CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 nieuw - Bestemmingsplan - toelichting en bijlagen

Gemeenteraad 23 september 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Nieuwstraat 20 Gilze26.562 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

EFFECTEN EN AANBEVELINGEN VLEERMUIZEN .................................................................................14 6. NATUURINCLUSIEF HERINRICHTEN ........................................................................................... 15 LITERATUUR ................................................................................................................................... 16 BIJLAGE I ........................................................................................................................................ 17 FF WAARNEMINGEN ..............................................................................................................................17 BIJLAGE II ....................................................................................................................................... 18 RESULTATEN NDFF ................................................................................................................................18 BIJLAGE III ......................................................................................................................................

22 JAARROND BESCHERMDE NESTEN ..............................................................................................................22 BIJLAGE IV ...................................................................................................................................... 24 VRIJGESTELDE SOORTEN...........................................................................................................................24

1. INLEIDING 1.1. AANLEIDING In het kader van de voorgenomen nieuwbouw ontwikkeling aan de Nieuwstraat 20, Gilze is door Van Dun Advies BV verzocht een Flora en Fauna quickscan uit te voeren. De Flora en Fauna quickscan heeft als doel de effecten van de ontwikkeling inzichtelijk te maken in het kader van de Wet Natuurbescherming (voorts Wnb). Volgens nationale- en internationale regelgeving is het verplicht om voorafgaand aan deze ingreep onderzoek te doen naar de effecten op beschermde gebieden; Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het eventuele voorkomen van beschermde flora en fauna. Tevens is het volgens nationale regelgeving in sommige gevallen verplicht om melding te doen van het kappen van houtopstanden. In de huidige situatie is het niet uit te sluiten dat in het gebied standplaats(en)/leefgebied(en) en/of rust- en verblijfplaats(en) van verschillende beschermde soorten flora en fauna voorkomen. Het voorliggende rapport geeft een eerste inschatting van de effecten op beschermde gebieden, van het potentieel voorkomen van beschermde flora en fauna en de effecten van de ingreep op deze soorten. Om inzichtelijk te krijgen of ontheffing nodig is - in het kader van Wnb - is het noodzakelijk om te weten of beschermde dieren en/of planten (kunnen) voorkomen. Indien aan- of afwezigheid niet afdoende kan worden aangetoond is nader onderzoek nodig.

Afbeelding 1: Het projectgebied en nabijgelegen natuur (NNB en Natura 2000).

1.2. HUIDIGE SITUATIE Het plangebied bevindt zich in het dorp Gilze, in gemeente Gilze-Rijen. Het plangebied is gelegen in het centrum van Gilze en betreft zich onderdeel van de achtertuin van het perceel van Nieuwstraat 20. Het plangebied kenmerkt zich door het parkachtige uiterlijk van het grasveld, de aanwezige diversiteit aan bomen en de naastgelegen groenstrook. Binnen het plangebied staan o.a. zomereiken, walnootbomen, berken, beuken, Japanse sierkersen en een grote diversiteit aan kleine fruitbomen (appels, peren en kersen). Daarbij staat dicht op het plangebied een monumentale boom, namelijk een zwarte moerbei. Binnen de groenstrook zijn meerdere takkenrillen en ruige ondergroei gevonden. Momenteel vindt een nieuwbouwontwikkeling plaats

1 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

rondom het plangebied, de bestrating in de directe omgeving van het plangebied bestaat uit klinkerverharding en daarbij zijn in de omgeving huizen met dakkappelen en dakpandaken aanwezig. 1.3. BEOOGDE ONTWIKKELING Van Dun Advies BV is voornemens om zich drie nieuwbouw huizen te realiseren, de gehele ontwikkeling vindt plaats in de (particuliere) achtertuin, waar zich nu de (fruit)bomen en de groenstrook bevinden. Als gevolg van de ontwikkeling zullen enkele bomen en/of delen van de groenstrook verloren gaan. 1.4. DOEL EN ONDERZOEKSVRAGEN In het voorliggende rapport worden de resultaten beschreven van de flora en fauna quickscan. De quickscan betreft een inventarisatie van reeds bekende, wettelijk beschermde natuurwaarden, een beoordeling van potentie voor aanwezigheid van beschermde soorten en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op de natuurwaarden. Het resultaat van de quickscan bestaat uit een conclusie met betrekking tot de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten, de noodzaak tot aanvullend ecologisch onderzoek en de noodzaak voor nadere procedures in het kader van ontheffing of vergunningverlening. De volgende onderzoeksvragen zijn van toepassing: ▪

