CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3- Rapport behoeftepeiling ABG-gemeenten

Raadscommissie Middelen 18 september 2023, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: 23-040 RIB Armoede onderzoek (GB-VVD-GGR-PvdA-D66-CDA)9.042 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BEHOEFTEPEILING MINIMABELEID 2023 ABG-ORGANISATIE

ABG-organisatie

Versie 0.1

Behoeftepeiling Minimabeleid 2023 Een onderzoek naar de participatie van inwoners, eventuele belemmeringen en de rol van de financiële situatie en gemeentelijke ondersteuning.

Colofon Opdrachtgever ABG-organisatie: Gemeente Alphen-Chaam Gemeente Baarle-Nassau Gemeente Gilze en Rijen Datum Mei 2023 Auteurs Michelle Ellens Jitske Kooistra – van der Wijk KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en / of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en / of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ.

1

ABG-organisatie

Versie 0.1

Inhoudsopgave Inleiding ......................................................................................................................................... 3 Samenvatting................................................................................................................................. 5 1. Meedoen.................................................................................................................................... 7 2. Financiële situatie ...................................................................................................................... 9 2.1. Rondkomen......................................................................................................................... 9 2.2. Geldzorgen ....................................................................................................................... 10 2.3. Bekendheid organisaties .................................................................................................. 12 3. Regelingen .............................................................................................................................. 14 3.1. Bekendheid en gebruik ..................................................................................................... 14 3.2.

Invloed van de regelingen ................................................................................................. 17 3.3. Niet-gebruik van regelingen .............................................................................................. 17 3.4. Aanvullende ondersteuningsbehoefte .............................................................................. 19 4. Informatie................................................................................................................................. 20 5. Contact .................................................................................................................................... 22 6. Tips en adviezen van respondenten ....................................................................................... 24 Bijlage 1. Kenmerken respondenten ........................................................................................... 28 Bijlage 2: Uitsplitsingen naar woongemeente ............................................................................. 30

2

ABG-organisatie

Versie 0.1

Inleiding Gemeenten hebben de zorgplicht om de leefsituatie en het toekomstperspectief van kwetsbare burgers die in armoede verkeren, te verbeteren. Daarnaast hebben zij de taak en het belang om prikkels te geven aan burgers om zoveel mogelijk zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien. In de ABG-organisatie1 is het minimabeleid een relevant thema en een constant aandachtspunt. De ABG-organisatie wil het huidige minimabeleid en het aanbod aan minimaregelingen evalueren. KWIZ voert daarom een evaluatie uit aan de hand van een beleidsanalyse, een schatting van de minimapopulatie, inkomens effectrapportage, gesprekken met interne medewerkers en ketenpartners en een behoeftepeiling onder de doelgroep. De gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen willen evalueren in hoeverre het huidige aanbod aansluit bij de behoeften van de minimadoelgroep. Zij zijn bovendien benieuwd in een breder beeld van de participatie; kunnen inwoners (met een minimuminkomen) meedoen? En als dat niet het geval is, wat zijn dan de belangrijkste belemmeringen? In dit deelonderzoek staan de ervaringen en behoeften van de minimadoelgroep centraal door de enquêteresultaten van de behoeftepeiling weer te geven. Een samenvatting van deze resultaten is weergegeven in de integrale onderzoeksrapportage2.

Opzet van het onderzoek In de vragenlijst komen verschillende thema’s aan bod: • Meedoen, sociale contacten en belemmeringen in de participatie; • Financiële situatie; • Kennis en gebruik van gemeentelijke regelingen en maatschappelijke organisaties; • Informatievoorziening; • Contact met de gemeente; • Tips en adviezen van respondenten. Doelgroep De doelgroep bestaat uit 1.805 huishoudens in de ABG-gemeenten die in het afgelopen jaar (2022) een bijstandsuitkering hadden en/of gebruik hebben gemaakt van één of meerdere minimaregelingen. De vragenlijst is in februari 2023 verstuurd. Het aantal verstuurde vragenlijsten verschilt per gemeente. In tabel I.1. is een overzicht van de verzonden aantallen weergegeven. Respondenten konden de vragenlijst zowel schriftelijk als online invullen. Daarnaast zijn circa 80 schriftelijke enquêtes geprint en bij minimapartners neergelegd om het onderzoek verder onder de aandacht te brengen. Bovendien is ingezet op responsverhoging door links naar de vragenlijst op de Facebookpagina van de gemeenten te plaatsen. Respons In totaal hebben 425 respondenten de enquête ingevuld (353 op papier en 72 online). Dat brengt de respons op 24 procent.

De respons is ruim voldoende om uitspraken te doen over de volledige doelgroep van huishoudens die gebruikmaken van het minimabeleid in de gemeenten AlphenChaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen, met een betrouwbaarheid van 95 procent 3. Hoewel de respons betrouwbaar en representatief is voor de volledige doelgroep in de ABGgemeenten, is de respons voor iedere gemeente niet voldoende om betrouwbare uitspraken te

1 De gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen voeren een ambtelijke fusie op het gebied

van armoedebestrijding en schulden. Dit onderzoek wordt daarom voor de drie gemeenten gezamenlijk uitgevoerd. 2 Voor de resultaten van de overige deelonderzoeken verwijzen we u graag naar de integrale onderzoeksrapportage. 3 Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen met een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent moet de respons bestaan uit minstens 317 respondenten. Dit is ruimschoots behaald. Een betrouwbaarheidsniveau van 90 dan wel 95 procent is wenselijk binnen maatschappelijk onderzoek.

3

ABG-organisatie

Versie 0.1

doen over de doelgroep in de afzonderlijke gemeenten 4. De resultaten voor de gemeenten Baarle-Nassau en Alphen-Chaam dienen als indicatief te worden beschouwd. Voor de gemeente Gilze en Rijen is wel voldoende respons behaald om betrouwbare resultaten weer te geven 5. Tabel I.1. Respons, uitgesplitst naar gemeente Gemeente Alphen-Chaam Baarle-Nassau Gilze en Rijen Totaal

Verstuurde enquêtes 288 enquêtes 307 enquêtes 1.210 enquêtes 1.805 enquêtes

Aantal respondenten6 83 respondenten 85 respondenten 256 respondenten 425 respondenten

Respons 29% 28% 21% 24%

Leeswijzer Na de samenvatting wordt per hoofdstuk een thema uit de vragenlijst weergegeven. Het rapport wordt afgesloten met een tweetal bijlagen. In de eerste bijlage worden de kenmerken van respondenten weergegeven. De tweede bijlage geeft een uitsplitsing van respondenten naar woongemeente en woonkern. De vragenlijst bestond uit vragen met verschillende antwoordmogelijkheden. Bij vragen waar ‘Geen mening/n.v.t.’ een antwoordmogelijkheid was, is ervoor gekozen om deze buiten beschouwing te laten. De genoemde percentages gaan daarom over respondenten die de vraag hebben beantwoord met bijvoorbeeld ‘Eens’, ‘Neutraal’ of ‘Oneens’. Het weglaten van deze antwoordcategorie komt de leesbaarheid en de inhoudelijke analyse ten goede.

4 Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen met een betrouwbaarheidsniveau van 90 procent waren

namelijk 140 (Alphen-Chaam) en 145 (Baarle-Nassau) ingevulde enquêtes noodzakelijk geweest. 5 Om uitspraken te doen met een betrouwbaarheid van 90 procent waren 222 ingevulde enquêtes nodig. 6 Dit is het aantal unieke respondenten dat aangeeft in de betreffende gemeente te wonen en/of aangeeft in één van de kernen van de betreffende gemeente te wonen.

4

ABG-organisatie

Versie 0.1

Samenvatting Meedoen • De helft van de respondenten heeft het gevoel mee te kunnen doen in de samenleving. • Respondenten met een partner, koophuis en/of inkomen uit betaald werk als voornaamste inkomstenbron hebben vaker het gevoel dat ze kunnen meedoen. • Weinig geld en een slechte gezondheid vormen de belangrijkste belemmeringen om niet volledig mee te kunnen doen. • Zeven op de tien respondenten is zelfstandig en weet waar hij terechtkan voor hulp. • Respondenten die voldoende mensen hebben die ze kunnen vertrouwen of waar ze op terug kunnen vallen, geven vaker aan dat ze zelfstandig zijn. Financiële situatie •

• •

Zes op de tien respondenten kunnen maandelijks niet (altijd) rondkomen. • De helft van de respondenten verwacht volgend jaar niet te kunnen rondkomen. Als belangrijkste reden hiervoor noemen respondenten dat de kosten (inflatie) sneller stijgen dan hun inkomsten. • Een derde van de respondenten heeft stress, zorgen en piekergedachten als gevolg van hun financiële situatie. De meeste respondenten met geldzorgen hebben deze al langer dan drie jaar. Respondenten hebben veelal te weinig geld voor leuke dingen doen en noodzakelijke spullen aanschaffen.

