CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

bomenbeleidsplan GR

Raadscommissie Ruimte 2 november 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel bomenbeleidsplan14.485 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Als dit het geval is stellen we randvoorwaarden op voor het ontwerp en de uitvoering van de herinrichting. Door in deze fase keuzes te maken en randvoorwaarden te bepalen, voorkomen we dat gedurende de planvorming onduidelijkheid ontstaat. Ook kunnen we bewoners in een vroeg stadium onze visie op het bestaande bomenbestand geven en verwachtingen managen. Als we de bomen zeker behouden is een groeiplaatsonderzoek niet altijd nodig en kan het bekijken van de actuele informatie over de conditie van de boom volstaan. Mogelijk kan een rekenmethode zoals I-Tree een meerwaarde zijn om te bepalen of bomen gekapt of behouden moeten worden of dat bomen toevoegen een waardevermeerdering oplevert.

7.2 Ontwerp- en besteksfase Het ontwerp is een van de belangrijkste schakels om te komen tot de uiteindelijke uitvoering van een plan. Het ontwerp moet niet alleen inzage geven in de visuele aspecten van het plan, maar moet ook inzicht geven in de haalbaarheid van het plan en de knelpunten waarmee we bij de uitvoering van het plan rekening moeten houden. Wanneer de ontwerper bomen opneemt in het ontwerp is het dus van belang dat hij niet alleen de boom als een ´groen bolletje` op kaart weergeeft, maar dat vanuit het ontwerp duidelijk wordt of de aanplant van een boom of bomenrij binnen het ontwerpplan ook werkelijk haalbaar is. Essentieel is dat de ontwerper de toekomstige boom en zijn groeiplaats volgens het eindconcept op het ontwerp laat zien. De ontwerper moet de bomen op het ontwerp dus niet weergeven in de maatvoering 24

waarin de bomen worden aanplant, maar in de grootte die zij bereiken in het gewenste eindbeeld van de ontwerper. Alleen dan kunnen we de haalbaarheid van het ontwerp op een reële basis richting de toekomst toetsen. In deze fase moet al worden gekozen voor het formaat van de boom. Ook moet in deze fase gekeken worden of we extra bomen kunnen planten. De onderhoudskosten ontstaan op de ontwerptafel. Als we daar al zouden uitgaan van een onwerkbaar compromis, dan komt er nooit een mooie boom. Om bomen te beschermen is het daarom ook nodig het ontwerp te toetsen door een Boom Effect Analyse op te stellen. Een BEA maakt de effecten van het ontwerp op de bomen zichtbaar. Er volgt een inschatting of de bomen kunnen blijven staan. Een BEA beschrijft ook alternatieven om de bomen te kunnen behouden, waarmee de ontwerper het ontwerp kan aanpassen. Als het definitief ontwerp is afgerond moet een boombeschermingsplan worden opgesteld door de aannemer, de gemeente toetst hierin. Hierin leggen we vast hoe we de bomen tijdens het verdere proces daadwerkelijk beschermen. Om schades aan bomen te voorkomen zijn door de vereniging Stadswerk en Norminstituut Bomen richtlijnen en een Handboek Bomen opgesteld die ervoor zorgen dat bomen duurzaam behouden blijven.

Een goed middel om te voorkomen dat schade ontstaat aan bomen tijdens bouwwerkzaamheden is het opnemen van deze (en eventuele aanvullende) voorwaarden in het bestek. Door bij de beoordeling van een bouwaanvraag eisen te stellen aan het bouwen rond bomen, is vooraf duidelijk wat we moeten voorbereiden. Hierdoor kunnen we voorzien wat de meest gunstige bouwperiode is (meestal buiten het groeiseizoen) en als het mogelijk is, de bouw hierop aanpassen.

7.3 Uitvoeringsfase Toezicht houden tijdens werkzaamheden is een belangrijk aspect in de uitvoeringsfase. Het is daarom noodzakelijk dat een ter zake kundig persoon toezicht houdt. Er moeten met de gemeente afspraken worden gemaakt wie het toezicht op zich neemt. Vaak is dit de toezichthouder groen. Mocht toch boomschade optreden dan kan een boomtaxateur aanvullende onderzoeken en / of taxaties uitvoeren om de ernst van de schade en de gevolgen hiervan vast te stellen. De kosten kunnen we dan verhalen bij de uitvoerende partij. De boomtaxateur bepaalt de boomwaarde door gebruik te maken van de Rekenmethode van de NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). De aanplant van bomen moet hand in hand gaan met de uitvoering van het werk om te voorkomen dat bomen als sluitpost gaan fungeren.

7.4 Beheerfase Goede nazorg in de beheerfase is onontbeerlijk. Het gebeurt vaak dat met de oplevering van een project ook de boombeschermende maatregelen stoppen. Voornamelijk oude bomen hebben moeite zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Soms is de grondwaterstand veranderd of is er onverhoopt toch schade ontstaan zonder dat dit is opgemerkt. Extra watergiften in de eerste 3 jaar na de werkzaamheden kunnen dan van levensbelang zijn voor de boom. Bij oudere bomen kan het nodig zijn de grond te ploffen. We leggen vast wie na aanplant 3 jaar verantwoordelijk is voor de nazorg van de boom. Kosten van boombescherming In de meeste gevallen betaalt de initiatiefnemer van het project de kosten voor boombescherming. Is de gemeente dit zelf, dan moeten wij de kosten hiervoor dragen en moeten we deze kosten in de raming van het project meenemen. Vervolgens moeten we dit in het bestek opnemen. Wanneer het een particulier betreft (bijvoorbeeld woningbouwvereniging of projectontwikkelaar), dan moet die partij de kosten voor zijn rekening nemen.