▪

Welke in het kader van de Wnb beschermde soorten (en/of vaste rust- en verblijfplaatsen) komen voor binnen de invloedssfeer van de ruimtelijke ontwikkeling? Zijn er negatieve effecten te verwachten op de vastgestelde soorten als gevolg van de ontwikkeling en worden daarbij verbodsbepalingen overtreden? Kan het plan doorgang vinden of zijn er vervolgstappen danwel aanvullende voorwaarden vereist om de ontwikkeling doorgang te kunnen geven? Komen binnen de invloedsfeer van het plangebied beschermde natuurgebieden voor? Zo ja, zijn er negatieve effecten te verwachten op de natuurwaarden? Dienen vervolgstappen in de vorm van een compensatieplan opgesteld te worden of zijn andere vervolgstappen vereist?

1.5 NABIJGELEGEN NATUUR Het projectgebied ligt op ca. 1 km afstand van het dichtstbijzijnde NNN-gebied, met beheertype N16.03 Droog bos met productie (zie, Afbeelding 1). Dit wordt gevolgd door het NNN-gebied met hetzelfde beheertype op ca. 1,2 km en het NNN-gebied het beheertype N05.04 Dynamisch moeras op ca. 1,5 km afstand. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreft de Regte Heide & Riels Laag en is op ca. 6,3km van de ontwikkeling gelegen. Het gebied kenmerkt zich door droge en vochtige heide, moerassige laagten, loof- en naaldbossen en zure en zwak gebufferde vennen. Verder bevindt zich op ca. 8,2 km afstand uit het plangebied Natura 2000 gebied het Ulvenhoutse Bos. Dit betreft een klein beekbegeleidend bos met hoge grondwaterstanden. Delen van het gebied betreffen droge tot vochtige zandgronden en andere onderdelen betreffen natte leem- en veengronden. Beide Natura 2000 gebieden zijn stikstofgevoelig. Door de relatief korte afstand tussen de Natura 2000 gebieden en de ontwikkeling zijn negatieve effecten door toedoen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet uitgesloten. Om negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie uit te sluiten, moet voorafgaand aan de werkzaamheden een AERIUS calculatie uitgevoerd worden.

Gezien de afstand tot de Natura 2000 gebieden kunnen overige negatieve effecten hierop als gevolg van geluid, trillingen en belichting uitgesloten worden. Om dezelfde redenen kunnen negatieve effecten op de kenmerken en kwaliteit van NNN-gebieden uitgesloten worden. 1.6 LEESWIJZER Hoofdstuk 2 beschrijft het wettelijke toetsingskader, de geldende beschermingsregimes en wettelijke bepalingen. In hoofdstuk 3 worden gehanteerde methodes beschreven voor de uitgevoerde inventarisatie. Hoofdstuk 4 beschrijft de resultaten van het literatuur- en veldonderzoek en de mogelijke effecten van de ontwikkeling op de natuurwaarde. Hoofdstuk 4 is onderverdeeld per soortgroep: vaatplanten, vogels, vleermuizen, overige zoogdieren, amfibieën, reptielen en vissen en ongewervelde. In hoofdstuk 5 worden de conclusies behandeld en soort gebonden adviezen gegeven. Tevens wordt een aanbeveling gegeven met betrekking tot eventuele nader onderzoeken, de noodzaak tot ontheffing en mitigerende en/of compenserende maatregelen. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 een vrijblijvend advies gegeven over natuur inclusief bouwen/herinrichten.