Kennis en gebruik van minimaregelingen • De landelijke toeslagen zijn bij de meeste respondenten bekend; ongeveer 90 procent van de respondenten kent de toeslagen. • De zorgtoeslag (89 procent) en het kindgebonden budget (87 procent) zijn de meest gebruikte landelijke toeslagen. • Van de gemeentelijke regelingen is de energietoeslag de meest bekende en gebruikte regeling. De collectieve zorgverzekering is bij twee derde van de respondenten bekend. • Stichting Leergeld (72 procent) en Jeugdfonds Sport en Cultuur (54 procent) zijn onder de meerderheid van de ouders bekend. Drie tot vier op de tien ouders maakt hier ook gebruik van. • Vier op de tien respondenten geven aan dat ze door de regelingen minder zorgen hebben en kunnen meedoen. Respondenten geven vaker aan dat hun kinderen door de regelingen kunnen meedoen dan zijzelf. • Onbekendheid van regelingen is de voornaamste reden voor niet-gebruik. Aanvullende ondersteuningsbehoefte • Een derde van de respondenten heeft kosten waar hij graag (meer) ondersteuning voor zou willen krijgen. • Het gaat om zorgkosten, huishoudelijke uitgaven, participatie, vervoer en energie.

Informatie • Vrienden en kennissen vormen de belangrijkste informatiebron bij geldzorgen. Een medewerker van de gemeente of zelf op internet zoeken worden ook vaak genoemd. • Een tiende van de respondenten gebruikt ook websites, cursussen of sociale media als informatiebron over geldzorgen (Facebook, Nibud, Geldfit, VIP en Youtube bijvoorbeeld).

5

ABG-organisatie

• •

Versie 0.1

Ruim een derde7 van de respondenten is uitgesproken positief over de informatie: ze weten waar ze moeten zijn en snappen de informatie die ze krijgen. Respondenten die moeite hebben met lezen en/of schrijven kunnen minder vaak de informatie vinden die ze zoeken.

Contact met de gemeente • Een meerderheid van de respondenten voelt zich serieus genomen (55 procent) en vindt dat de medewerkers voldoende tijd voor hem hebben genomen (52 procent). • Verder vindt een krappe helft dat medewerkers hun afspraken nakomen (48 procent) en alles goed uitleggen (47 procent). Een tiende van de respondenten is het met deze stellingen oneens. • In mindere mate geven respondenten aan dat ze weten bij wie ze moeten zijn voor vragen. Tips en adviezen van respondenten Respondenten hadden de gelegenheid om tips en adviezen mee te geven: • Aanvullende ondersteuningsbehoefte: De kosten voor het levensonderhoud zijn gestegen en respondenten geven aan dat ze graag een hogere bijstandsuitkering zouden ontvangen. Op gemeentelijk niveau zouden ze een hogere inkomensgrens en (meer) ondersteuning voor reiskosten en sport wenselijk vinden. • Informatievoorziening: Het is voor inwoners niet altijd duidelijk welke regelingen beschikbaar zijn en of zij daar aanspraak op kunnen maken. Een duidelijk overzicht dat proactief verstrekt wordt door de gemeenten zou hen daarbij helpen. • Maatwerk: Respondenten vinden het belangrijk dat er aandacht is voor de persoonlijke situatie van inwoners en dat er extra hulp wordt geboden wanneer nodig. • Communicatie: Open contact en behulpzaamheid van de medewerkers vinden respondenten belangrijk.

Ook bredere beschikbaarheidstijden of openingstijden worden wenselijk gevonden. • Aanvraagprocedure: Het aanvragen van regelingen is niet voor iedereen toegankelijk en duidelijk. Respondenten noemen suggesties als een inloopspreekuur en één aanvraagloket.

7 Het aandeel respondenten dat de stellingen over vindbaarheid en begrijpelijkheid van informatie positief

beantwoord is relatief klein. Dit heeft ook te maken met een groot aandeel respondenten (35 tot 40 procent) dat deze stellingen met ‘neutraal’ heeft beantwoord. Van deze groep kan niet vastgesteld worden of ze tevreden zijn over de informatie.

6

ABG-organisatie

Versie 0.1

1. Meedoen In dit hoofdstuk staan de resultaten weergegeven over meedoen in de samenleving. Kunnen respondenten meedoen? En als dat niet lukt, waar zitten dan de belangrijkste belemmeringen? 56 procent van de respondenten heeft het gevoel mee te kunnen doen in de samenleving Ruim de helft van de respondenten heeft het gevoel dat ze mee kunnen doen in de samenleving (40 procent ‘eens’ en 16 procent ‘helemaal eens’). Daarnaast geeft 16 procent aan dat ze niet mee kunnen doen in de samenleving. Sommige doelgroepen geven vaker aan dat ze kunnen meedoen in de samenleving dan andere doelgroepen. Zo geven respondenten die samenwonen met een partner (en kinderen) vaker aan dat ze kunnen meedoen in de samenleving dan alleenstaanden of alleenstaande ouders. AOW-gerechtigde respondenten geven vaker aan dat ze kunnen meedoen dan jongere respondenten. Dit geldt bovendien voor respondenten die een koophuis hebben. Ook de inkomenssituatie blijkt van invloed te zijn op de mate waarin respondenten vinden dat ze kunnen meedoen. Respondenten die betaald werk als belangrijkste inkomensbron hebben, geven vaker aan dat ze mee kunnen doen in de samenleving dan respondenten met een uitkering. Tot slot geven respondenten met een hoger inkomen (€ 2.000 of meer) vaker aan dat ze kunnen meedoen dan respondenten met een lager inkomen. Figuur 1.1.1. Meedoen in de samenleving (n = 414)

Ik kan meedoen in de samenleving 40% 28%

16%

12% 4%

Helemaal mee eens

Eens

Neutraal

Oneens

Helemaal oneens

Weinig geld en een slechte gezondheid vormen de belangrijkste belemmeringen om niet volledig mee te kunnen doen Gevraagd naar belemmeringen om mee te kunnen doen geven respondenten aan dat weinig geld (43 procent) en een slechte gezondheid (41 procent) de belangrijkste belemmeringen zijn voor het meedoen in de samenleving. Voor een vijfde van de respondenten geldt dat het hebben van weinig sociale contacten ook een belemmering is. Bij ‘anders, namelijk’ benoemen respondenten dat hun leeftijd, hoeveelheid energie, beperkte vervoersmogelijkheden, woonlocatie (afgelegenheid) en mantelzorg een belemmering vormt of dat ze een taalbarrière ervaren. Sommige doelgroepen ervaren bepaalde belemmeringen meer dan andere doelgroepen. Inwoners die ‘weinig geld’ als belemmering ervaren zijn meestal alleenstaand, van middelbare leeftijd en hebben een uitkering of AOW/pensioen als voornaamste inkomstenbron. Inwoners met een slechte gezondheid zijn meestal alleenstaand, van AOW-gerechtigde leeftijd en hebben een uitkering of AOW/pensioen als belangrijkste bron van inkomen.

