GGD reactie Gilze-Rijen geurgebiedsvisie ABG gemeenten
Tekst van het document
Aan de Gemeenteraad van de Gemeente Gilze-Rijen Postbus 73 5120 AB RIJEN
Kenmerk:
WBGMV-573577165-10410
Datum:
24 januari 2022
Behandeld door:
R. van Aalsburg, M. Scholtes
E-mail:
r.van.aalsburg@ggdgmv.nl
Onderwerp:
Reactie op geurgebiedsvisie ABG gemeenten
Geachte raad, De gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen (ABG-gemeenten) werken vanuit het thema “plattelandsontwikkeling” samen aan vraagstukken m.b.t. de transitie van het buitengebied en de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. In dat kader hebben de ABG-gemeenten een gezamenlijke geurgebiedsvisie opgesteld met als doel te komen tot een gebiedsgerichte aanpak en het daarbij gewenste woon- en leefmilieu, rekening houdend met de belangen van enerzijds burgers en anderzijds de veehouders. De GGD is gevraagd om een reactie te geven op “Gebiedsvisie wet geurhinder en veehouderij ABGgemeenten, onderbouwend rapport bij de geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder ABG-gemeenten”, d.d. 25 november 2021. De GGD maakt graag gebruik van de geboden mogelijkheid. De GGD constateert dat de gemeenten bij de weergegeven berekende geurbelasting terecht is uitgegaan van de nu geldende geuremissiefactoren, dus rekening houdend met de bijstelling van de geuremissiefactoren voor de gecombineerde luchtwassers. De achtergrondbelasting geur is voor de ABGgemeenten berekend op basis van een geactualiseerd veehouderijbestand (BVB november 2020, bewerkt door Pouderoyen Tonnaer in februari 2021).
Geur en gezondheid De belangrijkste en meest voorkomende gezondheidseffecten van geur zijn hinder en verstoring van activiteiten en gedrag, zoals slecht ventileren van de woning, niet graag naar buiten gaan, niet graag familie/ vrienden uitnodigen. Onder hinder wordt verstaan “een gevoel van ongenoegen dat optreedt wanneer een milieufactor wordt waargenomen of wanneer de waarneming iemands gedrag of activiteiten negatief beïnvloedt of wanneer door de waarneming iemand vermoedt, dat deze milieufactor een negatieve invloed heeft.”
Gezondheid Milieu en Veiligheid Postbus 3024 5003 DA Tilburg 088 – 3687800 milieu@ggdgmv.nl
Daarnaast worden in de literatuur ook verschillende (stress gerelateerde) gezondheidsklachten ten gevolge van geur genoemd zoals slaapklachten, hoofdpijn, duizeligheid, vermoeidheid, misselijk en luchtwegklachten. In welke mate geurhinder wordt ervaren wordt niet alleen bepaald door de geurbelasting, maar ook door bijvoorbeeld het hebben van vertrouwen in betrokken partijen (denk hierbij aan factoren als bedrijfsvoering, naleving van procedures, handhaving en communicatie). Naast geurhinder spelen ook andere gezondheidsaspecten een rol rondom intensieve veehouderij. In algemene zin kan men verwachten, dat emissiebeperkende maatregelen naast geurreductie ook effect hebben op de uitstoot van fijn stof, ammoniak en endotoxinen. Echter, in welke mate dat geldt voor biologische componenten die relevant zijn voor de gezondheid zoals zoönosen, is niet duidelijk. Ook blootstelling aan geluid kan leiden tot ongewenste gezondheidseffecten. Indien de gemeenten dergelijke risico’s wil beperken zal hiervoor aanvullend ander beleid opgesteld moeten worden. Aanknopingspunten zijn: -
de Wet Publieke Gezondheid waarin is bepaald dat gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen bewaakt moeten worden en dat maatregelen geformuleerd kunnen worden ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen
-
de Wet Ruimtelijke Ordening waarin is bepaald dat een ontwikkeling moet voldoen aan het begrip “goede ruimtelijke ontwikkeling”.
