CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Geurgebiedsvisie ABG gemeenten 4 mei 2022

Raadscommissie Ruimte 27 september 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststellen van de Geurgebiedsvisie, de Verordening geurhinder en veehouderij Gilze en Rijen 2022 en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Gilze en Rijen 202228.013 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG - gemeenten

Onderbouwend rapport bij de geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder ABG-gemeenten gemeente Alphen-Chaam gemeente Baarle-Nassau gemeente Gilze en Rijen

Gebiedsvisie Wet geurhinder een veehouderij ABG - gemeenten Gemeente Alphen-Chaam Gemeente Baarle-Nassau Gemeente Gilze en Rijen

Rapportnummer:

P200734.007.R1

Naam opdrachtgever:

ABG-organisatie de heer T. van den Wijngaard

Adres opdrachtgever:

Postbus 3 5130 AA ALPHEN

Opsteller:

H. Ullenbroeck, K. Albers, E. van Overbeek

Status:

definitief

Datum: Gewijzigd:

25 november 2021 3 februari 2022, 14 april 2022, 4 mei 2022

Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen BV St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen T (024) 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl

Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl

P200734.007

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................ 4 1

Inleiding ............................................................................................................ 15 1.1 Waarom een geurgebiedsvisie? ........................................................................................... 15 1.2 Vaststellen of aanpassen van geurnormen .......................................................................... 15 1.3 Beoordelen geurbelasting van meerdere veehouderijen samen ......................................... 16 1.4 Voorsorteren op de Omgevingswet ..................................................................................... 17 1.5 Onderbouwing voor geurverordening en beleidsregel voor cumulatieve geurhinder ........ 17 1.6 Procedure ............................................................................................................................. 17 1.7 Leeswijzer ............................................................................................................................. 18

2

Geurhinder en veehouderijen ............................................................................ 19 2.1 Wet geurhinder en veehouderij ........................................................................................... 19 2.1.1

Verschillen in normen: concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden ................................ 19

2.1.2

Geuremissiefactoren en vaste afstanden ........................................................................................ 19

2.1.3

Voorgrond- en achtergrondbelasting .............................................................................................. 20

2.1.4

Bebouwde kom (Wgv) en bebouwingscontouren (Omgevingswet) ................................................ 22

2.1.5

Geurgevoelig object (Wgv en Omgevingswet) ................................................................................ 23

2.1.6

Toepassing van technieken om de geurbelasting te verminderen .................................................. 23

2.2 Geur uit stallen en geurnormen ........................................................................................... 23 2.3 Geur uit meerder stallen samen: achtergrondbelasting ...................................................... 25 2.4 Doorwerking geurnormen in ruimtelijke plannen ................................................................ 26 2.5 Geur en gezondheid ............................................................................................................. 28 2.6 Toekomstige wet- en regelgeving geur en veehouderijen ................................................... 30

3

Geurbelasting door veehouderijen .................................................................... 33 3.1 Ontwikkeling veehouderij per gemeente ............................................................................. 33 3.1.1

Gemeente Alphen-Chaam ............................................................................................................... 33

3.1.2

Gemeente Baarle-Nassau ................................................................................................................ 35

3.1.3

Gemeente Gilze en Rijen ................................................................................................................. 38

3.2 Ontwikkeling veehouderij per veehouderijsector ................................................................ 40 3.3 Vrijkomende agrarische bebouwing (vab-locaties) .............................................................. 42 3.4 Bestaande geurbelasting op basis van vergunningen veehouderijen .................................. 45

2

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

3.4.1

Gemeente Alphen-Chaam ............................................................................................................... 46

3.4.2

Gemeente Baarle-Nassau ................................................................................................................ 47

3.4.3

Gemeente Gilze en Rijen ................................................................................................................. 50

3.5 Overige gezondheidseffecten door veehouderijen .............................................................. 53

4

3.5.1

Fijnstof belasting door veehouderijen ............................................................................................. 53

3.5.2

Endotoxinen belasting door veehouderijen .................................................................................... 54

Mogelijke ontwikkeling geurbelasting ............................................................... 57 4.1 Milieuruimte huidige geurnormen ....................................................................................... 57 4.2 Scenario-onderzoek ontwikkeling geurbelasting huidige geurnormen ............................... 59 4.2.1

Uitgangspunten scenario’s .............................................................................................................. 59

4.2.2

Ontwikkeling geurbelasting scenario’s ............................................................................................ 62

4.3 Conclusies onderzoek ontwikkeling geurbelasting .............................................................. 68

5

Overwegingen t.a.v. gemeentelijke geurnormen ............................................... 73 5.1 Ontwikkeling veehouderij en de geurbelasting uit stallen ................................................... 73 5.2 Overwegingen m.b.t. bijstellingen van de voorgrondnormen ............................................. 73 5.3 Overwegingen bij gemeentelijke normen t.a.v. de achtergrondbelasting ........................... 77 5.4 Gebiedsgericht geurbeleid ................................................................................................... 78

6

Uitwerking concept gebiedsgericht geurbeleid .................................................. 83 6.1 Ontwerp geurverordening 2021 ........................................................................................... 83 6.2 Beleidsregel beoordelen cumulatieve geurbelasting 2021 .................................................. 86 6.3 Plattelandswoningen ............................................................................................................ 88 6.4 Beschermingsniveau onder de Omgevingswet .................................................................... 89 6.5 Gebruik maken extra bevoegdheden Crisis- en Herstelwet ................................................. 90

Kaarten ................................................................................................................... 92

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

3

P200734.007

Samenvatting Doel van deze geurgebiedsvisie De gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen werken vanuit het thema “plattelandsontwikkeling” samen aan vraagstukken m.b.t. de transitie van het buitengebied en de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. De ontwikkeling van de veehouderij is daarbij een belangrijk thema. De ABG-gemeenten willen zo veel als mogelijk komen tot een gebiedsgerichte aanpak voor het bieden van perspectief voor gestopte en nog te stoppen boeren én voor de boeren die door gaan. In dat kader is het van belang om als gemeente gebiedsgerichte kaders vast te leggen met betrekking tot het gewenste woon- en leefmilieu vanuit het aspect geurhinder (uit stallen van veehouderijen). Dit gelet op de verzoeken tot functiewijzigingen van stoppende veehouderijen én de plannen van veehouderijen die verder willen ontwikkelen. In een geurgebiedsvisie wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van de geurbelasting uit stallen van veehouderijen. Dit in relatie tot de gewenste ontwikkeling van het buitengebied, de ontwikkeling van veehouderijen en andere thema’s zoals gezondheid en vitaliteit van het buitengebied. Een geurgebiedsvisie biedt een kader en onderbouwing voor het mogelijk vaststellen of actualiseren van gemeentelijke geurnormen en vaste afstanden die van belang zijn voor de vergunningverlening van veehouderijen.