2 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

2 TOETSINGSKADER 2.5 BESCHERMING VAN SOORTEN In Nederland is de bescherming van natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden en houtopstanden. De Wnb kent drie beschermingsregimes waarin de verbodsbepalingen voor de bescherming van in het wildlevende dier- en plantsoorten zijn opgenomen. Hieronder volgt een overzicht van de verbodsbepalingen zoals beschreven in artikel 3.1, 3.5 en 3.10.

Artikel 3.1 Beschermingsregime vogelrichtlijn soorten 1. 2.

3. 4.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Artikel 3.5 Beschermingsregime habitatrichtlijn soorten 1.

2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten 1.

2.

3.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c.

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis

3 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

2.1.1. VOGELRICHTLIJN Het verbod op opzettelijk verstoren vogels is alleen geldig wanneer er sprake is van een “wezenlijke invloed” op de gunstige staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Er kan sprake zijn van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding bij verstoring door projecten in het broedseizoen. Hierbij kan verstoring leiden tot aantasting van de functionaliteit van nesten en/of het doden van dieren. In dit kader kan er sprake zijn van overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2. Enkele vogelsoorten gebruiken jaarlijks hetzelfde nest of maken jaarrond gebruik van de nestlocatie. Deze vogelsoorten zijn ingedeeld in vijf categorieën, zie Bijlage III. 2.1.2. HABITATRICHTLIJN In de habitatrichtlijn worden enkele vogelsoorten benoemd uit de verdragen van Bern en Bonn. In dit kader is het verstoren van deze vogelsoorten verboden, ongeacht of er sprake is van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 2.1.3. ANDERE SOORTEN Onder het beschermingsregime andere soorten vallen enkele soorten waarvoor geen Europese verplichting tot bescherming bestaat. Dit betreft enkel nationaal beschermde soorten. Voor een aantal algemeen voorkomende nationaal beschermde soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 voor bestendig beheer, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkelingen.

Onder de vrijstelling worden projecten toegestaan die de verbodsbepalingen onder artikel 3.10 overtreden, ook zonder ontheffing. In alle gevallen geldt de zorglicht. De lijst vrijgestelde soorten is per provincie verschillend, zie Bijlage . Voor een overzicht van alle beschermde soorten wordt verwezen naar de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2.2. ONTHEFFING De verbodsbepalingen uit de beschermingsregimes gaan uit van het “nee, tenzij-principe”. In dit kader zijn de verbodsbepalingen in de Wnb voor gebieden, soorten en houtopstanden van kracht in heel Nederland. Het afwijken van verbodsbepalingen onder Wnb is enkel toegestaan onder voorwaarden. Toestemming voor het afwijken van verbodsbepalingen onder Wnb wordt verleend door de Minister van Economische zaken of Gedeputeerde Staten van de provincie (bevoegd gezag). Het bevoegd gezag verleend toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Daarnaast kan een vrijstelling gelden mits er gewerkt wordt conform een goedgekeurde gedragscode, die van toepassing is op de activiteit.

Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: ▪ Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; ▪ Er wordt voldaan aan geldige wettelijke belangen; én - Artikel 3.3. lid 4 onderdeel b voor vogelrichtlijn soorten; - Artikel 3.8., lid 5, onderdeel b voor habitatrichtlijn soorten; - Artikel 3.10 lid 2 voor “andere soorten” voor het beschermingsregime “andere soorten” soorten is het voldoende als er voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang. ▪ Er is geen sprake van een wezenlijk effect op de gunstige staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Bij het toepassen van afwijkende mitigerende maatregelen, te weten mitigerende maatregelen die niet beschreven zijn in een BIJ12 kennisdocument, verdient het aanbeveling alsnog ontheffing aan te vragen. Indien het bevoegd gezag de voorgestelde mitigerende maatregelen goedkeurt, wordt door een “positieve afwijzing” afgegeven.

Voor de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een quickscan en/of soortgericht onderzoek, activiteitenplan en, indien relevant, een compensatieplan noodzakelijk. In het activiteitenplan en een compensatieplan staan de bevindingen uit de quickscan en het soortgericht onderzoek vermeld en worden mitigerende maatregelen beschreven die uitgevoerd worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken.