De GGD wil benadrukken dat bezorgdheid over andere gezondheidsrisico’s kan leiden tot eerder optreden van geurhinder. Communicatie door gemeenten en bedrijven over hoe andere gezondheidsrisico’s zoals geluidsoverlast en luchtverontreiniging zoveel mogelijk beperkt worden, kan mogelijk ook geurhinder voorkomen. Voorgestelde normen en afstanden -
De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de vergunningverlening voor veehouderijen het wettelijk kader. De wet biedt gemeenten de mogelijkheid om binnen een bandbreedte eigen gemeentelijke geurnormen en andere afstanden vast te stellen. In de geurgebiedsvisie zoals die thans is voorgelegd, wordt een onderbouwing gegeven voor de voorgestelde gemeentelijke geurnormen. De ambities van de gemeenten zijn uitgewerkt naar verschillende beschermingsniveaus per deelgebied, waarbij per deelgebied is gekeken naar de functie van dat deelgebied in relatie tot het aantal (burger-)woningen en veehouderijen.
-
De voorgestelde normen zijn veelal gericht op het voorkomen dat het percentage geurgehinderden oplopen tot boven de gezondheidskundige advieswaarden in niet-agrarisch gebied (12%) en agrarisch gebied (20%). Hierbij worden door de GGD een aantal kanttekeningen geplaatst: o
Dieren met een wettelijke geuremissiefactor: Voor de voorgrondgeurbelasting is in de gebiedsvisie aangesloten bij de waarden zoals die in de WGV zijn vastgesteld voor een concentratiegebied. Voor de achtergrondgeurbelasting is aangesloten bij de provinciale normen die gebaseerd zijn op het PRA onderzoek.
Door de GGD wordt voor de voorgrondgeurbelasting geen onderscheid gemaakt tussen een concentratie en niet-concentratiegebied, omdat dit niet gezondheidskundig is onderbouwd. 2
Zij hanteert de waarden zoals die gelden voor een niet-concentratiegebied, zijnde 2 en 5 OU/m3.
Voor de achtergrondgeurbelasting sluit de GGD aan bij de onderzoeksresultaten van Geelen et al. Het onderzoek van Geelen et al. geeft op dit moment het best beschikbare beeld van de relatie tussen achtergrondgeurbelasting van veehouderij en mate van (ernstige) geurhinder binnen het onderzoeksgebied van Noord-Brabant en Limburg, zo concludeert het RIVM. Daarom hanteert de GGD deze recentere relaties voor de gezondheidskundige beoordeling. Uitgaande van maximaal 12% geurgehinderden voor een woonkern en 20% voor het buitengebied, komt dat overeen met een achtergrondgeurbelasting van 5 OU/m3 voor een woonkern en 10 OU/m3 voor het buitengebied. De GGD verwacht dat het percentage geurgehinderden hoger zal liggen dan in de visie als uitgangspunt is gehanteerd. In een aantal deelgebieden wordt er bewust voor gekozen om een hoger percentage geurgehinderden toe te staan dan de eerder benoemde percentages. Zou aangesloten worden bij de dosis-responsrelatie van de GGD, dan ligt het percentage geurgehinderden nog hoger dan nu benoemd wordt in de visie. Bovendien zijn er andere geurbronnen zoals brijvoerkeukens en mestverwerking die de geurbelasting in een gebied negatief kunnen beïnvloeden.
Ook wordt geen rekening gehouden met de geuremissies van veehouderijen uit België, terwijl deze in de praktijk mogelijk wel van invloed zijn op de geurbelasting van de omwonenden, met name in Alphen-Chaam en Baarle Nassau. Dit betekent dat de daadwerkelijke geurbelasting en daarmee het percentage geurgehinderden hoger zal liggen dan waar nu rekening mee wordt gehouden.
