CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 -Bijlagen bij de toelichting ontwerpbestemmingsplan 'Kapelstraat te Molenschot'

Gemeenteraad 19 december 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Kapelstraat te Molenschot20.459 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Transect-rapport 3441 Molenschot, Kapelstraat (ong.) Gemeente Gilze en Rijen (NB) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Colofon Titel

Rapportnummer

Molenschot, Kapelstraat (ong.), Gemeente Gilze en Rijen (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase Transect-rapport 3441

Auteur

J. Rap MA

Versie

Definitief

Datum

29-03-2022

Projectnummer

20070057

Onderzoeksmelding

5080460100

Opdrachtgever

Tritium Advies Vlietskade 1509 4241 WH Arkel

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Bevoegde overheid

Gemeente Gilze en Rijen

Adviseur namens bevoegde overheid Regioarcheologen Programmabureau RWB Status van de rapportage

Beoordeeld en goedgekeurd

Beheer documentatie

Transect b.v., Nieuwegein Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 26-05-2021. Fotograaf: J. Rap).

Omslagfiguur

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA-prospector

Datum 10-06-2021

Paraaf

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Utrecht Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van Tritium Advies heeft Transect b.v. in mei en juni 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied op vier adresloze percelen aan de Kapelstraat in Molenschot (gemeente Gilze en Rijen). De aanleiding voor het onderzoek was de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging, zodat ter plaatse van de bestaande volkstuinen in de toekomst woningen gerealiseerd kunnen worden. Ten tijde van onderhavig onderzoek zijn nog geen uitspraken te doen over de exacte omvang van de werkzaamheden. De totale oppervlakte van het plangebied is ongeveer 4000 m². Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase, om antwoord te kunnen geven op de volgende vragen: • • • •

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met de Midden Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied in de historische kern van Molenschot, die is ontstaan op een dekzandwelving op terrasafzettingen. Deze dekzandwelving en terrasafzettingen hebben door hun relatief hoge en droge ligging gunstige bewoningsomstandigheden gehad. In elk geval gedurende de 13e eeuw ontstond vrijwel direct ten oosten van het plangebied het dorp Molenschot. Ontginning en landgebruik hebben vervolgens gezorgd voor het ontstaan van een bouwlanddek ter plaatse van het plangebied. Gedurende de Late Nieuwe tijd is het plangebied op basis van historische kaarten echter onbebouwd. In de omgeving van het plangebied is de verwachting echter nog maar nauwelijks getoetst middels gravend onderzoek. Uit het veldonderzoek is gebleken dat het plangebied inderdaad ter plaatse van een dekzandwelving ligt, waarop een bouwlanddek van 60-115 cm dikte aanwezig is. De top ervan is tot een diepte van 3570 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP) verstoord. De basis van het bouwlanddek is sterker humeus da de top ervan en bevat roodbruin en bruin bouwpuin tot een diepte van 60-85 cm -Mv (6,7-7,2 m +NAP).

Vanaf de onderzijde van het bouwlanddek is tevens het dekzand aangetroffen, dat archeologisch gezien nog als intact te beschouwen is. In de basis van het bouwlanddek kunnen vondsten worden aangetroffen uit de periode Neolithicum – Midden Nieuwe tijd, in het dekzand direct hier onder kunnen ook archeologische grondsporen worden aangetroffen. Aangezien het ontbreekt aan oorspronkelijke bodemhorizonten (E- en B-horizonten) is de top van het dekzand wel verstoord geraakt. Daarmee is wel een lage verwachting op de aanwezigheid van intacte vondstconcentraties. Zodoende kan de archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum naar laag worden bijgesteld. Advies In het plangebied is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf een diepte van 35-70 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP), hetgeen een handhaving is van de bestaande verwachting op de archeologische beleidskaart. Daarom adviseren wij om de corresponderende onderzoeksgrens over te nemen in het toekomstige bestemmingsplan, waarbij ingrepen in de groter

dan 100 m2, dieper dan 40 cm –Mv een onderzoeksplicht kennen. Dit kan tot gevolg hebben dat bij de toekomstige ingrepen in het plangebied een aanvullend karterend en waarderend archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), dat dient plaats te vinden conform een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Het bovenstaande is een advies. Op grond van de resultaten van het rapport zal het bevoegd gezag (de gemeente Gilze en Rijen) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding.............................................................................................................................. 5

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 6

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 7

4.

Consequenties toekomstig gebruik ....................................................................................... 9

5.

Beleidskader ........................................................................................................................ 10

6.

Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 11

7.

Archeologische verwachtingen en bekende waarden ........................................................ 14

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 16

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 21

10.

Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 23

11.

Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 26

12.

Conclusie en advies ............................................................................................................. 27

13.

Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 28

Bijlage 1.

Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR) ...................................... 30

Bijlage 2.

Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart ............................................................. 31

Bijlage 3.

Gemeentelijke archeologische beleidskaart ....................................................................... 33

Bijlage 4.

Geomorfologische kaart ...................................................................................................... 35

Bijlage 5.

Maaiveldhoogte (AHN) ........................................................................................................ 36

Bijlage 6.

Gemeentelijke archeologische basiskaart ........................................................................... 38

Bijlage 7.

Bodem ................................................................................................................................. 40

Bijlage 8.

Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 41

Bijlage 9.

Boorpuntenkaart ................................................................................................................. 42

Bijlage 10. Foto’s van boringen ............................................................................................................. 43 Bijlage 11. Boorbeschrijvingen.............................................................................................................. 45

1.

Aanleiding

In opdracht van Tritium Advies heeft Transect b.v. 1 in mei en juni 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied op vier adresloze percelen aan de Kapelstraat in Molenschot (gemeente Gilze en Rijen). De aanleiding voor het onderzoek was de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging, zodat ter plaatse van de bestaande volkstuinen in de toekomst woningen gerealiseerd kunnen worden. Ten tijde van onderhavig onderzoek zijn nog geen uitspraken te doen over de exacte omvang van de werkzaamheden. De totale oppervlakte van het plangebied is ongeveer 4000 m². Volgens het vigerende bestemmingsplan Kern Molenschot (2006; www.ruimtelijkeplannen.nl) is in het plangebied geen sprake van een archeologische dubbelbestemming. Op basis van de beleids- en verwachtingskaart van de gemeente Gilze en Rijen), ligt het plangebied in een zone beleidscategorie 3 (hoge verwachting; historische kernen). Hiervoor geldt dat een archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -Mv. In het kader van de beoogde bestemmingsplanwijziging is dan ook een archeologische waardestelling noodzakelijk. In een later stadium is voor de daadwerkelijke grondroerende ingrepen een omgevingsvergunning vereist.

Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Melman, 2021).

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd

door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

5

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase door middel van boringen. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Er is tevens contact opgenomen met de Heemkundekring Molenheide (per email op 26-05-2021). Op dit contactverzoek is ten tijde van onderhavige rapportage geen reactie verkregen. Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 13.

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O), waarbij de werkwijze nader is toegelicht in hoofdstuk 10. Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • • • •

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

6

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

Plaats

Molenschot

Toponiem

Kapelstraat (ong.)

Gemeente

Gilze en Rijen

Provincie

Noord-Brabant

Kaartblad

50B

Perceelnummer(s)

GZE00-H-2022, H-2023, H-2024 en H2045

Centrumcoördinaat

119.814 / 398.424

Oppervlakte plangebied

Circa 4000 m²

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van 500 meter rond het plangebied. Het plangebied bevindt zich op vier adresloze percelen aan de noordzijde van de Kapelstraat in Molenschot (gemeente Gilze en Rijen). Het betreft de volledige kadastrale percelen GZE00-H-2022, H2023, H-2024 en H-2045 met een totale oppervlakte van circa 4000 m². Deze percelen zijn ten tijde van het onderzoek in gebruik als volkstuinen. De noord- en westzijde van het plangebied worden begrensd door de perceelsgrens met naastgelegen akkers. De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door een haag langs de inrit van het adres Kapelstraat 10, de zuidgrens wordt gevormd door de Kapelstraat. Ten tijde van het onderzoek is het plangebied bebouwd met ongefundeerde schuurtjes met een gezamenlijk oppervlakte van circa 50 m². De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

7

Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart (bron kaart: www.opentopo.nl).

8

4.

Consequenties toekomstig gebruik

Planvorming

Bestemmingsplanwijziging; woningbouw

Aard bodemverstoringen

Bouwwerkzaamheden

Verstoringsoppervlakte

Onbekend

Verstoringsdiepte

Onbekend

In het plangebied bestaat het voornemen om de bestaande volkstuinen opnieuw in te richten tot woongebied. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk, zodat in de toekomst woningbouw mogelijk is. Aangezien de plannen zich nog in de bestemmingsplanfase bevinden, zijn nog geen concrete uitspraken te doen over de exacte mate van verstoring van de ondergrond. Aangenomen wordt dat de ondergrond behalve voor woningbouw ook geroerd zal moeten worden voor de aanleg van kabels, leidingen en groenvoorzieningen.

9

5.

Beleidskader

Onderzoekskader

Bestemmingsplanwijziging

Beleidskader

Beleids- en verwachtingskaart gemeente Gilze en Rijen

Onderzoeksgrens

Groter dan 100 m2, dieper dan 40 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die (naar verwachting) in 2022 in werking zal treden. Het gemeentelijk archeologiebeleid inzake het plangebied staat verwoord in de archeologienota van de gemeente Gilze en Rijen, die is gebaseerd op de archeologische beleids- en verwachtingskaart van de gemeente Gilze en Rijen (bijlage 2 en 3; Berkvens, 2010). Op deze kaarten heeft het plangebied een hoge verwachting (historische kernen), hetgeen wijst op een Categorie 3. In gebieden met een Categorie 3 is sprake van een onderzoeksplicht voor ingrepen van meer dan 100 m² en een diepte van meer dan 40 cm -Mv.

Uit onderhavig onderzoek kan blijken of deze onderzoeksgrens kan worden gehandhaafd of gewijzigd. In het bestaande bestemmingsplan Kern Molenschot (2006; www.ruimtelijkeplannen.nl) is geen sprake van een archeologische dubbelbestemming.

10

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

Archeoregio

Brabants zandgebied

Geologie

Dekzand op terrasafzettingen; Formatie van Boxtel op Formatie van Sterksel

Geomorfologie

Bebouwd, terrasafzettingswelving met dekzand

Maaiveldhoogte

7,5-8,0 m +NAP

Bodem

Hoge zwarte enkeerdgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand

Grondwatertrap

VI

Landschap Het plangebied ligt landschappelijk gezien in het Zuid-Nederlandse zandgebied en maakt deel uit van het Kempisch plateau (Tebbens, 2016). Dit gebied is een tektonisch doch relatief stabiel stijgingsgebied ten westen van de Centrale Slenk (Schokker, 2003). Hiermee heeft het een relatief hoge ligging en kent het een eigen geologische ontwikkeling (Berendsen, 2005). De genese van het Kempisch plateau gaat terug tot in het vroeg-Pleistoceen, circa 1,1 miljoen jaar geleden. Toen is in het dal van Breda een rivierdal ontstaan, van waaruit voorlopers van de Rijn, Maas en lokale beken in het gebied vanuit het midden van België, hebben afgewaterd. Dit dal is waarschijnlijk gevormd tijdens de overgang van het Vroeg- naar het Midden Pleistoceen en is later opgevuld met een pakket fijn zand (Lammers et al., 1981). Ten oosten van het dal vormde zich in de loop van het Midden-Pleistoceen aan de oostkant van Gilze een dik pakket matig grof tot uiterst grof grindhoudend zand, vermoedelijk door een vlechtend riviersysteem van de Rijn-Maas. Dit pakket behoort geologisch gezien tot de Formatie van Sterksel (De Mulder et al., 2003). Volgens Berkvens et al. (2010) bevindt het plangebied zich op circa 1,3 km ten westen van de Rijenbreuk of Gilze en Rijenbreuk: een thans niet actieve geologische breuklijn (niet als kaartbeeld opgenomen).

Het plangebied zelf ligt in een gebied dat is aangemerkt als zone van “Kempische klei”. In de ondergrond van het plangebied zijn als het gevolg van de ligging in dit gebied reeds relatief ondiep terrasafzettingen of leemafzettingen aan te treffen. Uit een geologische boring die op circa 250 m ten zuiden van het plangebied is uitgevoerd blijkt dat de afzettingen van de Formatie van Sterksel (terrasafzettingen) reeds voor kunnen komen vanaf circa 2,4 m -Mv (5,0 m +NAP). Deze afzettingen worden afgedekt door een laag Jong Dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; bron: www.dinoloket.nl, boring B50B1152; RD 119775, 398190). In het Laat-Pleistoceen hield de fluviatiele invloed in het gebied op (circa 850000 jaar geleden). Onder invloed van een zeer koud klimaat trad in dit landschap periglaciale erosie op, waardoor glooiingen in het landschap ontstonden. Als gevolg van een zeer koud klimaat traden vervolgens grootschalige verstuivingen van zand op, met name gedurende de koudste perioden van de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 120000 tot 10000 v. Chr.). Het zand verstoof door sterke winden vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren en vanuit het drooggelegen Noordzee-bekken. Er was vanwege het extreem koude klimaat geen vegetatie aanwezig die deze verstuivingen kon voorkomen.

