Bijlage 3 Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Gemeente Gilze en Rijen Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Rijen Breda, gedeelte Vincent van Goghstraat - N631”
Projectnummer: Datum:
205619 18 oktober 2022
Gemeente Gilze en Rijen Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Rijen Breda, gedeelte Vincent van Goghstraat - N631” Inhoud 1. Toelichting 2. Regels 3. Verbeelding id.nr.: NL.IMRO.0784.BPSnelfietsroute-ON01 d.d.: 18-10-2022 Projectleider: Projectmedewerker: Status:
Dhr. ing. M.J. Volbeda Dhr. W.H.I. Hengstmengel MSc. Ontwerp
Toelichting
INHOUD 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 3 4 5
2 2.1 2.2 2.3
PLANBESCHRIJVING Inleiding Beschrijving huidige situatie Beoogde situatie plangebied
6 6 6 7
3 3.1 3.2 3.3 3.4
BELEIDSKADER Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
9 9 9 13 18
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Ecologie Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Niet-gesprongen explosieven Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
21 21 21 22 26 28 29 32 33 34 36 37 39 40
5 5.1 5.2 5.3
JURIDISCHE PLANTOELICHTING Inleiding Opbouw van de regels Regels
42 42 42 42
6 6.1 6.2 6.3
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Inleiding Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid
45 45 45 45
7 7.1 7.2 7.3
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Omgevingsdialoog Vooroverleg Zienswijzen
46 46 46 46
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
1
BIJLAGEN Bijlage 1 – Ontwerp snelfietsroute F58 Rijen – Breda; Antea Group, 2021; Bijlage 2 – Verkennend bodemonderzoek; Antea Group, 2021; Bijlage 3 – Quickscan Wet natuurbescherming; idverde Advies, 2021; Bijlage 4 – Projectgebonden Risicoanalyse Niet Gesprongen Explosieven; REASeuro, 2021. Bijlage 5 – Wateradvies waterschap Brabantse Delta Bijlage 6 – Standaardadvies 2019 Bijlage 7 – Omgevingsdialoog Bijlage 8 – Verslag wettelijk vooroverleg concept ontwerpbestemmingsplan ‘Snelfietsroute F58 Tilburg-Breda
Uitsnede topografische kaart omgeving plangebied. Bron: Topotijdreis.nl, 2021.
2
Gemeente Gilze en Rijen
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel Aanleiding In Brabant is de fiets een belangrijk onderdeel van de vervoersmobiliteit. Meer dan 25% van de verplaatsingen vindt plaats met de fiets. In het binnenstedelijk gebied ligt dit percentage nog hoger. In het Provinciale Uitvoeringsprogramma ‘Fiets in de Versnelling 2016-2020’ is de corridor Breda-Tilburg aangemerkt als kansrijk voor het realiseren van een snelle en kwalitatief hoogwaardige fietsverbinding. De gemeenten Breda, Gilze en Rijen, Oosterhout en Tilburg hebben de realisatie van de fietsroute ter hand genomen. De gemeente Gilze en Rijen is voortvarend bezig met het realiseren van haar deel van de fietsverbinding. Voor het tracé door de kom van Rijen tussen de spoorwegen in de Oosterhoutseweg en de Vincent van Goghstraat is op basis van verkennende haalbaarheidsstudies in dit gebied gekozen voor een ligging direct ten noorden van het spoor. De herinrichting als snelfietsroute is op basis van het vigerende ruimtelijke regime echter niet direct mogelijk. De aansluiting van de snelfietsroute aan de westzijde van het plangebied is juridisch-planologisch reeds mogelijk gemaakt door middel van het vastgestelde bestemmingsplan “N631 onderdoorgang spoor Rijen”. Aan oostelijke zijde wordt beoogd aan te sluiten op het in ontwerp zijnde bestemmingsplan “Stationsomgeving Rijen”.