4 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

2.3. BESCHERMING VAN NATURA 2000-GEBIEDEN De Europese lidstaten hebben de verplichting om beschermingszones aan te wijzen. Deze beschermingszones worden toegewezen in het kader van de Europese vogelrichtlijn en/of habitatrichtlijn. Deze beschermingszones worden gevormd door de Natura 2000-gebieden. Ieder Natura 2000-gebied heeft specifieke instandhoudingsdoelstellingen in het kader van de Vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn, dit betreft: ▪ De leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of; ▪ De natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. In het kader van de Wnb geldt een verbod op elk project binnen, of in de invloedssfeer van een Natura 2000gebied die: ▪ de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of; ▪ een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen Activiteiten die een wezenlijk effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden hebben kunnen alleen doorgang vinden wanneer bevoegd gezag hiervoor een vergunning verleend. 2.4. BESCHERMING VAN NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft natuurgebieden en gebieden die zijn aangewezen als ecologische verbindingszones tussen natuurgebieden.

De kenmerken en waarde van het NNN mogen, als gevolg van een projecten, niet wezenlijk worden aangetast. Voor projecten moeten alle mogelijke effecten op de kenmerken en waarde van NNN-gebieden getoetst worden. 2.5. BESCHERMING VAN HOUTOPSTANDEN Houtopstanden kunnen onder de Wnb vallen wanneer een houtopstand een oppervlakte belslaat van 10 are (0,1ha) of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Volgens artikel 4.2 vallen onderstaande houtopstanden buiten de bescherming houtopstanden: ▪ houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden; ▪ houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden; ▪ naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed; ▪ uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; ▪ het dunnen van een houtopstand; ▪ uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: - ten minste eens per tien jaar worden geoogst; - bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; - zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Het verboden is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te kappen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen. 2.6. ZORGPLICHT Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.

5 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

3.

METHODE

3.1. VOORONDERZOEK Alvorens de QuickScan uit te voeren is vooronderzoek gedaan, het vooronderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van relevante informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten. Het vooronderzoek maakt gebruik van ondersteunende gegevens uit de NDFF (Nationale Databank Flora- en Fauna) via de applicatie QuickScanHulp (<3jaar), Waarneming.nl(<5jaar), Nederlands Soortenregister en soortverspreidingsatlassen van o.a. SOVON, RAVON en de Zoogdiervereniging. In Bijlage II zijn de resultaten te vinden van de QuickScanHulp als een overzicht van de gevonden soorten in een straal van 50 kilometer rond het plangebied. 3.2. VELDONDERZOEK Tijdens het veldonderzoek wordt op basis van voorkomende biotoop en ecologische kennis een inschatting gemaakt van de te verwachte soorten en de soorten die op voorhand uit te sluiten zijn. Bij het bepalen van de mogelijke effecten wordt rekening gehouden met de aard van de ingreep en de gevoeligheid van de soorten. Geschiktheid van potentiële vleermuis verblijven, foerageergebieden en vliegroutes worden bepaald aan de hand van de checklist Vleermuisprotocol 2021. Veldwaarnemingen zijn direct verwerkt in het NDFFinvoerportaal. Een overzicht van de weersomstandigheden tijdens het veldwerkbezoek is in Tabel 1 te vinden. Datum bezoek: 20-10-2021

Aanvang bezoek

Temperatuur

Wind

Bewolking

Neerslag

14:00

17°C

NO 21 km/u

Overwegend bewolkt

Droog

Tabel 1: Kenmerken veldbezoek.

6 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

4.

RESULTATEN EN EFFECTBEOORDELING

Bijlage II geeft een overzicht van de gebruikte NDFF-gegevens, in Bijlage III is een overzicht te vinden van de jaar rond beschermde verblijfplaatsen van vogels en de respectievelijke beschermingsregimes en in Bijlage IV is een overzicht van de vrijgestelde soorten voor Noord-Brabant te vinden.