25

Regulier onderhoud en boomveiligheid Het in standhouden van bomen is een continu proces. Regulier onderhoud is onder andere voor groeibegeleiding van bomen, het verwijderen van dode takken, bodemverbetering en onderhoud aan de groeiplaats van bomen. Regulier boomonderhoud gaat vaak hand in hand met het onderhoud dat nodig is om te zorgen voor de veiligheid in de omgeving van de boom. Een belangrijk onderdeel van boombeheer is inventarisatie van het totale bomenbestand, de Boomveiligheidscontrole (BVC). Die geeft inzicht in de taken die we moeten uitvoeren en geeft informatie waarmee we beheerplannen kunnen opstellen. Alle bomen controleren we periodiek om te beoordelen wat de conditie van de boom is en of deze een gevaar kan vormen voor de omgeving. Werkzaamheden in het kader van boomveiligheid bestaan onder andere uit het snoeien van takken boven wegen, fietspaden en trottoirs. Bomen, die attentie nodig hebben, controleren we vaker. Bij bomen die een risico vormen treffen we direct maatregelen, dat kan er soms toe leiden dat we gevaarlijke grote takken verwijderen of dat we oude of zieke bomen kappen. Participatie en inspraak Het doorlopen van bovenstaande stappen geeft informatie die nodig is voor een zorgvuldige afweging van de diverse belangen.

Doordat bomen vanaf het begin van het planproces expliciet de aandacht krijgen, worden medewerkers van de gemeente, inwoners, het bestuur en alle andere betrokken partijen in een vroeg stadium gewezen op en deelgenoot gemaakt van de mogelijke consequenties van de plannen voor bomen en voor de bomenstructuur. Bij het betrekken van omwonenden en belanghebbenden in de fase van planontwikkeling en later in de formele inspraakprocedures die bij alle planvorming horen, kunnen bewoners tijdig hun invloed doen gelden en op de voorstellen reageren. Een besluit om bomen te kappen, te verplanten of te behouden is op deze manier geen sluitstuk van het planproces dat onder de tijdsdruk van de uitvoering van het plan genomen moet worden, maar de uitkomst van een weloverwogen en doelgerichte afweging vanaf het begin van het traject.

26

8. De juiste plek Gezonde, goede bomen beginnen bij een goede plek om te groeien, als onderdeel van de juiste boom op de juiste plek. Maar wat is een goede plek en als die plek niet ideaal is, hoe maken we die dan zo optimaal mogelijk? Dit hoofdstuk geeft richtlijnen hoe de juiste plek te kiezen en deze ook in te richten.

8.1 Standplaatsomstandigheden De meeste bomen leven van nature in bossen. In het bos is een bosbodem ontstaan door verterend blad en het bodemleven. Deze bodem heeft een losse structuur; water en lucht kunnen goed in de grond dringen. Doordat de bomen met elkaar concurreren om licht, groeien ze omhoog en vormen ze stammen. Ze ontwikkelen een wortelstelsel dat net zo groot is als hun kroon. De wortels zorgen voor de opname van voedingsstoffen, zuurstof en water en voor de verankering van de boom. De sterke bomen overleven en de zwakke bomen sterven af. Dit heet natuurlijke selectie. In een versteende omgeving willen we gezonde bomen. Daarom bootsen we hier zoveel mogelijk de natuurlijke situatie na. Bomen staan vaak in kleine boomspiegels tussen wegen, voet- en fietspaden en parkeervakken. Bomen staan soms te dicht op de bebouwing. De kroon kan hierdoor niet goed uitgroeien en ook het wortelstelsel ontwikkelt zich eenzijdig, wat de verankering negatief beïnvloedt. Door te kleine en slechte groeiplaatsen drukken boomwortels de verharding omhoog, met gevaarlijke situaties tot gevolg. Riolering, kabels en leidingen, funderingen van gebouwen en bomen zitten elkaar regelmatig in de weg. De bodem in onze gemeente bestaat voor een groot deel uit hoge droge zandgronden. Bomen groeien daardoor in een slechte groeiplaats niet goed of veroorzaken schade.

Om gezond te blijven, hebben bomen voldoende doorwortelbare ruimte nodig, waar bovendien voldoende regenwater de wortels bereikt. Om lang te kunnen genieten van een geplante boom is het dus van belang om een boom de goede omstandigheden mee te geven.

8.2 Algemene kaders groeiplaats Doordat we bomen jong aanplanten en de bomen pas na jaren uitgroeien tot hun uiteindelijke omvang, ervaren we de gevolgen van ‘verkeerde’ keuzes pas later, als de boom volwassen is. In deze paragraaf hebben we de randvoorwaarden opgenomen voor aanplant van bomen. Plant bomen die passen bij de groeiplaats Bomen hebben een bepaalde groeiruimte nodig, zodat de boom in principe zijn volwassen leeftijd kan bereiken. Deze technische en ruimtelijke criteria zijn vanuit vakkennis en ervaring ontstaan. Bij aanplant moeten we al bepalen of we gedurende de levensduur van de boom aan deze criteria kunnen voldoen. Wanneer dit niet het geval is, is aanplant niet wenselijk of moeten we kiezen voor een kleinere boom. Een boom moet zijn soorteigen grootte kunnen bereiken op een voor de omgeving, boomtechnisch veilige manier, zonder onacceptabele overlast te veroorzaken en gebaseerd op voorspelbare onderhoudsmaatregelen. Geen bomen planten versterkt de ervaring van de bomen die er wel staan Begeleiding door een laanstructuur is niet in iedere straat nodig. Het beleven van een open landschap kan een contrast oproepen met besloten of bosachtige delen. Deze contrasten kunnen voor de beleving van een dorp of landschap zeer waardevol zijn.