Het zand werd als een dunne deken op de oude rivierafzettingen afgezet in welvingen en (tegen het einde van het Weichselien) in hoge ruggen. De vorming van dit dekzand (Laagpakket van Wierden; Formatie van Boxtel) vond plaats in verschillende fasen (Van Zijverden en de Moor, 2014; Schokker, 2003). Er is hierin onderscheid te maken in jong dekzand en oud dekzand. Het jonge dekzand omvat zand dat volledig onder invloed van de wind is afgezet in de laatste koude periode van het Weichselien; het Jonge Dryas. De verstuivingen waren toen zodanig dat dit heeft geleid tot de vorming van enkele zeer grote dekzandruggen, die dwars door Noord-Brabant lopen (in de lijn Geertruidenberg – ’s-Hertogenbosch). Ook op lokaal niveau hebben zich duinen, ruggen en welvingen gevormd. Deze kunnen soms zelfs wel één tot twee meter boven hun omgeving uitsteken. Het oude dekzand is een 11

verzamelnaam voor het lemige tot sterk lemig zand dat in de perioden daarvoor is afgezet. Hoewel het oude dekzand hoofdzakelijk onder invloed van de wind tot stand is gekomen, omvat het onder meer ook fluvioperiglaciale afzettingen, (dek)zand dat onder invloed van afstromend water is verplaatst en afgezet. Deze laatste karakteriseren zich veelal als siltige zand- en leemlagen waarbinnen sprake is van verspoeld plantenmateriaal en een slechte sortering van het zand. Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 10000 v. Chr.) trad een drastische klimaatsopwarming op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger waardoor vegetatiegroei kon toenemen. Hierdoor werd de zandverstuiving aan banden gelegd en trad in de top van het dekzand bodemvorming op (podzolering). In de lagere gebiedsdelen rondom de koppen en ruggen stroomden beken en kon als gevolg van de vernatting veenvorming optreden. Op circa 400 m ten noorden en ten zuiden van het plangebied hebben dergelijke beken gelegen (tegenwoordig gekanaliseerde Molenschotse Binnenlei en Molenschotse Broeklei; Berkvens et al, 2010). Deze beken zijn niet direct te herleiden aan de hand van de paleogeografische kaarten van Vos en De Vries (2013), maar wel is duidelijk dat deze beken richting het westen afwateren. Waarschijnlijk hebben deze aangesloten op het bekensysteem dat de Mark voedde bij Breda (Berkvens et al, 2010).

Door de relatief goede ontwatering van het gebied is de directe omgeving van het plangebied niet grootschalig afgedekt geweest met veen (Vos en De Vries; 2013; Turfdatabank Antwerpen, Leenders, 2013). De Turfdatakaart van de Provincie Antwerpen beeld het plangebied af in een ‘Landschapstype 4c: De Goren’ (bron: geoloket.provincieantwerpen.be). Dit gebied lag aan de oostzijde van het Land van Breda. Op circa 400 m ten noordwesten van het plangebied is een veengebied aanwezig geweest, genaamd ‘De Goren bij Molenschot’. Dit veen is op kleine en niet-systematische schaal ontgonnen. Rond de 15e eeuw lijkt het veen vrijwel volledig ontgonnen en voor turfwinning afgegraven. Zo zijn ontgonnen gebieden volledig veranderd in heidevelden, die pas relatief laat in cultuur werden gebracht. Rondom de kern van Molenschot lijkt echter reeds in de 13e eeuw sprake te zijn geweest van de aanleg van bouwlanden en ontginning van heidevelden (bron: Turfdatabank Antwerpen). De ontwatering en veenwinning in de natte gebieden leidde tot een verdroging van de hoger gelegen gronden. Deze verdroging leidde weer tot een aanpassing in de landbouwstrategie, waarbij door middel van plaggenbemesting en het aanbrengen van potstal de gronden vruchtbaar gehouden moesten worden (Van Doesburg et al., 2007; Berendsen, 2005).

Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied deels in bebouwd gebied en deels ter plaatse van een terrasafzettingswelving bedekt met dekzand (Alterra, 2017, kaartcode 3H42; bijlage 4). Deze terrasafzettingswelving bevindt zich waarschijnlijk ook onder de kern van Molenschot. Op ongeveer 150 m ten zuidwesten van het plangebied is ook een dekzandrug met of zonder oud bouwlanddek aanwezig (kaartcode 3B53yc). Op circa 350 m ten noordwesten van het plangebied is een terrasafzettingsvlakte bedekt met dekzand gekarteerd (kaartcode 2M41d). Daarmee heeft het plangebied waarschijnlijk een relatief hooggelegen positie ten opzichte van de omgeving. Verder is het plangebied op de Archeologische Basiskaart van de gemeente Gilze en Rijen gekarteerd op de rand van een hoge zandgrond naar een lage zandgrond (Waschk, 2010; bijlage 6). Maaiveldhoogte Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 3; bron: www.ahn.nl; bijlage 5) is te zien dat in het plangebied sprake is van maaiveldhoogtes van 7,5-8,0 m +NAP. Ter plaatse van de kern en kapel van Molenschot (op 100 m ten oosten van het plangebied) is sprake van maaiveldhoogtes van ongeveer 8,0-9,0 m +NAP. In de terrasafzettingsvlakte is sprake van maaiveldhoogtes van ongeveer 6,0-6,5 m +NAP. Het maaiveldverloop in het plangebied loopt geleidelijk af in noordwestelijke richting.

