CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Geurgebiedsvisie ABG gemeenten 4 mei 2022

Gemeenteraad 17 oktober 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel Geurgebiedsvisie28.013 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Achtergrondbelasting (OU/m3), cumulatief, concentratiegebied

Kans op geurhinder of percentage gehinderden

Beoordeling leefklimaat

0 - 3.0

<5%

Zeer goed

3.1 - 7.4

5-10%

Goed

7.5 - 13.1

10-15%

Redelijk goed

13.2 - 20.0

15-20%

Matig

20.1 - 28.3

20-25%

Tamelijk slecht

28.4 - 38.5

25-30%

Slecht

38.6 - 50.7

30-35%

Zeer slecht

>50.7

>35%

Extreem slecht

Tabel 2.3: Classificatie achtergrondbelasting (geurbelasting door meerdere veehouderijen samen) in een concentratiegebied (bron: RIVM/GGD Richtlijn geurhinder oktober 2002 en handreiking Wgv 2007).

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

25

P200734.007

Uit onderzoek dat ten grondslag ligt aan de Wgv (PRA 2001) is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de geurbelasting van één veehouderij anders is dan als gevolg van de totale geurbelasting van meerdere veehouderijen, de achtergrondbelasting. Bijvoorbeeld: indien één veehouderij een geurbelasting van 14 Ou/m3 op een geurgevoelig object veroorzaakt, leidt dat tot meer hinder dan indien drie veehouderijen gezamenlijk 14 Ou/m3 veroorzaken. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting (bron: handreiking Wgv, bijlage 6 en 7, 2007). Provinciale geurnormen bij uitbreiding van intensieve veehouderijen Bij ruimtelijke procedures t.a.v. uitbreiding van veehouderijen gelden provinciale eisen ten aanzien van de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting). Deze zijn opgenomen in de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en hebben tot doel de maximale cumulatieve geurbelasting ten gevolge van veehouderijen te beperken tot deze normen.

Op basis van rechtstreeks werkende regels voor veehouderijen is een toename van de bestaande bebouwing voor de uitoefening van een veehouderij alleen toegestaan indien is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Toepassing van de Handreiking bij de Wgv, bijlage 6 en 7, Infomil 1 mei 2007, resulteert in de volgende streefwaarden:  Een maximale achtergrondgeurbelasting op de bebouwde kom van 12% komt overeen met een achtergrondbelasting van 10 Ou/m3.  Een maximale achtergrondgeurbelasting buiten de bebouwde kom van 20% komt overeen met een achtergrondbelasting van 20 Ou/m3. Indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages dienen maatregelen te worden getroffen door de veehouderij die wil ontwikkelen, die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. De wijze waarop deze ‘proportionele afname’ bepaald moet worden staat beschreven in de notitie “Afname overbelasting” van 24 april 2014 van de Provincie Noord-Brabant.

2.4

Doorwerking geurnormen in ruimtelijke plannen

Omgekeerde werking De normen van de Wet geurhinder en veehouderij gelden in beginsel alleen voor de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning, als een agrarisch bedrijf zich wil vestigen of als een agrarisch bedrijf wil uitbreiden. Het gaat dan dus over de relatie tussen een bestaand geurgevoelig object en een ontwikkeling in de agrarische bedrijvigheid. Dit heet ook wel de ‘directe werking’ of ‘directe norm’. Voor de Wgv in werking trad, gold deze norm ook in de omgekeerde situatie: als een bestaand agrarisch bedrijf werd geconfronteerd met een nieuwe woonwijk of een nieuw bedrijventerrein. In het kader van de ‘omgekeerde werking’ werden dan dezelfde afstandsnormen toegepast als in de directe werking. Met de inwerkingtreding van de Wgv trad een geheel nieuwe systematiek van normering in werking. In verband daarmee rees de vraag of de normen van de Wgv op dezelfde manier als bij de vroegere stankwetgeving zouden werken in de “omgekeerde werking”. Intussen zijn enkele uitspraken gedaan door de hoogste rechter (de Afdeling bestuursrechtspraak

26

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

van de Raad van State), die hierin duidelijkheid scheppen. Onder meer uit de uitspraak in de zaak Laarbeek (Afdeling bestuursrechtspraak van 7 oktober 2009) blijkt dat de normen van de Wgv niet in de omgekeerde werking van toepassing zijn. De directe norm geldt wel in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning aan een agrarisch bedrijf, maar niet bij de ontwikkeling van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen. Ook uit andere uitspraken is intussen gebleken dat het mogelijk is om binnen de belemmerende contouren te bouwen, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan: • De nieuwe ontwikkelingen mogen geen extra belemmeringen opleveren voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving. • De gemeenteraad dient in haar gebiedsvisie, in een beleidsregel of in haar ruimtelijke besluit voor de betrokken ontwikkeling een uitspraak te doen over het minimaal gewenste woon-, leef- of werkklimaat in het gebied. Respecteren rechten veehouders Vaste jurisprudentie bij ruimtelijke besluiten is dat door de nieuwe bestemmingen er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de omliggende veehouderijen. In beginsel dient bij het bepalen van de rechten het agrarische bouwblok als uitgangspunt voor het meten van de geurbelasting contouren te worden genomen.

Dit omdat veehouderijen rechten hebben om hun emissiepunten te verschuiven binnen het vastgestelde bouwblok (de zogenaamde ‘vergunde rechten’). Het kan echter ook zo zijn dat het bedrijf zijn bouwblok niet in zijn geheel kan benutten voor de vestiging of verplaatsing van emissiepunten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van al bestaande geurgevoelige objecten. Uit de jurisprudentie blijkt dat men dan mag uitgaan van de grens van de bebouwing, een te benutten deel van het bouwblok of een bestaand emissiepunt. Uitgaande van de vergunde rechten van een veehouderij, de geurnorm(en), het agrarisch bouwblok en de ligging van de stallen en al bestaande voor geurhinder gevoelige objecten, kan bepaald worden of de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object leidt tot een aantasting van de rechten: ligt de nieuwe bestemming binnen de geurcontour en zijn er geen andere bestaande geurgevoelige objecten die op kortere afstand liggen? Beoordeling aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het is aan een gemeente om een afweging te maken over de geaccepteerde geurhinder. Bij de beoordeling van de vraag of er bij de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een afweging met betrekking tot de hoogte van de geurbelasting (en de daarmee samenhangende kans op hinder) in relatie tot de aard van het gebruik van belang.

Ook de te verwachten ontwikkeling van de geurbelasting dient hierbij betrokken te worden. In het algemeen geldt dat een gemeente(raad) de nodige beleidsvrijheid heeft bij die afweging, mits die voldoende onderbouwd is. Woningen met een lager beschermingsniveau tegen geur In de wetgeving is een aantal “uitzonderingen” opgenomen met betrekking tot de bescherming van woningen tegen geurhinder van veehouderijen. Het betreft de realisatie van een woning op een voormalig bouwblok van een veehouderij of een woning die al aanwezig was op een voormalig bouwblok van een veehouderij die is gestopt na 19 maart 2000 (artikelen 3.2 en 14.2 Wgv).

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

27

P200734.007

(Voormalige) bedrijfswoningen behorende bij veehouderijen en Ruimte voor Ruimte woningen Een eigen bedrijfswoning krijgt géén bescherming tegen de eigen stallen. De reden is dat de geurnormen en afstanden zijn gericht op de gevolgen van een veehouderij voor de omgeving. Voor voormalige bedrijfswoningen gelden voor de vergunningverlening voor omliggende veehouderijen (enkele) vaste afstanden. Voorwaarde is dat de woning op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van de veehouderij. Dit kan zijn omdat de woning is afgesplitst, maar het kan ook zijn dat de veehouderij-activiteiten zijn gestaakt. De planologische bestemming is voor deze woningen is niet bepalend. Woningen die vóór 19 maart 2000 al geen deel uitmaakten van een andere veehouderij, worden niet gezien als voormalige agrarische bedrijfswoningen. Ook voor zogenaamde ‘Ruimte voor Ruimte woningen’ gelden bij de vergunningverlening voor omliggende veehouderijen enkel vaste afstanden. Dit zijn woningen die gebouwd zijn na 19 maart 2000, op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij, waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht én waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt. Via de Wet Plattelandswoningen kan de gemeente regelen dat voormalige bedrijfswoningen geen bescherming meer krijgen tegen geur of geluid van de eigen veehouderij.