In open ruimtes beter één grote, duurzame boom dan meerdere kleine Bomen zijn er in verschillende groottes, zie de beschrijving hiervan hieronder in paragaaf 8.3. Bomen van de eerste grootte kunnen uitgroeien tot imposante, grote en monumentale bomen en zijn daarom het meest waardevol. Kleinere bomen zijn in het algemeen eerder aan vervanging toe. In

27

plannen moeten we bewust zoeken naar locaties voor bomen van de eerste grootte (bijv. ontmoetingsplekken, randzones, parkgebieden). Duurzame kwaliteit boven kwantiteit in woonstraten In (woon)straten stemmen we de grootte en het aantal bomen af op de mogelijkheden van de standplaats. Dit kan betekenen dat we bijvoorbeeld kiezen om een rij bomen aan een kant van de weg te plaatsen, in plaats van aan beide kanten. In woonstraten en bij beperkte ruimte kiezen we voor bomen die passen, meestal zijn dat bomen van de derde grootte. Deze bomen kunnen we voldoende groeiruimte bieden om volledig uit te groeien en binnen een kort tijdsbestek een belangrijke bijdrage te leveren aan het straatbeeld. Na circa 30 jaar is vervanging door een gelijkwaardige boom aan de orde, zonder dat een (te) grote investering is gedaan aan het onderhoud (met name begeleidingssnoei) van de boom. Bomen bij voorkeur in beplanting of gras Ongeacht de groeiplaats die we bomen in verharding bieden, gedijen bomen het best als ze in beplanting of gras staan. De betere vochthuishouding en beluchting van de wortels alsmede het ontbreken van grote verdichting zorgen voor betere groeiomstandigheden. Bomen in verharding zijn vrij duur in het onderhoud. De kosten houden verband met het onderhoud van de boomspiegel en het treffen van verkeersmaatregelen voor dit onderhoud.

Deze bomen hebben bovendien een relatief korte levensduur door de dynamiek van de verharde omgeving en de slechte groeiomstandigheden. Bij voorkeur planten we daarom geen bomen meer in verharding maar altijd in minimaal een ruime groene boomspiegel. Bewuste toepassing vormbomen Leibomen, knotbomen en gekandelaberde bomen vragen gedurende het gehele leven van de boom extra onderhoud. Dit onderhoud vormt een extra kostenpost. We moeten daarom alleen vormbomen planten op locaties waar deze extra kosten verantwoord zijn, zoals centrumgebieden of nabij monumenten. Het knotten en kandelaberen van bomen als maatregel om overlast en klachten te bestrijden doen we vanwege de hoge kostenniet meer.

8.3 Technische en ruimtelijk kaders Deze richtlijnen zijn primair bedoeld voor het aanplanten van nieuwe bomen. De onderstaande richtlijnen zijn gebaseerd op bomen met een ovale of eironde kroonvorm. Voor bomen met afwijkende kroonvormen, zoals zuilvormige kronen of juist brede platte kronen, en voor bomen met bijzondere snoeivormen, zoals leibomen of knotbomen, gelden afwijkende maten. Deze maten beschrijven we hier niet. Bij de groeiplaatsvoorwaarden maken we onderscheid in drie groottes: -

Bomen van de 1e grootte: bomen die bij uitgroei tot hun natuurlijke habitus groter worden dan 15 meter. Voorbeelden zijn plataan, zomereik, linde, beuk en paardenkastanje; - Bomen van de 2e grootte: bomen met een natuurlijke habitus tussen 8 en 15 meter, zoals pluimes en zwarte els; - Bomen van de 3e grootte: bomen met een grootte tot 8 meter, zoals meidoorn, sierappel en lijsterbes. Richtlijn boom met eironde of ovale kroon bovengronds 1e grootte 2e grootte 3e grootte Afstand tot gebouw/gevel > 10 meter > 6 meter > 4 meter Profiel van gevel tot gevel voor twee rijen >28 meter >19 meter >14 meter Onderlinge afstand >12-15 >8 meter > 6 meter meter Boomspiegel >4 m2 >2,25 m2 >1 m2 Bron: Groenstructuurplan 28

Voorwaarden voor de groeiplaats ondergronds - Voor een optimale groei heeft een boom voldoende ondergrondse groeiruimte nodig, waar voldoende voedsel aanwezig is. De benodigde groeiplaats moeten we per locatie bekijken. Hiervoor gebruiken we de boommonitor van het Norminstituut bomen. De monitor geeft het aantal m3 aan voor de soort boom en zijn toekomstige groeiplaats. - Bomen planten we liever niet in verharding. Maar als het echt niet anders kan, dan moet het een vocht- en luchtdoorlatende verharding zijn die niet zwaar belast wordt. - Kabels en leidingen moeten minstens 2 meter buiten de stam blijven. Of heel goed afgeschermd zijn door een koker of wortelscherm van de boom. Dit om te voorkomen dat bij werkzaamheden relatief dikke wortels worden doorgezaagd; - Het verbeteren van de groeiplaats voor bomen kan door het aanbrengen van voedingssleuven, voedingsstoffen injecteren (ploffen), graven van voedingspijlers, beluchten, groeiplaatsconstructies of het doormengen met humusrijke grond. Voorwaarden bij de uitvoering (het planten) Een goede uitvoering houdt de beheerskosten laag; immers een boom die zich lekker voelt laat tijdens zijn leven minder gebreken zien.