Daarnaast is de geurgebiedsvisie ook van belang voor het onderbouwen en vaststellen van streef- en toetswaarden met betrekking tot de meewegen van de geurbelasting bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat. De geurgebiedsvisie kan ook als basis worden gebruikt om als gemeente te anticiperen op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De geurbelasting t.g.v. geur uit stallen van veehouderijen wordt uitgedrukt in de voorgrondbelasting en in de achtergrondbelasting. Met de voorgrondbelasting, ook wel individuele belasting genoemd, wordt de geurbelasting van 1 veehouderij op een geurgevoelig object zoals een woning, bedoeld. Bij de vergunningverlening van veehouderijen wordt getoetst op de hoogte van de voorgrondbelasting en/of de afstand tussen een stal waar dieren worden gehuisvest en de gevel van een nabij gelegen woning of andere gevoelige objecten. De achtergrondbelasting, ook wel de cumulatieve belasting genoemd, bestaat uit de geurbelasting van alle veehouderijen samen op een voor geur hinder gevoelig object. De achtergrondbelasting wordt gebruikt als belangrijke maat om de effecten van geurhinder uit stallen van veehouderijen op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen.

Bijvoorbeeld om bij een aanvraag voor een nieuwe woning in de omgeving van veehouderijen te toetsen of er sprake is van een voldoende goed woon- en leefmilieu voor de toekomstige bewoners van de woning. Omdat er veel veehouderijen zijn gestopt en er naar verwachting gaan stoppen, is een dergelijke toets ook van belang om te beoordelen of een voormalige bedrijfswoning kan worden gebruikt als reguliere woning en of de geurbelasting ter plaatste een belemmering is voor andere functies op de locatie van de voormalige veehouderij. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van de normen en afstanden voor de vergunningverlening van veehouderijen en voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de geurbelasting bij functiewijzigingen, eigen keuzen maken. Mits deze is onderbouwd en vastgelegd in besluiten door de gemeenteraad. Deze geurgebiedsvisie is bedoeld ter onderbouwing van dergelijke besluiten.

4

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Ontwikkeling geurbelasting uit stallen van veehouderijen De drie gemeenten kennen samen ruim 500 veehouderij-locaties (vergunningen uit 2020), waarvan ongeveer de helft een locatie betreft waarin dieren worden gehuisvest waarvoor wettelijk een geuremissiefactor is vastgesteld, zoals varkens, pluimvee, vleeskalveren en geiten. Tussen 2000 en 2020 is het aantal locaties met ongeveer 30% afgenomen, is de economische omvang van de vergunde dierplaatsen gegroeid met ongeveer 20% en is de vergunde geuremissie uit stallen ongeveer gelijk gebleven. Met name vanwege de bijstelling van de geuremissiefactoren voor combiwassers en de toename van het aantal vergunde dierplaatsen is de vergunde c.q. actueel berekende geuremissie dus per saldo nauwelijks afgenomen, ondanks de modernisering van stallen. Er is door de ABG- gemeenten tot dusverre nauwelijks gebruik gemaakt van het vaststellen van strengere geurnormen (voorgrond- of achtergrondnormen) om bij bedrijfsontwikkeling van (intensieve) veehouderijen te sturen op een afname van de geurbelasting door de emissie van geur uit stallen. Wel stuurt de provincie sinds 2014 via haar regels m.b.t. de maximale cumulatieve geurbelasting bij ontwikkeling van intensieve veehouderijen op een afname van de cumulatieve geurbelasting in de hoger belaste gebieden.

Deze regels leiden er toe dat als er sprake is van uitbreidingen van intensieve veehouderijen in gebieden met een te hoge geurbelasting, o.b.v. provinciale normen, die uitbreiding gepaard moet gaan met een afname van de geurbelasting. Vooral in het buitengebied van Alphen-Chaam en Baarle-Nassau zijn er gebieden waar de cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen hoger dan de provinciale norm voor het buitengebied (niet meer 20 Ou cumulatief). In de bebouwde kom is de geurbelasting in het algemeen lager dan de provinciale norm voor de bebouwde kom (niet meer dan 10 Ou cumulatief). Er zijn in de ABG-gemeenten ruim 200 woningen waar er sprake is van een overschrijding van de provinciale cumulatieve geurnorm. Deze liggen vooral in het buitengebied van Baarle-Nassau en Alphen-Chaam (zie onderstaand figuur S1). Onderzoek naar de mogelijke ontwikkeling van de geurbelasting, bij zowel een trendmatige ontwikkeling als bij een sterkere groei en concentratie, laten zien dat de bestaande knelpunten/overbelasting bij ongewijzigd beleid slechts beperkt verminderen. Het risico op toename van de geurbelasting op deze woningen door uitbreidende veehouderijen wordt als relatief beperkt ingeschat. Risico op nieuwe geuroverlast is vooral te verwachten voor nieuwe woningen c.q.

bij functieveranderingen op locaties van stoppers / reeds gestopte veehouderijen, gelegen nabij blijvende of ontwikkelende intensieve veehouderijen. En door opvulling van de zogenaamde latente ruimte op veehouderijlocaties nabij woningen in buitengebied. Er zal vooral sprake zijn van afname van geuroverlast door stoppende veehouderijen (autonoom en op basis van regelingen van rijk en provincie) en door modernisering van bestaande stallen vanwege de provinciale eisen vanaf 1 januari 2024. Aanvullend kan er sprake zijn van emissiereductie vanwege de werking van gemeentelijke en provinciale geurnormen en innovatieregelingen. Op de langere termijn (2030 – 2050) zal de impact van de klimaatopgave (een sterke reductie van de broeikasgassen) doorwerken in de emissies vanuit de veehouderij en zeer waarschijnlijk ook op de omvang van de veehouderij. Uitgaande van een verwachte krimp van de veestapel in de periode tot 2030-2050, in combinatie met eisen van de overheid t.a.v. het beperken van emissies (stikstof, broeikasgassen, fijn stof en geur) in huisvestingssystemen en bij de aanwending van mest, zal de geurbelasting naar verwachting afnemen en het aantal stoppende c.q. gestopte veehouderijen verder toenemen.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

5

P200734.007

Figuur S1: Achtergrondbelasting (in klassen) op basis van vergunde dierplaatsen van veehouderijen. De provinciale norm voor het buitengebied is 20 Ou, voor de bebouwde kom 10 Ou (cumulatief).

6

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Gebiedsgerichte benadering t.b.v. voorstel voor gemeentelijke geurnormen De gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen willen zo veel als mogelijk komen tot een gebiedsgerichte aanpak voor het bieden van perspectief voor gestopte en nog te stoppen veehouders en voor de veehouderijen die verder willen ontwikkelen. Er zijn in deze geurgebiedsvisie vier gebiedstyperingen onderscheiden: 1. Gebieden met relatief weinig woningen en weinig veehouderijen Hier zijn de reguliere wettelijke geurnormen en het reguliere ruimtelijke beleid passend. De wettelijke voorgrondnorm en voldoende afstand tussen veehouderij en woningen zijn bepalend om knelpunten te voorkomen. Deze gebieden zijn geen specifieke aandachtsgebieden voor het gemeentelijke geurbeleid. 2. Gebieden met relatief weinig woningen en veel veehouderijen In een gebied met relatief veel veehouderijen en weinig woningen is de aanwezige ontwikkelingsruimte voor de veehouderij een belangrijk aandachtpunt. Zeker in gebieden waar er om meerdere redenen ruimte is – c.q. wordt geboden - voor de intensieve veehouderij is behoud van ontwikkelingsruimte voor de veehouderij van belang, zoals in delen van de voormalige landbouwontwikkelingsgebieden. In dit type gebied dient bij voorkeur terughoudend te worden omgegaan met nieuwe woningen.