Bedrijfswoningen van veehouderijen waarin burgers wonen, blijven bij gebruik making van deze mogelijkheid onderdeel van de inrichting, bestemd als bedrijfswoning, maar waarbij bewoning door derden planologisch is geregeld. Ook bij het (her-)bestemmen van voormalige bedrijfswoningen tot plattelandswoningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Plattelandswoningen Een plattelandswoning is een voormalige agrarische bedrijfswoning die door derden, die geen functionele binding hebben met het bedrijf, mag worden bewoond. Dit is juridisch-planologisch mogelijk omdat aan de plattelandswoning een lager beschermingsniveau wordt toegekend dan aan een burgerwoning. In een bestemmingsplan, omgevingsvergunning of de opvolgers daarvan onder de Omgevingswet blijft de bestemming van de woning agrarisch, maar krijgt een aanduiding als 'specifieke vorm van agrarisch: plattelandswoning'. De versoepelde normen m.b.t. geur en geluid van een plattelandswoning voor het 'eigen' (agrarische) bedrijf gelden niet voor omliggende bedrijven. Voor plattelandswoningen gelden geen soepelere normen t.a.v. luchtkwaliteit.

2.5

Geur en gezondheid

Geur en geurbeleving Geur is de eigenschap van organische stoffen die met behulp van zintuigen in de neus kan worden waargenomen. Geurhinder treedt op als de herhaaldelijk waargenomen geur als onaangenaam wordt beoordeeld en het welbevinden daardoor negatief wordt beïnvloed. Bij hogere concentraties geur kan er sprake zijn van gezondheidseffecten die verbonden zijn aan de waarneming van de geur: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten, en mogelijk stress-gerelateerde gezondheidsklachten, zoals hoofdpijn, benauwdheid en misselijkheid.

28

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Er zijn algemene relaties voor de geurbelasting van veehouderijen en het percentage gehinderden uit onderzoeken afgeleid. Naast de geurbelasting is er een groot aantal persoonsgebonden factoren en omgevingsfactoren die deze relatie beïnvloedt, zodat lokaal zowel minder als meer hinder op kan treden dan verwacht. Hoe hinderlijk mensen een geur vinden hangt onder andere af van de aangenaamheid, duur, frequentie en intensiteit van de geur. Ook de gewenning, het tijdstip en de vermijdbaarheid van de blootstelling spelen een belangrijke rol. Of de hinder ook tot gezondheidsklachten leidt is persoonsgebonden. In de GGD-richtlijn Geur en gezondheid wordt ervan uitgegaan, dat er voor de geurstoffen geen toxicologische advieswaarden worden overschreden, omdat deze stoffen een geurdrempel hebben die veel lager is dan deze advieswaarden. Van de gezondheidseffecten van geur is er alleen voor (ernstige) hinder een kwantitatieve dosis-responsrelatie met de geurbelasting. Elke geur kan boven de geurdrempel waargenomen worden en als hinderlijk of ernstig hinderlijk ervaren worden. Hoe hoger de geurbelasting wordt, hoe meer kans dat mensen gehinderd zijn en hoe hoger het percentage dat gehinderd of ernstig gehinderd is. Het is echter niet eenvoudig te zeggen hoeveel geurhinder gezondheidskundig gezien aanvaardbaar is.

Bij het optreden van hinder of ernstige hinder moet afgewogen worden of de situatie aanvaardbaar is. Uitgangspunt hierbij zijn de beleidsdoelstellingen. Voor haar advisering met betrekking tot het percentage (ernstige) hinder sluit de GGD aan een richtwaarde van maximaal 12% kans op hinder (0-3% ernstige hinder) en een bovenwaarde van maximaal 20% kans op hinder (tot 10% ernstige hinder). Voor meer achtergrondinformatie over de relatie tussen veehouderij en gezondheid van omwonenden wordt verwezen naar het kennisplatform veehouderij en gezondheid (www.kennisplatformveehouderij.nl). Onderzoek GGD en IRAS naar de relatie tussen geurbelasting en kans op hinder Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid van de GGD Brabant/Zeeland (Bureau GMV) en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van Universiteit Utrecht onderzochten in 2014 de relatie tussen geurbelasting afkomstig van veehouderijen en de ervaren geurhinder bij ruim 13.000 respondenten op het platteland en in kleinere kernen van Noord-Brabant en Noord-Limburg. Deze resultaten bevestigen volgens de GGD signalen dat er bij gegeven geurbelasting aanzienlijk meer geurhinder voorkomt dan op basis van de Handreiking Wgv (Wet geurhinder veehouderij) te verwachten zou zijn. De relatie tussen geurbelasting en hinder blijkt bovendien afhankelijk te zijn van diersoort.

De GGD adviseert de resultaten mee te nemen in de (landelijke) actualisatie van de regelgeving en –normen en roept gemeenten en provincies op de resultaten te gebruiken als opstap voor vernieuwd geurhinderbeleid. De onderzoekresultaten van de GGD en IRAS geven volgens de GGD aanleiding tot een actualisatie en aanscherping van de gemeentelijke normen. Een complicerende factor daarbij is dat het onderzoek nog niet is gevalideerd door onderzoek in andere regio’s, de kans op hinder maar ten dele wordt bepaald door de geurbelasting, de berekening van de geurbelasting vele onzekerheden kent en dat de resultaten van het onderzoek van de GGD/IRAS afwijken van onderzoek dat in ongeveer dezelfde periode is uitgevoerd (Gezondheidsmonitor GGD ’en, CBS en RIVM uit 2012). Een aangrijpingspunt is, dat de relatie tussen de berekende geurbelasting en de kans op geurhinder uit het GGD-IRAS-onderzoek meer overeen lijkt te komen met de relatie tussen geurbelasting en hinder voor de niet-concentratiegebieden (uit de handreiking Wgv) dan met de relatie tussen geurhinder en hinderkans voor de concentratiegebieden uit die handreiking.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

29

P200734.007

De GGD adviseerde in het kader van de evaluatie van de geurregelgeving (2015-2016) het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden op te heffen en overal dezelfde normen te hanteren. Voor de maximale cumulatieve geurbelasting op objecten stellen zij ook een norm voor van 12% voor de bebouwde kom en 20% in het buitengebied, te vertalen als maximaal 5 Ou (bebouwde kom) respectievelijk 10 Ou (buitengebied) achtergrondbelasting (= cumulatieve geurbelasting).

2.6

Toekomstige wet- en regelgeving geur en veehouderijen

In een door de staatssecretaris van Milieu ingestelde bestuurlijke werkgroep werkten de VNG en IPO, LTO Nederland, GGD ‘en, Milieufederaties en afgevaardigden van burgergroeperingen aan een gezamenlijk advies over de toekomstige geurregelgeving voor veehouderij. De adviezen van de bestuurlijke werkgroep uit oktober 2016 hebben o.a. geleid tot nader onderzoek (o.a. naar de effectiviteit van luchtwassers en aanpassing van geuremissiefactoren. De bestuurlijke werkgroep constateerde dat de Wgv onvoldoende handvatten biedt om bestaande geuroverlast tot een aanvaardbaar niveau te brengen. De geconsulteerde partijen adviseerden om gemeenten bevoegdheden te geven om in overbelaste situaties om aanvullende eisen te kunnen stellen om geurbelasting binnen een ambitieuze termijn terug te dringen. Er was binnen de geconsulteerde partijen geen consensus over een aanpassing van de standaard wettelijke geurnormen en afstanden. De milieufederaties, burgergroeperingen en GGD ‘en adviseren het Rijk om voor de individuele geurbelasting (voorgrondnorm) maximaal 2 Ou voor de bebouwde kom als standaard norm vast te stellen en maximaal 5 Ou voor het buitengebied. Voor de cumulatieve belasting adviseren deze partijen een norm van 5 Ou (bebouwde kom) en 10 Ou (buitengebied).