Voor het realiseren van een goed groeiende boom gelden de volgende voorwaarden: - De minimale aanplantmaat van bomen in druk bezochte gebieden moet 25-30 cm diameter op borsthoogte zijn om vandalisme te voorkomen en eerder het gewenste beeld te bereiken; - Het plantgat moet cultuurtechnisch goed worden voorbereid: spitten van de plantplaats tot 150 centimeter onder het maaiveld, toepassen van bomengranulaat of bomenzand onder verharding en met Vivimus bemeste teelaarde buiten de verharding. In het plantgat, in verharding moet een beluchtingsdrain worden aangebracht onder de verharding; - Indien nodig beschermen van de stam met boombeugels; - Indien nodig antiwortelschermen langs kabels en leidingen aanbrengen of mantelbuizen gebruiken. Dit voorkomt dat wortels worden beschadigd wanneer graafwerkzaamheden in de leidingstraat nodig zijn. Dicht en zwaar belaste verharding kan op een fundering worden aangebracht, zodat de verharding niet op de kluit rust; - Jonge bomen krijgen na aanplant altijd nog 3 jaar water; - Boomverankering bij aanplant om ervoor te zorgen dat de boom goed vast staat in zijn nieuwe groeiplaats. Zo kunnen de wortels buiten hun kluit groeien zonder af te breken als gevolg van een bewegende kluit. Daarnaast plaatsen wij bij nieuwe bomen in verharding of gazon altijd gietranden.

8.4 Zonne-energie Regelmatig komen er verzoeken binnen van bewoners om gemeentelijke bomen te kappen of drastisch te snoeien om de opbrengst van zonnepanelen of zonnecollectoren te verhogen of het plaatsen van zonnepanelen rendabel te maken. Met de te verwachten sterke groei van het aantal zonnepanelen in de gemeente Gilze en Rijen verwachten we deze vragen steeds vaker te krijgen. De gemeente hanteert als beleidsuitgangspunt dat de aanwezigheid van zonnepanelen/zonnecollectoren of de wens deze aan te brengen geen reden is om gezonde bomen te kappen. Andere gemeenten hebben vergelijkbare besluiten genomen. Het standpunt dat we gezonde gemeentelijke bomen niet kappen voor zonnepanelen geeft duidelijkheid aan adviseurs en bewoners. Bewoners zijn zelf verantwoordelijk voor de aanleg en situering van zonnepanelen of collectoren. De eventuele aanwezigheid van bomen moeten ze zelf bij die keuze betrekken. Het verkrijgen van een beter of hoger rendement van zonnepanelen kan een bewoner niet als argument aanwenden om het kappen van bomen mogelijk te maken. Bomen dragen ook bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen. 29

Bovendien kunnen bewoners zich van te voren realiseren dat het rendement van zonnepanelen niet optimaal kan zijn door de aanwezige bomen. Wanneer slechts enkele panelen in de schaduw van een boom liggen zijn er technische alternatieven om het rendement toch te optimaliseren en het verlies te beperken. Bijvoorbeeld door de aanschaf van mini-omvormers per paneel zodat het minst presterende paneel niet de gehele installatie beïnvloedt. Mocht dat geen oplossing zijn dan kan de burger bijvoorbeeld ook deelnemen in collectieve initiatieven waarbij er in duurzame energie geïnvesteerd wordt. De mogelijkheid van het opwekken van zonne-energie is iets om rekening mee te houden bij nieuwbouw en waar we nieuwe bomen planten. Het planten van bomen op plaatsen die (in de toekomst) voor schaduw op zon georiënteerde daken zorgen proberen we zoveel mogelijk te voorkomen. Hier houden we bij het ontwerp van een nieuwbouwwijk al rekening mee.

8.5 Klimop Klimop is ecologisch zeer waardevol. Het levert namelijk nestgelegenheid voor vogels, het biedt schuilgelegenheid en overwinteringsplek voor kleine dieren. Bloeiende klimop levert nectar in september en oktober voor bijen en voor overwinterende vlinders en de bessen in het voorjaar zijn voedsel voor vogels. Daarnaast is klimop wintergroen en dus waardevol voor de beeldkwaliteit. Klimop treffen we veel aan in zomereiken; hij groeit echter ook in andere loofbomen zoals populier, es, Europese esdoorn. Klimop kan wel tot 30 meter hoog en honderden jaren oud worden. Klimop tast gewone inheemse loofbomen niet aan, maar kan de kroonvorming wel beperken en boominspectie lastig maken. In het beheersysteem moeten we vastleggen, welke bomen met klimop begroeid zijn, of verder mogen groeien dan de onderste takkrans. Als standaardprocedure: - klimop boven de onderste takkrans doorsnijden en de dode klimop in een aparte werkgang 1 jaar na de snoei uit de boom verwijderen. - In volgroeide parkbomen klimop tot 8 meter langs de stam handhaven, inclusief de bloeiende en besdragende zijscheuten. - Van oude bomen in parken mag de stam tot minstens 8 meter hoogte begroeid zijn en langs de zijtakken tot circa ¼ van de lengte. - Wanneer klimop bij boomcontrole klimopbegroeiing een belemmering is, ten minste de dikste klimoptak en zijtakken langs de stam handhaven.