7

ABG-organisatie

Versie 0.1

Figuur 1.1.2. Belemmeringen in het meedoen (n = 425)

Wat zorgt ervoor dat u niet volledig mee kunt doen? Weinig geld

43%

Slechte gezondheid (fysiek en/of mentaal)

41%

Weinig sociale contacten

21%

Weinig werk / vrijwilligerswerk

6%

Anders

10%

Niet van toepassing: er zijn geen belemmeringen

25%

Zeven op de tien respondenten is zelfstandig en weet waar hij terechtkan voor hulp Een ruime meerderheid van de respondenten geeft aan zelfstandig te zijn (69 procent) en te weten waar hij terechtkan als hij hulp nodig heeft (62 procent). Een kleinere groep respondenten geeft aan voldoende mensen te kennen die hij kan vertrouwen (53 procent) of voldoende mensen te hebben om op terug te kunnen vallen (45 procent). Een vijfde van de respondenten is het hier mee oneens. Een kwart van de respondenten zegt eenzaam te zijn. Een opvallend resultaat is dat zelfstandigheid gepaard gaat met het hebben van sociale contacten. Zo geven respondenten die voldoende mensen hebben die ze kunnen vertrouwen of waar ze op terug kunnen vallen, vaker aan dat ze zelfstandig zijn. Dit geldt tevens voor respondenten die weten waar ze moeten zijn als ze hulp nodig hebben. Figuur 1.1.3. Sociale contacten (n = 371 ~ 389)

Sociale contacten Eens

Neutraal

Oneens

Ik ben zelfstandig

69%

Als ik hulp heb, weet ik bij wie ik moet zijn

62%

Ik ken voldoende mensen die ik kan vertrouwen

53%

23% 28% 31%

9% 10% 16%

Als ik geldzorgen heb, kan ik dat met mijn familie of vrienden bespreken

47%

29%

25%

Er zijn genoeg mensen op wie ik terug kan vallen

45%

36%

20%

Ik voel mij eenzaam

25%

8

31%

45%

ABG-organisatie

Versie 0.1

2. Financiële situatie Dit hoofdstuk geeft de financiële situatie weer van respondenten. Het gaat om de mate waarin zij kunnen rondkomen, of zij voor bepaalde kosten te weinig geld hebben en of zij gevolgen ervaren van hun financiële situatie.

2.1. Rondkomen Zes op de tien respondenten kunnen maandelijks niet (altijd) rondkomen In totaal geeft 65 procent van de respondenten aan dat zij niet (17 procent) of soms wel en soms niet (48 procent) kunnen rondkomen. Een derde van de respondenten kan iedere maand rondkomen. Sommige respondenten kunnen minder vaak rondkomen dan anderen. Zo geven respondenten die jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd vaker aan dat ze niet (altijd) kunnen rondkomen dan respondenten van de AOW-gerechtigde leeftijd. Dit geldt tevens voor huishoudens met kinderen. Respondenten met een uitkering als belangrijkste inkomstenbron kunnen minder vaak rondkomen dan respondenten met een inkomen uit betaald werk of een AOW-uitkering. De helft van de respondenten verwacht volgend jaar niet rond te kunnen komen Gevraagd naar hun verwachting voor volgend jaar, geeft de helft van de respondenten aan dat ze verwachten te kunnen rondkomen en de andere helft verwacht dat ze niet kunnen rondkomen. Hiervoor hebben zij verschillende redenen aangedragen. Respondenten die volgend jaar verwachten rond te kunnen komen, geven aan dat ze (nog) voldoende eigen vermogen (spaargeld) hebben en zuinig leven. Ook benoemen respondenten dat ze hun levensstijl aanpassen indien nodig, dat hun partner (meer) gaat verdienen en verwachten dat er weinig verandert ten opzichte van dit jaar.

Respondenten die aangeven dat ze volgend jaar naar verwachting niet (meer) kunnen rondkomen, baseren dat op de stijgende kosten. Ze verwachten dat de kosten voor energie, boodschappen en zorg steeds duurder worden en sneller stijgen dan hun inkomsten. Ook ziekte, een taalbarrière, schulden en aflopende energiecontracten zorgen ervoor dat respondenten denken dat ze volgend jaar niet kunnen rondkomen. Figuur 2.1.1. Rondkomen (n = 416 & n = 387)

Verwacht u volgend jaar rond te komen?

Kunt u iedere maand rondkomen? Ja

Soms wel, soms niet

Ja

Nee

Nee

17% 35% 49% 48%

9

51%

ABG-organisatie

Versie 0.1

Een derde van de respondenten heeft last van stress door zijn financiële situatie Een deel van de respondenten ervaart negatieve gevolgen van zijn financiële situatie, zoals stress (30 procent), zorgen en piekergedachten (28 procent) of slecht slapen (25 procent). Bij een tiende van de respondenten lopen de spanningen in huis op. Figuur 2.1.2. Gevolgen van financiële situatie (n = 361 ~ 368)

Gevolgen van de financiële situatie Eens

Neutraal

Oneens

Ik heb last van stress

30%

29%

41%

Zorgen en piekergedachten staan mij in de weg

28%

33%

39%

Ik slaap slecht

25%

33%

42%

De spanningen in huis lopen op

13%

22%

65%

2.2. Geldzorgen Respondenten met geldzorgen hebben deze over het algemeen langdurig Een kwart van de respondenten met geldzorgen, heeft in het afgelopen jaar te maken gekregen met geldzorgen. Verder geeft 28 procent van de respondenten aan dat ze één tot drie jaar te maken hebben met geldzorgen. De meeste respondenten met geldzorgen hebben echter al een langdurige periode te maken met geldzorgen; langer dan drie jaar. Figuur 2.2.1. Tijdsduur geldzorgen (n = 226)

Tijdsduur geldzorgen Tot 1 jaar

1 tot 3 jaar

Langer dan 3 jaar

25% 47% 28%

Respondenten hebben veelal te weinig geld om leuke dingen te doen en noodzakelijke spullen te kopen Er zijn niet altijd voldoende financiële middelen beschikbaar. Respondenten hebben niet altijd voldoende budget voor participatiedoeleinden; soms of vaak is er te weinig geld voor leuke dingen doen (70 procent), meedoen aan sport of cultuur (58 procent) of op bezoek gaan bij vrienden en familie (51 procent). Ook voor huishoudelijke kosten hebben respondenten niet altijd voldoende geld: noodzakelijke spullen (71 procent), de energierekening (59 procent) of de huur dan wel hypotheekkosten (41 procent). Ook kosten voor de gezondheid kunnen niet altijd betaald worden. Zo hebben zes op de tien respondenten soms of vaak te weinig geld voor gezond 10

ABG-organisatie

Versie 0.1

eten en drinken en het bekostigen van de zorgverzekering. Tot slot noemen respondenten bij ‘anders, namelijk’ dat ze te weinig geld hebben voor onderhoud van hun huis, kleding, schoenen, (openbaar) vervoer, verduurzaming en onvoorziene uitgaven. Binnen de gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen worden voor sommige van de genoemde kosten al regelingen aangeboden. Zo wordt voor energiekosten de energietoeslag aangeboden. Van de respondenten die aangeven dat ze soms of vaak te weinig geld hebben voor het betalen van de energierekening maakt 80 procent al gebruik van de energietoeslag. Ondanks de ondersteuning kunnen niet alle respondenten de energiekosten betalen; de energietoeslag is niet voor alle respondenten toereikend. Ook voor zorgkosten is ondersteuning mogelijk in de vorm van de collectieve zorgverzekering. Van de respondenten die soms of vaak te weinig geld hebben om de zorgkosten te kunnen betalen, maakt een derde reeds gebruik van de collectieve zorgverzekering (33 procent). Dat respondenten die moeite hebben met het betalen van zorgkosten niet altijd gebruik maken van de collectieve zorgverzekering kan twee redenen hebben: of zij kennen de collectieve zorgverzekering niet8, of de huidige pakketkeuze en vergoedingen sluiten niet voldoende aan bij hun zorgbehoefte.

Tot slot bieden de gemeenten twee participatieregelingen aan: het Sociaal Fonds (Alphen-Chaam en Baarle-Nassau) en de Meedoenregeling (Gilze en Rijen, alleen voor kinderen). Hiervan kunnen onder andere de kosten voor het lidmaatschap van een sport- of cultuurvereniging worden betaald. Van de respondenten die aangeven dat ze soms of vaak te weinig geld hebben voor leuke dingen doen en meedoen aan sport of cultuur, maakt respectievelijk slechts een tiende van de respondenten gebruik van het Sociaal Cultureel Fonds of de Meedoenregeling. Figuur 2.2.2. Heeft u weleens te weinig geld voor… (n = 110 ~ 343)

Heeft u weleens te weinig geld voor... Ja, vaak

Ja, soms

Nee, (bijna) nooit

Leuke dingen doen (uitje, abonnement)

40%

30%

30%

Meedoen aan sport/cultuur

33%

Noodzakelijke spullen kopen (kleding, fiets, huishoudelijke apparaten)

28%

Het betalen van de energierekening

24%

35%

41%

(Gezond) eten en drinken

24%

34%

43%

Zorgkosten betalen (tandarts, medicijnen of ziekenhuisbezoek)

21%

37%

43%

Schoolkosten (voor mezelf of mijn kind)