Daar waar deze woningen al aanwezig zijn of wenselijk worden geacht, is een lagere bescherming tegen geurhinder te overwegen. 3. Gebieden met veel woningen en weinig veehouderijen In een gebied met veel woningen en weinig veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat een belangrijk aandachtspunt. In dit type gebied moet terughoudend worden omgegaan met het bieden van ontwikkelruimte voor de intensieve veehouderij en kunnen vanuit het aspect geurhinder mogelijkheden voor nieuwe woningen of functieverandering naar wonen worden geboden. 4. Gebieden met relatief veel woningen en veel veehouderijen In dit type gebied is een gebiedsgerichte – c.q. maatwerk aanpak nodig. Deze huidige situatie is over een langere periode ontstaan. Aanvankelijk was het een gebied met sterke concentratie aan intensieve veehouderijen die in de jaren 70, 80 en 90 zijn gegroeid. Maar er zijn ook veel veehouderijen gestopt. Vaak heeft de voormalige bedrijfswoning een woonbestemming gekregen of is aangeduid als plattelandswoning en zijn er op het voormalig erf ook nieuwe woningen gebouwd. Op sommige voormalige veehouderijlocaties heeft een functieverandering naar niet-agrarische bedrijvigheid plaatsgevonden. Dit gebiedstype kent vandaag de dag een grote menging aan functies, waardoor er knelpunten zijn ontstaan ten aanzien van een hoge geurbelasting op woningen en andere gevoelige functies.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

7

P200734.007

Tabel S1: Gebiedstyperingen en insteek gemeentelijk geurbeleid

Geurnormen vergunningverlening veehouderijen De standaard wettelijke geurnormen die van belang zijn voor de vergunningverlening van veehouderijen (voorgrondnormen) zijn 3 Ou/m3 voor de bebouwde kom en 14 Ou/m3 voor het buitengebied. Gemeenten kunnen binnen een wettelijke bepaalde bandbreedte afwijken van deze standaard normen. De gemeente Alphen-Chaam heeft sinds 2009 een geurverordening in werking, met afwijkende geurnormen: voor de kom van Alphen 4 Ou/m3, voor een gebied van 500 meter rondom de kom van Alphen 8 Ou/m3 en voor het (voormalige) landbouwontwikkelingsgebied (LOG) Oostflank 16 Ou/m3. De gemeente Baarle-Nassau heeft tot dusverre geen geurverordening met afwijkende geurnomen of afstanden. Hier zijn op dit moment de standaard wettelijke geurnormen en afstanden van toepassing. De gemeente Gilze en Rijen heeft sinds 2017 via de geurverordening de wettelijke minimum afstand gehalveerd naar 50m resp. 25m t.o.v. geurgevoelige objecten buiten resp. binnen de bebouwde kom (met name melkveehouderij). Voor de intensieve veehouderijen zijn ook in Gilze-Rijen de bestaande wettelijke geurnormen van toepassing. Het onderzoek dat is uitgevoerd voor deze geurgebiedsvisie geeft inzicht in de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen en de verwachte relatie tussen de cumulatieve geurbelasting en kans op geurhinder.

Op basis van de berekende, vergunde cumulatieve geurbelasting in 2020 wordt het woon- en leefklimaat binnen de bebouwde kom overwegend beoordeeld als ‘goed’ tot ‘redelijk goed’. In het buitengebied is dit voor een deel van de woningen ook het geval, maar in bepaalde delen van het buitengebied is sprake van een ‘matig’, ‘slecht’ of ‘zeer slecht’ woon en leefklimaat. Op basis van de geldende geurnormering voor het buitengebied is een toename van de geurbelasting door veehouderijen niet uit te sluiten, ondanks dat naar verwachting het aantal intensieve veehouderijen verder zal afnemen. Modernisering van oude stallen vanwege de provinciale ammoniakeisen zal gepaard gaan met schaalvergroting. Het aantal dieren per locatie kan hierdoor toenemen, de vergunde geuremissie wordt opgevuld en de milieuwinst door modernisering verdwijnt hierdoor. Vooral vanwege nieuwe functies op locaties van gestopte of stoppende veehouders kan er sprake zijn van een hogere geurbelasting ten opzichte van het beschermingsniveau voor de nieuwe functie.

8

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Strengere voorgrond geurnormen voor het buitengebied zijn op basis van adviezen van de GGD en de knelpunten met betrekking tot de geurbelasting vooral in delen van het buitengebied te overwegen. Strengere voorgrond geurnormen bieden extra bescherming tegen geurhinder en extra sturing op afname van de geurbelasting bij ontwikkelingen van (intensieve) veehouderijen in overbelaste situaties. Strengere geurnormen beperken de ontwikkeling van veehouderijen en kunnen een kostprijsverhogende werking hebben voor veehouderijen. Strengere geurnormen kunnen ook leiden tot extra beperkingen voor functieveranderingen in de omgeving van veehouderijen vanwege de zogenaamde ‘omgekeerde werking’. Binnen de ABG-gemeenten waren in augustus 2020 bijna 140 Vab-locaties (voormalige veehouderij locaties) aanwezig en dit aantal zal naar verwachting sterk toenemen in de komende jaren. Op deze Vab-locaties moet op termijn een geschikte herontwikkeling en herbestemming plaatsvinden om leegstand in het buitengebied te voorkomen. Veel ingediende principeverzoeken voor functieveranderingen op deze locaties zien toe op een woonbestemming of een bestemming waarbij wonen een nadrukkelijk onderdeel uitmaakt van het beoogde gebruik.

Vooral in gebieden met een sterke concentratie aan intensieve veehouderijen bepaalt de geurbelasting of een wijziging naar een woonfunctie (of met wonen vergelijkbare functie) mogelijk is. Strengere voorgrondnormen kunnen leiden tot extra beperkingen voor deze functieveranderingen vanwege de omgekeerde werking, maar bieden tegelijkertijd bescherming tegen een toename van de geurbelasting.