12

Bodem Op de bodemkaart is het plangebied gekarteerd als een hoge zwarte enkeerdgrond in zwak tot matig siltig fijn zand (Alterra, 2015, zie bijlage 9). Hoge zwarte enkeerdgronden zijn antropogene gronden, die over het algemeen op de middelhoge tot hoge zandgronden werden aangelegd op de plek waar de bouwlanden lagen (Berendsen, 2005). Door het bemesten van de bouwlanden met potstalmest, vermengd met (heide)plaggen of plaggen uit de beekdalen, konden enkeerdgronden ontstaan, gronden die zich kenmerken door een meer dan 50 cm dikke, donkere humeuze bovenlaag (Berendsen, 2000). De relatief oudere enkeerdgronden zijn aan te treffen op de relatief hogere en siltige zandruggen (Oud Dekzand). Archeologisch gezien zijn enkeerdgronden bijzonder, doordat het aangebrachte humeuze dek het oude, begraven oppervlak van vóór de Late Middeleeuwen – en daarmee het archeologisch relevante niveau – kan hebben behoed van tal van verstoringen (van Doesburg et al., 2007). De mate van intactheid van eventuele enkeerdgronden in het plangebied is onzeker, aangezien het plangebied in gebruik is als volkstuinencomplex. Hierdoor kan een deel van het bouwlanddek zijn aangetast. Grondwatertrap Volgens de bodemkaart is ter plaatse van de hoge zwarte enkeerdgronden sprake van een grondwatertrap VI (GWT VI).

Een grondwatertrap VI duidt over het algemeen op droge gronden waarbij de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich tussen de 40 en 80 cm -Mv bevindt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) onder de 120 cm -Mv aangetroffen wordt. Dit betekent dat eventuele (onverbrande) organische, archeologische resten niet bewaard zullen zijn gebleven binnen de 120 cm -Mv. Onder de 40 cm -Mv zullen ze waarschijnlijk (geheel) gedegradeerd zijn door een schommelende waterstand. Anorganische resten kunnen daarentegen wel goed bewaard zijn gebleven. De uiterste zuidoostpunt van het plangebied ligt ter plaatse van een zone gekarteerd als grondwatertrap VII, waar de grondwaterstand zich permanent beneden 80 cm -Mv bevindt.

13

7.

Archeologische verwachtingen en bekende waarden

Wettelijk beschermde monumenten

Nee

AMK-terreinen

Nee

Archeologische waarden

Nee

Archeologische verwachting Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart staat het plangebied afgebeeld in een zone met een hoge archeologische verwachting (Berkvens, 2010; zie bijlage 2). Deze verwachting hangt samen met de ligging van het plangebied in de historische kern van het dorp Molenschot. Deze hoge verwachting is in het verleden reeds aanvullend vastgesteld door middel van een bureauonderzoek (bijlage 6 en 8; Koopmanschap en Marinelli; 2004 onderzoeksmelding 2094899100). Bekende waarden binnen het plangebied Koopmanschap en Marinelli (2004) concluderen dat de kern van Molenschot op een dekzandrug ligt die in elk geval gedurende het Mesolithicum gunstige omstandigheden voor bewoning heeft gehad. In de omgeving van Molenschot zijn tevens vuurstenen werktuigen en urnen uit de IJzertijd aangetroffen (terrein vliegbasis Gilze-Rijen). Uit de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen is de bewoning van Molenschot onbekend. De kern van Molenschot gaat echter met zekerheid terug tot de 13e eeuw, toen deze bevolkt raakte vanuit het dorp Rijen (Koopmanschap en Marinelli, 2004; onderzoeksmelding 2094899100). Het plangebied maakt voorts geen deel uit van een terrein van archeologische waarde (AMK-terrein) of een archeologisch rijksmonument, is niet eerder specifiek onderzocht middels onderzoek en er zijn geen vondstmeldingen bekend in het plangebied (bron: Archis3).

Bekende waarden in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied is wel een aantal onderzoeken uitgevoerd: •

Op circa 75 m ten oosten van het plangebied, aan de Veenstraat 1, is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de ondergrond tot een diepte van 50-170 cm -Mv verstoord is geraakt. Desalniettemin zijn in de restanten van een bouwlanddek en de top van het dekzand scherven roodbakkend geglazuurd aardewerk aangetroffen. Deze scherven zijn geïnterpreteerd als mestaardewerk en daarmee als archeologisch beperkt relevant. Vanaf een diepte van maximaal 70-170 cm -Mv is vervolgens dekzand aangetroffen. Er is geen nader onderzoek aanbevolen (Sophie, 2007; onderzoeksmelding 2166923100).

•

Op ongeveer 300 m ten zuiden van het plangebied, op twee percelen aan de Schoolstraat, is een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op de noordelijke twee percelen, die binnen de historische kern van Molenschot vallen, is vastgesteld dat sprake is van een verstoring van zowel het bouwlanddek als het onderliggende dekzand. Daarmee is hier sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van intacte resten uit alle periodes. In het zuidelijk deel van het plangebied is weliswaar sprake van verstoringen, maar hier is het bouwlanddek verstoord geraak tot slechts 30-40 cm -Mv. Onder het intacte restant van het bouwlanddek is sprake van een relatief zwak ontwikkelde bodem, ontstaan onder vochtige omstandigheden. Archeologisch gezien is de bodem als intact te beschouwen. Daarom kunnen er nog resten uit het Mesolithicum tot en met de Vroege Nieuwe tijd worden aangetroffen. Op het zuidelijke perceel is bovendien een fragment gebroken Wommersom-kwartsiet aangetroffen, dat normaal gezien wordt geassocieerd met culturen uit het Mesolithicum (Van Diepen, 2019; onderzoeksmelding 4629948100; vondstlocatie 1197742).

14

•

Op ongeveer 450 m ten noordoosten van het plangebied, in de Ecologische verbindingszone “Boomkikker”, zijn een bureauonderzoek, booronderzoek en archeologische begeleiding uitgevoerd. Het westelijke deel van onderhavig plangebied ligt het meest nabij dit onderzoek. Dit deel van het onderzochte gebied bestaat op basis van het bureauonderzoek uit hoge enkeerdgronden van het oude akkercomplex van Molenschot. Er moet specifiek rekening worden gehouden met erven uit het bewoningslint van de laatmiddeleeuwse fase van Molenschot (Tump, 2019; onderzoeksmelding 4593602100). Uit het verkennende booronderzoek is gebleken dat op deze locatie sprake is van een gradiëntzone waar een deel van de oorspronkelijke podzolbodem en een recentere cultuurlaag (12e-17e eeuw) aanwezig is onder een humeus plaggendek van circa 55-75 cm dikte. Deze gradiëntzone bestaat uit een beek en een lage dekzandrug. Tijdens een veldinspectie is verder een stuk bewerkt blauwgrijs kwartsietisch zandsteen aangetroffen, dat mogelijk een aambeeld, maalsteen of ornamentaal stuk betreft. Er is zodoende een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vastgesteld (Kalisvaart, 2020; onderzoeksmelding 4750750100; vondstlocatie 1221418). Grenzend aan de beek de Goorloop op 450 m ten noordoosten van het plangebied is vervolgens een archeologische begeleiding van het graven van een paddenpoel uitgevoerd.