19%

35%

45%

Op bezoek gaan bij familie en/of vrienden

19%

32%

50%

Het betalen van de huur en/of hypotheek van het huis

16%

Anders

25%

42%

43%

25% 43%

28%

59% 14%

8 Twee derde van de respondenten kent de collectieve zorgverzekering (zie hoofdstuk 3).

11

43%

ABG-organisatie

Versie 0.1

De helft van de respondenten zou graag een dagje uit willen, maar kan dit niet betalen Respondenten kunnen niet altijd voldoende participeren door hun financiële situatie. Zo geeft de helft van de respondenten aan dat ze graag een dagje uit zouden willen, maar dat momenteel niet kan doen. Verder zou vijfde van de respondenten graag bij familie of vrienden op bezoek gaan (19 procent) of sporten (18 procent). Bij ‘anders, namelijk’ benoemend respondenten dat ze graag kleding, huishoudelijke apparaten of een laptop willen aanschaffen. Daarnaast geven zij aan dat ze uitgestelde medische zorg willen gebruiken en ook graag eens op vakantie willen gaan. Figuur 2.2.3. Wat kunt u momenteel niet doen, omdat het te duur is? (n = 425)

Wat kunt u momenteel niet doen omdat u moet kiezen waar u uw geld aan uitgeeft. Maar zou u wel graag willen? Dagje uit

47%

Bij familie of vrienden op bezoek

19%

Sporten

18%

Lid zijn van een vereniging Vrijwilligerswerk doen

11% 4%

Anders

29%

2.3. Bekendheid organisaties De helft van de respondenten kent de organisaties die hulp bieden bij geldzorgen niet Respondenten kunnen op verschillende plaatsen hulp vragen bij hun geldzorgen. Dat kan via de inkomensconsulenten van de gemeente of de Kredietbank, maar het Budgetcafé en Dorpsteam bieden ook een laagdrempelige locatie om een hulpvraag te stellen. Respondenten is gevraagd of zij deze organisaties kennen en/of van hun ondersteuning gebruikmaken. In de praktijk blijkt ruim de helft van de respondenten deze organisaties niet te kennen. De inkomensconsulenten van de gemeente zijn het meest bekend; de helft van de respondenten weet dat inkomensconsulenten ondersteuning kunnen geven bij geldzorgen. Het Budgetcafé, de Kredietbank en het Dorpsteam zijn bij vier op de tien respondenten bekend. Een tiende heeft ook daadwerkelijk gebruikgemaakt van ondersteuning. Bij ‘anders, namelijk’ noemen respondenten dat ze weten dat ze hulp kunnen vragen of hulp hebben gevraagd bij een (ambulante of maatschappelijke) begeleider, Budgetbeheer, dorpsverbinder, bewindvoerder, Wmo-consulent, VIP of een seniorenvereniging.

12

ABG-organisatie

Versie 0.1

Figuur 2.3.1. Bekendheid organisaties (n = 337 ~ 370)

Bekendheid organisaties bij geldzorgen Ja, gebruik ik Inkomensconsulenten van de gemeente

​Nee, ken ik wel 12%

Nee, ken ik niet

36%

52%

Kredietbank

9%

31%

60%

Budgetcafé

9%

28%

62%

Dorpsteam

2%

Anders, namelijk:

35%

19%

13%

13

63% 68%

ABG-organisatie

Versie 0.1

3. Regelingen In dit hoofdstuk wordt de bekendheid en het gebruik van de landelijke toeslagen, gemeentelijke regelingen en andere organisaties beschreven. Daarnaast worden de effecten de regelingen en eventuele aanvullende ondersteuningsbehoeften belicht.

3.1. Bekendheid en gebruik De zorgtoeslag en het kindgebonden budget zijn de bekendste landelijke toeslagen De landelijke toeslagen zijn bij de meeste respondenten bekend; ongeveer 90 procent van de respondenten kent de toeslagen. De zorgtoeslag (89 procent) en het kindgebonden budget (87 procent) zijn de meest gebruikte landelijke toeslagen. De huurtoeslag en kinderopvangtoeslag zijn even bekend onder respondenten, maar worden minder vaak gebruikt. Dat heeft te maken met de voorwaarden voor het gebruik van deze toeslagen: niet alle respondenten wonen in een huurwoning of maken gebruik van kinderopvang. Figuur 3.1.1. Bekendheid en gebruik landelijke toeslagen (n = 287 ~ 406) 9

Bekendheid en gebruik landelijke toeslagen Ja, gebruik ik

Nee, ken ik wel

Nee, ken ik niet

Nee, inkomen/vermogen is te hoog

Zorgtoeslag

89%

5% 1% 5%

Kindgebonden budget

87%

9% 2% 2%

Huurtoeslag Kinderopvangtoeslag

67% 35%

19% 58%

4% 10% 7%

De energietoeslag is de meest bekende én meest gebruikte regeling Bijna alle respondenten kennen de energietoeslag (86 procent) en acht op de tien respondenten maken hier ook gebruik van. Verder zijn de collectieve zorgverzekering (67 procent) en de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen (55 procent) bekende regelingen. Respectievelijk een derde en een vijfde van de respondenten maakt gebruik van deze regelingen. De individuele inkomenstoeslag en studietoeslag worden door een minder groot aandeel respondenten gebruikt. Dit komt omdat deze regelingen worden aangeboden voor een specifieke doelgroep. De individuele inkomenstoeslag is beschikbaar voor inwoners die langdurig van een minimuminkomen moeten rondkomen. De studietoeslag wordt aangeboden voor studenten die als gevolg van een beperking geen inkomen uit een bijbaan kunnen genereren. Van de respondenten die geen gebruik maken van regelingen heeft 70 tot 80 procent een minimuminkomen. Deze inwoners komen dus wel in aanmerking voor de regelingen, maar maken hier geen gebruik van. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bijzondere bijstand. Van de inwoners die aangeven dat ze de bijzondere bijstand kennen (maar niet gebruiken) heeft bijvoorbeeld 77 procent een inkomen tot € 1.800 per maand (oftewel: bijstand). Van de inwoners die de bijzondere bijstnad niet kennen heeft 80 procent een inkomen van deze hoogte.

Bij de individuele inkomenstoeslag, collectieve zorgverzekering, het sociaal cultureel fonds en de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen is eenzelfde beeld zichtbaar.

9 De bekendheid en het gebruik van het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag is weergegeven

onder ouders met thuiswonende kinderen tot 18 jaar (in totaal gaat het om respectievelijk 47 en 40 respondenten).

14

ABG-organisatie

Versie 0.1

De respondenten die aangeven dat hun inkomen dan wel vermogen te hoog is om gebruik te maken van de minimaregelingen zijn veelal van middelbare of AOW-gerechtigde leeftijd. Deze groep woont alleen of is gehuwd/samenwonend (zonder thuiswonende kinderen). Hun voornaamste inkomstenbron bestaat uit AOW of pensioen, maar het valt op dat een relatief groot aandeel loon uit werk heeft (in verhouding tot de gehele doelgroep). Figuur 3.1.2. Bekendheid en gebruik gemeentelijke regelingen (n = 297 ~ 392)

Gebruik en bekendheid gemeentelijke minimaregelingen Ja, gebruik ik

Nee, ken ik wel

Nee, ken ik niet

Energietoeslag (vorig jaar; 2022)

Nee, inkomen/vermogen is te hoog

78%

Collectieve zorgverzekering

34%

8% 5% 9% 33%

28%

6%

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

22%

32%

35%

12%

Bijzondere bijstand

17%

36%

36%

11%

Individuele inkomenstoeslag

14%

26%

Studietoeslag 1%

43%

52%

8%

48%

7%

De gemeentelijke participatieregeling is onder 30 tot 40 procent van de responten bekend Binnen de ABG-organisatie worden twee verschillende participatieregelingen voor volwassenen aangeboden: het Sociaal Cultureel Fonds (Baarle-Nassau en Alphen-Chaam) en de Meedoenregeling (Gilze en Rijen). Vier op de tien respondenten kennen het Sociaal Cultureel Fonds binnen de gemeenten Alphen-Chaam en Baarle-Nassau. Opvallend is dat het gebruik sterk verschilt tussen de gemeenten: in de gemeente Baarle-Nassau gebruikt een kwart van de respondenten de regeling tegenover een tiende van de respondenten in Alphen-Chaam. De Meedoenregeling is onder 30 procent van de respondenten in Gilze en Rijen bekend en één op de tien respondenten maakt er ook daadwerkelijk gebruik van.