Afbeelding 2: Overzicht waarnemingen flora en fauna

Biotoop

Ingreep

Wezenlijke invloed soorten

(Fruit)bomen

Vellen

Hagen en groenstroken

(mogelijk) verwijderen Geen ingreep Geen ingreep

Vleermuizen (Vm) foerageergebied en vliegroutes, Broedvogels (Vnl), Vnlcategorie 5, ongewervelden (vlinders) (OW-V) Vm foerageergebied en vliegroutes, Egels-overige zoogdieren(E-oZ), Kleine marters (KM-oZ) en Steenmarter (SM-oZ), Hm functionele leefomgeving Hm functionele leefomgeving Vm, Hm, Gierzwaluw, Vnl-categorie 5

Verharding/Parkeervakken Bebouwing met dakpannen/ dakkappellen Tabel 2: Overzicht met aangetroffen biotopen en de wezenlijke invloed (W.Z.I.) op de te verwachte soorten als gevolg van de ingreep. Wanneer er geen ingreep is geeft de W.Z.I. een indruk van de te verwachten beschermde soorten.

4.2. VAATPLANTEN 4.2.1. VOORONDERZOEK Uit NDFF gegevens blijken in een straal van 1 km rondom het plangebied geen waarnemingen gedaan te zijn van beschermde vaatplanten. Verspreidingsgegevens duiden verder op de mogelijke aanwezigheid van dreps (1). 4.2.2. VELDONDERZOEK Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Het grasveld wordt relatief intensief beheerd en de dichte groenstrook vormt geen geschikte groeiplaats voor dreps door zijn dichte structuren en de weinig doorschijn van zon. In dit kader kan de aanwezigheid van wettelijk beschermde vaatplanten worden uitgesloten.

7 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

4.2.3. EFFECTBEOORDELING Binnen het plangebied worden geen geschikte standplaatsen aangetroffen voor wettelijk beschermde planten soorten, negatieve effecten zijn uitgesloten. 4.3. VOGELS Verblijfplaatsen die jaarlijks opnieuw (of jaarrond) in gebruik zijn door vogels zijn beschermd onder de Wnb, alsook alle bezette vogelnesten. Deze wettelijk beschermde status is ook van kracht in relatie tot de functionele leefomgeving van vogelsoorten. Tijdens de Quickscan wordt het plangebied op de aanwezigheid van vaste rust,- broed,- of verblijfplaatsen van vogels onderzocht. 4.3.1. VOORONDERZOEK Volgens de NDFF-gegevens en verspreidingsgegevens van SOVON zijn verschillende vogelsoorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen binnen het plangebied te verwachten. Dit betreft buizerd, gierzwaluw, huismus, kerkuil, roek, slechtvalk en sperwer. Daarnaast is de aanwezigheid van soorten die in de wijdere omgeving voorkomen niet op voorhand uit te sluiten, dit betreft boomvalk, grote gele kwikstaart, havik, ooievaar, ransuil, steenuil, wespendief en algemeen voorkomende soorten. 4.3.2. VELDONDERZOEK Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen in de bomen binnen de invloedssfeer van de ontwikkeling.

Echter door het slechte overzicht over de stam van enkele bomen door de dichte klimop en het dichte bladerdek in de groenstrook, kunnen aanwezige nesten mogelijk gemist zijn tijdens de observatie. De aanwezigheid van nesten is om deze reden niet uit te sluiten. De open structuur van het grasveld en de mate van verstoring door o.a. ontwikkelingen in de directe omgeving van het plangebied biedt geen geschikt habitat voor uilen/roofvogels. Mede zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen binnen de invloedssferen van het project, om deze reden kan de aanwezigheid van uilen/roofvogels worden uitgesloten binnen de invloedssferen van de ontwikkeling. In de directe omgeving van het plangebied zijn potentieel geschikte verblijfplaatsen voor gierzwaluw en huismussen aanwezig. In de regel zijn verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw ook geschikt voor spreeuwen. Ook is het plangebied en de directe omgeving ervan een potentieel geschikt foerageergebied en functioneel leefgebied voor de huismus, o.a. in de vorm van voor- en/of achtertuinen. Het gebruik van het plangebied door deze soorten als foerageergebied en functioneel leefgebied kan niet worden uitgesloten. Van de overige soorten: grote gele kwikstaart, ooievaar en roek ontbreekt een geschikt broedbiotoop binnen de grenzen van het plangebied.

