg/m3 en niet 25μg/m3.
10
2.6 Er zijn geen situaties bekend waar veehouderijen in België bepalend zijn voor de kans op hinder voor woningen en andere geurgevoelige functies t.g.v. geur uit stallen. Voor de veehouderijen in Vlaanderen zijn woningen op Belgisch grondgebied maatgevend en niet de woningen in Nederland of de Nederlandse toetsingskaders. Net zoals voor de veehouderijen in Nederland de gemeentelijke en provinciale geurnormen en de locatie van de voor geur gevoelige woningen en andere functies in Nederland bepalend zijn. Met deze geurgebiedsvisie hebben we een kader ontwikkeld om gebiedsgericht geur vanuit stallen van Nederlandse veehouderijen te reguleren en om gebiedsgericht normen te stellen voor het woon- en leefklimaat voor woningen en andere functies op ons grondgebied. In België is er ander juridisch kader en worden er andere methodieken gebruikt. In Vlaanderen kan de overheid bij hinder maatregelen voorschrijven, net als voor de grote veehouderijen. De tekst in par. 3.5.1 van de geurgebiedsvisie wordt hierop aangepast.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
P200734.001
3. Van Dun advies B.V.
Deze zienswijzen geeft geen aanleiding tot aanpassing van de geurgebiedsvisie.
3.1 Geurnormen deelgebied D: Waarom de geurnormen aanscherpen als deze gebieden geschikt zijn voor veehouderijen vanwege de beperkte aanwezigheid van burgerwoningen en het feit dat er momenteel zeer beperkt sprake is van overbelasting van de provinciale normen.
3.1 Het doel van de aanscherping van de geurnormen is het verlagen van de geurbelasting en verbeteren van het leefklimaat voor het hele grondgebied van de gemeente Alphen-Chaam. Hierbij wordt een gebiedsgerichte benadering toegepast, maar dit neemt niet weg dat er ook in het buitengebied overbelaste situaties zijn met een slecht woonen leefklimaat t.a.v. geur. Het streven is om de geurbelasting hier verder omlaag te bregnen om op termijn tot een aanvaardbaar leefklimaat te kunnen komen. De aanscherping van 14 OU naar 10 OU is een beperkte aanscherping. Een geurnorm van 10 OU biedt echter wel meer bescherming tegen een toename van geurhinder op plaatsen waar de geurnorm niet wordt overschreden dan een geurnorm van 14 OU. De mogelijkheden om de aanwezige milieugebruiksruimte op te vullen worden hiermee kleiner gemaakt. Bij overschrijding van de geurnorm (overbelaste situaties) hebben veehouderijen over het algemeen nog mogelijkheden om de bedrijfsontwikkeling gepaard te laten gaan met een verlaging van de geurbelasting door het toepassen van geurbelasting verlagende maatregelen. Een geurnorm voor de voorgrondbelasting van 10 Ou komt overeen met de provinciale norm van maximaal 20% gehinderden in het buitengebied (= 20 Ou achtergrondbelasting). De aanscherping naar 10 OU brengt juist het gemeentelijk geurbeleid in lijn met het provinciaal geurbeleid.
Zie ook de uitleg in paragraaf 5.4 van de geurgebiedsvisie.
3.2 Beleidsregels voor veehouderijen: Indiener verzoekt in de beleidsregel geen normen voor veehouderijen op te nemen vanwege bestaande, al strengere, normen uit het provinciaal beleid.
3.2 Gemeente heeft de bevoegdheid en een rol bij het beoordelen van een goed woon- en leefklimaat, aanvullend op de provinciale regels. De beleidsregels gaan ook in op het beschermen van woningen die niet beschermd worden door geurnormen via de Wgv (maar alleen door vaste afstanden) en door de provinciale IOV.