De VNG, het IPO en LTO Nederland pleiten voor aanvullend onderzoek naar de relatie tussen de berekende geurbelasting en ervaren hinder, om aldus te komen tot een betere onderbouwing van de geurnormen. Vervolgonderzoek naar de relatie tussen de berekende geurbelasting en de geurbeleving dient volgens deze partijen rekening te houden met mogelijke regionale verschillen, nieuwe inzichten m.b.t. de geuremissie van dieren en een geactualiseerd verspreidingsmodel. In 2019 heeft de commissie Biesheuvel op verzoek van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een advies over de toekomst van de geurregels uitgebracht. Dit advies is in april 2019 naar de leden van de Tweede kamer gestuurd. Op 6 september 2019 heeft de staatssecretaris haar beleidsreactie naar de Kamer gestuurd. In die beleidsreactie is ingegaan op een aantal onderwerpen die van belang zijn voor het terugdringen van geuremissies en –immissies, zoals:    

30

Een brongerichte aanpak van geuremissies en andere emissies in de stal; Verhogen rendementen geurreductie van combiwassers; Inzetten op een ander systeem van meten en monitoren; Extra mogelijkheden voor decentrale overheden om overbelaste situaties aan te pakken.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Resultaten onderzoek naar rendementen geurverwijdering gecombineerde luchtwassers Met name varkenshouderijen maken gebruik van zogenaamde gecombineerde luchtwassers. Deze luchtwassers reduceren zowel de uitstoot van ammoniak als van geur en fijnstof. Naar aanleiding van de evaluatie van de geurregelgeving door de bestuurlijke werkgroep Verdaas is er onderzoek verricht naar de rendementen van combiluchtwassers. Naar aanleiding van die onderzoeksresultaten zijn de ingeschatte geurrendementen van deze luchtwassers verlaagd en zijn de geuremissiefactoren naar boven bijgesteld. De zo opnieuw berekende geurbelasting is vaak veel hoger dan de geurbelasting waarvan in de vergunningverlening is uitgegaan. De Commissie Geurhinder en Veehouderij (Commissie Biesheuvel) heeft o.a. geadviseerd meer inzicht te bieden in de effectiviteit van luchtwassers en hierbij de geurproductie in de stal te betrekken. In opdracht van het ministerie voert de WUR een onderzoek uit naar de mogelijkheden om de geur- en ammoniakrendementen van combiluchtwassers te verbeteren. De resultaten van dit onderzoek worden naar verwachting in de loop van 2020 gepubliceerd.

CHW-experimenten emissiereducties en versnellen innovaties Het advies van de commissie Biesheuvel en de beleidsreactie van de staatssecretaris hebben nog niet geleid tot een voorstel voor aanpassing van de landelijke geurregelgeving (onder de Omgevingswet) voor stallen. Wel hebben aan aantal provincies (waaronder de Provincie NoordBrabant) zich in 2019 aangemeld voor experimenten onder de Crisis- en herstelwet (CHW) ingediend. De extra bevoegdheden voor gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant zijn op basis van deze CHW-experimenten vanaf 23 april 2021 van kracht, onder andere experimenteerruimte voor overbelaste situaties in de veehouderij 1. In het kader van het Schone Lucht Akkoord (januari 2020) zal binnen de provincie Noord-Brabant door gemeenten en provincie zelf geëxperimenteerd worden met de toepassing van deze CHWexperimenten. De Rijksoverheid faciliteert hierbij. Met deze CHW-experimenten krijgen gemeenten onder andere meer mogelijkheden om in te grijpen in bestaande situaties, met als doel emissiereductie uit stallen te realiseren. Het gaat om de reductie van de emissie van geur, ammoniak en fijnstof. Deze geldt tot 1 januari 2025. Ook kan de toepassing van innovatieve technieken in huisvestingssystemen van veehouderijen worden versneld door deze via experimenteerruimte vroegtijdig toe te staan.

Op grond van de experimenteerruimte heeft de gemeente ook de mogelijkheid om af te wijken van de geurregels in de Wet geurhinder en veehouderij respectievelijk het Activiteitenbesluit. De gemeente kan namelijk een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij weigeren als niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de veehouderij of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld.

1 Besluit van 8 april 2021 tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering

Crisis- en herstelwet (eenentwintigste tranche)), Staatsblad 2021, 193.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

31

P200734.007

Ook kan de gemeente afwijken van de zogeheten ‘50%-regeling’ voor geur. Op grond van deze regeling kunnen veehouderijen die niet aan de geurnorm voldoen, toch uitbreiden. Zij kunnen dat doen door geur reducerende maatregelen te nemen. De helft van de geurreductie mag dan worden gebruikt voor de uitbreiding. Op grond van de experimenteerruimte mag het bevoegd gezag bepalen dat niet de volledige 50% gebruikt mag worden voor de uitbreiding. De ontwikkelruimte kan dus worden beperkt binnen de bandbreedte van 0-50%. Dat geldt zowel voor vergunningplichtige als niet vergunningplichtige veehouderijen. De manier waarop de gemeente invulling geeft aan deze bevoegdheid, moet worden vastgelegd in beleidsregels, in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (zoals een omgevingsplan moet worden vastgesteld bij inwerkingtreding van de Omgevingswet) of in een gemeentelijke geurverordening.

32

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

3 Geurbelasting door veehouderijen 3.1

Ontwikkeling veehouderij per gemeente

In navolgende figuren staat voor de periode 2000, 2010 en 2020 de economische omvang van veehouderijen en het aantal veehouderijlocaties volgens CBS-gegevens (landbouwtellingen) en de vergunde geuremissie volgens het vergunningenbestand van WEB BVB Brabant (o.b.v. actuele geuremissiefactoren) voor de drie afzonderlijke gemeenten weergegeven.

3.1.1 Gemeente Alphen-Chaam Uit de cijfers volgt in Alphen- Chaam de trend dat bij een groeiende veestapel het aantal veehouderijlocaties en de vergunde geuremissie gestaag afneemt. Minder bedrijven, maar de bedrijven worden groter. Ten gevolge van regelgeving op landelijk en provinciaal niveau zijn de uitbreidingen gepaard gegaan met een afname van de geuremissie door het toepassen van emissie reducerende technieken, met name luchtwassers. De ontwikkeling van de veehouderij in de gemeente Alphen-Chaam is in overeenstemming met de landelijke en de provinciale trend. Gemeente

Jaar

Veehouderijlocaties

Alphen-Chaam 2010=100%

2000 2010 2020

314 231 197

136% 100% 85%

Economische omvang dierplaatsen in Nge 25.776 98% 26.306 100% 27.892 106%

Vergunde geuremissie in OU 3.092.834 2.822.600 2.460.852

110% 100% 87%

Tabel 3.1: Gegevens veehouderijen in de gemeente Alphen-Chaam (o.b.v. actuele emissiefactoren Rgv)

Figuur 3.1: Ontwikkeling veehouderij in Alphen-Chaam in de periode 2000 -2010-2020

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

33

P200734.007

Uit de gegevens over de ontwikkeling in het verleden en beschikbare prognoses van de ontwikkeling van het aantal veehouderijen in Noord-Brabant (Verwachte effecten van de voorgestelde aanpassing van de Interim Omgevingsverordening op structuur en omvang veehouderij in Noord-Brabant’, Connecting Agri & Food, 8 juli 2020) volgt de trend dat bij een ongeveer gelijkblijvende veestapel het aantal bedrijven gestaag afneemt.