15

ABG-organisatie

Versie 0.1

Figuur 3.1.3. Bekendheid en gebruik participatieregelingen (n = 60 ~ 222) 10

Bekendheid en gebruik participatieregeling Ja, gebruik ik

Nee, ken ik wel

Nee, ken ik niet

Sociaal Cultureel Fonds (Baarle-Nassau) Meedoenregeling (Gilze en Rijen) Sociaal Cultureel Fonds (Alphen-Chaam)

24% 12%

Nee, inkomen/vermogen is te hoog

15% 18%

8%

49%

12%

64%

6%

33%

53%

5%

De Voedselbank is de meest bekende organisatie voor inwoners met geldzorgen Twee derde van de respondenten kent de Voedselbank (67 procent) en dat maakt de Voedselbank ook tot de meest bekende organisatie onder inwoners. Ook Stichting de Weggeefhoek (alleen actief in Gilze en Rijen) is onder ruim de helft van de respondenten bekend (61 procent). Gemiddeld maakt een tiende van de respondenten gebruik van de Voedselbank dan wel de Weggeefhoek. In de ABG-gemeenten zijn twee organisaties actief die ondersteuning bieden voor kinderen en jongeren: Jeugdfonds Sport en Cultuur en Stichting Leergeld (alleen in Gilze en Rijen). Stichting Leergeld (72 procent) en Jeugdfonds Sport en Cultuur (54 procent) zijn onder de meerderheid van de ouders bekend. Drie tot vier op de tien ouders geeft aan gebruik te maken van de ondersteuning voor hun kinderen. Figuur 3.1.4. Bekendheid en gebruik andere organisaties (n = zie voetnoot11)

Bekendheid en gebruik andere organisaties Ja, gebruik ik

Nee, ken ik wel

Stichting de Weggeefhoek (Gilze en Rijen) Voedselbank

Nee, ken ik niet

13%

48%

34%

5%

7%

60%

25%

8%

Stichting Leergeld (Gilze en Rijen) Jeugdfonds sport en cultuur

Nee, inkomen/vermogen is te hoog

43% 31%

29% 24%

23% 41%

6% 4%

10 De Meedoenregeling is alleen beschikbaar in de gemeente Gilze en Rijen. De bekendheid en het

gebruik is daarom afgezet tegen het aantal respondenten dat woonachtig is in Gilze en Rijen. Hetzelfde geldt voor het Sociaal Cultureel Fonds dat wordt aangeboden in Alphen-Chaam en Baarle-Nassau. De bekendheid wordt afgezet tegen de respondenten uit beide gemeenten. 11 De bekendheid van de Voedselbank is afgezet tegen alle respondenten die de vraag hebben beantwoord (n = 369). De bekendheid van de Weggeefhoek is alleen afgezet tegen respondenten die in gemeente Gilze en Rijen wonen (n = 232). Het Jeugdfonds Sport & Cultuur is afgezet tegen ouders met thuiswonende kinderen tot 18 jaar (n = 46). De bekendheid van Stichting Leergeld is afgezet tegen ouders met thuiswonende kinderen in de gemeente Gilze en Rijen (n = 35).

16

ABG-organisatie

Versie 0.1

3.2. Invloed van de regelingen Door het gebruik van de regelingen kunnen kinderen meedoen De inkomensondersteunende regelingen zijn erop gericht dat inwoners in de gemeenten AlphenChaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen kunnen meedoen aan de samenleving. In de praktijk blijkt meedoen voor kinderen beter mogelijk dan voor volwassenen: ruim de helft van de respondenten geeft aan dat hun kind kan meedoen (62 procent) tegenover een derde van de volwassenen (35 procent). Verder geven vier op de tien respondenten aan dat zij minder zorgen hebben over geld, maar een vijfde is het met deze stelling oneens. Respondenten die minder zorgen over geld hebben (door het gebruik van de regelingen), maken met name gebruik van de energietoeslag, collectieve zorgverzekering en kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Figuur 3.2.1. Invloed van de regelingen (n = 208 ~ 224) 12

Helpen de regelingen u bij het rondkomen? Op welke manier? Eens

Neutraal

Oneens

Door de regelingen kan mijn kind meedoen

62%

26%

12%

Door de regelingen heb ik minder zorgen over geld

40%

38%

22%

Door de regelingen kan ik meedoen

35%

43%

22%

3.3. Niet-gebruik van regelingen Onbekendheid van de regelingen is de voornaamste reden voor niet-gebruik De belangrijkste reden voor het niet gebruikmaken van regelingen is dat respondenten de regelingen niet kennen (41 procent). Daarnaast geven respondenten aan dat ze het aanvragen van regelingen moeilijk vinden (21 procent) of dat ze niet in aanmerking komen omdat ze een te hoog inkomen of teveel vermogen hebben (21 procent). Een tiende van de respondenten geeft aan dat ze geen hulp willen vragen of dat de regelingen niet passen bij wat ze nodig hebben. Bij ‘anders, namelijk’ benoemen respondenten dat ze proberen om hun financiële situatie zelf op te lossen, de regels ‘te omslachtig’ vinden of hun financiële situatie niet willen prijsgeven.

12 De stelling ‘door de regelingen kan mijn kind meedoen’ wordt alleen afgezet tegen respondenten met

thuiswonende kinderen tot 18 jaar. In totaal hebben 34 respondenten deze stelling beantwoord (exclusief ‘geen mening / n.v.t.’).

17

ABG-organisatie

Versie 0.1

Figuur 3.3.1. Redenen niet-gebruik regelingen (n = 425)

Redenen voor het niet gebruikmaken van regelingen Ik ken de regelingen niet

41%

Ik vind het aanvragen moeilijk

21%

Mijn inkomen en/of vermogen is te hoog

21%

​Ik wil geen hulp vragen

14%

​Ze passen niet bij wat ik nodig heb

13%

Ik heb moeite met lezen en schrijven

9%

De financiële vergoeding van de gemeente is te laag

9%

Anders, namelijk:

17%

De voornaamste reden om geen collectieve zorgverzekering af te sluiten is omdat respondenten blij zijn met hun huidige zorgverzekering In de ABG-gemeenten wordt een collectieve zorgverzekering aangeboden via CZ en VGZ. Voor de collectieve zorgverzekering is apart uitgevraagd welke redenen respondenten hebben om hier geen gebruik van te maken. De voornaamste reden om geen collectieve zorgverzekering af te sluiten is dat respondenten blij zijn met hun huidige zorgverzekering (38 procent). Verder geeft een kwart van de respondenten aan dat ze de collectieve zorgverzekering niet kennen. Een kleinere groep geeft aan dat ze overstappen teveel gedoe vinden (14 procent) of de collectieve zorgverzekering te duur vinden (8 procent). Bij ‘anders, namelijk’ benoemen respondenten dat de collectieve zorgverzekering te duur is voor en/of niet past bij hun zorgvraag. Daarnaast geven respondenten aan dat ze het digitale aanvragen te lastig vinden of een zorgverzekering elders hebben geregeld, bijvoorbeeld via hun werkgeven. Figuur 3.3.2. Redenen niet-gebruik collectieve zorgverzekering (n = 425)

Redenen voor het niet gebruiken van de collectieve zorgverzekering Ik ben blij met mijn zorgverzekering die ik nu heb

38%

Ik ken de collectieve zorgverzekering niet

25%

Ik vind overstappen naar een andere zorgverzekering te veel gedoe

14%

​Ik vind het ​te duur

8%

Mijn inkomen is te hoog, ik mag er daarom geen gebruik van maken Het pakket van de collectieve zorgverzekering past niet bij wat ik nodig heb.