Tabel S2: Afwegingen bij gemeentelijke geurnormen voorgrondbelasting

Op basis van de hiervoor beschreven gebiedstyperingen, eerder genomen besluiten (zoals de provinciale beleidskaders t.a.v. de intensieve veehouderij) en de gewenste ontwikkelingen in- en rond de kernen en het buitengebied, is het voorstel om de geurnormen zoals die momenteel worden gehanteerd bij de vergunningverlening voor veehouderijen aan te passen. In de volgende tabel (tabel S3) is dit voorstel opgenomen. In deze tabel zijn ter vergelijking ook de huidige geurnormen opgenomen.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

9

P200734.007

Deelgebied A Bebouwde kom B Zone beperkingen veehouderij rond kernen C Zone beperkingen veehouderij rond natuur D Agrarisch kerngebied en overig buitengebied

Huidige geurnormen (voorgrondbelasting) 3,0 Ou 4,0 Ou kom Alphen 14,0 Ou 8,0 Ou kernrandzone Alphen 14,0 Ou

Voorstel geurnormen (voorgrondbelasting) 3,0 Ou

14,0 Ou 16,0 Ou LOG Oostflank Alphen

10,0 Ou

5,0 Ou 8,0 Ou

Tabel S3: Voorstel tot bijstelling van geurnormen, ontwerp geurverordening

In navolgende kaart (figuur S2) is de gebiedsindeling behorende bij dit voorstel opgenomen. De gebiedsindeling is vertaald in de deelgebieden A t/m D. Hierbij is aangesloten bij het onderscheid tussen bebouwde kom en het buitengebied conform de Wet geurhinder en veehouderij en de Omgevingswet) en de gebieden die sinds 2005 worden gehanteerd door provincie en gemeenten met betrekking tot de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Deelgebieden A en B zijn gebieden met weinig veehouderijen en veel woningen. Vooral in de kernrandzones dient terughoudend te worden omgegaan met het bieden van ontwikkelruimte voor de intensieve veehouderij, moet een toename van de geurbelasting worden voorkomen en is in delen een afname van de geurbelasting gewenst. De voorgestelde norm voor het deelgebied B is daarom strenger dan de standaard norm voor het buitengebied (5 Ou i.p.v. 14 Ou). De norm voor de bebouwde kom is in dit voorstel hetzelfde als de geldende norm (3 Ou). Deelgebied C is net als deelgebied B gerelateerd aan de provinciale Zone Beperking Veehouderij (ZBV). De ZBV ligt niet alleen rondom kernen, maar ook rondom natuurgebieden. In de ZBV hebben intensieve veehouderijen ‘het bouwblok op de muur’ en is geen uitbreiding in stallen toegestaan.

Een geurnorm overeenkomstig de standaard geurnorm voor buitengebied in nietconcentratiegebieden van 8 Ou is hier beter passend dan de huidige standaard geurnorm voor buitengebied in concentratiegebieden van 14 Ou. Deelgebied D is het deelgebied met veel veehouderijen, waaronder de voormalige landbouwontwikkelingsgebieden en het overige buitengebied. In dit deelgebied is voor de veehouderij behoud van ontwikkelingsruimte van belang en dient bij voorkeur terughoudend te worden omgegaan met toevoegen van nieuwe woningen. In deze gebieden is de standaard norm voor het buitengebied in concentratiegebieden 14 Ou, maar de provinciale norm voor het buitengebied stelt hier sinds 2014 aanvullende randvoorwaarden ten aanzien van geur. Bij uitbreiding van stallen hanteert de provincie een hinderpercentage van 20% als norm voor de achtergrondbelasting van geur, hetgeen overeenkomt met een voorgrondbelasting van 10 Ou. Voor (intensieve) veehouderijen die willen uitbreiden in een overbelast gebied zal bij de standaard geurnorm van 14 Ou voor de voorgrondbelasting de provinciale normstelling voor de achtergrondbelasting bepalend zijn voor de uitbreidingsmogelijkheden.

10

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Figuur S2: Voorstel tot bijstelling van geurnormen en gebiedsindeling, ontwerp geurverordening

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

11

P200734.007

Bij uitbreiding van het aantal dieren binnen de bestaande stallen (geen ruimtelijke ontwikkeling) is alleen de voorgrondnorm van toepassing en hoeft niet getoetst te worden aan de provinciale geurnorm. Bij geurnorm 10 Ou is de ruimte om de geuremissie toe te laten nemen kleiner dan bij norm 14 Ou. Deze lagere geurnorm biedt meer bescherming tegen een toename van geur en qua hinderpercentage wordt aangesloten bij de provinciale norm voor het buitengebied van 20%. Veehouderijen die nu al de geurnormen overschrijden, met name in de voormalige LOG-gebieden, zitten niet ‘op slot’, maar zullen bij ontwikkeling wel meer inspanningen moeten leveren om de geurbelasting op geurgevoelige objecten te verminderen. Dat kan door middel van inzet van emissie reducerende technieken zoals luchtwassers, maar ook door het verplaatsen van het uitstroompunt, verhogen van de uitstroomhoogte en/of verhogen van de uitstroomsnelheid. Veel veehouderijen hebben nog mogelijkheden om de geurbelasting verder te verlagen en kunnen bij een overschrijding van de norm van 10 Ou nog steeds ontwikkelen, maar zullen daarvoor de geurbelasting wel verder moeten beperken. Dit is een gewenst effect. Als door de gemeente geen aanhoudingsbesluit wordt genomen zullen ondernemers die al vergevorderde bedrijfsontwikkelingsplannen hebben niet ineens geconfronteerd worden met een strengere geurnorm.

Bij plannen die toezien op uitbreiding in stallen moet nu al rekening gehouden worden met de provinciale norm voor de achtergrondbelasting van 20% gehinderden, wat in overbelaste situaties al bepalend zal zijn voor de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf. Voor voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen of woningen die worden gerealiseerd op het bouwblok van een voormalige veehouderij (Vab-locaties), gelden alleen vaste minimum afstanden. Veel woningen in de voormalige LOG-gebieden zijn voormalige bedrijfswoningen van gestopte veehouderijen. In het voorstel voor een maximale cumulatieve geurbelasting bij ruimtelijke ontwikkelingen is voor deze categorie een hinderpercentage van 25% (achtergrondbelasting 28 Ou) gehanteerd. Dit is soepeler dan voor reguliere woningen in het buitengebied. Beoordelen van de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen Het is noodzakelijk om bij ontwikkelingen gericht op nieuwe functies en op uitbreidingen van veehouderijen te toetsen aan de cumulatieve geuroverlast en de eigen bijdrage van die ontwikkeling aan een (mogelijk) cumulatief overbelaste situatie. Onder de huidige wet- en regelgeving kan dit alleen bij nemen van nieuwe ruimtelijke besluiten. De Omgevingswet biedt straks meer mogelijkheden dan de huidige wetgeving om ook bij de vergunningverlening hierop te toetsen.

Het is aan een gemeente om een afweging te maken over de geaccepteerde geurhinder. Bij de beoordeling van de vraag of er bij de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object of de ontwikkeling van een veehouderij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een afweging met betrekking tot de hoogte van de geurbelasting (en de daarmee samenhangende kans op hinder) in relatie tot de aard van het gebruik van belang. Ook de te verwachten ontwikkeling van de geurbelasting dient hierbij betrokken te worden. In het algemeen geldt dat de gemeente(raad) de nodige beleidsvrijheid heeft bij die afweging, mits die voldoende onderbouwd is. De ABGgemeenten maken dergelijke overwegingen wel, bijvoorbeeld in ruimtelijke procedures en bij het beoordelen van principeverzoeken om medewerking te geven aan functieveranderingen. Er zijn echter tot op heden geen beleidsregels o.i.d. vastgesteld waarin is aangegeven welke toetswaarden (grenswaarden bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu) worden gehanteerd.