AANDEEL VEEHOUDERIJTYPEN IN 2020 GEMEENTE ALPHEN-CHAAM O.B.V. ECONOMISCHE OMVANG IN NGE EN VERGUNDE DIERPLAATSEN (Melk)rundvee

Varkens

Pluimvee

Vleeskalveren

Geiten

Paarden

Overig

2,1% 4,4% 4,5% 6,5% 6,5% 48%

28%

Figuur 3.2: Aandeel veehouderijtypen in 2020 in de gemeente Alphen-Chaam

Ontwikkeling op basis van vergunde dierplaatsen (BVB) in Alphen-Chaam:

34

(Melk)rundveehouderij: aantal vergunde dierplaatsen is gestaag toegenomen in de periode 2000-2010 (+18%) en de periode 2010-2020 (+6%).

Varkenshouderij: aantal vergunde dierplaatsen is afgenomen in de periode 2000-2010 (-18%) en is in de periode 2010-2020 stabiel gebleven (+1%).

Vleeskalverensector: aantal vergunde dierplaatsen is in de periode 2000-2010 licht toegenomen (+ 10%) en in de periode 2010-2020 weer afgenomen (-12%).

Geitenhouderij: aantal vergunde dierplaatsen is aanzienlijk toegenomen in de periode 20002010 (+ 127%) en in de periode 2010-2020 weer afgenomen (-22%).

Pluimveehouderij: aantal vergunde dierplaatsen is stabiel in de periode 2000-2010 en in de periode 2010-2020 toegenomen (+62%).

Paardenhouderij: aantal vergunde dierplaatsen neemt gestaag toe in de periode 2000-2010 (+90%) en periode 2010-2020 (+31%). Het aandeel vergunde dierplaatsen ten opzichte van de andere sectoren is in 2020 echter nog steeds beperkt.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Verdeling veehouderijbedrijven per sector en omvang in de gemeente Alphen-Chaam

Figuur 3.3: Veehouderijen in Alphen-Chaam, naar type en omvang, 2020 (Kaart A)

3.1.2 Gemeente Baarle-Nassau Uit de cijfers voor Baarle-Nassau volgt de trend dat in de periode 2000-2010 de veestapel +23% gegroeid is en de geuremissie +15%. De veestapel en de vergunde geuremissie is in de periode 20102020 licht gedaald. Het aantal veehouderijlocaties nam de afgelopen 20 jaar wel gestaag af. Hier heeft de trend van schaalvergroting vooral plaatsgevonden in de periode 2000-2010. Minder, maar grotere bedrijven. De afname in de periode 2010-2020 is het gevolg van aangescherpte wet- en regelgeving, onder andere provinciale geurregels in de (voormalige) Verordening Ruimte 2014 en de geurregels én ammoniak-eisen in de huidige Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. In overbelaste situaties waar de achtergrondbelasting te hoog was konden uitbreidingen alleen gepaard gegaan met een zogenaamde proportionele afname van de geuremissie, met name door het toepassen van luchtwassers op bestaande stallen. Deze ontwikkeling van de veehouderij is in overeenstemming met de provinciale trend.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

35

P200734.007

Gemeente

Jaar

Veehouderijlocaties

Baarle-Nassau 2010=100%

2000 2010 2020

289 245 218

118% 100% 89%

Economische omvang dierplaatsen in Nge 26.283 77% 34.091 100% 33.312 98%

Vergunde geuremissie in OU 3.593.931 4.229.302 3.941.535

85% 100% 93%

Tabel 3.2: Gegevens veehouderijen in de gemeente Baarle-Nassau (o.b.v. actuele emissiefactoren Rgv)

Figuur 3.4: Ontwikkeling veehouderij in Baarle-Nassau in de periode 2000 -2010-2020

AANDEEL VEEHOUDERIJTYPEN IN 2020 GEMEENTE BAARLE-NASSAU O.B.V. ECONMISCHE OMVANG IN NGE EN VERGUNDE DIERPLAATSEN (Melk)rundvee

Varkens

Vleeskalveren

Pluimvee

Geiten

0,7% 2,6% 3% 1,5%

22,2%

44%

26%

Figuur 3.5: Aandeel veehouderijtypen in 2020 gemeente Baarle-Nassau

36

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

Paarden

Overig

P200734.007

Ontwikkeling op basis van vergunde dierplaatsen (BVB) in Baarle-Nassau:  (Melk)rundveehouderij: aantal vergunde dierplaatsen is toegenomen in de periode 20002010 (+43%) en in de periode 2010-2020 licht gedaald (-7%). 

Varkenshouderij: aantal vergunde dierplaatsen is stabiel gebleven in de periode 2000-2010 (+0,7%) en in de periode 2010-2020 een lichte toename (+5%).

Vleeskalverensector: aantal vergunde dierplaatsen is in de periode 2000-2010 flink toegenomen (+ 59%) en in de periode 2010-2020 vrijwel stabiel (+3%).

Geitenhouderij: aantal vergunde dierplaatsen is aanzienlijk toegenomen in de periode 20002010 (+ 415%) en in de periode 2010-2020 weer vrijwel stabiel (+3%).

Pluimveehouderij: aantal vergunde dierplaatsen is toegenomen in de periode 2000-2010 (+28%) en in de periode 2010-2020 licht afgenomen (-11%).

Paardenhouderij: aantal vergunde dierplaatsen neemt procentueel flink toe in de periode 2000-2010 (+448%) en periode 2010-2020 (+91%). Het aandeel vergunde dierplaatsen ten opzichte van de andere sectoren is in 2020 echter nog steeds beperkt.

Verdeling veehouderijbedrijven per sector en omvang in de gemeente Baarle-Nassau

Figuur 3.6: Veehouderijen in Baarle-Nassau, naar type en omvang, 2020 (Kaart A)

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

37

P200734.007

3.1.3 Gemeente Gilze en Rijen In de gemeente Gilze en Rijen zijn minder veehouderijen aanwezig dan in de gemeenten AlphenChaam en Baarle-Nassau. Ook is de economische omvang van de veehouderijen en de vergunde geuremissie kleiner dan in de twee andere gemeenten. De landelijke en provinciale trend van minder, maar grotere veehouderijlocaties (schaalvergroting) heeft ook in de gemeente Gilze en Rijen plaatsgevonden. In de periode 2000-2010 is door uitbreiding in dierplaatsen de vergunde geuremissie toegenomen. In de periode 2010-2020 is de vergunde geuremissie afgenomen tot onder het niveau van het jaar 2000. Dit is een gevolg van aangescherpte wet- en regelgeving, onder andere provinciale geurregels in de (voormalige) Verordening Ruimte 2014 en de geurregels én ammoniak-eisen in de huidige Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Gemeente

Jaar

Veehouderijlocaties

Gilze en Rijen 2010=100%

2000 2010 2020

168 149 131

113% 100% 88%

Economische omvang dierplaatsen in Nge 15.015 88% 16.968 100% 19.191 113%

Vergunde geuremissie in OU 986.176 1.122.255 950.766

Tabel 3.3: Gegevens veehouderijen in de gemeente Gilze en Rijen (o.b.v. actuele emissiefactoren Rgv)

Figuur 3.7: Ontwikkeling veehouderij in Gilze en Rijen in de periode 2000 -2010-2020

38

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

88% 100% 85%

P200734.007

AANDEEL VEEHOUDERIJTYPEN IN 2020 GEMEENTE GILZE EN RIJEN O.B.V. ECONMISCHE OMVANG IN NGE EN VERGUNDE DIERPLAATSEN (Melk)rundvee

Varkens

Paarden

4%

Pluimvee

Geiten

Vleeskalveren

Overig

3% 0,8%

5,2% 6,5%

14,5% 66%

Figuur 3.8: Aandeel veehouderijtypen in 2020 gemeente Gilze en Rijen

Ontwikkeling op basis van vergunde dierplaatsen (BVB) in Gilze en Rijen: 

(Melk)rundveehouderij: aantal vergunde dierplaatsen was stabiel in de periode 2000-2010 en is in de periode 2010-2020 gegroeid (+16%). Deze ontwikkeling heeft vooral plaatsgevonden in de melkrundveehouderij en is mede een gevolg van het afschaffen van het melkquotum.