30

9. De juiste boom Er is een grote variëteit en keuze in bomen: in grootte, vorm, kleur en in eisen aan hun omgeving (voeding, nat of droog). De kunst is steeds de juiste boom te vinden bij de plek. In toenemende mate kijken we daarbij niet alleen naar soorten die hier van oudsher voorkwamen, of naar sierwaarde, maar juist ook soorten die passen bij een toekomstig (warmer en droger) klimaat en bij een versteende omgeving.

9.1 Voorwaarden bij de soortkeuze en beheervorm Sommige locaties binnen onze gemeente kennen een hoge gebruiksintensiteit of een specifiek soort gebruik, bijvoorbeeld het centrum van Rijen. Dit zijn locaties waar de totale inrichting en het beeld dat dit oplevert, bijdraagt aan een specifieke beleving, bijvoorbeeld winkelgebieden en drukke verkeersaders. Hier kan gekozen worden voor boomsoorten en –vormen die meer en intensiever onderhoud vragen. Dit sluit aan bij ons kwaliteitsplan openbare ruimte. Het is van belang om deze keuze bewust te maken, omdat zich ook knelpunten kunnen voordoen. In drukke gebieden bijvoorbeeld is vaak maar beperkt groeiruimte beschikbaar. Met de planning van het onderhoud moeten we hier rekening mee houden. Bij de keuze van de boomsoort moeten we kijken naar de waarden van de boom. De waardes die beschreven staan in hoofdstuk 2 moeten we allemaal afwegen om tot een keuze voor de juiste boomsoort te komen. De beheervorm en boomsoort moeten we zo kiezen dat na realisatie kostenbewust bomenbeheer mogelijk is.

Dit betekent: - Vooronderzoek doen naar de standplaatsfactoren zoals de grondsoort, grondwaterstand en beschikbare ruimte; - Beperkte toepassing van boomsoorten die veel onderhoud vergen (bijvoorbeeld vormbomen); - Boomsoorten zodanig kiezen dat een eenduidig beheer mogelijk is; - In druk bezochte gebieden alleen boomsoorten gebruiken die bestand zijn tegen verharding, wind, luchtverontreiniging, ziekten en strooizout en die de verharding niet opdrukken. Hierdoor blijft de kans klein dat we de bomen voortijdig moeten vervangen; - Naast (hoofd-)wegen geen soorten planten die gevoelig zijn voor strooizout; - Voor de sortimentskeuze nemen we een hoofdregel in acht: de keuze van de boomsoort moeten we afstemmen op de gewenste omvang, habitus, bodemtype en vochtleverend vermogen van de bodem. We kijken hierbij naar welke bomen het al goed doen in de gemeente; - Als sprake is van structuren: niet een hele laan met dezelfde soort toepassen. Om ziektes en plagen minder kans te geven; - Op parkeerplaatsen geen soorten planten die druppen (luisgevoelige soorten) of zware vruchten dragen. Bij speelplaatsen e.d.

geen soorten die giftig zijn aanplanten; - Vlak bij woningen en/of tuinen rekening houden met de schaduwwerking en geen luisgevoelige soorten aanplanten; - Geen soorten planten die veel last hebben van wortelopslag of zaailingen (valse acacia, populier, esdoorn, Amerikaanse eik), waar dit niet gewenst is.

9.2 Soorten en een veranderend klimaat Het wordt onmiskenbaar steeds warmer en er zijn langere periodes van droogte. Op de hoge droge zandgronden in Gilze en Rijen ondervinden we de gevolgen hiervan. Sommige bomen hebben het duidelijk moeilijk met de arme grond en het gebrek aan water. Daarom moeten de bomen die we nu kiezen in de toekomst tegen hogere temperaturen kunnen en beter droogte kunnen verdragen. Van de huidige bomen in de gemeente is een deel gevoelig voor verbranding van de stam en de kroon en voor droogte. Bij de aanplant moeten we zoveel mogelijk rekening houden met de aanplantperiode en bomen niet te laat planten. In onze gemeente hebben we een opgave om wateroverlast te 31

beperken. Bij voorkeur doen we dat in plantsoenen. Bestaande bomen behouden blijft daarin altijd het uitgangspunt.

32

10. Boomziekten Ziekten, aantastingen en plagen hebben veel invloed op het bomenbestand. Naast de noodzakelijke bestrijding, richten we onze aandacht vooral op preventie. Bomen in verharding zijn extra kwetsbaar. Het intensieve gebruik van de verharding maakt dat bomen vaker te kampen hebben met krappe groeiplaatsen. Een versteende omgeving en het veranderende klimaat zetten bomen onder druk. Conditioneel zwakkere bomen hebben minder weerstand en zijn gevoeliger voor ziekten, aantasting en plagen. Goede groeiplaatsen en een juiste gevarieerde boomsoortkeuze vormen dus de basis voor het voorkomen van ziekten. Daarnaast nemen we maatregelen om verspreiding van ziekten te voorkomen.