Dit onderzoek heeft geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vindplaats opgeleverd. Tijdens het onderzoek is een verploegde BChorizont aangetroffen onder een restant van een oud bouwlanddek. Aangezien geen vindplaats is aangetroffen, is ook geen waardering uitgesproken (Donders, 2021; onderzoeksmelding 4796192100).

Samenvattend is te stellen dat in de omgeving van het plangebied sprake is van gunstige omstandigheden voor bewoning vanaf in elk geval het Mesolithicum. Normaal gezien is dan ook sprake van gunstige bewoningsomstandigheden gedurende het Laat-Paleolithicum B. Er zijn echter nog maar weinig onderzoeken uitgevoerd in de omgeving van het plangebied waarbij ook daadwerkelijk archeologische resten zijn aangetroffen die te koppelen zijn aan een vindplaats.

15

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

Historische bebouwing

Nee

Historisch gebruik

Weilanden, bouwlanden, volkstuin

Huidig gebruik

Volkstuin

Bekende verstoringen

Landbewerking

Historische kaarten en historische bronnen Molenschot heeft een geschiedenis die teruggaat tot in elk geval de 13e eeuw. Rondom een kapel ontstaat het gehucht tussen Gilze en Rijen (bron: Turfdatabank Antwerpen; tijdmachinegilzerijen.nl). De naam van het dorp zou zijn afgeleid van een molen op een hoog deel van het landschap (Van Berkel en Samplonius, 2006). Volgens de oudst geraadpleegde kaart van het plangebied, de Kadastrale Minuut van 1811-1832, bevonden zich in het plangebied aan het begin van de 19e eeuw een akkerland en een weiland (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl; OAT; figuur 2). Het plangebied bevindt zich op basis van deze kaart direct ten westen van het gehucht Molenschot. Op circa 80 m ten oosten van het plangebied staat op de kaart de kapel aangeduid die de naamgever is van de huidige Kapelstraat. Op de Kadastrale Minuut staat deze straat nog aangeduid als Broekdijk, indicatief voor relatief vochtige omstandigheden in de omgeving ten westen van het plangebied. Het akkergebied op circa 200 m ten westen van het plangebied is dan ook aangeduid als Schots Broek. De percelen waarop het plangebied gelegen is zijn echter onregelmatig tot blokvormig, wat indicatief is voor droge omstandigheden. De onbebouwde situatie zichtbaar op kaarten uit de vroege 19e eeuw blijft gehandhaafd tot in de vroege 20e eeuw (figuur 3 en 4; www.topotijdreis.nl).

Wel wordt het gebied in de tweede helft van de 19e eeuw in gebruik genomen als erf en tuin. Gedurende de jaren ’40 of ’50 van de 20e eeuw worden de percelen samengevoegd en ontstaan één akker- of weidegebied (figuur 5). Ten oosten en ten zuiden van het plangebied breid de bebouwing zich uit gedurende de periode 1960-1990, waarbij het plangebied zelf als volkstuinen in gebruik wordt genomen (figuur 6-8). In deze volkstuinen zijn in de loop van de tijd kleine schuurtjes gebouwd, die normaal gezien weinig gefundeerd zijn. Tegenwoordig is nog circa 50 m² aan schuurtjes aanwezig. Militair Erfgoed Binnen het plangebied zijn in diverse bronnen geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van resten uit de Tweede Wereldoorlog (bron: www.tracesofwar.nl; www.ikme.nl; www.bhic.nl). Voor overige periodes in de geschiedenis bestaan evenmin aanwijzingen voor militair erfgoed op basis van de Kaart van Verdedigingswerken van de RCE2. Huidig gebruik en bodemverstoringen Ten tijde van onderhavig onderzoek is het plangebied in gebruik als een volkstuinencomplex, waarop circa 50 m² aan schuurtjes aanwezig is. Aan de hand van historische kaarten zijn geen verstoringen vastgesteld in het plangebied. Aan de hand van het AHN en de Omgevingsrapportage Noord-Brabant3 zijn evenmin ontgravingen of saneringen vast te stellen in het plangebied.

Het plangebied is ook niet opgenomen op de Ontgrondingenkaart van Noord-Brabant, waardoor het onwaarschijnlijk is dat sprake is van zandwinningsputten die reeds hebben geleid tot de aantasting van de ondergrond (niet als kaartbeeld opgenomen). Onbekend is tot welke diepte bodemverstoringen als het gevolg van de huidige schuurtjes en volkstuinen exact reiken. Vermoedelijk gaan dergelijke verstoringen niet dieper dan de bouwvoor.

2

https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=militaire%5Flandschapskaart

3

https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/

16

Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op de kadastrale minuut uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1880. Bron: topotijdreis.nl 17

Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1920. Bron: topotijdreis.nl

Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1955. Bron: topotijdreis.nl 18

Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1980. Bron: topotijdreis.nl

Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1998. Bron: topotijdreis.nl 19

Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op een luchtfoto uit 2020. Bron: www.pdok.nl

20

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische verwachting

Hoog en Laag

Periode

Hoog: Laat-Paleolithicum B – Midden Nieuwe tijd Laag: Late Nieuwe tijd

Complextypen

Nederzettingen, sporen van landgebruik, grafvelden

Stratigrafische positie

Top van het dekzand, circa 50-100 cm -Mv

Verwachting Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met de Midden-Nieuwe tijd. Het plangebied bevindt zich op een dekzandwelving op terrasafzettingen, tussen twee oude beken. De welving waarop het plangebied ligt heeft door de relatief hoge en droge ligging reeds vanaf het LaatPaleolithicum B gunstige omstandigheden voor bewoning gehad. De historische kern van Molenschot, waar het plangebied deel van uitmaakt op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart, heeft een historie die teruggaat tot in elk geval de 13e eeuw. Op historische kaarten is het plangebied in elk geval gedurende de Late Nieuwe tijd (vanaf de 19e eeuw) onbebouwd geweest. De verwachting op de aanwezigheid van resten van historische bebouwing beperkt zich daarom tot maximaal de Midden – Nieuwe tijd. Deze verwachting is in de omgeving van het plangebied echter nog niet bevestigd door middel van gravend onderzoek. Voor de Late Nieuwe tijd is sprake van een lage verwachting op bebouwingsresten. Uit die periode kunnen eventueel wel resten van landgebruik worden aangetroffen. De onder een oud-bouwlanddek en (Jong) dekzand gelegen terrasafzettingen en het Oud Dekzand vormen een potentieel archeologisch relevant niveau voor het Midden Paleolithicum en LaatPaleolithicum A.