Doel Op basis van het bestemmingsplan “Woongebied Rijen” zijn aan de gronden van onderhavig plangebied de bestemmingen ‘Verkeer – Railverkeer’ en ‘Bedrijventerrein’ toegekend. Binnen deze bestemmingen is het gebruik van de gronden als fietsverbinding niet toegestaan. Om het voorgenomen initiatief mogelijk te maken dient een nieuw juridisch-planologisch kader te worden opgesteld. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen direct ten noorden van de spoorverbinding Breda – Tilburg, binnen de bebouwde kom van Rijen tussen de Vijf Eiken/Oosterhoutseweg en de Spoorlaan Noord. Het tracé omvat de kadastrale percelen 5692 en 7594, gemeente Gilze en Rijen, sectie A. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 4.350 m2. De ligging en begrenzing van het plangebied is nader aangeduid op navolgende afbeelding.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
3
1.3
Vigerend bestemmingsplan Toetsingskader Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Woongebied Rijen”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Gilze en Rijen op 4 februari 2013. De gronden binnen het plangebied kennen de bestemmingen ‘Verkeer – Railverkeer’ en ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – kunststofbedrijf’. Daarnaast geldt voor het hele plangebied de gebiedsaanduiding ‘ihcs – 1’.
Uitsnede van het bestemmingsplan “Woongebied Rijen” van de gemeente Gilze en Rijen. Het plangebied is rood omkaderd. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
Beoordeling De voor ‘Verkeer – Railverkeer’ aangewezen gronden in het vigerend bestemmingsplan zijn onder andere bestemd voor spoorwegen, voorzieningen ten behoeve van de spoorwegen, kruisingen van spoorwegen met verkeerswegen, nutsvoorzieningen en groenvoorzieningen. De voor ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – kunststofbedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een kunststofbedrijf. De realisatie van het beoogde tracé voor de snelfietsroute is derhalve niet mogelijk op basis van deze bestemmingen in het vigerende bestemmingsplan. Daarbij geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘ihcs – 1’ ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak met zijkanten een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een hogere bouwhoogte dan 56 m boven NAP in verband met het beschermingsgebied van in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen. Gezien onderhavig voornemen enkel het realiseren van een fietsroute betreft en geen bebouwing mogelijk maakt, is deze aanduiding niet belemmerend voor onderhavig voornemen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het onderhavige
4
Gemeente Gilze en Rijen
bestemmingsplan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling om het beoogde tracé voor de snelfietsroute mogelijk te maken. 1.4
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. In hoofdstuk 4 komen de planologisch relevante milieuaspecten aan de orde. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Hierna komen in hoofdstuk 6 en 7 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
5
2
PLANBESCHRIJVING
2.1
Inleiding Voor het opstellen van het bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven.
2.2
Beschrijving huidige situatie Het plangebied is gelegen in een strook direct langs de noordelijke zijde van de spoorverbinding Breda – Tilburg, tussen de spoorwegen in de Oosterhoutseweg en de Vincent van Goghstraat te Rijen. Het zuidelijk gesitueerde terrein (binnen de rode contour op navolgende afbeelding) is grotendeels in eigendom van ProRail en in gebruik als berm. De lengte van het terrein betreft circa 640 meter. De oppervlakte bedraagt circa 5.000 m2. Het noordoostelijk gesitueerde terrein is in eigendom van CurTec (binnen de blauwe contour). De oppervlakte hiervan bedraagt 563 m2. Ook dit terrein is grotendeels braakliggend/berm. In het verleden heeft binnen het gebied nog een spoorlijn gelegen, met daarbij een zijarm naar een bedrijventerrein. Dit spoor is later weer (grotendeels) verwijderd.
Binnen het plangebied zijn momenteel verschillende groenstructuren in de vorm van een struweel aanwezig. Dit struweel bestaat onder andere uit bomen en struikengewas van de berk, brem, den en zomereik. Verder bevat het plangebied veel omgevallen of omgezaagd hout. Dit hout ligt veelal op elkaar en vormt op deze wijze kleine takkenhopen. Daarnaast is er veel braamstruweel binnen het plangebied aanwezig. Het gebied van CurTec bestaat hoofdzakelijk uit grasland met mossen. Verder zijn enkele jonge knotwilgen met een hoogte van circa 3 meter aangeplant. Rondom de wilgen zijn kleine haagjes van taxus aangeplant. Op navolgende afbeeldingen wordt een impressie gegeven van de huidige situatie binnen het plangebied.
6
Gemeente Gilze en Rijen
2.3
Impressie ProRail terrein bodemonderzoek, 2021.
in
oostelijke
en
westelijke
richting.
