CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4- bijlagen bij toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Gemeenteraad 12 juni 2025, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Schoolstraat 49- 5122.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Schoolstraat 49-51

bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

4

Bijlage 2

Kwaliteitsberekening

6

Bijlage 3

Invoergegevens AERIUS-berekeningen

8

Bijlage 4

AERIUS-berekening aanlegfase

17

Bijlage 5

AERIUS-berekening gebruikersfase

27

Bijlage 6

Quickscan Flora-Fauna

36

Bijlage 7

Bodemonderzoek

74

Bijlage 8

Akoestisch onderzoek

131

Bijlage 9

Omgevingsdialoog

157

Bijlage 10

Archeologisch onderzoek

176

Bijlage 11

Nota vooroverlegreacties

235

Bijlage 12

Schaduwstudie Schoolstraat 49

241

Bijlage 13

Akoestisch onderzoek Schoolstraat 51

248

2

bestemmingsplan "Schoolstraat 49-51" (vastgesteld)

bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan "Schoolstraat 49-51" (vastgesteld) 3

bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan

4

bestemmingsplan "Schoolstraat 49-51" (vastgesteld)

bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Bijlage 2 Kwaliteitsberekening

6

bestemmingsplan "Schoolstraat 49-51" (vastgesteld)

Berekening kwaliteitsverbetering Locatie: Schoolstraat 49 en 51 Molenschot Project: 20144 Datum: 18-07-2024 Waardevermeerdering gronden Huidige situatie Agrarisch (bouwvlak) Agrarisch (stedelijk gebied) Agrarisch (geen bouwvlak) Wonen (stedelijk gebied)

Oppervlak m² 5317 2215 1154 1165 9851

Totaal Beoogde situatie Wonen (stedelijk gebied) Bedrijf (stedelijk gebied) Bedrijf (bouwvlak) Groen Totaal

1165 2158 4773 1755 9851

Waardevermeerdering Bijdrage LIR

20%

Waarde/m² € 25,00 € € € € 7,00 € € € €

Totaal 132.925,00 8.078,00 141.003,00

€ € € €

€ € € € €

286.380,00 1.755,00 288.135,00

€ €

147.132,00 29.426,40

60,00 1,00

Kwaliteitsverbetering landschap Nr.: 1

Aantal

Eenheid Prijs per eenheid

Totaalprijs

Houtsingel: Aanplant struwelen Aanplant bomen (ca.)

75 12

stuk € stuk €

2,30 90,22

€ €

172,50 1.082,64

Beheerskosten struweelhaag (cyclisch beheer 5-7 jaar) Beheerskosten bomen (3x in 6 jr.)

28 12

m1 € stuk €

7,87 95,58

€ €

220,36 1.146,96

Bosjes: Aanplant struwelen Aanplant bomen (ca.) Beheer bosje

342 45 0,0342

stuk € stuk € ha €

2,30 90,22 27.699,73

€ € €

786,60 4.059,90 947,33

Robuuste houtsingel: Aanplant struwelen Aanplant bomen (ca.)

748 95

stuk € stuk €

2,30 90,22

€ €

1.720,40 8.570,90

Beheerskosten struweelhaag (cyclisch beheer 5-7 jaar) Beheerskosten bomen (3x in 6 jr.)

93 95

m1 € stuk €

7,87 95,58

€ €

731,91 9.080,10

5

Te revitalieren knip- en scheerheg (ervan uitgaande dat in 6 jr. alles wordt herplant) Beheerskosten knip- en scheerheg (6 jr.)

75 15

stuk € m1 €

3,00 41,46

€ €

225,00 621,90

6

Aanplant struwelen (enkel inheemse soorten worden berekend)

25 18

stuk € m1 €

2,30 7,87

€ €

57,50 141,66

2+3

4

Beheerskosten struweelhaag (cyclisch beheer 5-7 jaar) Totaal investering landschap Waarde éxtra kwaliteitsverbetering van het landschap

€ 29.565,66 € 139,26

De berekening is gemaakt op basis van de Stila‐normen, dit zijn de meest recente subsidiebedragen, zoals de Provincie Noord‐Brabant deze heeft opgenomen in bijlage 5 en 6 van de Subsidieregeling Stimuleringskader landschap Noord‐Brabant. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR641265/8

bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Bijlage 3 Invoergegevens AERIUS-berekeningen

8

bestemmingsplan "Schoolstraat 49-51" (vastgesteld)

Notitie:

Invoergegevens AERIUS-berekening

Kenmerk: 20144.005 / TvW / EH Datum:

19-03-2025

Deze notitie behoort bij de partiële herziening van het bestemmingsplan voor de locatie Schoolstraat 49-51. In deze notitie wordt een toelichting gegeven op de gebruikte gegevens voor het berekenen van de stikstofdepositie met het rekenprogramma AERIUS Calculator 2024.1. In de notitie wordt een toelichting gegeven op de invoergegevens van de gebruikersfase en de aanlegfase. Deze notite bestaat uit de volgende onderdelen:

1. Gebouwinvloed ................................................................................................ 2 2. Toelichting invoergegevens verkeersbewegingen ........................................... 2 3. Invoergegevens uitgangssituatie:.................................................................... 3 3.1.

Toelichting verkeersbewegingen uitgangssituatie: ............................................... 3

3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.1.4.

Aan/afvoer bedrijfsactiviteiten: ................................................................... 3 Diversen: .................................................................................................. 4 Bezoek bedrijfswoning Schoolstraat 51:....................................................... 4 Bezoek burgerwoning Schoolstraat 49: ........................................................ 4

3.2.

Toelichting mobiele bronnen binnen de inrichting: .............................................. 4

3.3.