Door de diepteligging van meer dan 2,4 m -Mv (op basis van boringen uit het Dinoloket) liggen deze afzettingen waarschijnlijk buiten het bereik van onderhavig onderzoek. De verwachting op het aantreffen van resten uit deze periode is bovendien onbekend. Stratigrafische positie De top van het dekzand vormt het archeologisch relevante niveau in het plangebied. Dit niveau is in de omgeving van het plangebied aangetroffen vanaf 30 tot 170 cm -Mv. In de top van het dekzand kan sprake zijn van restanten van bodemvorming (E- of B-horizonten), die indicatief zijn voor de mate van intactheid ervan. Het dekzand zal vermoedelijk worden aangetroffen onder een bouwlanddek dat 50100 cm dik is, aangezien de bodem ter plaatse van het plangebied is gekarteerd als een hoge enkeerdgrond. Complextypen In het plangebied worden nederzettingsterreinen verwacht, maar ook sporen van landgebruik of grafvelden kunnen aanwezig zijn. Wat betreft het Laat-Paleolithicum B – Neolithicum kunnen op de welvingen zogenaamde extractiekampen, seizoensgebonden plekken waar jagers/verzamelaars gedurende een korte tijd verbleven, aanwezig zijn. Dergelijke plekken kenmerken zich door een strooiing van bewerkte stukken vuursteen en (eventueel) haardkuilen. Uit de latere perioden bestaat de kans op het voorkomen van erven, bestaande uit een boerderij, bijgebouwen en waterputten.

Deze terreinen kunnen zich kenmerken door een aaneengesloten archeologische laag, die op grond van kleur verschilt van de oorspronkelijk aanwezige lagen of een dichte vondstenstrooiing. De vorming hiervan hangt met name af van de langdurigheid van eventuele bewoning op die plek. Kortstondige bewoning, sporen van landgebruik en grafvelden zullen zich namelijk juist kenmerken door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van 21

vondstmateriaal. De omvang van een archeologische vindplaats kan uiteenlopen van enkele tientallen vierkante meters (Laat-Paleolithicum – Neolithicum) tot honderden of duizenden vierkante meters (erven, nederzettingsterreinen en grafvelden). Voor wat betreft de Late Middeleeuwen tot en met de Midden Nieuwe Tijd is hoofdzakelijk sprake van een verwachting op sporen van landgebruik. Historische bebouwingsresten worden niet direct verwacht op basis van de historische kaarten, maar deze zijn evenmin uit te sluiten. Intactheid en aanwezigheid Er bestaan vooralsnog geen aanwijzingen voor verstoringen in het plangebied, anders dan agrarisch landgebruik, tuininrichting en geringe verstoringen door schuurtjes. Naar verwachting zal de ondergrond daarom slechts zeer beperkt aangetast zijn. Om hier zekerheid over te krijgen en tevens meer inzicht te verkrijgen in de bodemopbouw en de verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten te toetsen, is daarom een aanvullend booronderzoek uitgevoerd.

22

10.

Resultaten veldonderzoek

Onderzoekstrategie

Verkennend booronderzoek

Aantal boringen

5

Type boor

Edelmanboor

Boordiameter

7 cm

Maximale boordiepte

150 cm -Mv

Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd conform het opgestelde Plan van Aanpak (Rap, 2021). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boring 1-5). Tevens is ter plaatse van één geconstateerde ontgraving een profiel afgestoken. De boringen hebben een diepte van maximaal 150 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen en het profiel zijn gefotografeerd en beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). De foto’s van de boringen en het profiel zijn terug te vinden in bijlage 10, de beschrijvingen in bijlage 11. Na beschrijving zijn de monsters handmatig doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn gelijkmatig verdeeld over het plangebied, de verdeling van de boringen en de locatie van het profiel zijn op kaart weergegeven in bijlage 9. De locatie van de boringen is met een meetlint bepaald aan de hand van de bestaande topografie in het plangebied. De hoogteligging van de boringen is bepaald aan de hand van het AHN.

Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is de oostzijde van het plangebied niet meer in gebruik als volkstuin, maar is het braakliggend. Aan maaiveld is hier zichtbaar dat recent struiken zijn gerooid, rondom dit deel van het plangebied staan hoge dennen. De westzijde van het plangebied is nog wel in gebruik als volkstuin. Er is één ontgraving van circa 1x1 m aangetroffen aan de noordwestzijde van het plangebied, met een diepte van circa 60 cm. Deze ontgraving is verdiept tot 100 cm -Mv om een profiel zichtbaar te maken. Foto’s van het plangebied zijn weergegeven in figuur 10.

Figuur 9. Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 26-05-2021. Links een zicht richting het oosten vanaf boorpunt 3, rechts een zicht richting westen vanaf boorpunt 2. Fotograaf: J. Rap. 23

Lithologie en bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is relatief eenduidig. • Vanaf maaiveld tot een diepte van 35-70 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP) is in alle boringen een laag matig humeus zwak grindhoudend en zwak siltig zand aangetroffen, dat donkergrijsbruin van kleur is. In dit zand zijn grijze zandkorrels zichtbaar (loodzandkorrels). Deze laag is geïnterpreteerd als een modern bewerkt bouwlanddek. In boring 2 gaat deze laag direct over in de natuurlijke ondergrond. Ter plaatse van boringen 1, 3-5 en in het profiel is aan de basis van het bouwlanddek sprake van een meer zwartbruine laag matig humeus zand, waarin ook stukken rood en roodbruin bouwpuin aanwezig zijn. Deze laag is aangetroffen vanaf een diepte van 35-70 cm -Mv (6,9-7,1 m +NAP) tot een diepte van maximaal 65-115 cm -Mv (6,5-6,8 m +NAP), alwaar het overgaat in de natuurlijke afzettingen. Dit betreft waarschijnlijk de basis van het bouwlanddek of een oude uitbraaklaag. • Ter plaatse van boringen 1-4 en het profiel bestaan de eerst aangetroffen natuurlijke afzettingen uit matig siltig zand, waarin grote roestvlekken tot een roestige waas aanwezig is. Dit zand is geïnterpreteerd als Jong Dekzand. Dit zand is aangetroffen vanaf een diepte van 60-85 cm -Mv (6,7-7,2 m +NAP), waarbij boringen 1, 3, 4 en het profiel zijn geëindigd in het dekzand op dieptes van 100-120 cm -Mv (6,3-6,5 m +NAP).