Bron:
Verkennend
Impressie CurTec terrein bodemonderzoek, 2021.
in
oostelijke
en
westelijke
richting.
Bron:
Verkennend
Beoogde situatie plangebied In de beoogde situatie wordt aan de gronden behorend bij het plangebied de bestemming ‘Verkeer’ toegekend, zodat een herinrichting als snelfietsroute kan worden gerealiseerd en aan weerszijden kan worden aangesloten op het tracé van de Snelfietsroute Breda – Tilburg (F58). Hiertoe zullen op de gronden verhardingen met bijbehorende bermen, beplantingen en straatverlichting aangebracht worden. Op basis van bestektekening 0468976.100-OW-3-0001 d.d. 20 juli 2021 dient voor het aanleggen van de snelfietsroute rekening te worden gehouden met het verwijderen van onder meer bestaande begroeiingen en verhardingen binnen het plangebied en het verplaatsen van bestaand hekwerk naar de nieuwe kadastrale grens. Hiermee wordt ruimte gecreëerd voor het nieuw aan te leggen fietspad met een breedte van 4 meter en overige verhardingen. Aan weerszijden van het fietspad wordt daarbij een
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
7
werkstrook van maximaal 1 meter gerealiseerd. Het plangebied wordt met de andere terreinen gescheiden door een hekwerk om op deze manier onveilige situaties te voorkomen. In bijlage 1 en op navolgende afbeelding is het beoogde ontwerp van het tracé van de snelfietsroute opgenomen.
Ontwerp snelfietsroute F58 Rijen - Breda, gedeelte tussen de Vincent van Goghstraat en de N631 te Rijen. Bron: Antea Group, 2021.
8
Gemeente Gilze en Rijen
3
BELEIDSKADER
3.1
Inleiding De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat en wordt het initiatief hieraan getoetst.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), 2020 Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie vervangt integraal de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Tegelijkertijd met het vervallen van de SVIR vervalt ook het Nationaal Milieubeleidsplan. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking.
Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling De NOVI dient op regionaal niveau uitgewerkt te worden zodat een gebiedsgerichte aanpak en maatwerk mogelijk is. Deze uitwerking heeft nog niet plaatsgevonden en is bovendien op een schaalniveau die het onderhavig plangebied overstijgt. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen het Rijksbeleid.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
9
3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft voor een beperkt aantal onderwerpen vastgesteld dat de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Deze kaderstellende uitspraken zijn zodanig geformuleerd dat deze beperkingen stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Ligging van het plangebied (aangeduid met rode marker) binnen het radarverstoringsgebied van Woensdrecht en Herwijnen. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
Beoordeling Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de radarstations op de locaties Herwijnen en Woensdrecht.
10
Gemeente Gilze en Rijen
In een gebied rondom deze radarstations moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom het radarstation mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In het radarverstoringsgebied van Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan worden geen windturbines mogelijk gemaakt en ook geen nieuwe bebouwing boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation Herwijnen. Vanuit het radarstation Woensdrecht gelden eveneens geen belemmeringen nu de maximale bouwhoogte 113 meter bedraagt voor alle bouwwerken. Het onderhavige plan voorziet niet in het oprichten van bouwwerken met een dergelijke hoogte. Daarnaast is blijkens kaart 4 van het Rarro (militaire luchtvaartterreinen) het plangebied gelegen binnen het obstakelbeheergebied rondom Vliegbasis Gilze-Rijen. Binnen dit gebied gelden beperkingen ten aanzien van de toegestane bouwhoogte. Onderhavig bestemmingsplan biedt echter geen bouwmogelijkheden in strijd met deze beperkingen.
Ligging van het plangebied (aangeduid met rode marker) binnen het obstakelbeheergebied behorend bij Vliegbasis Gilze – Rijen. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid. Conclusie Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en het Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkelingen passend zijn binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
11
3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.
Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.
12
Gemeente Gilze en Rijen
In artikel 1.1.1 eerste lid, onder i, Bro is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Blijkens de Nota van Toelichting (2017) worden onder ‘andere stedelijke voorzieningen’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, Bro, verstaan: “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoorsport en leisure”. Uit de bovenstaande begrippen blijkt dat het aanleggen van een fietspad niet valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame ontwikkeling is niet van toepassing op het onderhavige voornemen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet aan te merken is als een ‘stedelijke ontwikkeling’. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.