Toelichting stookinstallaties .............................................................................. 5

4. Toelichting aanleg/bouwfase ........................................................................... 5 4.1.

Verkeersbewegingen ........................................................................................ 5

4.2.

Inzet mobiele werktuigen/materieel met een relevante bijdrage ........................... 6

1 van 8

1. Gebouwinvloed In de nieuwste versie van AERIUS calculator kan het effect van een gebouw op de depositie meegenomen worden. Wanneer een emissiebron op een gebouw staat, of dichtbij een gebouw ligt, kan dit gebouw de verspreiding van de emissies beïnvloeden. Er dient in concentratie- en depositieberekeningen rekening te worden gehouden met gebouwinvloed wanneer aan alle onderstaande vier criteria wordt voldaan: ▪ De bron is een stationaire puntbron. Emissiepunten van stallen (stalemissies) en (industriële) schoorstenen voldoen aan dit criterium. Bij niet-stationaire bronnen zoals wegverkeer, railverkeer, scheepvaart en mobiele werktuigen wordt gebouwinvloed niet meegenomen. Ook bij oppervlaktebronnen (terreinen van waaruit diffuse emissies plaatsvinden, bijvoorbeeld bij bemesten en beweiden) wordt gebouwinvloed niet meegenomen in de berekeningen. ▪ De puntbron staat op een dominant gebouw of dichtbij één of meerdere dominante gebouwen. Een dominant gebouw is een gebouw dat een relatief groot obstakel vormt in zijn omgeving. Meer uitleg is te vinden in paragraaf 2.1. ▪ De hoogte van het emissiepunt is minder dan 2,5 maal de hoogte van het gebouw. Meer uitleg is te vinden in paragraaf 2.2. ▪ De afstand van de emissiebron tot de meest nabije stikstofgevoelige natuur is minder dan 3 kilometer.

Het gaat hier dus om de afstand tussen de bron met gebouwinvloed en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat of leefgebied van soorten in Natura 2000-gebieden (dit zijn de locaties waarop AERIUS de bijdrage aan de stikstofdepositie berekent). Na 3 km kan worden verwacht dat er geen, of slechts zeer bepekt, sprake is van gebouweffecten. Na 3 km mag gebouwinvloed voor aanvragen worden verwaarloosd. Wordt aan al deze criteria voldaan, dan moet gebouwinvloed meegenomen worden in de berekening. Wordt aan een of meerdere criteria niet voldaan dan hoeft geen rekening te worden gehouden met gebouwinvloed. Voor deze situatie geldt dat de bronnen op een afstand van meer dan 3 kilometer van een stikstofgevoelige habitat of leefgebied van soorten in Natura 2000-gebieden liggen. Hierdoor is in deze berekening geen rekening gehouden met de gebouwinvloeden.

2. Toelichting invoergegevens verkeersbewegingen In de berekening van de vervoersbewegingen zijn alle tractoren en vrachtwagens als zware motorvoertuigen geclassificeerd. Het is immers op voorhand niet bekend of een ‘kleine’ of ‘grote’ vrachtwagen het bedrijf bezoekt. Ook is niet expliciet benoemd of tractoren middelzware of zware motorvoertuigen zijn. Om een worst-case-situatie te hanteren zijn al deze vervoersbewegingen als zware motorvoertuigen in de berekening opgenomen. Alle vervoersbewegingen zijn ingevoerd tot het moment dat deze zijn opgenomen in het ‘heersende verkeersbeeld’. Om deze reden is er een lijnbron voor verkeer opgenomen in noordelijke richting tot de kruising met de Kapelstraat/Broekstraat en in zuidelijke richting tot de kruising met de Lijndonk. In deze afstand kan het verkeer afremmen of optrekken tot deze de normale snelheid heeft. De rijrichtingen op de openbare weg zijn niet evenredig verdeeld. De Schoolstraat is een weg die in noordelijke richting, via de bebouwde kom van Molenschot, aansluit op de N282. Wanneer men de Schoolstraat in zuidelijke richting afrijd is de A58 goed te bereiken. Omdat de hoofdwegen in zowel noordelijke als zuidelijke richting goed te bereiken is, is gekozen voor een evenredige verdeling van de vervoersbewegingen.

2 van8

3. Invoergegevens beoogde situatie: Bron 1: Emissiepunt: Materiaal: Aantal: Bron 2: Emissiepunt: Materiaal: Aantal: Bron 3: Emissiepunt: Aantal:

Lijnbron wegverkeer (Noordelijke richting) Lichte en zware motorvoertuigen 6.059 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie tabel 1 en toelichting 2.972 zware voertuigbewegingen per jaar, zie tabel 1 en toelichting Lijnbron wegverkeer (Zuidelijke richting) Lichte en zware motorvoertuigen 6.059 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie tabel 1 en toelichting 2.972 zware voertuigbewegingen per jaar, zie tabel 1 en toelichting Mobiele bronnen binnen inrichting Meerdere werktuigen t.b.v. hoveniersbedrijf, zie toelichting mobiele bronnen

3.1. Toelichting verkeersbewegingen beoogde situatie:

Tabel 1: overzichtstabel vervoersbewegingen Auto Tractor Vrachtwagen

Vrachtwagen Auto Auto Auto Vrachtwagen

Bedrijfsactiviteiten Bedrijfsactiviteiten Bedrijfswoning Burgerwoning Afvoer diverse

16 16 1 1 1

12118 0 5944

Hoeveelheid vrachtwagenbewegingen per dag Autobewegingen per dag aantal woningen aantal woningen per week

365 365 8,6 8,6 52

Kengetal dagen/jaar dagen/jaar verkeersgeneratie per dag per woning verkeersgeneratie per dag per woning weken/jaar

aantal bewegingen 1 1 1 1 2

aantal vervoersbewegingen per jaar 5840 5840 3139 3139 104

Een toelichting op de rijrichting van de vervoersbewegingen is reeds eerder opgenomen in deze notitie. Onderstaand worden de gebruikte hoeveelheden nader toegelicht.