3.3 Beleidsregels voor plattelandswoningen:
3.3 Het voorgestelde geurbeleid is erop gericht om niet of alleen bij uitzondering nieuwe plattelandswoningen toe te staan in deelgebied D. Op den duur worden de plattelandswoningen door de voormalige veehouder verkocht aan nieuwe bewoners die geen enkele historie meer hebben
Er worden geen plattelandswoningen meer
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
11
P200734.001
toegestaan in deelgebied D. Dit gebied is juist geschikt aangezien de aanduiding plattelandswoning ervoor zorgt een stoppende ondernemer in de woning kan blijven wonen, zijn veehouderij kan verkopen zonder dat de woning beperkingen oplevert voor veehouderijen in de omgeving. Bewoners van plattelandswoningen zijn zich bewust van de omgeving waarin ze wonen en geur wordt niet als hinder ervaren. De beleidsregels voor plattelandswoningen moeten worden aangepast, zodat in gebieden met veel veehouderijen (deelgebied D) deze ontwikkelingen juist wel mogelijk kunnen worden gemaakt, omdat de landelijke regeling juist bedoeld is om wonen in de buurt van agrarische bedrijven mogelijk te maken.
met het veehouderijbedrijf. Hierdoor wordt de menging van wonen en (ontwikkelende) veehouderijen steeds groter en kunnen er nieuwe onwenselijke situaties ontstaan.
3.4 Indiener verzoekt om met vaststelling van de gebiedsvisie ook beleid vast te stellen omtrent geurgevoelige gebouwen en locaties zoals bedoeld onder de Omgevingswet. Mogelijk ontstaat op basis van de toekomstige definitie een ander beeld van het aantal objecten dat overbelast is. Met het oog op de Omgevingswet zou het logisch zijn om in het kader van de gebiedsvisie al nader in te gaan op de gemeentelijke overwegingen omtrent geurgevoelige gebouwen en locaties en hiervoor een definitie vast te stellen. Dit geeft ondernemers duidelijkheid voor het bepalen van de toekomststrategie van hun
3.4 Door voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een gemeentelijke (ontwerp) geurverordening in procedure te brengen, wordt deze na vaststelling van rechtswege onderdeel van het gemeentelijke omgevingsplan. Door gebruik te maken van deze overgangsregeling is het voor de gemeente mogelijk om op een relatief eenvoudige en snelle wijze duidelijkheid te geven over de begrenzing van de bebouwde kom die aan de orde is bij het beoordelen van geur uit stallen, voor en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zie de toelichting in par. 2.1.4 en 2.1.5 van de geurgebiedsvisie. Gebouwen zonder woonfunctie, zoals bedrijven en kantoren, worden onder de Omgevingswet niet meer vanzelfsprekend als een voor geurhinder gevoelige functie aangemerkt. De gemeente heeft daarin dus meer beleidsvrijheid maar dat is pas aan de orde als de Omgevingswet van kracht is. Het vaststellen van beleid omtrent geurgevoelige gebouwen en locaties zonder woonfunctie gebeurt onder de Omgevingswet in kader van de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Hierbij
12
Aangewezen plattelandswoningen moeten worden herbestemd zodra de veehouderij - die voorheen verbonden was aan deze (bedrijfs)woning -beëindigd wordt. Maar herbestemmen kan een probleem zijn als er vanwege een hogere geurbelasting van andere veehouderijen geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is dan niet mogelijk om tot een passende bestemming te komen. De Wet plattelandswoningen is oorspronkelijk bedoeld voor het oplossen/legaliseren van bestaande knelpunten waarbij burgers in strijd met het bestemmingsplan in een bedrijfswoning woonden. De gemeente wil voorkomen dat er in gebieden met ruimte voor ontwikkeling van veehouderijen door het toestaan van nieuwe plattelandswoningen nieuw knelpunten m.b.t. legalisatie ontstaan. In het voorstel in paragraaf 6.3 van de geurgebiedsvisie is een hardheidsclausule opgenomen, zodat de mogelijkheid bestaat om in bijzondere situaties van het geurbeleid voor plattelandswoningen af te wijken, aan de hand van een onderbouwd voorstel aan de raad.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
P200734.001
bedrijf. Het ligt meer in de lijn om visie en beleid op te stellen welke passen binnen de kaders van de nieuwe Omgevingswet.
moeten ook andere geuraspecten en geurbronnen worden betrokken en dit ligt niet in de scope van deze geurgebiedsvisie. De gemeente kiest ervoor om de beleidsregel als basis te nemen voor bescherming van objecten die onder de Omgevingswet niet standaard beschermd worden. Daarom is in de ontwerpbeleidsregels ook onderscheid gemaakt tussen reguliere geurgevoelige objecten en Vab-locaties / ‘niet-wonen’ , binnen kaders van de huidige landelijke en provinciale wetgeving.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
13
P200734.001
4. Provincie Noord-Brabant
De reactie van de provincie geeft aanleiding tot aanpassing van de redactie in paragraaf 2.1.2 van de geurgebiedsvisie.