12

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Deze geurgebiedsvisie bevat een voorstel hoe de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) wordt meegewogen bij initiatieven en plannen waarbij sprake is van realisatie van nieuwe voor geurhinder gevoelige functies of van uitbreiding van veehouderijen met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Deze toetsingswaarden voor de cumulatieve geurbelasting worden in de vorm van een beleidsregel ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Deelgebied

Type object

Voldoende

Onvoldoende

A Bebouwde kom

Wonen Vab—niet-wonen

< 10,0 Ou

>= 10,0 Ou

B Zone beperkingen veehouderij rond kernen

Wonen

< 13,0 Ou

>= 13,0 Ou

Vab/niet-wonen

< 20,0 Ou

>= 20,0 Ou

C Zone beperkingen veehouderij rond natuur

Wonen Vab/niet-wonen

< 20,0 Ou

>= 20,0 Ou

D Agrarisch kerngebied en overig buitengebied

Wonen

< 20,0 Ou

>= 20,0 Ou

Vab/niet-wonen

< 28,0 Ou

>= 28,0 Ou

Tabel S4: Voorstel toetswaarden cumulatieve geurbelasting uit stallen (achtergrondbelasting), ontwerp beleidsregel

Als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ dan zijn er vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ geen belemmeringen om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief. Als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘onvoldoende’ dan is er in beginsel geen sprake van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. De ontwerp beleidsregel bevat een afwijkingsbevoegdheid bij overschrijding van de toetswaarde.

Plattelandswoningen Een plattelandswoning is een voormalige agrarische bedrijfswoning die door derden, die geen functionele binding hebben met het bedrijf, mag worden bewoond. Dit is juridisch-planologisch mogelijk omdat aan de plattelandswoning een lager beschermingsniveau wordt toegekend dan aan een burgerwoning. De versoepelde normen voor een plattelandswoning gelden voor geur (en geluid) van het 'eigen' bedrijf en niet voor omliggende bedrijven. In deze geurgebiedsvisie is een voorstel opgenomen hoe voor wat betreft geur uit stallen de aanvaardbaarheid van een verzoek tot aanwijzing van een plattelandswoning wordt beoordeeld. Het voorstel is om geen medewerking te geven aan de aanduiding van plattelandswoningen in de gebieden met relatief weinig woningen en een sterke concentratie van grotere intensieve veehouderijen: de voormalige landbouwontwikkelingsgebieden in deelgebied D. Via een hardheidsclausule kan in bijzondere situaties hiervan worden afgeweken met een onderbouwd voorstel aan de gemeenteraad.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

13

P200734.007

Gebruik maken extra bevoegdheden Crisis- en herstelwet De Provincie Noord-Brabant neemt deel aan experimenten onder de Crisis- en herstelwet. De extra bevoegdheden voor gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant zijn vanaf 23 april 2021 van kracht. De manier waarop de gemeente invulling geeft aan één of meerdere van deze bevoegdheden, moet worden vastgelegd in beleidsregels, in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte of in een gemeentelijke geurverordening. Voorgesteld wordt om bij ontwikkeling van veehouderijen in aandachtsgebieden gebruik te maken van de bevoegdheid om in individuele gevallen af te kunnen wijken van de zogenaamde 50%regeling. Dit zijn die situaties waarbij er sprake is van overschrijding van de wettelijke voorgrondnorm en van de provinciale norm voor de achtergrondbelasting en waarbij concrete mogelijkheden zijn om via de inzet van beschikbare en betaalbare technieken de geuremissie en geurbelasting te beperken. Hierbij rekening houdend met het type en grootte van het bedrijf en de bijdrage aan de te hoge achtergrondbelasting ter plaatse. Anticiperen op de Omgevingswet In de uitvoeringsregels van de Omgevingswet is opgenomen welke objecten altijd als een geurgevoelig object worden gezien: gebouwen met een woonfunctie en voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang.

Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, kan de gemeenteraad een besluit nemen of ook andere voor geurhinder gevoelige objecten bij de vergunningverlening van veehouderijen als geurgevoelig aangemerkt worden. Zoals bijvoorbeeld kantoren, werkplaatsen waar mensen langdurig verblijven, horecavoorzieningen en recreatiewoningen. Ook kan de gemeente na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, meewegen in de beoordeling van initiatieven. In het omgevingsplan (één van de kerninstrumenten uit de Omgevingswet) moeten bebouwingscontouren vastgesteld worden. In deze geurgebiedsvisie is een voorstel opgenomen voor de begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij (straks: bebouwingscontour geur in de zin van de Omgevingswet). Aanwijzing van een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, kan geëffectueerd worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Procedure Deze geurgebiedsvisie en bijbehorende ontwerp geurverordening en ontwerp beleidsregel worden eind 2021 door het college van B&W van de betreffende gemeente vrijgegeven voor de ter inzage legging. Buurgemeenten en provincie worden geconsulteerd.

Na de verwerking van de inspraakreacties en de reacties uit de consultatie worden de geurverordening en de beleidsregel ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van betreffende gemeente.

14

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

1 Inleiding 1.1

Waarom een geurgebiedsvisie?

De gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen werken vanuit het thema “plattelandsontwikkeling” samen aan vraagstukken m.b.t. de transitie van het buitengebied en de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. De ontwikkeling van de veehouderij is daarbij een belangrijk thema. De ABG-gemeenten willen zo veel als mogelijk komen tot een gebiedsgerichte aanpak voor het bieden van perspectief voor gestopte en nog te stoppen boeren én voor de boeren die door gaan. In dat kader is het van belang om als gemeente gebiedsgerichte kaders vast te leggen met betrekking tot het gewenste woon- en leefmilieu vanuit het aspect geurhinder (uit stallen van veehouderijen). Dit gelet op de verzoeken tot functiewijzigingen van stoppende veehouderijen én de plannen van veehouderijen die verder willen ontwikkelen. In een geurgebiedsvisie wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van de geurbelasting in relatie tot de gewenste ontwikkeling van het buitengebied, de ontwikkeling van veehouderijen en andere thema’s zoals gezondheid en vitaliteit van het buitengebied. Een geurgebiedsvisie biedt een kader c.q. onderbouwing voor het mogelijk vaststellen of actualiseren van gemeentelijke geurnormen en vaste afstanden, die van belang zijn voor de vergunningverlening van veehouderijen.

Daarnaast is de geurgebiedsvisie ook van belang voor het onderbouwen – en vaststellen van streef- en toetswaarden met betrekking tot de meewegen van de geurbelasting van veehouderijen bij het beoordelen of er bij gewenste functieveranderingen sprake is – en blijft - van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat? De geurgebiedsvisie en een gemeentelijke geurverordening kan ook als basis worden gebruikt om als gemeente te anticiperen op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze geurgebiedsvisie is opgesteld voor alle ABG-gemeenten (Alphen-Chaam, Gilze en Rijen en Baarle-Nassau) en bevat een gebiedsgerichte benadering. De gebiedstypering van het buitengebied, verspreiding en ontwikkeling van de veehouderij en de opgaven en knelpunten ten aanzien van geur zijn binnen iedere gemeente verschillend.