3.1.1. Aan/afvoer bedrijfsactiviteiten:

Binnen het plangebied is in de beoogde situatie sprake van een hoveniersbedrijf, bewoning in een bedrijfswoning en bewoning in een burgerwoning. Voor het aantal vervoersbewegingen dat benodigd is voor het hoveniersbedrijf is uitgegaan van de kerncijfers zoals deze zijn opgenomen in de CROW-publicatie 381. Voor een dergelijk bedrijf is uitgegaan van de categorie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. Dit omdat de bedrijfsactiviteiten het beste aansluiten in deze categorie. Er is uitgegaan van een verkeersintensiteit behorende bij ‘Schil Centrum’. Dit omdat het bedrijf tegen de bebouwde kom van Molenschot is gelegen. Voor een dergelijk bedrijf gelegen in ‘Schil centrum’ geldt een verkeersintensiteit van 5,0 bewegingen per 100 m2 bedrijfsgebouwen. In de beoogde situatie zijn circa 1.700 m2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig. Dit zou neer komen op 85 (17 * 5) bewegingen per dag. Dit aantal wordt niet als representatief geacht omdat een hoveniersbedrijf juist veelal op locatie aan het werk is. Gebruikelijk is om in de ochtend naar de klant te rijden waarna het werk wordt verricht en aan het einde van de dag terug te rijden naar de zaak.

Omdat het bedrijf maximaal 8 werknemers in dienst heeft, wordt in de Worst-case situatie uitgegaan dat iedereen beschikt over een vervoersmiddel, welke ieder 4 bewegingen per dag maken (2 bewegingen van en naar het bedrijf, 2 bewegingen voor onvoorziene zaken). Dit komt neer op 32 bewegingen per dag.

3 van8

Omdat het bedrijf ook beschikt over ‘zware’ vervoersmaterialen zoals een tractor, containerwagen, vervoersmiddelen voor het vervoeren van kranen, etc. is gekozen dat ongeveer 50% van alle bewegingen bestaan uit ‘zwaar’ materiaal.

3.1.2. Diversen:

Naast de specifieke vervoersbewegingen zijn er ook verschillende diverse bewegingen die enkele keren per jaar plaatsvinden. Op het bedrijf is dit het ophalen van afval, afleveren van goederen, afleveren materiaal/materieel etc. aangenomen wordt dat 1x per week een vrachtwagen het bedrijf bezoekt voor een van bovenstaande handelingen.

3.1.3. Bezoek bedrijfswoning Schoolstraat 51:

Conform de CROW-publicatie toekomstbestendig parkeren is de verkeersgeneratie van een woning in het buitengebied 8,6 voertuigen per dag. Op het bedrijf is één woning aanwezig.

3.1.4. Bezoek burgerwoning Schoolstraat 49:

Conform de CROW-publicatie toekomstbestendig parkeren is de verkeersgeneratie van een woning in het buitengebied 8,6 voertuigen per dag. Er is één burgerwoning aanwezig 3.2. Toelichting mobiele bronnen binnen de inrichting: Op het bedrijf zijn verschillende mobiele bronnen aanwezig. Hieronder is een overzicht van alle mobiele bronnen die initiatiefnemer in zijn bezit heeft; − Graafmachine 10 ton; − Graafmachine 2 ton; − Graafmachine 1 ton; − Tractor met container aanhanger; − Shovel 8 ton; − Shovel 5 ton; − Shovel 3 ton; − 3 Werkbussen; − 3 Triplaten − Trilplaat groot; − 2 Container auto’s voor kleine containers; − 5 Aanhangwagens / machine transporteurs; De bovenstaande mobiele bronnen zijn veelal op externe locatie aanwezig en aan het werk. Op het hoveniersbedrijf zelf vinden wel ‘voorbereidende’ werkzaamheden plaats, waarvoor één of meerdere van de bovenstaande machines voor worden gebruikt. Denk hierbij aan het verzetten, laden of lossen van grond/zand, shovel op een aanhangwagen zetten, een zware trilplaat op de aanhanger zetten, etc. Deze werkzaamheden zullen niet veel tijd in beslag nemen maar, als men alle kleine werkzaamheden optelt, een relevante stikstofbron zijn. Omdat het gebruik per machine verschilt en met name afhankelijk is van wat er benodigd is, is gekozen om één algemene bron (Stage-Klasse) in te voeren waarin alle bovenstaande machines in zijn opgenomen.

Omdat het bedrijf niet beschikt over de grootste en zwaarste machines die op de markt zijn, is gekozen voor stage-klasse; STAGE lllb, 56 <= kW <75, bouwjaar 2018. In een Worst-Case scenario wordt er vanuit gegaan dat zowel in de ochtend als in de avond 1 uur voorbereidend werk benodigd is. Dit betekent dat in totaal 2 uur voorbereidend werk per dag nodig is, 730 uur per jaar (365 * 2 = 730 uur). Er wordt vanuit gegaan dat voor iedere draaiuur 10 liter brandstof noodzakelijk is. Dit betekent dat op jaarbasis 7.300 liter (730 * 10) brandstof nodig is. In de invoerinstructie is opgenomen dat AdBlueverbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V.