Op basis van tabel 4.2 kan gesteld worden dat in de bebouwde kom het aantal woningen dat in het groei-scenario niet voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarde voor de achtergrondgeurbelasting van 5 Ou/m3, toeneemt. Daarbij wordt zowel in het scenariotrendmatig als groei-scenario uitgegaan van een zelfde aantal woningen als in 2020 (16.981 woningen). De GGD vraagt zich af of dit een terechte aanname is of dat het aantal woningen in de toekomst toeneemt. Indien het aantal woningen toeneemt, vraagt de GGD zich af welke geurbelasting deze woningen krijgen. Daarnaast geldt dat de gemeente deelgebied B niet definieert als bebouwde kom, terwijl hier wel veel woningen staan. Wel geeft de gemeente in haar geurgebiedsvisie aan de norm voor de voorgrondgeurbelasting te willen verlagen. Op basis van tabel 4.2 is niet duidelijk wat het aantal woningen is in de verschillende deelgebieden (B, C en D afzonderlijk) onder de verschillende scenario’s. Ook hier geldt weer dat er wordt uitgegaan van een zelfde aantal woningen in het totale buitengebied als in 2020 (3.714). Ook hierbij vraagt de GGD zich af of dit een terechte aanname is. Het uitgangspunt van de GGD is dat ook voor nieuw te bouwen woningen voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarden waarbij deelgebied B naar mening van de GGD als bebouwde kom zou moeten worden gezien.
Verder is de GGD van mening dat ook voormalige bedrijfswoningen en plattelandswoningen eenzelfde mate van bescherming moeten genieten als gewone burgerwoningen in het buitengebied. Uit tabel 4.3 blijkt het aantal woningen buiten de bebouwde kom dat niet voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarde van 10 Ou/m3 voor de achtergrondgeurbelasting in het groei-scenario toeneemt. 3
In het bijzonder vraagt de GGD aandacht voor de categorie wonen in deelgebied B waarvoor in hoofdstuk 6.2 een veel hogere norm van 13 Ou/m3 en de categorie Vab/niet-wonen in deelgebied D waarvoor 28 Ou/m3 wordt voorgesteld.
o
Dieren zonder wettelijke geuremissiefactor:
Binnen de gemeenten zijn er gebieden waar met name melkrundvee wordt gehouden. Voor deze diersoort zijn geen wettelijke geuremissiefactoren vastgesteld en wordt derhalve niet meegenomen in de berekening van de geurbelasting. Enkel wordt een afstandscriterium gehanteerd. In de visie wordt kort ingegaan op de te hanteren afstand tussen een stal en een geurgevoelig object in de huidige geurverordeningen van de verschillende gemeenten. De in de huidige geurverordeningen genoemde afstanden zijn naar oordeel van de GGD te gering om geurhinder te voorkomen. De GGD adviseert tenminste 100 meter afstand tot een eerste gevoelige bestemming aan te houden, ook in het buitengebied. Afhankelijk van de grootte van een bedrijf is een grotere afstand te overwegen (staffeling). In het concept gebiedsgericht geurbeleid is op dit moment niets opgenomen over te hanteren afstanden met betrekking tot dieren zonder wettelijke geuremissiefactor.
Conclusie en advies: -
Op pagina 77 wordt het belang van een streefwaarde voor achtergrondgeurbelasting benoemd. Deze zou door de gemeenteraad moeten worden vastgesteld. Er wordt voorgesteld om de streefwaarde op langere termijn te baseren op de advieswaarde van de GGD. In de visie is niet terug te zien welke stappen nodig zijn om op lange termijn deze streefwaarde te halen. Met de twee uitgewerkte scenario’s komt deze streefwaarde niet in zicht. De GGD adviseert vast te leggen op welke termijn (bijvoorbeeld over 5 jaar) deze geurgebiedsvisie wordt geactualiseerd en bij deze actualisatie de streefwaarde als uitgangspunt te hanteren.