Varkenshouderij: aantal vergunde dierplaatsen is licht toegenomen in de periode 2000-2010 (+11%) en weer gedaald in de periode 2010-2020 (-6%).

Vleeskalverensector: aantal vergunde dierplaatsen is in de periode 2000-2010 flink toegenomen (+ 61%) en in de periode 2010-2020 licht gedaald (-17%).

Geitenhouderij: aantal vergunde dierplaatsen is aanzienlijk toegenomen in de periode 20002010 (+ 415%) en in de periode 2010-2020 weer licht gedaald (-6%).

Pluimveehouderij: aantal vergunde dierplaatsen is toegenomen in de periode 2000-2010 (+44%) en in de periode 2010-2020 licht toegenomen (+3%).

Paardenhouderij: aantal vergunde dierplaatsen neemt procentueel toe in de periode 20002010 (+125%) en neemt licht af in de periode 2010-2020 (- 15%). Het aandeel vergunde dierplaatsen ten opzichte van de andere sectoren is in 2020 beperkt.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

39

P200734.007

Verdeling veehouderijbedrijven per sector en omvang in de gemeente Gilze en Rijen

Figuur 3.9: Veehouderijen in Gilze en Rijen, naar type en omvang, 2020 (Kaart A)

3.2

Ontwikkeling veehouderij per veehouderijsector

(Melk)rundveehouderij In de gemeente Gilze en Rijen heeft de (melk)rundveehouderij het grootste aandeel. In de gemeente Alphen-Chaam heeft de (melk)rundveehouderij een gelijk aandeel ten opzichte van de intensieve veehouderij. In Baarle-Nassau is het aandeel van de (melk)rundveehouderij ondergeschikt aan de intensieve veehouderij. De (melk)rundveebedrijven liggen verspreid over het hele buitengebied. De verwachting is dat de trend van minder, maar grotere melkrundveebedrijven (schaalvergroting) zal doorzetten in de komende 10-15 jaar. Verouderde rundveestallen moeten worden aangepast aan de Brabantse reductie-eisen voor ammoniak en innovatieve integrale emissiearme stalsystemen zijn ook voor de rundveehouderij volop in ontwikkeling. Bedrijven met verouderde stallen waar geen bedrijfsopvolger is, de locatie onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden heeft vanwege de ligging van de locatie en/of te weinig landbouwgrond beschikbaar is zullen niet meer investeren en stoppen met de (melk)rundveehouderij. De toekomstgerichte bedrijven zullen gaan uitbreiden om de investering in (integrale) emissiearme stalsystemen terug te kunnen verdienen.

40

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Paardenhouderij Het aantal paarden zal naar verwachting toenemen naarmate het aantal burgerwoningen en herbestemmingen in het buitengebied toeneemt. Dit betreft voornamelijk hobbymatige paardenhouderij. Het gaat daarbij om relatief kleine aantallen paarden per locatie. Door de wettelijke vaste afstanden voor melkrundvee- en paardenstallen en vaste mestopslagen tot geurgevoelige objecten, vormt geurhinder door melkrundvee- en paardenhouderij over het algemeen geen probleem. Eventuele knelpunten waarbij vaste afstanden worden overschreden zijn locatie gebonden. Geitenhouderij De provincie Noord-Brabant heeft op 7 juli 2017 besloten tot een moratorium op de geitenhouderij als voorzorgmaatregel met het oog op de volksgezondheid. Dit is verwerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant en betreft een bouwverbod voor geitenstallen, waardoor praktisch gezien nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen niet toegestaan is. Uitzondering hierop zijn bedrijven die nog een onbenutte, rechtsgeldige bouwvergunning hebben voor uitbreiding. De geitensector zit in Brabant aan de maximale omvang en zal komende jaren niet verder groeien. Varkenshouderij De intensieve veehouderij is in de gemeente Gilze en Rijen ondergeschikt aan de grondgebonden veehouderij, maar van de intensieve veehouderijsectoren is in de gemeente Gilze en Rijen de varkenshouderij de grootste sector.

Het gaat om een enkel bedrijf ten westen van Molenschot, ten noorden van Raakeind, ten oosten van Gilze en twee kleine clusters van bedrijven aan de Mosstraat ten noordoosten van Rijen en dichtbij de bebouwde kom van Gilze aan de zuidzijde. Het aantal bedrijven en het aantal dierplaatsen is licht gedaald en deze trend zal naar verwachting doorzetten komen de jaren. In Alphen-Chaam heeft de varkenshouderij een relevant aandeel. Naast enkele verspreid liggende bedrijven ligt ten zuiden van Alphen een cluster van varkensbedrijven in het gebied Boslust-Terover in het voormalig Landbouwontwikkelingsgebied Oostflank. In Baarle-Nassau is het aandeel van de varkenshouderij het grootste van de drie ABG-gemeenten. De varkensbedrijven bevinden zich in verschillende clusters: ten oosten van Baarle-Nassau in het voormalige landbouwontwikkelingsgebied Oostflank (Oordeelsestraat, Heikant-Veldbraak en Kapelstraat), ten noorden van Ulicoten (Maaijkant en omgeving), ten zuiden van Nieuwe Strumpt en nabij Hoogeind ten zuidwesten van Baarle-Nassau. Over het algemeen geldt dat de grote varkensbedrijven (IPPC-bedrijven) klaar zijn voor de toekomst en het maximale bouwblok volledig benut hebben. Deze toekomstgerichte ondernemers kiezen steeds vaker voor meerdere locaties en zullen hiervoor gunstig gelegen varkensbedrijven aankopen.

De blijvers die nog enkele verouderde stallen moeten aanpassen aan de Brabantse emissie-eisen zullen over het algemeen alle stallen voorzien van gecombineerde luchtwassers en de investering gepaard laten gaan met een uitbreiding, voor zover het bouwblok hiervoor ruimte biedt (trend van schaalvergroting).

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

41

P200734.007

Momenteel worden verschillende kansrijke innovatieve stalsystemen ontwikkeld die ammoniakemissies bij de bron reduceren, maar de meeste varkensbedrijven zullen luchtwassers toepassen om aan de Brabantse emissie-eisen te kunnen voldoen. Met name de kleinere varkenshouderijen op ongunstig gelegen locaties (nabij de bebouwde kom of natuurgebieden) en die nog verouderde stallen hebben die aangepast moeten worden in de periode 2024 - 2028, zullen gaan stoppen en deze locaties worden in de meeste gevallen her bestemd naar wonen of een niet-agrarische bedrijf. Provinciale regels en saneringsregelingen zorgen voor minder varkens in nabijheid van natuur- en woongebieden, zodat de afstand tussen varkenshouderijlocaties en deze functies toeneemt. De ontwikkeling in de varkenshouderij leidt met name in de gebieden waar nu sprake is van clusters van varkensbedrijven er toe dat de toekomstgerichte bedrijven blijven / ontwikkelen en de kleinere bedrijven stoppen, waardoor in deze gebieden steeds meer menging van functies zal optreden. Vleeskalverenhouderij De ontwikkeling van de vleeskalverenhouderij is in alle ABG-gemeenten stabiel. Alleen in de gemeente Baarle-Nassau heeft deze sector een relevant aandeel.