Ter plaatse van boring 4 en het profiel is de top van dit zand zeer zwak humeus en vertoont het sporen van bioturbatie of het uiterste einde van een BChorizont. • In boringen 2 en 5 bestaan de diepst aangetroffen afzettingen uit matig grof, matig siltig zand, dat zwak tot matig grindig is en een grijze kleur heeft. Deze afzettingen zijn aangetroffen vanaf 110115 cm -Mv (6,5-6,7 m +NAP). In boring 5 zijn tevens siltbanden herkenbaar in deze afzettingen. Het is niet duidelijk of de aangetroffen afzettingen een lokale opduiking van de Formatie van Sterksel (terrasafzettingen) betreffen of dat het verspoeld (Jong of Oud) dekzand betreft. Door grof grind in deze afzettingen is het niet mogelijk geweest deze boringen door te zetten tot een diepte van meer dan 130-150 cm -Mv (6,1-6,5 m +NAP). Archeologische indicatoren Tijdens het veldwerk zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, anders dan het reeds genoemde bouwpuin. Dit materiaal is echter niet eenduidig te dateren. Het bouwpuin is aangetroffen op de overgang van het modern bewerkte bouwlanddek naar de natuurlijke ondergrond. Theoretisch gezien kan het baksteen dateren uit de gehele periode vanaf de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd. Hierbij moet worden opgemerkt dat het opsporen van archeologische indicatoren ook nadrukkelijk niet het doel van dit onderzoek is geweest.

Archeologische interpretatie Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat het plangebied ter plaatse van een dekzandwelving ligt, waarop een bouwlanddek met een dikte van circa 60-115 cm is aangebracht. Het is onduidelijk of de dekzandwelving op verspoeld dekzand ligt of op een terrasafzettingswelving. Bij de aanleg van het bouwlanddek is de top van het dekzand zodanig geroerd geraakt dat de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum B en het Mesolithicum naar laag is bij te stellen, aangezien het ontbreekt aan intacte E- en B-horizonten. Aan de basis van het bouwlanddek zijn fragmenten roodbruin en bruin puin aangetroffen, dat echter niet eenduidig te dateren is. Hoewel op basis van historische kaarten niet direct bebouwing werd verwacht in het plangebied, is het mogelijk dat dit puin samenhangt met de sloop of afbraak van bebouwing uit de periode 13e tot en met de 18e eeuw. Uit deze periode zijn namelijk geen historische kaarten van het plangebied beschikbaar. Op basis van de historische ontwikkeling van Molenschot en de ligging van het plangebied in of direct naast de historische kern, kan hier echter wel bebouwing aanwezig zijn geweest. Wanneer dit het geval is, dan is het waarschijnlijk dat top van het bouwlanddek pas in de late Nieuwe tijd is aangebracht.

24

Op basis van al het bovenstaande kan de hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen tot en met de Midden-Nieuwe tijd in het plangebied worden gehandhaafd. Vondstmateriaal uit deze periode kan reeds worden aangetroffen vanaf de onderzijde van het modern bewerkte deel van het bouwlanddek (35-70 cm -Mv; 6,9-7,2 m +NAP), terwijl archeologische grondsporen het best herkenbaar zullen zijn in de top van de natuurlijke afzettingen (60-85 cm -Mv; 6,7-7,2 m +NAP). De top van het dekzand is bovendien niet zodanig aangetast dat het archeologisch relevante niveau voor de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen reeds aangetast is, aangezien in één boring en het profiel nog sprake is van een restant BC-horizont. Daarom moet de verwachting voor deze periodes vooralsnog ook als hoog worden gehandhaafd.

25

11.

Beantwoording onderzoeksvragen

•

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied ligt op een dekzandwelving en mogelijk op een terrasafzettingswelving, waarop een bouwlanddek is aangebracht.

•

Wat is de bodemopbouw, zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Binnen de bodemopbouw is de top van het dekzand aangemerkt als het archeologisch relevante niveau voor alle periodes. Het natuurlijke dekzand is aangetroffen vanaf een diepte van 60-85 cm -Mv (6,7-7,2 m +NAP). In het dekzand kunnen sporen worden aangetroffen, direct onder het bouwlanddek. In het dekzand is nog sprake van een Cg-horizont en ter plaatse van één boring en het profiel is ook sprake van een dun restant BC-horizont. In de basis van het bouwlanddek is een grote hoeveelheid roodbruin en bruin bouwpuin aangetroffen (vanaf 35-70 cm -Mv; 6,9-7,2 m +NAP), hetgeen een aanwijzing is dat in deze laag meer vondstmateriaal kan worden aangetroffen.

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Zowel de top van het dekzand vanaf een diepte van 60-85 cm -Mv (6,7-7,2 m +NAP), als de basis van het bouwlanddek vanaf een diepte van vanaf 35-70 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP) i archeologisch gezien nog sprake van een intacte bodemopbouw, direct onder de moderne bouwvoor. Er is echter geen sprake van intacte E- of B-horizonten, deze zijn waarschijnlijk opgenomen in het oude bouwlanddek.

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het plangebied heeft op basis van het bureauonderzoek een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met de MiddenNieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een dekzandrug op een terrasafzettingswelving tussen twee beken. Het plangebied heeft daardoor gunstige omstandigheden voor bewoning gehad. De percelen maken bovendien uit van de historische kern van Molenschot, die reeds ontstaan is in de 13 e eeuw. Er zijn geen aanwijzingen voor verstoringen van de ondergrond. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied inderdaad op een dekzandwelving op ligt, waarbij mogelijk tevens sprake is van een terrasafzettingswelving. In de top van het dekzand is vanaf een diepte van 60-85 cm -Mv (6,7-7,2 m +NAP) sprake van een intact archeologisch relevant niveau, onder een oud bouwlanddek van 60-115 cm dikte. Aan de basis van het bouwlanddek is sprake van een zeer donkere laag met roodbruin en bruin bouwpuin, dat mogelijk te relateren is aan gesloopte bebouwing uit de 13 e-19e eeuw. Deze laag is aangetroffen vanaf een diepte van 35-70 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP) en kan vondstmateriaal bevatten.

In de top van het direct hieronder liggende dekzand kunnen ook archeologische grondsporen uit het Neolithicum tot en met de Midden Nieuwe tijd worden aangetroffen. De oorspronkelijke top van het dekzand, zoals deze aanwezig is geweest vanaf het LaatPaleolithicum, is niet meer volledig intact in het plangebied. De E- en B-horizonten, die indicatief zijn voor de mate van intactheid van de top van het dekzand, ontbreken in het plangebied in een intacte vorm, uitgezonderd een zeer basaal restant van een BC-horizont in boring 4 en de profielkuil. Daarom zullen vondstconcentraties uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum waarschijnlijk zijn aangetast.