De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
13
Beoordeling Met de Omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het voorliggend initiatief betreft het realiseren van een gedeelte van het tracé voor de snelfietsroute. Hiermee wordt invulling gegeven aan een snelle en kwalitatief hoogwaardige fietsverbinding tussen Breda en Tilburg en een bijdrage geleverd aan een klimaatproof Brabant en een gezonde leefomgeving. Ook draagt het bij aan de derde hoofdopgave van de Omgevingsvisie: Noord- Brabant als slimme netwerkstad. Daarmee is het initiatief passend binnen de waarden en ambities van de Omgevingsvisie. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie NoordBrabant. 3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014, 2014 Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040).
Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis en het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in 2014, vastgesteld op 7 februari 2014 en in werking op 19 maart 2014. De, met de partiële herziening ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn relevant voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol. De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidde structuren zijn: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw stedelijk ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen. Beoordeling Onderhavig plangebied is op de structurenkaart van de SVRO – partiële herziening 2014 gelegen binnen de ‘Stedelijke structuur’ met als perspectief ‘Stedelijk concentratiegebied’. Voor deze gebieden geldt met name het accent dat de provincie in het ruimtelijk beleid legt op zorgvuldig ruimtegebruik; de provincie wil de groei en de
14
Gemeente Gilze en Rijen
spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen. Dit houdt in dat het accent op inbreiden en herstructureren ligt. Het aansnijden van nieuwe ruimte voor verstedelijking is pas aan de orde, als gebleken is dat de bouwopgave voor wonen en werken niet binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd, ook niet in andere kernen of op andere bedrijventerreinen binnen de betreffende gemeente, wat betreft wonen, en binnen de betreffende landelijke regio, wat betreft werken.
Uitsnede uit de Structurenkaart van de SVRO - partiële herziening 2014. Het plangebied is globaal aangeduid met een blauwe lijn. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
Onderhavig planvoornemen betreft de aanleg van een snelfietspad langs het spoor binnen het bestaand stedelijk gebied van Rijen. Daarmee wordt ingespeeld op het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik binnen de stedelijke structuur. Hierbij wordt voldaan aan het beleid van de provincie dat gericht is op inbreiden en herstructureren. Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale Structuurvisie en doet niets af aan de waarden die de structuurvisie beoogt te beschermen. 3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening NoordBrabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie een eerste stap om de
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
15
regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze, waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is binnen de Interim omgevingsverordening (Iov, geconsolideerde versie 15-04-2022) gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’. Een kaartbeeld van de ‘Instructieregels voor gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is navolgend weergegeven. In het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening dient voldaan te worden aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving uit artikel 3.5 t/m 3.8 Iov. Deze toetsing wordt navolgend uitgevoerd.
Uitsnede kaart 3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed. Het plangebied is aangeduid met een rode lijn. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2022.
Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) – Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:
16
Gemeente Gilze en Rijen
▪ nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; ▪ er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) – Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.
de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) – Meerwaarderecreatie (artikel 3.8) 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Het voornemen is niet gericht op het realiseren van bouwwerken anders dan straatmeubilair. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied, waarmee sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. b.
Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
17
c. De bestaande bebouwing wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel. Deze voorwaarde is niet aan de orde gezien het karakter van de voorgenomen ontwikkeling, het aanleggen van een snelfietsroute. Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Onderhavig initiatief betreft uitsluitend nieuwe infrastructuur in de vorm van een snelfietspad, waardoor een snelle en kwalitatief hoogwaardige fietsverbinding in de corridor Breda-Tilburg gerealiseerd kan worden. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voor het overige wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Het plangebied maakt onderdeel uit van een nieuwe snelfietsroute tussen de steden Breda en Tilburg. Door deze significante verbetering van het fietsnetwerk is het de verwachting dat mensen sneller de fiets kiezen dan de auto om zo files en dergelijke te voorkomen.