5% 3%

Anders

10%

18

ABG-organisatie

Versie 0.1

3.4. Aanvullende ondersteuningsbehoefte Een derde van de respondenten heeft kosten waar hij ondersteuning voor nodig heeft Respondenten is gevraagd of zij andere kosten hebben waar zij ondersteuning voor nodig hebben. Bijna een derde van de respondenten (29 procent) geeft aan dat zij kosten hebben waar ze ondersteuning voor nodig hebben. De aanvullende ondersteuningsbehoeften kunnen worden onderverdeeld in een aantal categorieën. Op de volgende pagina worden deze weergegeven en toegelicht. Figuur 3.4.1. Aanvullende ondersteuningsbehoefte (n = 362)

Zijn er andere kosten waar u ondersteuning voor nodig heeft? Ja

Nee

29% 71%

Respondenten geven aan dat zij (extra) ondersteuning nodig hebben voor: • Zorgkosten Een deel van de respondenten geeft aan dat ze ondersteuning nodig hebben in hun zorgkosten (22 respondenten). Het gaat dan om het betalen van de zorgpremie, maar ook om de bekostiging van hulpmiddelen (bril, orthopedisch schoeisel, maaltijdservice), medicatie en zorgtrajecten die niet of beperkt vergoed worden (zoals tandarts of mondhygiënist). • Huishoudelijke uitgaven Verder hebben 18 respondenten aangegeven dat ze ondersteuning nodig hebben voor hun huishoudelijke uitgaven. Het gaat bijvoorbeeld om boodschappen en woonlasten, maar ook om de aanschaf van meubels, woningonderhoud of de vervanging van kapotte huishoudelijke apparatuur (oven, koelkast, wasmachine). • Participatie Daarnaast benoemen respondenten hun behoefte aan ondersteuning in het meedoen in de samenleving (12 respondenten). Bijvoorbeeld om af en toe een dagje weg te kunnen, te sporten, vriendschappen te onderhouden, een huisdier te hebben of eens op vakantie te gaan. • Vervoer Mobiliteit is een belangrijke voorwaarde voor participatie. Respondenten benoemen hun behoefte aan ondersteuning bij reiskosten (11 respondenten). Bijvoorbeeld in de vorm van een vergoeding voor het openbaar vervoer. Daarnaast geven zij aan dat een regeling voor (elektrische) fietsen of het kunnen laten keuren van een eigen auto wenselijk zou zijn.

• Energie Tot slot geven 9 respondenten aan dat ze (extra) ondersteuning nodig hebben voor energiekosten: zowel voor het betalen van de energierekening als voor het verduurzamen van hun woning.

19

ABG-organisatie

Versie 0.1

4. Informatie Informatie over de minimaregelingen en bredere ondersteuning die de gemeente en haar externe partners aanbieden, is beschikbaar via verschillende informatiekanalen. In dit hoofdstuk worden de resultaten weergegeven van de belangrijkste informatiebronnen voor respondenten en hoe tevreden zij zijn over de informatievoorziening. Vrienden of kennissen vormen de belangrijkste informatiebron bij geldzorgen De meeste respondenten zouden bij vrienden of kennissen, oftewel hun persoonlijke sociale netwerk, te rade gaan als ze geldzorgen hebben en hier informatie over zoeken (36 procent). Verder geeft ongeveer een derde van de respondenten aan dat ze een medewerker van de gemeente zouden benaderen (31 procent) of dat ze zelf via internet gaan zoeken (29 procent). Een tiende van de respondenten zou informatie zoeken bij het Budgetcafé. Bij ‘anders’ noemen respondenten dat ze bij hun (ambulante) begeleiding, kinderen of een maatschappelijk werker informatie zouden zoeken. Figuur 4.1.1. Informatiekanalen (n = 425)

Waar zou u zoeken als u geldzorgen heeft en daar informatie over wilt hebben? Via vrienden of kennissen

36%

Via een medewerker van de gemeente

31%

Via internet

29%

Via het Budgetcafé

12%

Sociale media

8%

Via het Dorpsteam

7%

Via een bewindvoerder

4%

Via een lokale krant of folder

4%

Anders

18%

Eén op de tien respondenten haalt informatie op via websites, cursussen of social media In totaal maken 43 respondenten (11 procent) gebruik van websites, cursussen of sociale media kanalen om daar informatie over omgaan met geld vandaan te halen. Hierbij worden onder meer Facebook, Google, Geldfit, Nibud, Consumentenbond, Seniorenweb, VIP, de gemeentewebsites en Youtube genoemd. Ruim een derde van de respondenten is uitgesproken positief over de informatie In totaal geeft 37 procent van de respondenten aan dat ze weten waar ze moeten zijn voor de minimaregelingen en dat ze de informatie snappen die ze krijgen of vinden. Een kwart van de respondenten is het hier echter mee oneens. Verder kan een derde van de respondenten de informatie vinden die ze zoeken (26 procent oneens). Respondenten die moeite hebben met lezen en schrijven geven minder vaak aan dat ze de informatie kunnen vinden die ze zoeken, en de informatie die ze krijgen/vinden begrijpen. Daarnaast is een leeftijdseffect zichtbaar: 27 tot 45-jarigen geven vaker aan te weten waar ze moeten zijn voor informatie over de minimaregelingen dan vinden dan respondenten die 46 jaar of ouder zijn. Bovendien kan deze leeftijdsgroep vaker de informatie vinden die ze zoeken en begrijpen ze de informatie die ze vinden/krijgen ook vaker. 20

ABG-organisatie

Versie 0.1

Het valt op dat een relatief groot aandeel respondenten, 35 tot 40 procent, aangeeft dat ze neutraal ten opzichte van deze stellingen staan. Ze nemen daarmee geen duidelijke positie in en van deze groep kan dus noch worden gezegd dat ze tevreden zijn over de informatie, noch dat ze ontevreden zijn. Figuur 4.1.2. Stellingen informatie (n = 270 ~ 279)

Wat vindt u van de informatie voor inwoners met geldzorgen? Eens

Neutraal

Oneens

Ik snap de informatie die ik krijg/vind

37%

40%

23%

Ik weet waar ik moet zijn voor de minimaregelingen

37%

34%

29%

Ik kan de informatie vinden die ik zoek

34%

40%

26%

21

ABG-organisatie

Versie 0.1

5. Contact In dit hoofdstuk staan de ervaringen en tevredenheid van respondenten over het contact met de gemeente weergegeven. De helft van de respondenten voelt zich serieus genomen door de medewerkers Een meerderheid van de respondenten voelt zich serieus genomen (55 procent) en vindt dat de medewerkers voldoende tijd voor hem hebben genomen (52 procent). Verder vindt een krappe helft dat medewerkers hun afspraken nakomen (48 procent) en alles goed uitleggen (47 procent). Een tiende van de respondenten is het met deze stellingen oneens. In mindere mate geven respondenten aan dat ze weten bij wie ze moeten zijn voor vragen over de regelingen en dat de medewerkers hen informeren over andere regelingen waar zij eventueel gebruik van zouden kunnen maken. Een kwart van de respondenten is het met deze stellingen oneens. Een relatief groot aandeel respondenten heeft de stellingen met ‘neutraal’ beantwoord. Het gaat om 30 tot 40 procent van de respondenten. Van deze respondenten kan noch worden vastgesteld dat ze tevreden zijn over het contact met de gemeente, noch dat ze ontevreden zijn. Figuur 5.1.1. Stellingen contact (n = 237 ~ 311)

Wat vindt u van het contact met de gemeente? Eens

​Neutraal

Oneens

De medewerkers van de gemeente nemen mij serieus

55%

30%

15%

De medewerkers nemen voldoende tijd voor mij

52%

37%

11%

De medewerkers komen hun afspraken na

48%

38%

14%

De medewerkers leggen alles goed uit

47%

42%

11%

Ik weet bij wie ik moet zijn voor vragen over de regelingen

45%

30%

De medewerkers zijn telefonisch goed bereikbaar

44%

36%

De medewerkers vertellen mij van welke (andere) regelingen ik gebruik zou kunnen maken

41%

35%

25% 19% 25%

Toelichting Respondenten werden in de gelegenheid gesteld om een toelichting te geven op hun antwoorden. In totaal hebben 124 respondenten (29 procent) gebruikgemaakt van deze mogelijkheid. De respondenten delen in de toelichting wisselende ervaringen. Sommige respondenten uiten hun tevredenheid: ze zijn goed geholpen en vinden dat de informatie door de medewerkers van de gemeente duidelijk is uitgelegd. Anderen benoemen dat ze sommige zaken graag anders zouden willen zien. Bijvoorbeeld dat ze niet weten bij wie ze hulp kunnen vragen of dat hun inkomensconsulent een aantal keer is gewisseld. Ook geven respondenten aan dat ze graag een ruimere (telefonische) bereikbaarheid zouden zien van medewerkers. Op de volgende pagina worden enkele quotes weergegeven.