1.2

Vaststellen of aanpassen van geurnormen

Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en bij het opstellen van bestemmingsplannen of andere besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met de geurbelasting uit stallen van veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de vergunningverlening voor veehouderijen het wettelijk kader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit stallen van veehouderijen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden getoetst. De wet biedt gemeenten de mogelijkheid om binnen een bandbreedte afwijkende geurnormen en andere afstanden vast te stellen, via het vaststellen of actualiseren van een gemeentelijke geurverordening.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

15

P200734.007

Daarnaast hebben de geurnormen en vaste afstanden, zoals opgenomen in de Wgv of een eventuele gemeentelijke geurverordening, consequenties voor de wijze waarop in ruimtelijke plannen het aspect geurbelasting door omliggende veehouderijen moet worden betrokken. Dit gaat om de vraag of een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling of functieverandering kan leiden tot aantasting van bestaande rechten voor veehouderijen in de omgeving. Dit wordt de toets op de omgekeerde werking genoemd. Bedoeld wordt hierbij dat de geurnormen en -afstanden die voor de vergunningverlening van veehouderijen gelden, ook consequenties hebben voor de mogelijkheid om nabij veehouderijen nieuwe, voor geurhinder gevoelige functies, te realiseren. Bijvoorbeeld door de bouw van een nieuwe woning of een functieverandering naar wonen. Eigen geurnormen vaststellen of aanpassen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt de mogelijkheid voor gemeenten om binnen een bepaalde bandbreedte eigen gemeentelijke geurnormen vast te stellen. Deze geurgebiedsvisie is bedoeld om de besluitvorming over afwijkende normen te onderbouwen. De geurnomen in het kader van de Wgv richten zich op de maximale geurbelasting van een individuele veehouderij op een voor geur gevoelig object, zoals een nabij gelegen woning.

De handreiking bij de Wgv geeft handvatten voor gemeenten die overwegen om afwijkende geurnormen of afstanden vast te stellen of om eerder vastgestelde normen en afstanden aan te passen. In deze handreiking wordt de rol van een quickscan in relatie tot een geurgebiedsvisie benoemd. In 2016 hebben de ABG-gemeenten een dergelijke quickscan uitgevoerd. Vanwege de transitie van de veehouderijsector, de stoppersregelingen en het veehouderijbeleid in met name de provincie Noord-Brabant, is in deze geurgebiedsvisie met behulp van actuele vergunningengegevens (eind 2020) de actuele geurbelasting door veehouderijen in beeld gebracht en vervolgens de verwachte ontwikkeling van de geurbelasting in de periode 2020-2030 op geurgevoelige objecten in kaart gebracht. Zo is inzicht verkregen waar in het buitengebied mogelijk nieuwe knelpunten kunnen optreden en waar bestaande knelpunten blijven bestaan. Ook kunnen er juist kansen zijn om met het behulp van de lokale afwegingsruimte keuzes te maken die gewenste ontwikkelingen (beter) mogelijk maken. Voor de knelpunten die zich naar verwachting blijven voordoen of nieuw te verwachten knelpunten in de toekomst, is onderzocht of een andere normstelling een oplossing biedt. Hierbij wordt rekening gehouden met de gewenste ontwikkelingen in een bepaald gebied.

1.3

Beoordelen geurbelasting van meerdere veehouderijen samen

De geurgebiedsvisie betreft niet alleen de geurnormen die voor de vergunningverlening van veehouderijen van belang zijn (de zogenaamde voorgrondnormen), maar gaat ook in op streef- en toetsingswaarden voor de cumulatieve geurbelasting c.q. achtergrondbelasting (toets van ontwikkelingen aan een goed woon- en leefklimaat). Deze geurgebiedsvisie bevat een voorstel hoe de achtergrondbelasting kan worden meegewogen bij initiatieven en plannen waarbij sprake is van realisatie van nieuwe voor geurhinder gevoelige functies of van uitbreiding van veehouderijen waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Dit voorstel kan de basis zijn voor een beleidsregel die ter vaststelling kan worden voorgelegd aan de gemeenteraad. Het wettelijke kader voor deze beleidsregel is, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Wet op de ruimtelijke ordening.

16

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Met een beleidsregel voor de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) wordt invulling gegeven aan de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin de afdeling aangeeft dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een beoordeling van de geurhinder moet plaatsvinden in het kader van een goed woon- en leefklimaat en alleen een toets aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij niet volstaat.

1.4

Voorsorteren op de Omgevingswet

Door voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een gemeentelijke (ontwerp) geurverordening in procedure te brengen, wordt deze na vaststelling van rechtswege onderdeel van het gemeentelijke omgevingsplan. Door gebruik te maken van deze overgangsregeling is het voor de gemeente mogelijk om op een relatief eenvoudige en snelle wijze duidelijkheid te geven over de begrenzing van de bebouwde kom die aan de orde is bij het beoordelen van geur uit stallen, voor en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zie ook de toelichting in paragraaf 2.1.4. Gebouwen zonder woonfunctie, zoals bedrijven en kantoren, worden onder de Omgevingswet niet meer vanzelfsprekend als een voor geurhinder gevoelige functie aangemerkt. De gemeente heeft op dit gebied meer beleidsvrijheid dan onder de huidige wet- en regelgeving. Ook kan de gemeente na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, meewegen in de beoordeling van initiatieven. Deze bevoegdheden kunnen pas bepaald en geëffectueerd worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zie ook de toelichting in paragraaf 2.1.5.

1.5

Onderbouwing voor geurverordening en beleidsregel voor cumulatieve geurhinder

Deze geurgebiedsvisie is een onderbouwend document ten behoeve van de vaststelling van de geurverordening en beleidsregel voor ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder. De geurgebiedsvisie en de daarin opgenomen gegevens hebben geen eigen status.

1.6

Procedure

Deze geurgebiedsvisie en de daarbij behorende ontwerp geurverordening en ontwerp beleidsregel worden door het college van B&W van de betreffende gemeente vrijgegeven voor de ter inzage legging. Buurgemeenten en provincie worden geconsulteerd. Na de verwerking van de inspraakreacties en de reacties uit de consultatie worden de geurverordening en de beleidsregel ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van betreffende gemeente.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

17

P200734.007

1.7

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 van deze geurgebiedsvisie bevat de relevante achtergronden van de Wet geurhinder en veehouderij in relatie tot de geurbelasting uit stallen van veehouderijen. Hoofdstuk 3 bevat de analyse van de huidige geurbelasting en de ontwikkeling van de geurbelasting in het verleden en de te verwachten ontwikkeling van de geurbelasting in de periode 2020-2030 binnen de ABG-gemeenten. In hoofdstuk 4 wordt door middel van een gebiedsgerichte benadering inzichtelijk gemaakt waar binnen de ABG-gemeenten bestaande knelpunten blijven bestaan, nieuwe knelpunten kunnen optreden en waar kansen zijn om met het behulp van de lokale afwegingsruimte en gemeentelijke geurnormen keuzes te maken die gewenste ontwikkelingen mogelijk maken. Hoofdstuk 5 gaat in op de overwegingen ten aanzien van de geurnormen. En tot slot is er in hoofdstuk 6 een voorstel gedaan met betrekking tot: - wijziging van geurnormen middels een geurverordening; - voor een beleidsregel waarmee cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen bij het beoordelen van ruimtelijke plannen betrokken kan worden; - beschermingsniveaus van verschillende geurgevoelige objecten en het aanwijzen van bebouwingscontouren onder de Omgevingswet; - extra bevoegdheden in de Crisis- en Herstelwet om lokale knelpunten te verbeteren of op te lossen. Het kaartmateriaal in de bijlagen omvat het complete ABG-grondgebied.