10.1 Ziekten en plagen De laatste jaren hebben enkele ziekten en plagen veel invloed gehad op ons bomenbestand en het beheer ervan. De belangrijkste daarvan zijn de eikenprocessierups, iepziekte, Massaria, paardenkastanjebloedingsziekte, letterzetter en essentaksterfte. Niet altijd is het mogelijk om ziekten en plagen goed te bestrijden. Voor een aantal ziekten, zoals de paardenkastanjebloedingsziekte en de essentaksterfte, bestaat nog geen effectieve behandelmethode. De aangetaste bomen sterven uiteindelijk (indirect) aan deze ziekten. Wel kunnen we voor een zo goed mogelijke boven- en ondergrondse groeiplaats en een goed onderhoud zorgen, waardoor de kans op ziekten en plagen afneemt. Een grotere variatie in boomsoorten en genetisch materiaal voorkomt dat in gebieden veel bomen tegelijk ziek worden met een kaalslag tot gevolg.

10.2 Maatregelen Bij veel aantastingen beoordelen we per individueel geval of maatregelen zoals het bestrijden van de aantasting of het verwijderen van de boom nodig is. We hanteren hierbij het uitgangspunt dat we actie ondernemen wanneer gevaar ontstaat voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid. Per ziekte moeten we specifiek kijken welke maatregelen effectief zijn. Ook kunnen er nieuwe ziektes opduiken. Wij nemen de volgende algemene maatregelen om ziekten en plagen te bestrijden, niet verder te verspreiden of te voorkomen: - We stimuleren een brede variatie aan boomsoorten. We planten nog wel eiken, maar niet meer naast elkaar, er staat altijd minimaal een andere soort tussen. Dit om de eikenprocessierups minder kansen te geven makkelijk te verspreiden. In woonstraten zijn we zeer terughoudend met het plaatsen van (inheemse) eiken. - We zorgen voor een goede boven- en ondergrondse groeiplaats. - We beschikken over specialistische vakkennis over boomziekten en plagen en houden deze actueel. - We delen onze specialistische vakkennis met collega`s. - We gaan in de APV een juridisch handvat vastleggen waardoor we bij ziekten en plagen snel en adequaat kunnen ingrijpen. - We herplanten bomen als het voorkomen en behandelen van de ziekte niet heeft gewerkt en we zieke of dode bomen hebben moeten kappen.

- Als we verspreiding van ziekten voorkomen door een bepaalde manier van werken stellen we hiervoor een protocol op en nemen dit op in aanbestedingen en bestekken. - Zieke of aangetaste bomen inspecteren we vaker. - We inspecteren al onze bomen minimaal een keer per drie jaar, waardoor we ziekten en plagen snel in beeld hebben.

33

11. Kappen en herplanten In ons kapbeleid staat beschreven hoe we omgaan met bomen bij kap en snoei. Als iemand een waardevolle houtopstand wil kappen, blijkt uit een belangenafweging of dat kan of niet. Hiermee zijn we duidelijk en transparant naar de mensen die een belang hebben bij het kappen of bij het behoud van houtopstanden.

11.1 Kapbeleid Het kapbeleid is in 2013 in goed overleg met de Zuidelijke Land- Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en Natuur- en Landbouwvereniging (NLGR) tot stand gekomen. Met dit bomenbeleid leggen we de langetermijnvisie vast voor bomen. Het kapbeleid herzien we indien nodig eens per 5 jaar omdat er mogelijk veranderingen zijn in andere relevante wet- en regelgeving. Of omdat er procedureel dingen anders lopen. In de APV staan de regels voor het bewaren van houtopstanden. Naast een aantal begripsomschrijvingen wordt beschreven wanneer er een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Aan een vergunning kunnen voorschriften verbonden worden, die in de APV vastgelegd zijn. Het kapbeleid is een uitwerking van de regels in de APV en gaat in op de achtergronden van de regels. Na het vaststellen van dit bomenbeleidsplan gaan we aan de slag met het evalueren en herzien van het kapvergunningenstelsel. Hierin nemen we een duidelijke handleiding op voor een boomwaarderingssysteem op basis van boomwaarde. Daarnaast nemen we een besluit hoe we omgaan met kap en herplant in het geval van dunningen en bijzondere houtwallen. Voor herplant bij dunningen kijken we naar de mogelijkheid om een bomenfonds te gebruiken, waarin geld kan worden gestort. Bij het herzien van het kapbeleid hoort ook een analyse van de benodigde capaciteit om het kapbeleid en herplantplicht goed uit te voeren.

Met name de controle op kap en herplant vraagt veel capaciteit bij verschillende afdelingen en is op dit moment een knelpunt. Bij de herziening van het kapbeleid zullen deze knelpunten ook besproken worden met het bestuur.

11.2 Herplantplicht Een herplantplicht kunnen we opnemen als voorwaarde, als een vergunning is verleend. Het college bepaalt hoe groot de herplant moet zijn en waar de aanvrager van de vergunning moet herplanten. Voor de aanplant moet er wel ruimte zijn. Als we een herplantplicht opleggen, willen we die jonge bomen ook beschermen. Dit doen we door ook een instandhoudingsplicht op te leggen.