Op basis hiervan kan aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van deze soorten op voorhand worden uitgesloten. 4.3.3. EFFECTBEOORDELING Als gevolg van de ontwikkeling zijn geen negatieve effecten te verwachten op jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, huismus en spreeuwen (cat-5). Er wordt immers geen ruimtelijk beslag op de potentiële verblijfplaatsen gelegd. De aanwezigheid van roofvogels/uilen binnen het plangebied en de directe omgeving is op voorhand uitgesloten, in dit kader zijn geen negatieve effecten te verwachten. De aanwezigheid van huismussen binnen de grenzen van het plangebied is niet vastgesteld. Het plangebied vormt echter wel een potentieel geschikt foerageergebied voor huismussen, in de vorm van voor- en achtertuinen en de half open structuur van het plangebied. Dit foerageergebied is onderdeel van het functioneel leefgebied van huismus. Als gevolg van het verwijderen van een deel van de groenstrook en enkele andere bomen ten behoeve van de ontwikkeling, wordt hier tijdelijk beslag op gelegd en zijn negatieve effecten niet uitgesloten. Om het gebruik van het plangebied als functioneel leefgebied door huismus vast te stellen moet een soortgericht onderzoek hiernaar uitgevoerd worden. In de nieuwe situatie worden nieuwe groene voor- en/of achtertuinen gerealiseerd, wat nieuw functioneel leefgebied voor de huismus creëert.

Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen in de bomen, echter door het slecht overzicht door aanwezige klimop rondom de stam van een aantal bomen en het dichte bladerdek in de groenstrook is de aanwezigheid van (jaarrond beschermde) nesten niet volledig uit te sluiten. Het verwijderen van actieve nesten/nestbouw is in strijd met de Wnb. Om aanwezigheid van nesten binnen de bomengroep uit te sluiten moet buiten de bladhoudende periode een nestcontrole uitgevoerd worden. Wanneer hierbij jaarrond 8 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

beschermde nesten aangetroffen worden moet soortgericht onderzoek uitgevoerd worden naar de betreffende soorten. In het geval van niet jaarrond beschermde nesten kunnen de betreffende bomen buiten het broedseizoen (maart t/m augustus) verwijderd worden. Voorafgaand aan de kap dient een broedvogel inspectie te worden uitgevoerd om broedgevallen uit te sluiten, ook broedgevallen buiten het “reguliere” broedseizoen zijn wettelijk beschermd. In dit kader wordt een broedvogel inspectie altijd geadviseerd. 4.4. VLEERMUIZEN 4.4.1. VOORONDERZOEK Uit NDFF gegevens blijken binnen een straal van 1 km rondom het plangebied waarnemingen te zijn gedaan van gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Volgens verspreidingsgegevens (2) kunnen verder baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, kleine en ruige dwergvleermuis, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis hun verspreidingsgebied hebben in of nabij het plangebied. Alle in het wild levende vleermuizen zijn beschermd onder de Wnb-habitatrichtlijn art. 3.5. 4.4.2.

VELDONDERZOEK VERBLIJFPLAATSEN Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit een netwerk van verschillende vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Gedurende het jaar wordt van meerdere typen verblijfplaatsen gebruik gemaakt, namelijk zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. Een geschikte verblijfplaats kan meerdere type verblijfsfuncties vervullen. De soorten die uit het literatuuronderzoek naar voren zijn gekomen vallen zowel onder gebouwbewonende- als boombewonende vleermuizen. In de bomen binnen en rondom het projectgebied zijn geen spechtgaten, holtes, lengte scheuren en/of schorsplaten waargenomen. Echter is het mogelijk dat door de aanwezigheid van klimop rond de stam en het dichte bladerdek bij de groenstrook, potentieel aanwezige verblijfplaatsen niet waargenomen zijn. Daarbij kan de klimop op zichzelf ook fungeren als potentiële verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen kan om deze redenen niet worden uitgesloten, binnen de kaders van het plangebied. Dit betreft o.a. gewone en ruige dwergvleermuis. Kleine dwergvleermuis is door zijn grote zeldzaamheid uitgesloten binnen het plangebied. De bebouwing in de omliggende woonwijk beschikt over (oudere) dakpandaken en dakkapellen.