De vleeskalverenbedrijven liggen net als bij de varkensbedrijven in clusters verspreid over het grondgebied van de gemeente BaarleNassau: met name in het voormalig LOG Oostflank, rondom Hoogeind en twee grotere bedrijven bij Nieuwe Strumpt. Ook in de vleeskalverenhouderij moeten verouderde stallen voldoen aan de Brabantse emissie-eisen en worden voorzien van gecombineerde luchtwassers. Gezien de trend van afgelopen 10 jaar wordt verwacht dat de omvang en ontwikkeling van de vleeskalverenhouderij stabiel blijft. Pluimveehouderij Het aantal pluimveebedrijven is in alle ABG-gemeenten beperkt ten opzichte van het totaal aantal veehouderijbedrijven. De locaties liggen verspreid over het buitengebied en zijn overwegend grote bedrijven. De impact van de Brabantse emissie-eisen op de pluimveehouderij is groot, omdat praktijkrijpe technieken om de verplichte reducties te halen nog niet voorhanden zijn. Luchtwassers zijn problematisch vanwege fijnstof-emissies en buitenuitlopen. Voor de Brabantse pluimveehouderij vormt de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (niet alleen het voldoen aan de ammoniak-eisen, maar ook aan de BZV) een rem op de ontwikkelingsmogelijkheden van de pluimveehouderij. Naar verwachting zal het aantal pluimveebedrijven licht afnemen en hebben de blijvende, toekomstgerichte bedrijven weinig mogelijkheden om uit te breiden in dieraantallen.

Overige sectoren De overige veehouderijsectoren (o.a. schapen, konijnen) zijn ondergeschikt en relatief klein in aantallen bedrijven en vergunde dierplaatsen.

3.3

Vrijkomende agrarische bebouwing (Vab-locaties)

Vanuit de grote veranderingsopgave van het buitengebied, die de ABG-gemeenten ‘Plattelandsontwikkeling’ noemen, zijn de ABG-gemeenten in het voorjaar van 2019 begonnen met het uitvoeren van een inventarisatie van de Vab-locaties en veehouderijen.

42

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

In de zomer van 2020 is deze inventarisatie en analyse afgerond. De resultaten hiervan zijn opgenomen in een (interne) notitie ‘vab’s en veehouderijen’. Binnen de ABG-gemeenten waren in augustus 2020 bijna 140 Vab-locaties aanwezig en dit aantal zal toenemen in de komende jaren. Op deze Vab-locaties moet op termijn een geschikte herontwikkeling en herbestemming plaatsvinden om leegstand in het buitengebied te voorkomen. Deze geurgebiedsvisie is één van de acties die zijn benoemd in het kader van de ‘Plattelandsontwikkeling’. Vanuit de dynamiek van gebieden wordt gekozen voor een gebiedsgerichte benadering. Veel principeverzoeken zien toe op een woonbestemming of een bestemming waarbij wonen een nadrukkelijk onderdeel uitmaakt van het beoogde gebruik. Een functieverandering naar een (niet-agrarische) bedrijfsbestemming staat op een tweede plaats. De laatste jaren zijn de provinciale kaders verruimd en wordt meer ruimte geboden voor maatwerkinvulling bij hergebruik van Vab-locaties voor niet-agrarische functies. Hergebruik wordt niet meer beperkt tot bebouwingsconcentraties, maar is in het gehele buitengebied toegestaan. Vooral in gebieden met een sterke concentratie aan intensieve veehouderijen bepaalt de geurbelasting of een wijziging naar een woonfunctie (of met wonen vergelijkbaar) mogelijk is.

Voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen die zijn gestopt na 19 maart 2000, maar ook nieuwe woningen ter plaatse van voormalige veehouderijlocaties (zoals Ruimte voor Ruimte woningen) worden wettelijk niet beschermd door voorgrond geurnormen (de geurbelasting van individuele veehouderijen), maar alleen door minimale afstanden. Bij hergebruik van de voormalige bedrijfswoning of veehouderijlocatie is er risico op (geur)overlast als deze dichtbij blijvende of groeiende intensieve veehouderijen ligt. In de aandachtsgebieden ontstaan op de langere termijn problemen voor (toekomstige) bewoners én voor intensieve veehouderijen die willen ontwikkelen. Dit probleem speelt vooral in delen van het buitengebied waar een sterke concentratie van intensieve veehouderijen aanwezig is, met name het voormalige LOG Oostflank. Er zijn ook grote delen van het buitengebied waar dit probleem niet of nauwelijks speelt, zoals het buitengebied van Chaam en het grootste deel van het buitengebied van Gilze en Rijen. Op Kaart E in de bijlagen is de indicatieve achtergrondbelasting weergegeven op voormalige bedrijfswoningen behorende bij veehouderijen die gestopt zijn na 19 maart 2000. Hieronder uitsneden van deze kaart ter plaatse van de aandachtsgebieden. Gemeente Alphen-Chaam

Figuur 3.10: Indicatieve achtergrondbelasting op voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen die zijn gestopt na 19 maart 2000, gemeente Alphen-Chaam (Kaart E)

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

43

P200734.007

Gemeente Baarle-Nassau

Figuur 3.11: Indicatieve achtergrondbelasting op voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen die zijn gestopt na 19 maart 2000, gemeente Baarle-Nassau (Kaart E)

Gemeente Gilze en Rijen

Figuur 3.12: Indicatieve achtergrondbelasting op voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen die zijn gestopt na 19 maart 2000, gemeente Gilze en Rijen (Kaart E)

In een aantal aandachtsgebieden in de gemeenten Alphen-Chaam en Baarle-Nassau zijn de opties voor functieverandering beperkt vanwege de geuruitstoot van aanwezige veehouderijen. In deze gebieden is in de loop der jaren door de vele stoppende veehouderijen een menging van veehouderij- en woonfuncties ontstaan. De volgende gebieden zijn benoemd als aandachtsgebied ten aanzien van functiewijzigingen op Vablocaties:  Boslust-Terover; ten oosten van Alphen  Oordeelsestraat, Heikant-Veldbraak en Kapelstraat; ten oosten van Baarle-Nassau

44

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

De aandachtsgebieden hebben een overwegend matig of slecht woon- en leefklimaat. Geen van de aandachtsgebieden ligt in de zonering ‘beperkingen veehouderijen’ uit de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant. Intensieve veehouderijen in deze gebieden hebben daardoor groeimogelijkheden en geen ‘slot op de muur’. Er zijn weinig stoppers in deze gebieden en geen van de varkenshouderijen in deze gebieden hebben zich aangemeld voor de warme sanering. In de gemeente Gilze en Rijen zijn geen aandachtsgebieden voor Vab-locaties benoemd. Zowel bij Molenschot als het Raakeind is slechts een enkele voormalige bedrijfswoning overbelast ten gevolge van een enkele naastgelegen veehouderij. Onder de huidige Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit (Ab) gelden voor ‘voormalige bedrijfswoningen behorende bij een veehouderij die gestopt is na 19 maart 2000’ geen geurnormen voor de vergunningverlening, maar alleen vaste minimumafstanden. Voor de beoordeling van de achtergrondbelasting (de cumulatieve geur uit stallen van veehouderijen) heeft de gemeente beleidsvrijheid hoe voormalige bedrijfswoningen dienen te worden getoetst. De gemeente zal bij ruimtelijke procedures een beoordeling van het woon- en leefklimaat moeten opnemen, ook voor (voormalige) bedrijfswoningen en plattelandswoningen.

In de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant wordt er bij uitbreidingen van veehouderijen getoetst aan de achtergrondbelasting, waarbij de systematiek van de Wgv/Ab is gevolgd. Het staat de gemeente vrij om hier andere keuzen in te maken, zolang deze niet in strijd zijn met de provinciale regels Ook onder de toekomstige Omgevingswet behouden gemeenten beleidsvrijheid. In het Omgevingsplan kan de gemeente regels (algemene regels, beoordelingsregels voor vergunningverlening of omgevingswaarden) voor geur vastleggen. Bijvoorbeeld door voor voormalige bedrijfswoningen (of voor andere gebieden en functies) vast te leggen hoe vergunningen worden getoetst aan de cumulatieve geurbelasting. Om de (toekomstige) bewoners meer te beschermen tegen een te hoge cumulatieve geurhinder door veehouderijen of om juist een hogere geurbelasting als aanvaardbaar te benoemen, zodat er meer mogelijkheden voor functiewijziging ontstaan. Dit gemeente moet ook onder de Omgevingswet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente kan zelf bepalen welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Ook onder de Omgevingswet kan de gemeente vastleggen dat normen of afstandseisen niet gelden voor iets dat een voormalige functionele binding heeft met dat bedrijf. Bijvoorbeeld voor een voormalige bedrijfswoning.