Ook draagt de snelfietsroute bij aan de verbetering van het fietsnetwerk voor recreatief gebruik. Het is de verwachting dat deze infrastructurele verbetering leidt tot een vermindering van gereden autokilometers wat een meerwaarde voor de natuur en maatschappij oplevert. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Toekomstvisie 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’ Toetsingskader De gemeente Gilze en Rijen heeft in 2012 de toekomstvisie vastgesteld, waarbij de stip op de horizon in 2025 is gelegen. De toekomstvisie is richtinggevend voor het beleid en het handelen van de gemeente en verbindt ontwikkelingen die op het oog los van elkaar staan. Zij geeft aan wat de gemeente wil betekenen voor haar inwoners, wat de inwoners van de gemeente kunnen verwachten, maar ook wat de gemeente van haar inwoners verwacht. Ook geeft de visie aan wat de gemeente in de regio wil betekenen en wat de regio en buurgemeenten wel en niet van de gemeente kunnen verwachten. Als één van de centrale ambities uit deze toekomstvisie geldt het versterken van de positie als woongemeente in het groen tussen twee steden. Gilze en Rijen wordt gekarakteriseerd als een aantrekkelijke woongemeente in het groen tussen twee steden. Dat beeld wil de gemeente versterken en in regionaal verband uitdragen. Beoordeling De Toekomstvisie doet uitspraken over de grote lijnen voor de (ruimtelijke) ontwikkeling van de gemeente. Het voorliggende initiatief is echter van latere datum dan de visie zelf
18
Gemeente Gilze en Rijen
en komt dus niet direct aan bod. Wel wordt in de visie aangegeven dat met name veel scholieren dagelijks gebruik maken van de fiets om naar hun scholen te gaan in Dongen, Oosterhout, Breda of Tilburg. Deze wens is niet nieuw want in de Structuurvisie Stedelijk Gebied uit 2015 is reeds een doorlopende fietsverbinding tussen Rijen en Tilburg opgenomen. De gemeente wenst te investeren in onder andere maatregelen ter verbetering van de wegenstructuur met gescheiden banen voor gemotoriseerd verkeer en fietsers, aanleggen heldere bewegwijzering en goed onderhoud aan fietspaden en trottoirs. In dit kader past het aanleggen van een goede en snelle fietsverbinding tussen Breda en Tilburg uitstekend. Conclusie Het initiatief is passend binnen de kaders van de Toekomstvisie 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’. 3.4.2 Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen met aanvulling Stationsomgeving Rijen Toetsingskader Op 17 juni 2021 is de ‘Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen met aanvulling Stationsomgeving Rijen’ vastgesteld. De basis voor de structuurvisie wordt gevormd door zowel de toekomstvisie ‘Wij zijn Gilze en Rijen’ als het ambitiedocument ‘Ambities Gilze en Rijen - Nieuwe kansen!’. De hoofdambities en koers zijn bepaald en hierin vastgelegd. Met het opstellen van een structuurvisie zetten we een belangrijke stap in de concretisering van de ruimtelijke ambities.
De structuurvisie is daarmee een uitvoeringsdocument dat als onderlegger dient om aan de slag te gaan met de ambities en de hoofdkeuzes, bij toekomstige projecten en bestemmingsplannen. De ruimtelijke hoofdkeuzes voor de Structuurvisie zijn gericht op: 1. Nieuwe Noodzakelijkheid - “Een nieuwe manier van denken over wonen” 2. Sterke schakels - “Bereikbaar voor iedereen” 3. Levendige centra - “Sterke en vitale dorpsharten” 4. Karakteristieke bedrijvigheid - “Bedrijventerreinen met een duidelijk profiel”
Uitsnede Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen met aanvulling Stationsomgeving Rijen. Het plangebied wordt globaal aangeduid binnen de rode cirkel. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
19
Beoordeling Op de visiekaart wordt onderhavig plangebied aangeduid als hoofdfietsroute binnen het regionaal fietsnetwerk. Op het gebied van verkeer en infrastructuur zet de gemeente in op een sterker onderscheid in wegen. Enerzijds om de doorstroming en bereikbaarheid te verbeteren. Anderzijds ter verbetering van de veiligheid en het leefklimaat. Om daarbij de fietsbereikbaarheid te bevorderen wil de gemeente het gebruik van de fiets stimuleren, zowel voor lokaal verkeer als voor recreatief gebruik. Daartoe wordt het fietsnetwerk verbeterd, onder meer door de realisatie van een doorgaande snelfietsroute aan de noordzijde, parallel aan het spoor. Conclusie Het initiatief is passend binnen de kaders van de Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen. 3.4.3 Verkeersvisie 2025 Toetsingskader De Verkeersvisie 2025 is de verdere verkeerskundige uitwerking van de Toekomstvisie 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’. De verkeersvisie vormt een handreiking met kaders, bouwstenen en ambities. De drie thema’s die vorm geven aan de gemeentelijke visie op het gebied van verkeer en vervoer zijn: ▪ Leefbaar, bereikbaar en verkeersveilig; ▪ Duurzaam en innovatief; ▪ Samenwerking en burgerparticipatie. Voor fietsers gaat het beleid uit van voldoende ruimte voor dit vervoermiddel. Op interne verplaatsingen kan de fiets de kortste route gebruiken.