4 van8

3.3. Toelichting stookinstallaties Binnen het plangebied zijn twee woningen aanwezig. Deze woningen worden beide nieuw gebouwd, waardoor deze niet meer op het gas aangesloten mogen worden. Derhalve zal voor deze woningen gekozen moeten worden voor een alternatieve energiebron welke geen stikstofdepositie oplevert. Ook overige stookinstallaties zullen op zowel de Schoolstraat 49 als het hoveniersbedrijf aan de Schoolstraat 51 niet aanwezig zijn. Derhalve zijn geen stikstofrelevante stookinstallaties ingevoerd. 3.4. Koude start van koud vertrekkende motoren Er komt relatief veel stikstof vrij als voertuigen met een koude motor starten (koude start). Omdat auto’s steeds schoner worden, wordt het aandeel van de koude start in de totale uitstoot van stikstof door verkeer steeds groter. Koude start en rijdend verkeer moeten daarom los worden ingevoerd, zodat de uitstoot van verkeer nauwkeuriger kan worden berekend. Op de locatie is er sprake van een koude start van de lichte motorvoertuigen (auto) als deze vertrekken vanaf het perceel. Voor de vrachtwagens die naar het bedrijf komen is geen sprake van een koude start. Deze arriveren met een warme motor op het bedrijf. Het laden het lossen duurt korter dan 2 uur waardoor deze ook weer met een warme motor vertrekken. Voor het licht verkeer wordt vanuit gegaan dat dit vervoersbewegingen zijn van bijvoorbeeld bezoekers van het bedrijf.

Deze zijn vaak langer aanwezig op het bedrijf waardoor de motor koud is bij het vertrekken. Er wordt voor de koude start daarom uitgegaan van de helft van het aantal lichte voertuigbewegingen.

4. Toelichting aanleg/bouwfase Om te bepalen of de nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning en burgerwoning mogelijke negatieve gevolgen heeft voor omliggende Natura 2000-gebieden is middels een AERIUS-berekening bepaald of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ ha/ jaar is en dat de bouw daarom geen negatieve gevolgen voor omliggende Natura 2000-gebieden heeft. De bouw genereert een toename in verkeersbewegingen, onder andere door bouwbedrijven en de aanvoer van bouwmaterialen. De aanlegfase heeft betrekking op het bouwrijp maken van de grond ter plaatse en de nieuwbouw van de gebouwen in combinatie met de verkeersaantrekkende werking van bouwverkeer. De totale emissie van de aanleg-/bouwfase is opgebouwd uit twee te onderscheiden onderdelen: 1. Verkeersbewegingen van al het personeel en bouwbenodigdheden; 2. Inzet mobiele werktuigen/materieel met een relevante bijdrage. 4.1. Verkeersbewegingen Bij de verkeersbewegingen zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: ▪ Lichtverkeer: 6 voertuigen per etmaal (2.190 per jaar) ▪ Middelzwaar verkeer: N.v.t.

▪ Zwaar verkeer: 4 voertuigen per etmaal (1.460 per jaar) In realiteit zal het aandeel zwaar vrachtverkeer veel lager uitvallen (er zal niet dagelijks zwaar verkeer van en naar de locatie komen ten behoeve van de bouw van de stal). De verkeersbewegingen zijn in het rekenmodel gemodelleerd door middel van lijnbronnen op de verschillende wegvakken. Het betreft buitenwegen. Er is vanuit gegaan dat de verkeersbewegingen vanuit dezelfde richting komen als in de gebruikersfase is gemodelleerd. De ontsluitingsroute is meegerekend tot het moment dat het verkeer kan worden geacht opgenomen te zijn in het heersende verkeersbeeld (zie eerdere toelichting). De stikstofdepositie van bovengenoemde bronnen wordt berekend op jaarbasis. In het rekenmodel worden de bronnen die per etmaal worden ingevoerd vermenigvuldigd met 365 om deze depositie te

5 van8

berekenen (lichte vervoersbewegingen). Dit betekent dat het mogelijk is dat er dagen meerdere vervoersbewegingen zijn en andere dagen weer minder. Bovenstaande aantallen zijn dan ook gemiddelden tijdens de bouwfase. 4.2. Inzet mobiele werktuigen/materieel met een relevante bijdrage Bij de bouw zal sprake zijn van het gebruik van mobiele werktuigen ter ondersteuning van de bouwwerkzaamheden. De mobiele werktuigen zijn ingevoerd als vlakbron op de bouwplaats: de locatie van de nieuw te realiseren stal en omliggend terrein. De mobiele werktuigen zijn geselecteerd uit de subcategorie ‘bouw en industrie’. Via de eigen specificatie zijn de draaiuren zoals hieronder beschreven ingevuld. De emissies van de mobiele werktuigen worden met deze gegevens automatisch berekend. Er is uitgegaan van mobiele werktuigen met het bouwjaar vanaf 2018. De werkelijke mobiele werktuigen die zullen worden ingezet zullen naar waarschijnlijkheid van een recenter bouwjaar zijn. Voor de inzet van de mobiele werktuigen/materieel zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: 1. Graafmachine Er is vanuit gegaan dat één graafmachine met een vermogen van 200 kW circa 60 draaiuren bezig is voor het grondwerk van de nieuw te realiseren gebouwen. De graafmachine wordt ingezet voor het ontgraven van de fundering, kelders, kabels, leidingen etc. Ook zal deze tijdens sloopwerkzaamheden worden ingezet.