-
De GGD benadrukt dat er twijfel is over de actualiteit van de relatie tussen geurbelasting en geurhinder en de classificering zoals weergegeven in het PRA onderzoek. De GGD adviseert om in elk geval inzichtelijk te maken wat de voorgestelde ontwikkelingen betekenen in relatie tot de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarden; hoeveel woningen per gemeente per deelgebied voldoen aan dit criterium in de huidige en beoogde scenario’s. Voor deelgebied B stelt de GGD voor om de gezondheidskundige advieswaarde voor de bebouwde kom zowel wat betreft voorgrond- als achtergrondgeurbelasting over te nemen. Houd daarbij rekening met het daadwerkelijke aantal (toekomstige) woningen in de verschillende deelgebieden.
-
In de visie is onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke invloed van veehouderijen uit België. Hierdoor is er mogelijk sprake van een onderschatting van de daadwerkelijke geurbelasting. Het advies is om ook deze veehouderijen en de daarbij behorende geuremissies in de berekening van de geurbelasting mee te nemen.
-
De GGD vraagt aandacht voor bestaande en mogelijk nieuwe knelpunten zoals bijvoorbeeld in het voormalig LOG Oostflank (pagina 63 en 64). Het is voor de GGD onvoldoende duidelijk of deze geurgebiedsvisie de oplossing van bestaande knelpunten dichterbij brengt. Uit de visie blijkt niet hoe de gemeente van plan is om te gaan met geuroverlast in bestaande knelpunten.
4
Bovendien blijkt in de praktijk er ook geuroverlast op te treden in situaties waar geen sprake is van overtredingen of normoverschrijding. Denk daarbij aan andere geurbronnen dan stallen of een ongunstige uitlaat van de geurpluim uit de stal. Handhaving biedt in dergelijke situaties geen uitkomst. De GGD dringt aan dat in knelpuntsituaties naar een specifieke oplossing wordt gezocht in samenspraak met (vermoedelijke)veroorzakers en omwonenden. Verder adviseert de GGD op basis van gezondheidskundige overwegingen om de 50% regeling geheel af te schaffen omdat deze niet leidt tot het realiseren van een goed woon- en leefklimaat. -
In de visie is naar mening van de GGD onvoldoende aandacht besteed aan diersoorten zonder wettelijke geuremissiefactor en met vaste afstanden, terwijl deze diersoort een groot aandeel heeft in de omvang van het aantal landbouwhuisdieren in dit gebied. De GGD adviseert aan te sluiten bij de richtlijn zoals opgesteld door de VNG. De aan te houden afstand bedraagt minimaal 100 meter. Binnen deze afstand zouden geen geurgevoelige objecten moeten liggen. Wanneer er meer dieren gehouden worden, zou een staffeling toegepast moeten worden, zoals bijvoorbeeld is opgenomen in het geurbeleid van Landerd en waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met het aantal dieren, maar ook het stalsysteem. Het advies van de GGD is om ook een dergelijk soort staffeling in het geurbeleid van de ABG gemeenten op te nemen.
Tot slot wordt in de geurgebiedsvisie gesproken over nieuwe technieken zoals het verhogen van de uitstroomsnelheid en uitstroomopening. De GGD wil er op wijzen dat dergelijke technieken niet leiden tot een emissieverlaging en daarmee een verlaging van de deken van fijnstof/endotoxinen die boven Nederland hangt. Wel kan het een positief effect hebben op de immissies op de meest nabijgelegen gevoelige bestemmingen. Ook wijzen willen we er op wijzen dat de gezondheidskundige advieswaarde voor fijnstof (PM10) 15µg/m3 bedraagt en niet 25µg/m3, zoals in het rapport is aangegeven (pagina 53). Aan de gemeenteraden van de twee andere ABG-gemeenten is eenzelfde inhoudelijke reactie gestuurd. Wanneer u naar aanleiding van deze brief nog vragen heeft, kunt u contact opnemen met dhr. R. van Aalsburg of mevrouw M. Scholtes, via 088-3687800. Met vriendelijke groet,
J. Vroege Sectormanager Leefomgeving GGD Hart voor Brabant
5