Van deze kaarten zijn in de toelichting uitsneden opgenomen, waarbij wordt ingezoomd op de afzonderlijke gemeenten en aandachtsgebieden.

18

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

2 Geurhinder en veehouderijen 2.1

Wet geurhinder en veehouderij

Veehouderijen zijn mogelijke bronnen van geurhinder en daarom gelden voor veehouderijen regels met betrekking tot aan te houden afstanden tot voor geurhinder gevoelige objecten, zoals woningen. Omgekeerd hebben deze regels ook gevolgen voor de mogelijkheden om nieuwe voor geurhinder gevoelige objecten, zoals nieuwe woningen, te realiseren. Dit wordt ook wel de omgekeerde werking genoemd.

2.1.1 Verschillen in normen: concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) wordt een onderscheid gemaakt tussen geurbelasting in gebieden met veel veehouderijen (concentratiegebieden) en in de overige gebieden (nietconcentratiegebieden). De concentratiegebieden zijn aangegeven in Bijlage 1 van de Meststoffenwet en bestaat uit delen van de provincies Limburg, Noord-Brabant, Gelderland, Utrecht en Overijssel. De ABG-gemeenten liggen binnen concentratiegebied Zuid. Een belangrijk uitgangspunt van de Wgv is dat in gebieden met veel veehouderijen geur minder snel als hinderlijk wordt ervaren dan in de niet-concentratiegebieden. De standaard wettelijke geurnormen voor intensieve veehouderijen zijn daarom in het niet-concentratiegebied strenger dan in de concentratiegebieden. Voor beide type gebieden zijn de standaard wettelijke geurnormen voor de bebouwde kom strenger dan voor het buitengebied. Ook zijn er verschillen in de bandbreedte waarbinnen gemeenten aangepaste normen mogen vaststellen.

2.1.2

Geuremissiefactoren en vaste afstanden

Wet geurhinder en veehouderij In de Wet geurhinder en veehouderij is de systematiek vastgelegd hoe de geurhinder uit stallen van veehouderijen beoordeeld moet worden. Voor diercategorieën, waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (zoals voor varkens, kippen, vleesstieren, vleeskalveren en melkgeiten), wordt de toetsingswaarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt uitgedrukt in aantallen Europese odeur units in een volume-eenheid lucht (Ou/m³: odeur units per kubieke meter lucht). Eerst wordt de geuremissie berekend door het aantal dieren per diercategorie te vermenigvuldigen met de betreffende geuremissiefactor die staat opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Vervolgens wordt de geuremissie vanuit de gezamenlijke dierenverblijven samen met andere variabelen ingevoerd in een wettelijk voorgeschreven verspreidingsmodel: ‘Vstacks Vergunning’ voor het berekenen van de voorgrondbelasting door een individuele veehouderij en ‘V-stacks Gebied’ voor het berekenen van de achtergrondbelasting door meerdere veehouderijen.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

19

P200734.007

Voor bedrijven zonder geuremissiefactor (zoals voor melkrundvee, zoogkoeien en paarden) gelden vaste afstanden van 100 en 50 meter voor respectievelijk geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv stelt dat afwijking van deze afstanden mogelijk is tot respectievelijk minimaal 50 en minimaal 25 meter. De wettelijke afstanden mogen ook vergroot worden. Voor nertsen is in de Wgv een speciale regeling opgenomen, waarbij uitgegaan wordt van gestaffelde vaste afstanden. Naarmate er meer nertsen gehouden worden, wordt de aan te houden afstand groter en er zijn verschillende afstanden voor geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Voor deze veehouderijen is de Wet verbod pelsdierhouderij van kracht. Op basis van deze wet mochten bedrijven (onder voorwaarden) tot 2024 doorgaan met de bedrijfsvoering. Vanwege de Covid-19 pandemie is deze datum vervroegd en moesten alle nertsenbedrijven uiterlijk 21 maart 2021 zijn gesloten.

Figuur 2.1: Geurhinder en vergunningverlening

Activiteitenbesluit Sinds 1 januari 2013 is voor de niet-vergunningplichtige veehouderijen het Activiteitenbesluit milieubeheer van kracht. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings-)vergunningplichtige bedrijven.

2.1.3 Voorgrond- en achtergrondbelasting De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting, ook wel individuele belasting genoemd, wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object bedoeld van die veehouderij, welke de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting, ook wel de cumulatieve belasting genoemd, wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting wordt vooral in gebieden met veel veehouderijen vaak gebruikt als maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen.

20

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Figuur 2.2 Voor- en achtergrondbelasting geurhinder

50%-regeling voor overbelaste situaties Wanneer een veehouderij voor wat betreft de geurbelasting op slot zit, kan het bedrijf alleen uitbreiden als de geurbelasting niet toeneemt. Als de geurbelasting door aanpassing van stalsystemen of de wijze van uitstoot van de geur wordt verminderd, is onder voorwaarden uitbreiding van het aantal dieren mogelijk via de zogenaamde 50%-regeling. Er hoeft na uitbreiding niet te worden voldaan aan de geldende geurnormen. Wel moet de geurbelasting dalen. De helft van de afname van de geurbelasting mag opgevuld mag worden voor uitbreiding van het aantal dieren. Als een bedrijf niet ontwikkelt, is er op basis van de Wgv geen verplichting om aan de normen te voldoen of om er voor te zorgen dat de geurbelasting daalt.