Stageklasse: STAGE IV, vermogen 75-560 kW Bouwjaar: 2014 Draaiuren: 60 uur (zie toelichting hierboven) Gemiddelde belasting: 65 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) Brandstofverbruik: 2.061 ltr/jaar (34,36 ltr/u volgens tabel TNO-onderzoek TNO 2023 NRMM_AUB) AdBlue-verbruik: 123 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V) 2. Mobiele bouwkraan De hijskraan is ondersteunend bij het plaatsen van zware materialen zoals sandwichpanelen, dakpannen, ramen, deuren, roosters, hekwerken etc. Er is van uitgegaan dat deze bouwkraan met een vermogen van 100 kW circa 60 draaiuren in gebruik zal zijn. Stageklasse: STAGE IV, vermogen 75-560 kW Bouwjaar: 2014 Draaiuren: 60 uur (zie toelichting hierboven) Gemiddelde belasting: 65 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) Brandstofverbruik: 1.047 ltr/jaar (17,45 ltr/u volgens tabel TNO-onderzoek TNO 2023 NRMM_AUB) AdBlue-verbruik: 63 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V) 3. Betonpomp Het beton wordt via een betonpomp gestort in de bekisting. Ook deze betonpomp draagt bij aan de emissie van stikstof. Tijdens het verpompen van het beton wordt de motor gebruikt. Voor het verpompen van beton is circa 30 uur een betonpomp van 200 kW operationeel.

Met gebruik van de betonstorter wordt de fundering en dergelijke aangebracht. Stageklasse: STAGE IV, vermogen 75-560 kW Bouwjaar: 2014 Draaiuren: 30 uur (zie toelichting hierboven) Gemiddelde belasting: 65 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) Brandstofverbruik: 1.030 ltr/jaar (34,36 ltr/u volgens tabel TNO-onderzoek TNO 2023 NRMM_AUB) AdBlue-verbruik: 62 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

6 van8

4. Wals Er zal een wals met een vermogen van 90 kW ingezet worden om het gehele terrein aan te rijden en vlak te maken. Doordat het egaal maken van de grond enkel plaatsvindt voorafgaand aan de daadwerkelijke ruwbouw/aanleggen van verharding, is uitgegaan van een gebruiksduur van één werkdag (8 uur). Stageklasse: STAGE IV, vermogen 75-560 kW Bouwjaar: 2014 Draaiuren: 8 uur (zie toelichting hierboven) Gemiddelde belasting: 65 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) Brandstofverbruik: 140 ltr/jaar (17,45 ltr/u volgens tabel TNO-onderzoek TNO 2023 NRMM_AUB) AdBlue-verbruik: 8 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V) 5. Trilplaat Er zullen trilplaten met een vermogen van 10 kW in gezet worden ter ondersteuning van de wals. Doordat er meerdere trilplaten aanwezig zullen zijn en omdat er vaak nabewerking met een trilplaat noodzakelijk is, is gerekend met een bedrijfsduur van 16 uur. Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik:

STAGE IV, vermogen <= 56 kW 2014 16 uur (zie toelichting hierboven) 65 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 64 ltr/jaar (3,98 ltr/u volgens tabel TNO-onderzoek TNO 2023 NRMM_AUB)

6. Sleuvenfrees Er zal een sleuvenfrees met een vermogen van 30 kW worden ingezet voor het aanbrengen van sleuven in de grond t.b.v. ondergrondse leidingen etc. Er is uitgegaan van 8 uur gebruik. Stageklasse: STAGE IV, vermogen <= 56 kW Bouwjaar: 2014 Draaiuren: 8 uur (zie toelichting hierboven) Gemiddelde belasting: 65 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) Brandstofverbruik: 32 ltr/jaar (3,98 ltr/u volgens tabel TNO-onderzoek TNO 2023 NRMM_AUB) 7. Shovel Er zal een shovel met een vermogen van 100 kW aanwezig zijn ter ondersteuning van de aanlegfase. Hiermee zal grond worden verzet, groot materiaal worden verplaatst, etc. Er is uitgegaan dat de shovel 60 uur in bedrijf zal zijn. Stageklasse: STAGE IV, vermogen 75-560 kW Bouwjaar: 2014 Draaiuren: 60 uur (zie toelichting hierboven) Gemiddelde belasting: 65 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) Brandstofverbruik: 1.047 ltr/jaar (17,45 ltr/u volgens tabel TNO-onderzoek TNO 2023 NRMM_AUB) AdBlue-verbruik: 63 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V) 8. Hoogwerker Tot slot zal een hoogwerker met een vermogen van 80 kW aanwezig zijn zodat klein materiaal naar boven gebracht kan worden en personeel op hoogte kunnen werken. Er wordt vanuit gegaan dat deze circa 40 uur in bedrijf zal zijn.

Stageklasse: STAGE IV, vermogen 75-560 kW Bouwjaar: 2014 Draaiuren: 40 uur (zie toelichting hierboven)

7 van8

Gemiddelde belasting: 65 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) Brandstofverbruik: 562 ltr/jaar (14,06 ltr/u volgens tabel TNO-onderzoek TNO 2023 NRMM_AUB) AdBlue-verbruik: 34 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V) 4.3. Stationair draaien vrachtwagens tijdens laden/lossen Bij het transport van en naar het bedrijf zijn er vrachtwagens die stilstaand binnen de inrichting draaien, zoals bij het laden en lossen van de bouwmaterialen. Zoals eerder beschreven zijn er 730 bezoeken van vrachtwagens (1.460 verkeersbewegingen). Het laden/lossen duurt circa 0,5 uur per bezoek. De totale bedrijfstijd van aanwezige vrachtwagens bedraagt 365 uur per jaar. Conform bijlage 1 van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024.1, staat beschreven dat een stationair draaiende zware vrachtwagen met rekenjaar 2025 0,9288 gram NH 3 per uur en 111,1356 gram NOx per uur produceert. Dat komt neer op (365 uur x 0,0009288 kg/jaar)= 0,34 kg NH3 per jaar en (365 uur x 0,1111356 kg/jaar)= 40,56 kg NOx per jaar.