34

12. Hinder en overlast Bomen hebben niet alleen positieve effecten. Mensen ervaren bomen soms als last in plaats van als lust. We krijgen regelmatig klachten over bomen die hinder of overlast veroorzaken en zo een aantrekkelijke beleving van de woning en (woon)omgeving aantasten. We nemen dergelijke klachten serieus en onderzoeken steeds of we maatregelen kunnen nemen om deze hinder en overlast te verminderen of helemaal weg te nemen. De mogelijke maatregelen hangen af van de mate van overlast ten opzichte van het algemeen belang. De uitkomst kan `niets doen` zijn en dan moeten bewoners de situatie accepteren. Het andere uiterste is dat de overlast zo ernstig is dat we de boom kappen. Tussen deze twee uitersten is een variatie aan maatregelen denkbaar om de hinder te verminderen. Dit kunnen maatregelen aan de boom of in de omgeving ervan zijn.

12.1 Wanneer is iets hinder? Hinder is subjectief en persoonsgebonden. Wat de één als overlast ervaart, is voor de ander juist een genot. Niet iedere vorm van overlast is ernstig genoeg om over te gaan tot het treffen van maatregelen. Het Burgerlijk Wetboek hanteert het begrip ‘onrechtmatige hinder’ om aan te geven wanneer overlast als zwaarwegend en buitenproportioneel kan worden beschouwd. Uit uitspraken van de rechter blijkt dat de aard, ernst en duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en specifieke plaatselijke omstandigheden meespelen. Het is in ieder geval geen zwaarwegende en buitenproportionele hinder als: • Het over de normale kenmerken van bomen gaat, zoals bladval, afvallende zaden of vruchten of enige mate van beschaduwing. • Als de hinder al bestond vóór de bewoner er ging wonen, dan is er minder reden om hinder als onrechtmatig aan te merken.

12.2 Afweging in vier stappen Als iemand meldt dat er ernstige overlast is dan onderzoeken we de situatie. We reageren terughoudend op verzoeken van kap of rigoureuze snoei in ons eigen bomenbestand. Daarbij maken we een afweging tussen de hinder, de technische staat van de boom en de diverse waarden van de boom in relatie tot de omgeving. We kappen een boom niet zomaar. We kijken altijd eerst naar andere mogelijke maatregelen, zowel aan de boom als in de omgeving, om de overlast te verminderen. Is er bijvoorbeeld last van roetdauw op geparkeerde auto’s, dan kijken we eerst of we luizen in een boom kunnen bestrijden en of het mogelijk is om ergens anders te parkeren. Om de afweging te kunnen maken onderzoeken we vier onderdelen: 1: Is er sprake van zwaarwegende en buitenproportionele hinder? De eerste vraag die we moeten beantwoorden voor de afweging is hoe groot de hinder is en of dit valt onder de term ‘zwaarwegend en buitenproportioneel’. Hieronder in de tabel is te lezen welk type overlast zwaarwegend is. 2: Is er sprake van ‘de juiste boom op de juiste plek’? Is er sprake van een goede plek en een boom die daarbij past, zoals omschreven in de hoofdstukken ‘de juiste plek’ en ‘de juiste boom’. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een prima groeiplaats, waarbij toch hinder ontstaat omdat de gekozen boom te groot is voor de plek.

In de beoordeling maken we onderscheid tussen ‘goed’ (juiste boom en juiste plek), ‘matig’ (juiste plek, verkeerde boom of andersom) of ‘slecht’ (verkeerde boom op de verkeerde plek). 3: Wat is de conditie en technische staat van de boom? We kijken naar de conditie en technische staat van de boom, zoals bepaald in de boominspecties. De staat van de boom geeft inzicht in hoeverre het nog de moeite waard is om te investeren in maatregelen om de overlast te beperken. 35

4: Wat is de waarde voor de omgeving en de structuur? De laatste stap bekijkt de waarde en betekenis die de boom heeft voor de omgeving en voor de structuur waar hij deel van uitmaakt. Het gaat dan over alle waarden, zoals in het hoofdstuk 3 zijn benoemd: waarde van de boom, waarde voor gebruik en beleving, ecologie en natuur, milieu en klimaat, cultuurhistorie en ruimtelijke structuur en landschap. Deze afweging kan de afweging naar wel of niet kappen doen omslaan.

12.3 Maatregelen De afweging over hinder en overlast kent drie mogelijke uitkomsten: • Treffen van een alternatieve maatregel aan de boom of in de omgeving. De maatregelen moeten bij voorkeur de oorzaak wegnemen, maar kunnen ook gericht zijn op het verminderen van het gevolg van overlast. Veel maatregelen werken helaas alleen tijdelijk. Bij het nemen van maatregelen maken we een afweging tussen de kosten, de boom en het mogelijke effect. Het nemen van maatregelen overwegen we altijd. Pas als we hier geen mogelijkheden zien, ze te duur zijn ten opzichte van het effect van de maatregel of het effect maar zeer tijdelijk is, zetten we de volgende stap naar kappen of niet kappen. • Niets doen en dus niet kappen. De hinder, overlast of schade die optreedt, weegt in deze gevallen niet op tegen de waarde van de boom. Dit kan omdat het een vitale boom op een prima plek is, of bijvoorbeeld een boom met een aanzienlijke waarde voor de omgeving omdat het de enige boom in een straat is. • Kappen van de boom. Kap vindt plaats als de ondervonden hinder opweegt tegen de kwaliteit en waarden van de boom. Dit betekent dat er eerder kap plaatsvindt als de boom op een slechte groeiplaats staat, in een onvoldoende technische staat is en relatief weinig waarde heeft voor de omgeving. Daarbij is kap ook altijd afhankelijk van het beschikbaar budget.