22

ABG-organisatie

Versie 0.1

‘Ik ben op hoge leeftijd en weet niet hoe ik moet beginnen. Ik verwacht en hoop dat gemeente initiatief neemt.’ ‘Bij het aanvragen van energietoeslag werden we snel en adequaat geholpen.’ ‘Contact met de gemeente is prima.’ ‘Er zijn teveel regeltjes vanuit de overheid, waardoor er te veel kanalen langsgaan die moeten beslissen over de mensen die iets nodig hebben.’ ‘Gemeente is slecht bereikbaar, weinig openingstijden.’ ‘Ik ben tevreden over het contact met de gemeente.’ ‘Ik heb geen vaste consulent bij de gemeente. Dan kan ik moeilijk in contact komen.’ ‘Ik houd media in de gaten omtrent regelingen en zoek dingen op internet en bel gemeente voor verdere info.’ ‘Ik kom vaak bij het Budgetcafé.’ ‘Ik kwam er heel laat achter dat je éénmalige energietoeslag kon aanvragen. Ik zat er een paar euro per week boven dus werd afgewezen. Dan word je zo van het kastje naar de muur gestuurd en ontmoedigd.’ ‘Ik zou niet weten bij wie ik moet zijn.’ ‘Ja, landelijke regelingen goed vindbaar, gemeentelijke regelingen onbekend. Geen contactpunt bekend bij gemeente.’ ‘Ik weet van de regelingen af door andere mensen, niet door de medewerkers van de gemeente.’ ‘Je moet zelf achter de juiste regeling zien te komen.’ ‘Meestal benader ik iemand per mail.

Ik vind het dan fijn dat je een bevestiging krijgt dat de mail ontvangen is en doorgestuurd wordt naar de juiste afdeling.’ ‘Mijn re-integratiecoach houdt mij op de hoogte. Mijn inkomensconsulent is vier keer veranderd en ken de nieuwe niet.’ ‘Mensen zijn van goede wil, maar kunnen niet meer dan ze kunnen.’ ‘Ik ga ervan uit dat de medewerkers hun werk goed en graag doen.’ ‘Ooit geprobeerd maar dan word je werkelijk van het kastje naar de muur gestuurd.’ ‘Sommige beltijden te kort dat je kunt bellen, zoals Dorpsteam 9.00 tot 10.30 uur.’ ‘Regelingen zijn nu in elke gemeente anders, per situatie verschillend bij mensen.’ ‘Tevreden over de uitleg en bereikbaarheid.’

23

ABG-organisatie

Versie 0.1

6. Tips en adviezen van respondenten Aan het eind van de vragenlijst kregen respondenten de gelegenheid om aan te geven wat beter kan voor inwoners met geldzorgen binnen de ABG-gemeenten, en hoe zij dat zouden aanpakken. In totaal hebben 157 respondenten (37 procent) tips en adviezen gegeven. De tips en adviezen zijn onder te verdelen in vijf categorieën. Per antwoordcategorie worden in onderstaand kader enkele quotes van respondenten weergegeven. Aanvullende ondersteuningsbehoefte De meeste respondenten benutten de toelichtingsruimte om een aanvullende ondersteuningsbehoefte aan te geven (38 respondenten). Zo wordt benoemd dat de kosten voor levensonderhoud hoog zijn (en zijn gestegen) en dat respondenten het liefst zouden zien dat de bijstandsuitkering en landelijke toeslagen zouden stijgen. Verder benoemen respondenten dat ze een hogere inkomensgrens of meer ondersteuning wenselijk zouden vinden (reiskosten, sport).

‘Bij sommige verenigingen of clubs is het lidmaatschap echt zo duur voor hetgeen je ervoor krijgt dat je dan wel even nadenkt. Ook zijn vaak de regelementen onrechtvaardig.’ ‘AOW omhoog.’ ‘Belastingnormering van gemeentelijke belastingen opnieuw bijstellen.’ ‘Huurverlaging en kosten nog meer dekken.’ ‘Iets aan de energiekosten doen. Via energie collectief? Samen een windmolenparkje aanschaffen? Warmtepompen goedkoper inkomen en installeren via collectief?’ ‘Individuele inkomenstoeslag verhogen.’ ‘Meer aandacht voor ouderen boven de 85 jaar.’ ‘Kosten van het levensonderhoud blijven stijgen. De lonen gaan niet mee.’ ‘Meer tegemoetkomingen.’ ‘Minimumloon verhogen.’ ‘Reiskostenvergoeding, dan kunnen mijn kinderen nar school en ik naar de inburgering gaan, nu kost dit mij erg veel geld!’ ‘Uitkering moet hoger als gevolg van alle prijsstijgingen.’ ‘Af en toe een steuntje in de rug geven zoals energietoeslag, die ik in Tilburg wel had gekregen met mijn inkomen maar in Gilze Rijen niet.’

24

ABG-organisatie

Versie 0.1

Informatievoorziening Respondenten benoemen dat ze behoefte hebben aan informatie die laagdrempelig, eenvoudig en toegankelijk is (28 respondenten). Het is voor inwoners niet altijd duidelijk welke regelingen beschikbaar zijn en of zij daar aanspraak op maken. Een duidelijk overzicht dat proactief verstrekt wordt door de gemeenten zou hen daarbij helpen.

‘Betere informatie over waar ze recht op hebben.’ ‘Betere voorlichting. Niet iedereen heeft internet.’ ‘Betere voorlichting (in een vroeg stadium) over hoe met geld om te gaan. Leer de mensen eens sparen als ze nog productief zijn en laat mensen inzien dat als ze werken meer geld te besteden hebben.’ ‘Hulp beter zichtbaar maken.’ ‘Het laagdrempeliger maken zoals informatie delen op sociale media met links erbij.’ ‘Meer duidelijkheid over wat de mogelijkheden zijn. Er blijft geld liggen waar je recht op hebt, maar wat je misloopt door onwetendheid.’ ‘Dat sociale dienst mensen meer wegwijs maken waar je voor toeslagen en zo terecht kan. En dat ze je vertellen hoe of wat.’ ‘De gemeente moet zelf actiever op zoek naar mensen met financiële problemen (zorgplicht!).’ ‘Duidelijke uitleg op de website van de gemeente.’ ‘Eén jaarlijkse folder met uitleg/adviezen.’ ‘Een lijst opstellen van de verschillende toeslagen die mensen met een laag inkomen kunnen krijgen. En het zou fijn zijn dat je de bedragen niet voor hoeft schieten.

Het is top dat er regelingen zijn, maar ze zijn te omslachtig.’ ‘Hulp beter zichtbaar maken.’ ‘Ik vind het heel moeilijk om te laten weten dat ik geldzorgen heb en zou niet weten hoe en wie ik moet vragen.’ ‘Informatie over regelingen (niet alleen online), houd eens een inloopspreekuur, laagdrempelig contact.’ ‘Regelmatig (eens per maand?) alle beschikbare regelingen (met summiere uitleg?) vermelden in het lokale weekblad.’

25

ABG-organisatie

Versie 0.1

Maatwerk Daarnaast geven 15 respondenten aan dat ze behoefte hebben aan maatwerk. Bijvoorbeeld dat er aandacht is voor de persoonlijke situatie van inwoners en dat er extra hulp wordt geboden wanneer nodig. Daarnaast geven meerdere respondenten aan dat zij of anderen niet in aanmerking komen voor gemeentelijke ondersteuning omdat ze (net) boven de inkomensgrens zitten, maar wel behoefte hebben aan financiële ondersteuning.

‘Betere zorg op maat, dus kijken wat iemand nog heeft, Nu wordt gekeken of je voldoet aan de regels waaraan iemand moet voldoen om iets te krijgen en dat werkt niet!’ ‘Bewoners hebben vaak schaamte problemen. Trek ze over die streep en geef ze voldoende uitleg dat het er is en waar ze aan moeten kloppen voor hulp hierin.’ ‘Luisteren naar wat de omgeving over hen uitspreekt. Bezoek deze groep. Veel mensen willen er niet voor uitkomen.’ ‘Meer begrip, meer steun en denken in oplossingen en niet alleen in regels. Denk menselijk en meelevend!’ ‘Ervoor zorgen dat als het inkomen iets hoger is, mensen toch rechten hebben op minimumregelingen, omdat het inkomen niet heel veel hoger is. En je dus nog steeds niet goed kunt rondkomen.’ ‘Extra hulp bieden voor inwoners met geldzorgen.’ ‘Grens voor ondersteuning verhogen, 3 jaar grens verlagen. Meer geld voor armoedebeleid.’ ‘Goed luisteren. Ik wil graag studeren en krijg geen enkele kans. Ik heb een medisch probleem. Ik wil heel graag maar wordt in alles tegengehouden.’ ‘Kijk eens naar het totaalplaatje bij mensen. Jullie hanteren een inkomensgrens, maar er kan zoveel meer spelen: zorgen, veranderen thuis, iemands gezondheid en daardoor beperkingen met werk, schulden, enz.’ ‘Meedenken zoals bij de energietoeslag.