Voorgrondbelasting en de kans op hinder In tabel1 is de relatie tussen de individuele norm (voorgrondbelasting) en de kans op geurhinder weergegeven (bron: handreiking van de Wet geurhinder en veehouderij, bijlage 6 en 7, 2007). De verschillen in de kans op geurhinder zijn gebaseerd op het geurbelevingsonderzoek uit 2001, zoals opgenomen in de toelichting bij de Wgv.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

21

P200734.007

Geurbelasting

(niet-concentratiegebied)

Kans op geurhinder of percentage gehinderden (concentratiegebied, zoals ABG-gemeenten)

1

7%

4%

2

11%

6%

3

15%

8%

4

19%

11%

5

21%

12%

6

24%

14%

7

26%

16%

8

29%

17%

10

33%

20%

14

39%

25%

20

46%

31%

(voorgrondbelasting, hinder door 1 veehouderij), Ou/m3 (98 percentiel)

Kans op geurhinder of percentage gehinderden

Tabel 2.1: Relatie tussen voorgrondbelasting (geurhinder van 1 veehouderij) en kans op geurhinder (bron: Handreiking Wgv, bijlage 6 en 7, 2007)

2.1.4 Bebouwde kom (Wgv) en bebouwingscontouren (Omgevingswet) De standaard geurnormen zijn voor de bebouwde kom strenger dan de geurnormen voor het buitengebied. Het begrip ‘bebouwde kom' is niet gedefinieerd in de Wgv. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel is het volgende vermeld: "De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur." Ook is opgenomen: "De bebouwde kom kan namelijk worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijfsfunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven." In de uitvoeringsregels van de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), is opgenomen dat de gemeente in het omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur' moet vaststellen. Binnen de contour is het beschermingsniveau hoger dan erbuiten. Vergelijkbaar met de bebouwde kom uit de Wet geurhinder en veehouderij. De gemeente wijst volgens het Bkl in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing.

Het gaat hierbij om bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel, horeca en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lineaire bebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen kan tot het samenstel worden gerekend, maar dat hoeft niet. De gemeente kan er dus voor kiezen om lintbebouwing wel of niet binnen de bebouwingscontour te brengen.

22

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

2.1.5 Geurgevoelig object (Wgv en Omgevingswet) Onder een ‘geurgevoelig object’ wordt onder de Wgv verstaan: een gebouw, bestemd voor en volgens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en die daarvoor permanent of regelmatig wordt gebruikt. Een gebouw dat in strijd met het bestemmingsplan als woning of verblijf wordt gebruikt, heeft geen wettelijke bescherming tegen geurhinder. In de uitvoeringsregels van de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), is opgenomen welke geurgevoelige objecten, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen, altijd geurgevoelig zijn. Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd. Een gemeentelijk omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

2.1.6 Toepassing van technieken om de geurbelasting te verminderen Bij de vergunningverlening wordt er rekening gehouden met de technische uitvoering van stallen. Het betreft maatregelen om op bedrijfsniveau de geurverspreiding te beïnvloeden en daarmee de geurbelasting op één of meer geurgevoelige objecten te verminderen, zoals het verticaal en hoger laten uitstromen van de lucht uit stallen, zodat deze lucht meer wordt verdund dan bij het horizontaal en lager uitstromen van de stallucht. Daarnaast wordt in de vergunningverlening rekening gehouden met de verschillen in geuremissies bij verschillende typen stalsystemen en de reductie van geuremissie die bereikt kan worden bij het toepassen van luchtwassers.

2.2

Geur uit stallen en geurnormen

Bij de beoordeling of vergunningaanvragen van individuele veehouderijen verleend kunnen worden, dient bepaald te worden of de normen voor geurbelasting of minimum afstanden worden overschreden. Gemeenten kunnen op grond van de Wgv binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten. Zowel de geurnormen (voor intensieve veehouderijen) als de vaste afstanden (voor bijvoorbeeld melkveebedrijven) kunnen worden bijgesteld. Dergelijke afwijkende waarden dienen te worden onderbouwd in een gebiedsvisie en via een gemeentelijke verordening te worden vastgesteld door de gemeenteraad. De voor de gemeente geldende wettelijke geurnormen, vaste afstanden en de bandbreedte waarbinnen gemotiveerd afgeweken kan worden, zijn opgenomen in tabel 2.2.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

23

P200734.007

Categorie geurgevoelig object (in concentratiegebied)

Wettelijke geurnorm (Ou/m3 98 percentiel)

Range gemeentelijke geurnorm (Ou/m3 98 percentiel)

Bebouwde kom

3

Minimaal 0,1 en maximaal 14

Buiten de bebouwde kom

14

Minimaal 3 en maximaal 35

Categorie geurgevoelig object

Wettelijke vaste afstand

Afwijking van afstand (minimale waarde)

Bebouwde kom

100 meter

50 meter

Buiten bebouwde kom

50 meter

25 meter

Tabel 2.2: Wettelijke geurnormen en bandbreedte gemeentelijke normstelling Wgv, concentratiegebied

Op Kaart G van de bijlagen zijn de op dit moment geldende geurnormen voor de voorgrondbelasting van geur weergegeven. Hieronder een korte toelichting bij de gemeentelijke geurverordeningen en afwijkende geurnormen en afstanden. Geurnormen en afstanden in gemeente Alphen-Chaam De gemeente Alphen-Chaam heeft sinds 22-08-2009 een geurverordening in werking. De volgende van de Wgv afwijkende geurnormen zijn hierin vastgesteld: 1. Kom Alphen: 4 Ou/m3 2. Gebied van 500 meter rondom Alphen: 8 Ou/m3 3. LOG Oostflank: 16 Ou/m3 Ook zijn op de bijbehorende kaart de bebouwde kommen van Galder, Chaam en Alphen begrensd.

Figuur 2.3: Kaart bij de Verordening geurhinder en veehouderij (Alphen-Chaam) 2009 http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/images/Alphen-Chaam/i261963.pdf

24

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Geurnormen en afstanden in gemeente Baarle-Nassau De gemeente Baarle-Nassau heeft nog geen geurverordening met afwijkende geurnomen of afstanden. Binnen de gemeente Baarle-Nassau zijn op dit moment de wettelijke geurnormen en afstanden zoals vermeld in voorgaande tabel 2.2 van toepassing. Geurnormen en afstanden in gemeente Gilze en Rijen De gemeente Gilze en Rijen heeft op 15 december 2008 de Verordening geurhinder Gilze en Rijen 2008 vastgesteld en deze is in werking getreden op 1 januari 2009. Op 17 juli 2017 is de geurverordening gewijzigd en is de afwijkende geurnorm van 25 Ou/m3 voor het gebied Raakeind komen te vervallen. Op dit moment geldt voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld (zoals melkrundvee) een minimale afstand van 50 meter t.o.v. geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter t.o.v. geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Deze afstanden gelden voor het hele grondgebied van Gilze en Rijen.

2.3

Geur uit meerder stallen samen: achtergrondbelasting

Bij het vaststellen van een gemeentelijke geurnorm voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals varkens en pluimvee, dient er ook rekening te worden gehouden met de cumulatie van geur die meerdere veehouderijen samen veroorzaken. De norm voor de maximale belasting door een individueel bedrijf (voorgrondbelasting) bepaalt andersom ook de mogelijke ontwikkeling van de geurbelasting van alle veehouderijen samen (achtergrondbelasting). Op basis de methodiek zoals die is opgenomen in de toelichting bij de Wgv, is in onderstaande tabel de achtergrondbelasting vertaald in een kans op geurhinder en is hieraan een waardering van het woon- en leefklimaat gekoppeld (goed, redelijk goed, matig, tamelijk slecht, slecht, zeer slecht en extreem slecht).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11802611/1