5. Buitenlandse gebieden Vanwege de ligging van het bedrijf kan de emissie van stikstof ook effect hebben op de buitenlandse Natura 2000-gebieden. In deze paragraaf is de stikstofdepositie getoetst aan het buitenlandse beleid. Binnen een straal van 25 km van het bedrijf zijn de volgende buitenlandse gebieden meegenomen in de berekening. Omdat het rekenmodel niet automatisch de depositie berekend op de buitenlandse gebieden zijn handmatig enkele rekenpunten geplaatst in het rekenmodel: ▪ Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop ▪ Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout ▪ Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout ▪ De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen sprake is van een toename van depositie op bovengenoemde gebieden. Er kan dus worden geconcludeerd dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op de buitenlandse Natura 2000-gebieden.

6. Conclusie Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,0 mol/ha/r op Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn er voor dit plan geen belemmeringen in de gebruiksfase dan wel de aanlegfase en hoeft er voor wat betreft deze fase dan ook geen vergunning te worden aangevraagd.

8 van8

bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Bijlage 4 AERIUS-berekening aanlegfase

bestemmingsplan "Schoolstraat 49-51" (vastgesteld) 17

₃

ₓ

₃

ₓ

ₓ ₂ ₃

ₓ ₂ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Bijlage 5 AERIUS-berekening gebruikersfase

bestemmingsplan "Schoolstraat 49-51" (vastgesteld) 27

₃

ₓ

₃

ₓ

ₓ ₂ ₃

ₓ ₂ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

Bijlage 6 Quickscan Flora-Fauna

36

bestemmingsplan "Schoolstraat 49-51" (vastgesteld)

ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

LOCATIE: SCHOOLSTRAAT 49-51, MOLENSCHOT RAPPORTNUMMER: 2021-BE-0896 In opdracht van: Van Dun Advies b.v. Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze

Brabant Eco Ecologische dienstverlening

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

Colofon Rapportage Brabant Eco

Rapportnummer 2021-BE-0896

Opdrachtgever van Dun Advies b.v.

Contactpersoon De heer M. Gerards

Locatie Schoolstraat 49-51, Molenschot

Auteur Susanne Overdijk

Collegiale controle Frenk van de Wal

Opleverdatum 25 mei 2021

Uitvoerder

Brabant Eco Ecologische dienstverlening De Lange Kant 27 5061PX Oisterwijk 06-24218274

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

Pagina | 1

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

Inhoudsopgave

1.

Inleiding en onderzoek ……………………………………………………….... 4

2.

Beleidskader …...……………………………………………………………….. 5 Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming van houtopstanden Zorgplicht

3.

Plangebiedsbeschrijving …………………………………………………..….. 8 Huidige situatie Voorgenomen ontwikkeling

4.

Praktijk ecologische quickscan ………………………………..…..……….... 11 Bureaustudie Gebiedsbescherming Soortenbescherming Veldonderzoek Impressie plangebied

5.

Beschermde natuurwaarden ………………………………………..….….... 16 Gebiedsbescherming Soortenbescherming

6.

Resultaten en advies ………………………………………………………….. 23

7.

Lijst van bronnen …………………………………………………….………... 25

8.

Bijlagen …………………………………………………………………..…….. 26

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 2

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

Samenvatting

Initiatiefnemer heeft concrete plannen voor de sloop van de bedrijfswoning en twee voormalige rundveestallen stallen aan de Schoolstraat 51, te Molenschot. Het voornemen is om de huidige woning en stallen te slopen om vervolgens een nieuwe woning en twee nieuwe loodsen in het plangebied te bouwen. Daarnaast wordt de huidige halfopen loods gerenoveerd. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden Inhoudsopgave als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied.

Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Susanne Overdijk en Frenk van de Wal Brabant Eco Mei 2021

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 3

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

INLEIDING EN ONDERZOEK 1.1 Aanleiding Brabant Eco heeft in opdracht van Van Dun Advies een ecologische quickscan uitgevoerd voor Schoolstraat 49-51 te Molenschot. Volgens de opdrachtgever zullen de bedrijfswoning en twee stallen in het plangebied worden gesloopt om daarna een nieuwe woning en twee loodsen te bouwen. Daarnaast zal de huidige halfopen loods worden verbouwd om deze geschikt te maken als kantoor en ontvangstruimte. In het plangebied zullen tevens (show)tuinen worden aangelegd. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming.

1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.

1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?

1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl) o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o De uitkomsten en vervolgstappen van het natuuronderzoek zijn te begrijpen voor de opdrachtgever. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 4

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

2. BELEIDSKADER

De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn als de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden.

2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In de EHS geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast een 20 Nationale parken, meren, rivieren, kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.

2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.

2.2.1 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 5

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot o

o

Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.

2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijk in Europa in het wild levende vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De Eu-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2).

Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing.

2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EUHabitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.

2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 6

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming

2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.

2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekend dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd. Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 7

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING 3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Schoolstraat 51 ten zuiden van de kern van Molenschot in de gemeente Gilze en Rijen. Gilze en Rijen is een gemeente in de provincie Noord-Brabant en heeft een totale oppervlakte van 65,69 km2. De gemeente telt 26.742 inwoners (1 januari 2021). De gemeente bestaat uit de plaatsen, Gilze, Rijen, Hulten en Molenschot. Molenschot ligt ten zuidwesten van Rijen en ten noordwesten van Gilze. Het plangebied ligt in de overgangszone van het dorp naar het buitengebied. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische percelen, andere bedrijfsbestemmingen en burgerwoningen. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding. De globale grenzen van het plangebied in de daaropvolgende afbeelding.

Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google maps.

Het plangebied bestaat uit bebouwing, in de vorm van een bedrijfsgebouw, twee rundveestallen, een half open loods en uit drie sleufsilo’s met drie kuilplaten. In het plangebied bevindt zich ook een tuin welke voornamelijk bestaat uit grassen. Op onderstaande foto wordt het plangebied globaal aangegeven met in detail de te slopen bedrijfswoning, stallen, sleufsilo’s en de te verbouwen loods.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 8

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

Globaal omlijnd de totale planlocatie in blauw, te slopen (bedrijfs)gebouwen in rood en te verbouwen loods in geel. Bron: google maps.

3.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemer heeft het plan om de huidige bedrijfswoning en rundveestal direct achter het huis te slopen om vervolgens een woning te bouwen die op grotere afstand van de weg staat. Hierdoor komt er meer plaats beschikbaar voor een ruimere voortuin. De rundveestal aan de rechterzijde van het plangebied wordt gesloopt om plaats te maken voor twee kleiner opslagloodsen. De half open loods aan de rechterzijde van de bedrijfswoning zal worden verbouwd om een nieuwe functie als kantoor/kantine/ontvangstruimte te dienen. Aan de achterzijde zal haaks aan de loods een overkapping worden gerealiseerd. De bestemming van het plangebied zal worden gewijzigd van een agrarische bestemming naar een agrarisch-verwante bestemming.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 9

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

Indicatief 3d-model beoogde situatie. Bron: van Dun Advies b.v.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 10

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora en fauna potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.

Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten (flora en fauna) zijn in het plangebied aanwezig? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de wet natuurbescherming overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen zowel lokaal, provinciaal, nationaal als Europees. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database quickscanhulp.nl (bijlage 1) aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere ravon, sovon, floron en waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Met de quickscanhulp.nl is een actueel overzicht verkregen van waarnemingen van beschermde soorten nabij de locatie uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF).

Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 11

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 4,6 kilometer afstand van gronden die tot Natura 2000 gebied Ulvenhoutse Bos behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in geel aangegeven.

Atlasleefomgeving. Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een met pijl aangegeven.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt op minimaal 800 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN gebieden in de kleuren groen, roze en bruin.

Kaartbank Brabant. De afstand tussen het plangebied en Natuurnetwerk Nederland is met een pijl aangegeven.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 12

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

4.3 soortenbescherming 4.3.1 Flora Volgens gegevens uit het NDFF (Project: Schoolstraat, Referentie: BE0896, d.d. 6 mei 2021) komen binnen een straal van één kilometer geen beschermde soorten flora voor (zie bijlage 1). Van één tot vijf kilometer afstand van het plangebied zou volgens de NDFF Drijvende waterweegbree voor kunnen komen. Deze plant staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als zeer zeldzaam en zeer sterk afgenomen en is sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd in het kader van de Wet Natuurbescherming. Daarnaast zouden volgens de NDFF Knolspirea en Stijve Wolfsmelk voor kunnen komen. Deze planten staan beide op de Nederlandse Rode Lijst van planten als kwetsbaar en achteruitgegaan. De laatste plant die volgens het NDFF binnen een straal van vijf kilometer is waargenomen is ruw parelzaad. Deze plant is bedreigd en zeer sterk achteruitgegaan. Plantensoorten die op de lijsten vermeld staan van de strikt beschermde plantensoorten van de Habitatrichtlijn en provinciaal beschermde soorten worden niet verwacht. Voor dergelijke soorten, die veelal specifieke eisen stellen aan hun leefomgeving, ontbreken geschikte biotopen in het plangebied. Het voorkomen van beschermde plantensoorten is zodoende uit te sluiten.

4.3.2 Fauna Vogels Volgens de gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna zijn er binnen een straal van één kilometer in de omgeving waarnemingen van drie roofvogelsoorten (Buizerd, Sperwer en Wespendief) en twee uilensoorten (Kerkuil en Ransuil). Daarnaast zijn er in een straal van vijf kilometer ook waarnemingen van de boomvalk, havik, slechtvalk en de steenuil. Andere vogels die binnen een straal van één kilometer van het plangebied zijn waargenomen zijn de Huismus, Grote gele kwikstaart, Ooievaar en Roek. Binnen een straal van vijf kilometer zijn er ook waarnemingen van de Gierzwaluw. Zoogdieren De gegevens van het NDFF geven aan dat er geen vleermuissoorten zijn waargenomen in een straal van één kilometer van het plangebied. Binnen een straal van vijf kilometer zijn wel tien verschillende vleermuissoorten waargenomen (Baardvleermuis, Brandts vleermuis, Franjestaart, Gewone dwergvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis). Daarnaast zijn er in een straal van één kilometer om het plangebied twee andere zoogdiersoorten waargenomen (Konijn en steenmarter) en binnen een straal van vijf kilometer zijn ook de soorten Boommarter, Bunzing, Das, Eekhoorn, Egel, Ondergrondse woelmuis, Rosse woelmuis aanwezig (zie bijlage 1).