Slechts in een beperkt aantal gevallen zal overlast zodanig zijn dat dit reden is voor het verlenen van een vergunning voor het kappen van een houtopstand: - als schade aan bouwwerken ontstaat die redelijkerwijs niet te voorkomen is door andere oplossingen dan rooien van de houtopstand of - als er sprake is van ernstige, meervoudige overlast die niet anders te bestrijden is dan door rooien van de houtopstand of houtopstanden. Voorbeelden zijn: beschadiging eigendom door boomwortels, ernstige schaduw (met onderzoek bewezen) en ernstige schade door luis. Onder overlast wordt niet verstaan: allergieën, bladval, vruchten, bloei, vogelpoep, dood hout, stuifmeel. Hierbij moet ook gelden dat geen andere bevredigende oplossing mogelijk is. De tabel hieronder geeft aan wat we doen bij verschillende typen overlast. Last van Vruchten, bladval, bloesem, zaden en naalden. Vogelpoep. Overhangende takken Verkeersonveilige situaties Schaduwwerking

Veiligheidsrisico omwaaien bomen of vallende takken Wortelopdruk

Wanneer is er sprake van gegronde overlast

Kan de klacht leiden tot onderzoek naar de mogelijkheid voor kap? Nee

Nee Ja Overschrijden van de TNO- Ja minimumnorm voor de bezonning in huis. Onveilige situatie Ja bevonden door boomveiligheidsinspecteur Onveilige situaties door Ja ongelijke trottoirs. Schade aan gebouwen, hekwerk en funderingen. 36

Allergieën Bladluis Eikenprocessierups Ziekten en aantastingen

Veiligheidsrisico’s vanwege stambreuk of instabiliteit bevonden door boomveiligheidsinspecteur

Nee Ja, in geval dat zich voordoet in de gehele tuin. Nee Ja

Voor het bepalen van overmatige schaduw in huis gebruiken wij de door TNO gesteld minimumnorm voor de bezonning van woningen: Er is sprake van voldoende daglichttoetreding wanneer er sprake is van ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 april tot 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in de woonkamer.

12.4 Overlast van monumentale bomen Monumentale bomen mogen alleen worden gekapt als de boom zwaar is aangetast of ziek is. Doordat het hier om heel waardevolle bomen gaat, moeten bewoners overlast eerder accepteren. Bij deze bomen zoeken we naar maatregelen en mogelijkheden om de overlast weg te nemen of te verminderen. Kap overwegen we dan niet.

37

13. Monumentale bomen Oude en bijzondere bomen zijn zeer beeld- en sfeerbepalend en geven een extra dimensie aan de openbare ruimte. Oude bomen dragen de omgevingsgeschiedenis van vele jaren met zich mee. Daarom willen we deze monumentale bomen extra beschermen. Op dit moment is er alleen een monumentale bomenlijst die de Bomenstichting op heeft gesteld. Maar de ambitie is om deze lijst compleet te maken met een inventarisatie van alle gemeentelijk en particuliere monumentale bomen: Hieronder beschrijven we de criteria voor monumentale bomen volgens de Bomenstichting. Een boom moet aan drie voorwaarden voldoen om opgenomen te worden in het Landelijk Register voor Monumentale bomen van de Bomenstichting. 1. De leeftijd van de boom is minimaal 50 jaar Een uitzondering kan gemaakt worden bijvoorbeeld een herdenkingsboom of een boom met een grote dendrologische waarde. 2. De boom moet een levensverwachting hebben van minimaal 10 jaar De bomen mogen niet in een onherstelbare slechte conditie verkeren (d.w.z. de bomen in beginsel weer in een redelijke conditie zijn te brengen), volledig verval van de boom mag niet binnen tien jaar te verwachten zijn. 3.

De boom heeft ten minste een van de waarden, zoals beschreven in hoofdstuk 2 - Waarde voor milieu en klimaatbestendigheid - Waarde voor ruimtelijke structuur en landschap - Waarde voor ecologie en natuur - Cultuurhistorische waarde - Gebruiks- en belevingswaarde In onze gemeente kiezen we ervoor dat bomen al bij een leeftijd van 50 jaar monumentaal kunnen zijn. Vanwege de waarden van monumentale bomen verlenen we voor hen in beginsel geen kapvergunning, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, of een zwaarwegend maatschappelijk belang. De voorwaarden hiervoor werken we uit in het kapbeleid. In bestemmingsplannen nemen we de kroonprojecties van monumentale bomen op met een dubbelbestemming, waarbij ze extra beschermd zijn tegen graaf- en bouwwerkzaamheden binnen de kroonprojectie. Voor het in stand houden van de particuliere monumentale bomen is het noodzakelijk dat een goed opgeleide boomverzorger op vakkundige wijze onderhoudswerkzaamheden aan de boom uitvoert. Vaak voert een particulier deze werkzaamheden niet zelf uit, maar moet hij een beroep moeten doen op een deskundige. We onderzoeken of we een bijdrage kunnen leveren aan het onderhoud aan monumentale bomen van particulieren. Er komt een mogelijkheid voor bewoners om zelf bomen aan te melden voor de monumentale bomenlijst bij de gemeente.

Wij kunnen daarbij de hulp van bewoners goed gebruiken. Dit is een mooie kans voor bewonersparticipatie. Uw boom aanmelden bij de Bomenstichting kan nu al. Monumentale bomen worden inzichtelijk gemaakt via een lijst of kaart op de website van de gemeente.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10591410/1