€40 te veel aan uitkering betekent €0 toeslag, er zou een middenweg moeten zijn.’ ‘Meer begrip.’ ‘Mensen die net boven de inkomensgrens komen ook tegemoetkomen net als onder de grens.’ ‘Start bij kinderen/jongeren met financiële opvoeding, eventueel via school. Door mijn opvoeding kan ik altijd rondkomen, maar veel mensen starten met een achterstand doordat hun ouders al schulden hebben.’

26

ABG-organisatie

Versie 0.1

Communicatie In totaal benoemen 12 respondenten het belang van een persoonlijke benadering in de communicatie tussen de gemeenten en haar inwoners. Zij geven aan dat ze open contact en behulpzaamheid van de medewerkers belangrijk vinden. Ook bredere beschikbaarheidstijden of openingstijden worden wenselijk gevonden.

‘Beter en opener communiceren. De fusie ABG functioneert niet. Ieder zijn eigen gemeente!’ ‘Betere communicatie over de mogelijkheden.’ ‘Bereikbaarheid van de ambtenaren in het algemeen en meer persoonlijk contact.’ ‘Behulpzamer bij het zoeken en aandragen van de regelingen.’ ‘Dat er af en toe eens iemand langskomt om te vragen hoe het gaat en wat eraan te doen is.’ ‘Een contactpersoon op de website van gemeente Gilze en Rijen plaatsen.’ ‘Er moet meer informatie in verschillende talen worden verstrekt. Er zouden ook mensen die verschillende talen spreken bij de gemeenten moeten werken.’ ‘Meer persoonlijke benadering.’ ‘Persoonlijk contact. Benader mensen via hun eigen verenigingen.’

Aanvraagprocedure Tot slot benoemen respondenten hun behoefte aan een toegankelijke en duidelijke aanvraagprocedure voor de gemeentelijke regelingen (9 respondenten). Zij noemen verschillende suggesties zoals een inloopspreekuur, één aanvraagloket en een samenwerking van de gemeente en verschillende organisaties.

‘Eén loket voor alle aanvragen voor ondersteuning en duidelijkheid of je in aanmerking komt voor een regeling, vóórdat je je hele hebben en houden hebt moeten overhandigen.’ ‘Centraal persoon die mensen adviseert, zoals voormalig Wmo consulent.’ ‘Het aanvragen van bijzondere bijstand of andere regelingen is omslachtig, en soms voor niets. De teleurstelling is dan groot.’ ‘Het aanvragen van alle mogelijkheden is te bewerkelijk en ingewikkeld.’ ‘Ik vind het heel moeilijk om te laten weten dat ik geldzorgen heb en zou niet weten hoe en wie ik moet vragen.’ ‘Gemeente zelf kwetsbare mensen/laag inkomen benaderen en helpen bij het aanvragen van regelingen. Zoveel als kan via één loket en sneller afhandelen. Ik zie hierin problemen bij mensen in mijn omgeving.’ ‘Inloop van meerdere organisaties samen. Hulp zonder kastje naar de muur gevoel.’ ‘Organiseer vaste dagen in de maand in De Schakel en laat medewerkers van de gemeente ter plaatse alles in orde maken voor deze mensen. Niet wegsturen met informatie die niet begrepen of onthouden 27 wordt, maar los het ter plaatse op. Regel direct alle regelingen die er bestaan.’

ABG-organisatie

Versie 0.1

Bijlage 1. Kenmerken respondenten In deze bijlage geven we een aantal kenmerken van de respondenten van de enquête weer. Leeftijd en woonsituatie De helft van de respondenten zit in de leeftijdscategorie van 67 en ouder en een derde is tussen de 46 en 66 jaar. Verder is de meerderheid alleenstaand (59 procent), een kwart samenwonend zonder kinderen en vormt 14 procent een huishouden met kinderen (9 procent eenoudergezin, 5 procent tweeoudergezin). Bij ‘anders, namelijk’ noemen respondenten dat zij pleeg- of coouderschap voeren. Figuur B.1.1. Leeftijd (n = 418) en woonsituatie (n = 419)

Leeftijd

Huishoudsamenstelling

18 t/m 26 jaar

27 t/m 45 jaar

46 t/m 66 jaar

67 jaar of ouder

Ik woon alleen Alleenstaand met thuiswonende kinderen Samenwonend/gehuwd

0%

Samenwonend/gehuwd met thuiswonende kinderen Anders, namelijk: 2%

12%

5% 53%

35%

25% 59% 9%

Een tiende van de respondenten heeft thuiswonende kinderen tot 18 jaar In totaal geven 47 respondenten aan dat zij thuiswonende kinderen hebben. Figuur B.1.2. Thuiswonende kinderen (n = 404)

Heeft u thuiswonende kinderen die jonger zijn dan 18 jaar? Ja

Nee

12%

88%

28

ABG-organisatie

Versie 0.1

Zes op de tien respondenten woont in een huurwoning van de woningbouw In totaal woont 70 procent van de respondenten in een huurwoning, waarvan de meesten in een huurhuis van de woningbouw wonen. Verder heeft een kwart een koophuis. Bij ‘anders, namelijk’ geven respondenten aan dat ze in een zorgcentrum, chalet of stacaravan (vakantiepark) wonen. Figuur B.1.3. Woonsituatie (n = 415)

Woonsituatie Huurhuis van de woningbouw Huurhuis van een particuliere verhuurder Koophuis Anders 5% 25% 62% 8%

Inkomenssituatie De helft van de respondenten ontvangt een AOW-uitkering of pensioen als belangrijkste inkomstenbron. Een kwart van de respondenten ontvangt een uitkering. Verder heeft één op de tien respondenten loon uit betaalde arbeid, veelal uit een baan in loondienst. Bij ‘anders, namelijk’ geven respondenten meermaals aan dat ze een uitkering ontvangen én loon uit werk ontvangen of een WIA- of WAO-uitkering krijgen. Driekwart van de respondenten heeft een netto-inkomen tot € 1.800 per maand. Een tiende van de respondenten zit daar net boven met een netto-inkomen van € 1.800 tot €2.000 per maand. Figuur B.1.4. Belangrijkste inkomstenbron (n = 408) en netto-inkomen (n = 387)

Inkomstenbron

Netto-inkomen per maand

Loon uit werk

Loon uit eigen onderneming

Tot €1.800 per maand

€1.800 tot €2.000 per maand

Uitkering

AOW en/of pensioen

€2.000 tot €2.500 per maand

€2.500 tot €3.000 per maand

Dit zeg ik liever niet

Anders

Hoger dan €3.000 per maand 1% 0% 3% 9%

Dit zeg ik liever niet

1% 9%

1% 12%

11% 25% 76%

52%

29

ABG-organisatie

Versie 0.1

Bijlage 2: Uitsplitsingen naar woongemeente In deze bijlage worden enkele uitsplitsingen naar de verschillende gemeenten van de ABG-organisatie gemaakt. Uitsplitsing naar woongemeente De meeste respondenten wonen in de gemeente Gilze en Rijen (59 procent). Een vijfde van de respondenten woont in Alphen-Chaam (20 procent) of Baarle-Nassau (21 procent). Dit sluit verhoudingsgewijs aan bij de inwonersaantallen per gemeente. Figuur B.2.1 Uitsplitsing respondenten naar woongemeente (n = 425) 13

Woongemeente Alphen-Chaam

Baarle-Nassau

Gilze en Rijen

Onbekend

0% 20%

21%

59%

Uitsplitsing naar kernen Niet alle respondenten hebben aangegeven in welke kern zij woonachtig zijn. In onderstaande cirkeldiagrammen wordt de verdeling naar woonkernen weergegeven voor zover bekend. Figuur B.2.2 Woonkernen Alphen-Chaam (n = 83)

Kernen Alphen-Chaam Kern Alphen

Kern Chaam

Overige kernen

Onbekend

21% 34% 9%

36%

13 Van 1 respondent is de woongemeente onbekend.

30

ABG-organisatie

Versie 0.1

Figuur B.2.3 Woonkernen Baarle-Nassau (n = 85)

Kernen Baarle-Nassau Kern Baarle-Nassau

Overige kernen

38%

Onbekend

42%

20%

Figuur B.2.4 Woonkernen Gilze en Rijen (n = 246)

Kernen Gilze en Rijen Kern Gilze

Kern Rijen

Overige kernen

Onbekend

16% 24% 5%

55%

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13074902/1