Amfibieën, Reptielen en Vissen Het voorkomen van amfibieën, reptielen en vissen wordt op basis van literatuur en voorstudie uitgesloten binnen de afstand van 1000 meter omdat op de planlocatie de geschikte biotopen ontbreken en de locatie niet in verbinding staat met leefgebieden van deze beschermde soorten. Soortgroep Flora Vogels zoogdieren Amfibieën Reptielen Insecten Vissen

Mogelijke aanwezigheid Nee Ja Ja Nee Nee Nee Nee

Samenvattende tabel: soorten na literatuuronderzoek

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 13

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

4.4 Veldonderzoek Op dinsdag 18 mei in de middag hebben ecologen Susanne Overdijk en Frenk van de Wal in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren zonnig, onbewolkt met een noordwestenwind met windkracht 2 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 17 graden Celsius. Het onderzoek vond onder lenteachtige omstandigheden plaats, waarin veel natuurwaarden actief zijn. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van de locatie en de directe omgeving in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Op de locatie werden alle aanwezige habitats opgenomen. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Hierdoor werd ingeschat welke soorten potentieel voorkomen. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.

Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bebouwing is zowel aan de binnenzijde als buitenzijde uitgebreid visueel onderzocht. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 7.000m2 en bestaat uit bebouwing, erfverharding en vegetatie. De bebouwing bestaat uit: ● Een bedrijfswoning van ongeveer 105m2. Dit gebouw heeft een stenen muur met spouw en heeft leien en pannen als dakbedekking op het dak met een mansarde dakvorm. De leien en ook de pannen liggen goed aansluitend op het dak. De bedrijfswoning heeft geen (rol)luiken. De muren van de woning zijn volledig dicht en zonder stootvoegen. Alle kozijnen zijn afsluitend afgewerkt en afgekit. • Een rundveestal van ongeveer 1200m2 met een stenen muur en houten gordingen op stalen spanten en golfplaten als dak. Deze stal is een voormalige ligboxenstal. De inrichting is inmiddels verwijderd en de stal wordt bezemschoon gehouden. De vloer bestaat uit beton en bevat een mestput. De stal bestaat uit een spouwmuur van 1,60 hoog waarboven een muurplaat ligt om de spouw af te sluiten en daarboven is de luchtinlaat van circa 0,3 meter hoog. De voor- en achtergevels zijn gemetseld met rode bakstenen en spouw met witte kalkzandstenen aan de binnenzijde.

In de achtergevel bevinden zich drie deuren waarvan een grote deur welke gebruikt werd om met een tractor en wagen de koeien te voeren. De muren zijn volledig dicht en zonder stootvoegen. Het dak is van golfplaten die niet geïsoleerd zijn en de nok is geheel open. Er zijn geen nesten of sporen van dieren waargenomen. ● Een rundveestal van ongeveer 485m2 met een stenen muur en golfplaten als dak. De randen onder het dak zijn afgedicht, er zijn geen grote kieren of spleten zichtbaar. Over de gehele lengte van de zijwand van de stal, onder de dakrand, is een opening van ongeveer 30 centimeter, welke is afgedicht met fijn gaas. ● Een halfopen loods van 336m2 met een grotendeels stenen muur en golfplaten als dak. De draagbalken zijn gemaakt van staal en van hout. De loods bevat drie ingebouwde garageboxen. ● Drie sleufsilo’s van in totaal 600m2 met 3 kuilplaten van in totaal 880m2. De sleufsilo’s hebben een betonvloer en betonnen muren van 30 centimeter breed en 70 centimeter hoog. De erfverharding bestaat uit betonklinkers. De vegetatie aan de voorzijde van het plangebied bestaat voornamelijk uit grassen en een beukenhaag. Achter de stallen zijn verwilderde planten te vinden; onder andere reigersbek en paardenbloem zijn hier waargenomen. Aan de linkerzijde van het bedrijfsgebouw ligt een (paarden)weide (Schoolstraat 49) war bestaat uit Engels raaigras.

Achter de weide zijn verwilderde planten te vinden, waaronder schijfkamille, reigersbek en kromhals. Deze groeien op een talud net buiten het plangebied bij de buren.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 14

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

4.5 Impressie plangebied

vooraanzicht bedrijfswoning

voorkant grote rundveestal

achterkant grote rundveestal

binnenkant grote rundveestal

Kleine rundveestal

halfopen loods

Aangesmeerde dakrand

Luchtinlaat

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 15

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN

Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in de onderstaande tekst beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.

5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Effectbeoordeling Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten.

5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Effectbeoordeling In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNB-gebied. De significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.

5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Pagina | 16

Ecologische quickscan Schoolstraat 49-51, Molenschot

5.2 Soortenbescherming 5.2.1 Flora Volgens de gegevens van de NDFF zijn er geen waarnemingen van beschermde plantensoorten binnen een straal van een kilometer rond het plangebied. Binnen een straal van vijf kilometer zijn de planten Drijvende Waterweegbree, Kartuizer anjer, Ruw parelzaad en Knolspirea waargenomen. Drijvende waterweegbree is een plant van helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water. Ze komt voor in laaglandbeken, vennen, kanalen en poelen. Het is een vrij zeldzame soort met een uitgebreide verspreiding in de hoge delen van Nederland. De Kartuizer anjer groeit op zonnige plaatsen op droge, matig voedselarme, vaak kalkhoudende grond (zand, mergel en stenige plaatsen). Deze plant is te vinden op grasland, in bermen en op rotsachtige plaatsen. Ruw parelzaad staat op open, zonnige, matig vochtige, matig voedselrijke, basische en kalkrijke mergel, leem, zand en zavel. Ze groeit in akkers, op omgewerkte en braakliggende grond, in bermen en op spoorwegterreinen, op oeverwallen en stroomruggen langs rivieren. De Knolspirea groeit op zonnige plaatsen, op vrij droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, niet bemeste, neutrale, vaak kalkhoudende grond (leem, löss en mergel). Deze plant is te vinden op grasland (kalkgrasland), in bermen en bosranden en is zeer zeldzaam in Nederland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15667884/1