4.1 In de redactie van de geurgebiedsvisie is nog sprake van het jaar 2024 als beëindigingsdatum van nertsenhouderijen. Die datum werd -vanwege Corona- vervroegd. Alle nertsenhouderijen zijn inmiddels al gestopt.
4.1 In paragraaf 2.1.2 van de geurgebiedsvisie staat 1 januari 2024 als beëindigingsdatum voor nertsenhouderijen vermeld. Vanwege corona is deze datum vervroegd en moesten alle nertsenbedrijven inderdaad uiterlijk 21 maart 2021 zijn gesloten. De tekst uit de geurgebiedsvisie wordt hierop aangepast. Anders dan bijvoorbeeld in delen van Oost-Brabant is de invloed van nertsenhouderij op de geurbelasting in Alphen-Chaam zeer beperkt en leidt het vervroegd moeten stoppen van nertsenbedrijven niet tot een significante wijziging van de geurbelasting en de ontwikkeling daarvan in Alphen-Chaam. Zie ook paragraaf 3.1.1 van de geurgebiedsvisie.
4.2 Bedoeling van de beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en veehouderij is om bij ruimtelijke ontwikkelingen de mogelijke geurbelasting uit stallen van meerdere veehouderijen gebiedsgericht te beoordelen en daarmee af te wegen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dit laatste echter is aan veel meer criteria onderhevig dan dit ene sectorale geuraspect. Alle integraal te beoordelen plan- en omgevingsaspecten bepalen namelijk samen of hiervan sprake is. De huidige redactie doet het voorkomen alsof enkel dit geuraspect dit bepaalt. Dat is niet correct.
14
4.2 De beleidsregel is specifiek bedoeld voor het toetsen van het aspect geurhinder bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat in de beleidsregel en in de geurgebiedsvisie niet vermeld dat andere aspecten niet getoetst hoeven te worden. In de geurgebiedsvisie is aangegeven dat naast het aspect geur meer aspecten van invloed zijn op het woon- en leefklimaat en de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij. Om die reden wordt in paragraaf 4.2 het beperkende effect van stikstofbeleid op ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen benoemd en in paragraaf 3.5 wordt inzicht gegeven in overige gezondheidseffecten door fijnstof en endotoxinen door veehouderijen.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
P200734.001
4.3 Provincie wijst erop dat de kaders die de Omgevingswet straks biedt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor meerdere geuraspecten en bronnen zal gelden. Het had voor de hand gelegen om in de lijn van het Bkl na te gaan waar wel en niet gewenst was te voorzien in overgangsrecht en wat later resteert aan invulling van de kaders uit het Bkl.
4.3 In BKL staat dat cumulatie van andere geurbronnen betrokken moet worden in omgevingsplan. Er wordt nu echter geen omgevingsplan gemaakt. Zie verder de beantwoording in 6.5.
4.4 Momenteel is sprake van ontwikkelingen – onder meer naar aanleiding van de Commissie Biesheuvel en het Schone Lucht Akkoord- welke naar verwachting op niet al te lange termijn zullen leiden tot strengere normstellingen voor onder meer geur. Het verdient dan ook aanbeveling met die dynamiek in regels van hogere orde rekening te houden.