Dat wordt op de volgende wijze actief mogelijk gemaakt: ▪ In de centra zorgen voor voldoende stallingsmogelijkheden, verspreid bij de winkels. Dat stimuleert het gebruik van de fiets en vergroot het verblijfskarakter van de centra. De kencijfers van het CROW worden als vertrekpunt gehanteerd voor het bepalen van het aantal fietsenrekken; ▪ Het Regionale Fietsplan vormt de basis voor het fietsnetwerk, dit biedt een goede bereikbaarheid van bestemmingen. Ontbrekende schakels worden aangelegd; ▪ De inrichting van fietspaden wordt verbeterd als er onderhoud aan de weg wordt gepleegd; ▪ Door de komst van de elektrische fiets en fietsen van afwijkende afmetingen, wordt ervoor gezorgd dat ook de breedte van fietspaden groter wordt, als daar ruimte voor is.; ▪ Er wordt ingezet op realisatie van de snelfietsroute in de spoorzone. Beoordeling en conclusie De Verkeersvisie 2025 noemt de ontwikkeling van de snelfietsroute als een concrete maatregel om de fietsverbindingen een goede kwaliteit mee te geven. De beoogde ontwikkeling is daarmee passend binnen het verkeersbeleid en vormt een belangrijke grondslag voor onderhavig bestemmingsplan.
20
Gemeente Gilze en Rijen
4
PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN
4.1
Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: ▪ bodem; ▪ waterhuishouding; ▪ cultuurhistorie; ▪ archeologie; ▪ ecologie; ▪ akoestiek; ▪ bedrijven en milieuzonering; ▪ spuitzones; ▪ geurhinder; ▪ externe veiligheid; ▪ luchtkwaliteit; ▪ kabels en leidingen; ▪ milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2
Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
21
Beoordeling In april en mei 2021 is door Antea Group een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied ‘tracé F58 snelfietsroute Oosterhoutseweg - Vincent van Goghstraat te Rijen’. Rapportage hiervan is als bijlage 2 gevoegd bij deze toelichting. Op basis van het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het toekomstige gebruik van de locatie als snelfietsroute. Conclusie Op basis van de bevindingen uit het verkennend bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. 4.3
Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor onder andere het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.
Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met
22
Gemeente Gilze en Rijen
andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. De ambitie hierbij luidt: ‘We werken samen met de omgeving aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant’. Om deze ambitie te bereiken worden de volgende generieke beleidskeuzes gehanteerd:. 1. Water als drager voor een vitale regio; 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem; 3. We werken samen; 4. We werken duurzaam; 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend; 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag, door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d.
de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
23
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m² of groter is wordt er door het waterschap retentie geëist. Uitbreidingen van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² dienen te voldoen aan de Algemene Regels waterschap Brabantse Delta. Voor uitbreidingen groter dan 10.000 m² geldt sowieso een vergunningplicht. Voor het afkoppelen van verhard oppervlak < 10.000 m² wordt er vanuit het waterschap geen retentie geëist. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.
Uitsnede keurkaart beschermde gebieden, locatie plangebied aangegeven met rode lijn. Bron: Kaart beschermde gebieden waterschap Brabantse Delta, 2021.