De gemeente kan in het omgevingsplan vastleggen dat de geurnormen en afstanden niet gelden voor deze woning.

3.4

Bestaande geurbelasting op basis van vergunningen veehouderijen

In de hierna weergegeven berekende en geurbelasting is uitgegaan van de vergunningen en meldingen van veehouderijen en de nu geldende geuremissiefactoren, dus rekening houdend met de bijstelling van de geuremissiefactoren voor de gecombineerde luchtwassers. De achtergrondbelasting geur (= cumulatieve geurbelasting uit stallen van meerdere veehouderijen) is voor de ABG-gemeenten berekend op basis van een geactualiseerd veehouderijbestand (BVB november 2020, bewerkt door Pouderoyen Tonnaer in februari 2021).

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

45

P200734.007

3.4.1

Gemeente Alphen-Chaam

De achtergrondbelasting geur, vertaald in een classificatie van het woon- en leefklimaat, is in groot deel van de gemeente overwegend goed tot redelijk goed te noemen. In de woonkernen is sprake van een zeer goed tot goed woon- en leefklimaat en ligt de achtergrondbelasting van geur onder de gezondheidskundige advieswaarde van 5 Ou voor de bebouwde kom. In het buitengebied zijn een aantal verspreid liggende locaties c.q. woningen waar sprake is van een matig tot slecht woon- en leefklimaat door een hogere cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen. Hier ligt de achtergrondbelasting van geur boven de gezondheidskundige advieswaarde van 10 Ou en/of boven de provinciale geurnorm van 20 Ou.

Figuur 3.13: Indicatieve achtergrondbelasting geur huidige, vergunde situatie gemeente Alphen-Chaam (Kaart B)

46

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Figuur 3.14. Leefklimaat o.b.v. indicatieve achtergrondbelasting geur huidige vergunde situatie gemeente Alphen-Chaam (Kaart C)

3.4.2

Gemeente Baarle-Nassau

De achtergrondbelasting geur, vertaald in een classificatie van het woon- en leefklimaat, is in een groot deel van het buitengebied matig tot slecht te noemen. In een groot deel van de bebouwde kom van Baarle-Nassau heerst een redelijk goed tot goed woonen leefklimaat en ligt de achtergrondbelasting van geur onder de gezondheidskundige advieswaarde van 5 Ou. In het westelijke deel van de bebouwde kom (nabij Loveren) en het oostelijke deel van de bebouwde kom (Kapelstraat en bedrijventerrein) is sprake van een matig tot redelijk slecht woon- en leefklimaat en overschrijdt de achtergrondbelasting de provinciale geurnorm van 10 Ou. In de bebouwde kom van Ulicoten is sprake van een goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat. De gezondheidskundige advieswaarde van 5 Ou wordt overschreden, maar de achtergrondbelasting ligt wel onder de provinciale norm van 10 Ou. In het buitengebied zijn meerdere gebieden waar sprake is van een matig tot slecht woon- en leefklimaat door een hogere cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen: ten noorden van Ulicoten, Oude en Nieuwe Strumpt, Hoogeind, Loveren, Huisvennen en het hele voormalige LOG Oostflank (Oordeelsestraat, Heikant-Veldbraak-Nijhoven, Kapelstraat, Driehuizen-Klein Bedaf en Groot Bedaf).

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

47

P200734.007

Figuur 3.15. Indicatieve achtergrondbelasting geur huidige, vergunde situatie gemeente Baarle-Nassau (Kaart B)

48

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Figuur 3.16: Leefklimaat o.b.v. indicatieve achtergrondbelasting geur huidige vergunde situatie gemeente Baarle-Nassau (Kaart C)

Figuur 3.17: Indicatieve achtergrondbelasting t.o.v. achtergrondnorm in 2010 en 2020 Baarle-Nassau (Kaart D)

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

49

P200734.007

Figuur 3.18: Indicatieve achtergrondbelasting t.o.v. achtergrondnorm in 2010 en 2020 Ulicoten (Kaart D)

3.4.3

Gemeente Gilze en Rijen

De achtergrondbelasting geur, vertaald in een classificatie van het woon- en leefklimaat, is in de woonkernen en een groot deel van het buitengebied goed tot zeer goed te noemen. Op vier plaatsen in het buitengebied is sprake van een te hoge achtergrondbelasting van geur en lokaal sprake van een matig tot slecht woon- en leefklimaat:

50

ten noordoosten van Rijen aan de Mosstraat: hier zijn slechts twee geurgevoelige objecten aanwezig waarvoor geurnormen gelden.

ten westen van Molenschot: de geurcontour is afkomstig van slechts één veehouderij en ook hier is het aantal overbelaste geurgevoelige objecten waarvoor geurnormen gelden beperkt.

ten zuidoosten van Gilze: het aantal overbelaste geurgevoelige objecten waarvoor geurnormen gelden is hier beperkt. De bebouwde kom van Gilze is niet overbelast, maar in de kernrandzone ten zuiden en oosten van Gilze is de achtergrondbelasting te hoog. In 2008 zijn er geen afwijkende geurnormen vastgesteld voor het gebied De Bolberg ten zuiden van Gilze, omdat uitgegaan werd van sanering van de vier aanwezige varkenshouderijen. In 2020 zijn de vergunningen van deze varkensbedrijven nog actief waardoor de vergunde geurbelasting te hoog is. Ten oosten van Gilze is de geurbelasting te hoog door één grote varkenshouderij en iets noordelijker nog een geitenhouderij.

het gebied Raakeind: van 2008 tot 2017 gold hier een soepelere gemeentelijke voorgrondnorm voor geur van 25 Ou. Ten opzichte van de wettelijke geurnorm die geldt vanaf 2017 is de situatie ter plaatse overbelast ten aanzien van geur.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Figuur 3.19: Indicatieve achtergrondbelasting geur huidige, vergunde situatie gemeente Gilze en Rijen (Kaart B)

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

51

P200734.007

Figuur 3.20: Leefklimaat o.b.v. indicatieve achtergrondbelasting geur huidige, vergunde situatie gemeente Gilze en Rijen (Kaart C)

52

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

3.5

Overige gezondheidseffecten door veehouderijen

De ontwikkeling van de veehouderij en daaraan gerelateerde stalemissies hebben invloed op gezondheid van omwonenden en het de kwaliteit van het woon- en leefklimaat op een locatie of in een gebied. Te hoge geurbelasting en geurhinder die wordt ervaren is een belangrijk gezondheidsaspect. Te hoge emissies van fijnstof en endotoxinen kunnen ook nadelige effecten hebben voor de gezondheid van omwonenden. Veel brongerichte emissiearme stalsystemen en/of end-of-pipe technieken (luchtwassers) reduceren niet alleen geuremissies, maar ook emissies van ammoniak, fijnstof en endotoxinen. Beleidskaders en maatregelen die gericht zijn op reduceren van emissies uit stallen en op basis waarvan van veehouderijen alleen kunnen ontwikkelen als ze verbetermaatregelen treffen, zorgen niet alleen voor reductie van geur maar voor een algehele verbetering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat en vermindering van de nadelige gezondheidseffecten in aandachtsgebieden.