26

12.

Conclusie en advies

Conclusie Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met de Midden Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied in de historische kern van Molenschot, die is ontstaan op een dekzandwelving op terrasafzettingen. Deze dekzandwelving en terrasafzettingen hebben door hun relatief hoge en droge ligging gunstige bewoningsomstandigheden gehad. In elk geval gedurende de 13e eeuw ontstond vrijwel direct ten oosten van het plangebied het dorp Molenschot. Ontginning en landgebruik hebben vervolgens gezorgd voor het ontstaan van een bouwlanddek ter plaatse van het plangebied. Gedurende de Late Nieuwe tijd is het plangebied op basis van historische kaarten echter onbebouwd. In de omgeving van het plangebied is de verwachting echter nog maar nauwelijks getoetst middels gravend onderzoek. Uit het veldonderzoek is gebleken dat het plangebied inderdaad ter plaatse van een dekzandwelving ligt, waarop een bouwlanddek van 60-115 cm dikte aanwezig is. De top ervan is tot een diepte van 3570 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP) verstoord. De basis van het bouwlanddek is sterker humeus da de top ervan en bevat roodbruin en bruin bouwpuin tot een diepte van 60-85 cm -Mv (6,7-7,2 m +NAP).

Vanaf de onderzijde van het bouwlanddek is tevens het dekzand aangetroffen, dat archeologisch gezien nog als intact te beschouwen is. In de basis van het bouwlanddek kunnen vondsten worden aangetroffen uit de periode Neolithicum – Midden Nieuwe tijd, in het dekzand direct hier onder kunnen ook archeologische grondsporen worden aangetroffen. Aangezien het ontbreekt aan oorspronkelijke bodemhorizonten (E- en B-horizonten) is de top van het dekzand wel verstoord geraakt. Daarmee is wel een lage verwachting op de aanwezigheid van intacte vondstconcentraties. Zodoende kan de archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum naar laag worden bijgesteld. Advies In het plangebied is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf een diepte van 35-70 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP), hetgeen een handhaving is van de bestaande verwachting op de archeologische beleidskaart. Daarom adviseren wij om de corresponderende onderzoeksgrens over te nemen in het toekomstige bestemmingsplan, waarbij ingrepen in de groter dan 100 m2, dieper dan 40 cm –Mv een onderzoeksplicht kennen. Dit kan tot gevolg hebben dat bij de toekomstige ingrepen in het plangebied een aanvullend karterend en waarderend archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.

Dit kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), dat dient plaats te vinden conform een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Het bovenstaande is een advies. Op grond van de resultaten van het rapport zal het bevoegd gezag (de gemeente Gilze en Rijen) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied

27

13.

Geraadpleegde bronnen

Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. • www.ahn.nl • www.archieven.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.topotijdreis.nl • www.bodemloket.nl • www.dinoloket.nl • www.edugis.nl • www.pdok.nl • www.planviewer.nl • www.dans.easy.knaw.nl • www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.tijdmachinegilzerijen.nl Literatuur Bakker, H., de/J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk. Berkel, G. van en K. Samplonius, 2006. Nederlandse Plaatsnamen. Herkomst en historie. Utrecht: Het Spectrum. Berkvens, R., 2010: Gilze en Rijen, van Onderaf Bekeken, Beleidsplan Archeologisch monumentenzorg Gilze en Rijen, Eindhoven (SRE-dienst) Diepen, L. van, 2019, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen Schoolstraat 24, 26 en 30 te Molenschot, Roermond (Aeres-rapport AM18387) Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenwoudt & T. de Groot (red.), 2007. Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid.

NAR 34, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Amersfoort. Donders, M.J.E., 2021, Plangebied Toxandria te Molenschot, gemeente Gilze en Rijen; archeologisch vooronderzoek, proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding, Weesp (RAAP-rapport 4875) Kalisvaart, C.C., 2020, Gemeente Gilze en Rijen, EVZ Boomkiker, deelgebied Toxandria, Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase), ’s-Hertogenbosch Koopmanschap, H.J.L.C. en M. Marinelli, 2004, Inventariserend Archeologisch onderzoek te Molenschot, fase 1: bureauonderzoek, Heerenveen,( Oranjewoud-rapport 11907-148257) Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof en T.E. Wong, 2003 (reds). De ondergrond van Nederland. Houten.

28

Schokker, J., 2003. Pqtterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben, south-eastern Netherlands). Utrecht: Universiteit Utrecht (Thesis, Nederlandse Geografische Studies 314). Stouthamer, E., K.M. Cohen en W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land. Utrecht. Tebbens, LA., 2016.Ontstaansgeschiedenis van het landschap, het gebruik en de locatiekeuze. In: Ball,E.A.G. & R.M. van Heeringen (red.), 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. Nederlandse Archeologische Rapporten 51. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort Tump, M., 2019, Gemeente Gilze en Rijen, Plangebied EVZ Boomkikker Gilze en Rijen, Fase I, deeltraject Ia-c, archeologisch bureauonderzoek, ’s-Hertogenbosch (BAAC-rapport V-18.0075) Vos, P.C., 2015. Compilation of the Holocene paleogeographical maps of the Netherlands, in P.C. Vos (red), The origin of the Dutch coastal landscape, Groningen, 50-81. Vos, P.C. en S. de Vries, 2013. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0), sd. www.archeologieinnederland.nl (11-30-2015). Zijverden, W.K. van en J. de Moor, 2014. Het groot profielenboek. Fysische geografie voor archeologen. Leiden.

Afbeeldingen Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart (bron kaart: www.opentopo.nl). ... 8 Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op de kadastrale minuut uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl................................................................................................................ 17 Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1880. Bron: topotijdreis.nl .... 17 Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1920. Bron: topotijdreis.nl .... 18 Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1955. Bron: topotijdreis.nl .... 18 Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1980. Bron: topotijdreis.nl .... 19 Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1998. Bron: topotijdreis.nl .... 19 Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op een luchtfoto uit 2020. Bron: www.pdok.nl ...................... 20 Figuur 9. Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 26-05-2021. Links een zicht richting het oosten vanaf boorpunt 3, rechts een zicht richting westen vanaf boorpunt 2. Fotograaf: J. Rap. ......................................................................................................................................................... 23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12168137/1