4.4 In de geurgebiedsvisie is in paragraaf 2.6 een toelichting opgenomen over de ontwikkeling van wet en regelgeving. Hierin is ook ingegaan op het advies van de Commissie Biesheuvel De geurverordening, beleidsregel en geurgebiedsvisie zijn gebaseerd op de nu geldende regelgeving. Er is nu geen concreet zicht op strengere geurnormen. Het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (uitvoeringsregels Omgevingswet) bevat dezelfde landelijke geurnormen als deze nu zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Ook onder de Omgevingswet kunnen gemeenten geurnormen vaststellen binnen een wettelijke bepaalde bandbreedte. Relevante wijzingen onder de Omgevingswet zijn toegelicht in de geurgebiedsvisie, zoals in de samenvating. Gemeente anticipeert via de Crisis- en herstelwet experimenten uit het Schone Lucht Akkoord op de Omgevingswet.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
15
P200734.001
4.5 Over regels van hoger orde het volgende: de gemeente stelt een hogere achtergrondnorm voor van <28 Ou voor 'niet wonen’ en Vablocaties. Een cumulatieve of achtergrondnorm van 28 is echter hoger dan de norm van 20 zoals is opgenomen in de huidige provinciale Interim omgevingsverordening (IOV 2.1) en straks ook in de Omgevingsverordening komt. Deze provinciale norm is van hoger orde en heeft een rechtstreekse werking. Gemeenten zijn vrij om eigen beleid ten aanzien van de cumulatieve geurbelasting te formuleren zolang de provinciale gebiedsnormen daarbij niet worden overschreden. D.w.z. alleen voorzien in strengere gemeentelijke regels is mogelijk.
4.5 Onder de huidige Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit (Ab) gelden voor ‘voormalige bedrijfswoningen behorende bij een veehouderij die gestopt is na 19 maart 2000’ geen geurnormen voor de vergunningverlening, maar alleen vaste minimumafstanden. De IOV biedt aan de ‘vaste afstandswoningen’ geen bescherming aan de cumulatieve geurhinder. Gemeente heeft de bevoegdheid om zelf te kiezen deze woningen bescherming te bieden, of juist minder om andere functies en ontwikkelingen juist mogelijk te maken. Dit is ook bevestigd in de jurisprudentie: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@123796/2018052705-r3/#highlight=2020%3a3138
Voor de beoordeling van de achtergrondbelasting (de cumulatieve geur uit stallen van veehouderijen) heeft de gemeente beleidsvrijheid hoe woningen waarvoor de Wgv alleen vaste afstandsvereisten stelt dienen te worden getoetst. De gemeente moet bij ruimtelijke procedures een beoordeling van het woon- en leefklimaat opnemen, ook voor (voormalige) bedrijfswoningen en plattelandswoningen. Hier is de beleidsregel voor bedoeld. In de provinciale IOV wordt er bij uitbreidingen van veehouderijen getoetst aan de achtergrondbelasting, waarbij de systematiek van de Wgv/Ab is gevolgd. Het staat de gemeente vrij om hier andere keuzen in te maken, zolang deze niet in strijd zijn met de provinciale regels. Ook onder de toekomstige Omgevingswet behouden gemeenten deze beleidsvrijheid. In het omgevingsplan kan de gemeente regels voor geur vastleggen. Bijvoorbeeld door voor voormalige bedrijfswoningen (of voor andere gebieden en functies) vast te leggen hoe vergunningen worden getoetst aan de cumulatieve geurbelasting. Om de (toekomstige) bewoners meer te beschermen tegen een te hoge cumulatieve geurhinder door veehouderijen of om juist een hogere geurbelasting als aanvaardbaar te benoemen, zodat er meer mogelijkheden voor functiewijziging ontstaan.
Ook onder de Omgevingswet kan de gemeente vastleggen dat normen of afstandseisen niet gelden voor iets dat een voormalige functionele binding heeft met dat bedrijf. Bijvoorbeeld voor een voormalige bedrijfswoning. Er is daarrom geen sprake van strijdigheid met provinciale regels van hogere orde, waardoor deze zienswijze niet leidt tot aanpassing.
16
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
P200734.001
Conclusie De ingediende zienswijzen geven geen aanleiding tot aanpassing van de voorgestelde geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder. De reactie van de provincie geeft aanleiding tot aanpassing van de redactie in paragraaf 2.1.2 van de geurgebiedsvisie ten aanzien van de datum van beëindiging van nertsenhouderijen. De reactie van de GGD geeft aanleiding tot aanpassing van de gezondheidskundige advieswaarde voor fijnstof in paragraaf 3.5.1.
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam
17
P200734.001
18
Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Alphen-Chaam