3.5.1

Fijnstof belasting door veehouderijen

Fijn stof wordt gezien als één van de meest schadelijke stoffen van luchtverontreiniging. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 micrometer (PM10) gerekend. Concentratie van veehouderijen kan de kans op overschrijding van de fijn stof normen verhogen. Een bedrijfswoning van een (andere) veehouderij wordt wettelijk ook beschermd tegen de belasting van fijn stof afkomstig van veehouderijen in de omgeving. Alleen de eigen bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen de belasting van fijn stof afkomstig van de eigen veehouderij. In 2007 zijn de luchtkwaliteitseisen in de Wet milieubeheer aangepast. Het Besluit Niet In Betekenende Mate en de bijbehorende NIBM-regeling zorgde voor uitsluiting van het standstill beginsel wat inhield in dat een situatie die voldoet aan de normen, toch niet mag verslechteren tot aan de norm. Uitsluiting van dit beginsel ten aanzien van luchtkwaliteit betekent dat de luchtkwaliteit mag worden ‘opgevuld’ tot aan de grenswaarden en biedt bedrijven de mogelijkheid uit te breiden en meer fijn stof te emitteren. Hierdoor kunnen ongewenste situaties ontstaan. Het Rijk heeft enkele pluimveerijke gebieden aangeduid waar de NIBM‐regeling niet meer van toepassing is, maar deze liggen niet in de ABG-gemeenten.

In de omgeving van pluimveebedrijven is de achtergrondconcentratie PM10 hoger dan in de omgeving van andere veehouderijen, maar de achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) is volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in 2020 in de ABG-gemeenten overal lager dan 20 µg/m3. De achtergrondconcentratie fijnstof ligt dus ver onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 en voldoet ook aan de gezondheidskundige advieswaarde van 15 µg/m3. Dit betekent dat ten aanzien van specifiek fijnstof uit veehouderijen geen aandachtsgebieden aanwezig zijn. Het aantal pluimveebedrijven is in alle ABG-gemeenten beperkt en de locaties liggen verspreid over het buitengebied. Naar verwachting zal het aantal pluimveebedrijven licht afnemen en hebben de blijvende, toekomstgerichte pluimveebedrijven door landelijk en provinciaal beleid weinig mogelijkheden om uit te breiden in dieraantallen en zullen fijnstof emissies uit pluimveestallen nog verder afnamen. De ABG-gemeente passen daarbij het endotoxinen toetsingskader toe (dit aspect wordt toegelicht in de volgende paragraaf) en dit toetsingskader voorkomt dat de fijnstofemissies uit stallen toenemen op locaties waar woningen dichtbij pluimvee- en varkenshouderijen liggen.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

53

P200734.007

3.5.2 Endotoxinen belasting door veehouderijen Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)’ bekend gemaakt. Endotoxinen vormen een onderdeel van het fijn stof dat afkomstig is uitveehouderijen. Het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid heeft de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld. Uitgangspunt hierin is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het toetsingskader zijn voor de relevante diersoorten varkens en pluimvee afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijnstofemissie kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden. De cumulatieve endotoxine-belasting is een doorvertaling hiervan en is een indicatieve beoordeling van waar de advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk overschreden wordt. Op Kaart F in de bijlagen zijn de endotoxinen-contouren weergegeven en navolgend per gemeente een uitsnede van deze kaart. Per geurgevoelig object is aangegeven of de advieswaarde voor endotoxinen wel of niet wordt overschreden.

Gemeente Alphen-Chaam In de gemeente Alphen-Chaam zijn twee gebieden aanwezig waar ter plaatse van meerdere woningen de endotoxine-blootstelling hoger is dan de gezondheidskundige advieswaarde: Druisdijk en Boslust-Terover. Deze gebieden zijn ook overbelast ten aanzien van geur.

Figuur 3.21: Endotoxine risicocontouren en indicatieve cumulatieve endotoxinen-belasting vergunde veehouderijen (Kaart F)

54

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

Gemeente Baarle-Nassau In de gemeente Baarle-Nassau is ter plaatse van enkele pluimveebedrijven op enkele woningen de endotoxine-blootstelling hoger dan de gezondheidskundige advieswaarde: één woning aan de Maaijkantsestraat in Ulicoten, twee woningen bij Oude-Strumpt en één woning aan de Oordeelsestraat in voormalig LOG Oostflank. Deze objecten zijn ook overbelast ten aanzien van geur.

Figuur 3.22: Endotoxine risicocontouren en indicatieve cumulatieve endotoxinen-belasting vergunde veehouderijen (Kaart F)

Gemeente Gilze en Rijen In de gemeente Gilze en Rijen zijn bij Hulten, in het gebied Raakeind en ten noordoosten van Rijen aan de Mosstraat de endotoxine-contouren van drie pluimveebedrijven zichtbaar. Ten noordoosten van Rijen en ten westen van Molenschot zijn geen woningen van derden aanwezig binnen de indicatieve risicocontouren van de veehouderijen. In het gebied Raakeind ligt één woning binnen de indicatieve endotoxine-contour van de aanwezige pluimveehouderij. Deze woning is ook overbelast ten aanzien van geur. Bij Hulten is de risicocontour relatief klein, maar toch ligt hier één woning binnen de indicatieve endotoxine-contour. Deze woning is een voormalige bedrijfswoning van een veehouderij die is gestopt na 19 maart 2000. Ter plaatse van deze woning is wel sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

55

P200734.007

Figuur 3.23: Endotoxine risicocontouren en indicatieve cumulatieve endotoxinen-belasting vergunde veehouderijen (Kaart F)

56

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten

P200734.007

4 Mogelijke ontwikkeling geurbelasting 4.1

Milieuruimte huidige geurnormen

Om een beeld te kunnen geven van de risico’s op toename van de geurbelasting door groei van (intensieve) veehouderijen in de ABG-gemeenten, is een analyse uitgevoerd naar de indicatieve milieuruimte op het gebied van geur, ofwel de mogelijkheid om de geuremissie te vergroten binnen de wettelijke voorgrondnormen. Hierbij zijn voor het buitengebied voorgrondnormen van 14 Ou en hoger bij ontwikkeling van veehouderijen in de modellering van de (indicatieve) uitbreidingsruimte effectief op 10 Ou veronderstelt, vanwege de provinciale geurnorm in de Interim Omgevingsverordening (IOV). Met het inwerkingtreden van de provinciale Verordening ruimte 2014 (nu de IOV) en de daarin opgenomen normen voor achtergrondbelasting (maximaal 20% kans op geurhinder ter plaatse van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom) vormt de norm voor achtergrondbelasting bij uitbreiden van intensieve veehouderijen, als dat gepaard gaat met een toename van de bebouwing, in het buitengebied een “bepalende geurnorm”. Maximaal 20% geurgehinderden betekent een maximale voorgrondbelasting van 10 Ou en een maximale achtergrondbelasting van 20 Ou (overeenkomstig Bijlage 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij). Het betreft een indicatieve inschatting op basis van gemeente-brede gegevens en analyses op de schaal- en het detailniveau van het onderzoek t.b.v. deze geurgebiedsvisie.

De vergunde geurbelasting en de mogelijkheden om wel of niet uit te kunnen breiden op basis van de gemeentelijke geurnormen en de provinciale geurnormen, is echter sterk afhankelijk van de exacte kenmerken en locatie van de emissiepunten, de locatie van de voor geurhinder gevoelige objecten en de proportionele bijdragen van omliggende veehouderijen in de achtergrondbelasting. Een dergelijke gedetailleerde analyse en gegevensverzameling past niet bij het doel en de aard van het gemeente brede onderzoek in deze geurgebiedsvisie. De indicatieve ontwikkelingsmogelijkheden op basis van de voorgrondbelasting geur zijn op Kaart H in de bijlagen en in navolgend figuur 4.1. weergegeven. Hieruit kan afgeleid worden dat in het buitengebied in de kernrandzones en bebouwingslinten geen tot zeer beperkte milieuruimte beschikbaar is ten aanzien van geur. Toch zijn er ook nog meerdere plaatsen in het buitengebied aan te wijzen waar de geuremissie van individuele veehouderijen mogelijk nog kan toenemen ten opzichte van de huidige geurbelasting. Met name in de primaire agrarisch gebieden. De aanwezige milieuruimte ten aanzien van geur is in de gemeente Gilze en Rijen kleiner dan in de gemeenten Alphen-Chaam en Baarle-Nassau.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11914491/1