Beleid gemeente Gilze en Rijen In de Wet milieubeheer en Wet gemeentelijke watertaken is vastgelegd dat gemeenten een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) moeten vaststellen. Hierin staan de taken voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het vGRP is een beleidsmatig en strategisch plan voor aanleg, beheer en onderhoud van de gemeentelijke riolering. In het document geeft de gemeente aan via welk beleid zij voor de aangegeven planperiode invulling geeft aan haar zorgplichten voor de riolering en hoe zij dit beleid
24
Gemeente Gilze en Rijen
financiert. De geldigheidsduur van het voorliggende vGRP is van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025. Het vGRP heeft de status van een beleidsplan en betreft een lokale doorvertaling van Nederlandse rijks- , waterschap- en provinciaal beleid en wetgeving. Dit plan gaat over de gemeentelijke taken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater. De rioleringszorg heeft drie hoofddoelen: ▪ Het duurzaam beschermen van de volksgezondheid; ▪ Het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving; ▪ Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater). Bij nieuwe uitbreidingen en inbreidingen wordt hemelwater bij voorkeur niet meer afgevoerd naar de RWZI maar lokaal verwerkt. De gemeente streeft ernaar van zoveel mogelijk verhard oppervlak het afvloeiend regenwater te infiltreren dan wel vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater, zonder dat dit leidt tot wateroverlast of aantasting van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Afkoppeling kan bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage leveren aan de openbare ruimte, maar kan ook de zuivering ontlasten. Er wordt samenwerking gezocht met andere beleidsvelden, bijvoorbeeld met ruimtelijke ordening voor de inzet van hemelwater voor waterbeleving en met wegbeheer voor lokale oplossingen voor afvloeiend hemelwater.
Op perceel, wijk en gebiedsniveau wordt er gezocht naar de beste aanpak om het hemelwater te hergebruiken, te bergen of waar nodig af te voeren. Het gebied, de kwaliteit en kwantiteit van afvloeiend hemelwater is bepalend voor de mogelijkheden. Bij de integrale afweging gaan we uit van de wettelijke voorkeursvolgorde en de duurzaamheidsladder (Ladder van Lansink). Er wordt sterk ingezet op preventie van verontreiniging en waar mogelijk nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Voor de retentiebehoefte is de voorkeursvolgorde infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in het bestaand watersysteem. Bij de afweging spelen de kenmerken van het ontvangende watersysteem een belangrijke rol. Het beleid is erop gericht een versnelde of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen door infiltratie of retentie. Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar, daar ligt immers de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt hydrologisch neutraal ontwikkelen tot t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dat komt overeen met retentie van 60 mm. Beoordeling Uit de kaarten behorend bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een beschermd gebied dat volgt uit de Keur.
Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied. Op basis van analyse van Civil support d.d. 2 december 2020 wordt met het snelfietspad vanaf de westelijke aansluiting tot aan de Vincent van Goghstraat circa 2.500 m2 aan verharding toegevoegd. In de huidige situatie is dit begroeiing/berm. Het hemelwater
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
25
afkomstig van het fietspad kan afstromen via de bermen. Aansluiting op het rioleringsstelsel is niet nodig. Het waterschap heeft een positief wateradvies afgegeven. Het advies is als bijlage bij deze toelichting gevoergd. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig project. 4.4
Cultuurhistorie Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze
26
Gemeente Gilze en Rijen
museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, evenals de meest recente erfgoedinformatie van het rijk, met archeologische en bouwkundige monumenten, met archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant met het plangebied aangeduid met blauwe cirkel. Bron: Cultuurhistorische Waardenkaart, 2021.
Beoordeling Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart volgt dat de infrastructurele lijn tussen Breda en Tilburg via Rijen wordt beschouwd als een cultuurhistorische lijn van redelijk hoge waarde. Als gevolg van onderhavig voornemen wordt dit lijnelement behouden en
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
27
versterkt. Tevens is het plangebied gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang de ‘Baronie’. Dit is de regio die zich uitstrekt vanaf BaarleNassau tot en met Raamsdonksveer en van Breda tot en met Zundert. Het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. Er is een provinciale strategie opgesteld voor de volledige regio. Met onderhavig initiatief wordt geen afbreuk gedaan aan de verwezenlijking van de regionale ambitie om aanwezige cultuurhistorische waarden te behouden en versterken. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 4.5
Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (waaronder bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Monumentenwet 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.