Hier kunnen gebouw bewonende vleermuizen gebruik van maken als verblijfplaatsen. Dit betreft o.a. gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. FOERAGEERGEBIEDEN EN VLIEGROUTES Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen, watergangen en luwte van groenstructuren als foerageergebieden en/of vliegroute en zijn afhankelijk van lijnvormige elementen voor de verbinding van het foerageergebied met verblijfplaatsen. De directe omgeving van het plangebied vormt een potentieel geschikt foerageergebied voor vleermuizen, in dit kader kan niet worden uitgesloten dat de (fruit)bomen, voor- en achtertuinen en de groenstrook deel uitmaken van een essentieel foerageergebied. 4.4.3. EFFECTBEOORDELING Negatieve effecten op (zomer- en paar)verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen zijn niet uitgesloten. Door het verminderde overzicht op de bomen kunnen mogelijke verblijfplaatsen onopgemerkt zijn gebleven, daarbij kan de klimop op zichzelf mogelijk fungeren als verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen. Hierom dient soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar potentiële verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. Op verblijfplaatsen van gebouw bewonende soorten wordt geen beslag gelegd, waardoor negatieve effecten op deze zijn uitgesloten. De aanwezigheid van essentiële foerageergebieden kan niet op voorhand worden uitgesloten.

Wanneer de aanwezige groenstrook, (fruit)bomen en voor- en achtertuinen niet gehandhaafd kunnen worden is soortgericht onderzoek naar essentiële foerageergebieden noodzakelijk. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden tijdens de actieve periode (half mei t/m oktober) van vleermuizen tijdens de uren tussen zonsondergang- en opgang dient rekening gehouden te worden met de verstorende 9 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

werking van licht. Negatieve effecten op verblijfplaatsen, vliegroutes en/of foerageergebieden zijn niet uit te sluiten wanneer licht uitstraalt op groenelementen en/of potentiële verblijfplaatsen. Ook bij het opstellen van het nieuwe verlichtingsplan dient hier rekening mee gehouden te worden. Daarbij moet rekening gehouden worden met de (potentieel) aanwezige in- en uitvliegroutes van en naar de bomen. De bomen moeten toegankelijk blijven gedurende de werkzaamheden en in de gebruiksfase, deze routes mogen niet verspert worden door hekken of bouwwerken e.d. 4.5. OVERIGE ZOOGDIEREN 4.5.1. VOORONDERZOEK Waarnemingen uit NDFF binnen een straal van 1 km rondom het projectgebied duiden op de aanwezigheid van de vrijgestelde soort de egel. Op grotere afstand (1-5 km) is het voorkomen bekend van de boommarter, bunzing, das, eekhoorn, steenmarter, wezel en de vrijgestelde soorten haas, konijn, ondergrondse woelmuis en rosse woelmuis. 4.5.2. VELDONDERZOEK Voor de steenmarter is een geschikt biotoop aanwezig, zijn voorkeur gaat namelijk uit naar parklandschappen, waarbij gebouwen in de omgeving aanwezig zijn. Binnen het plangebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen aangetroffen echter kan het gebied deel uitmaken van zijn leefgebied.

Binnen de groenstrook zijn bedekkende rommelige structuren aanwezig, welke als verblijfplaats kunnen dienen voor kleine marters, met name wezel en bunzing. De directe omgeving van het plangebied, de groenstrook en de achtertuinen vormen daarbij geschikte lijnvormige dekking biedende structuren, die essentieel zijn voor kleine marters. De aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied is om deze reden niet uit te sluiten. Het is niet uit te sluiten dat het projectgebied binnen leefgebied van eekhoorn valt, eekhoornnesten en vraatsporen zijn echter binnen de invloedssfeer van het plangebied niet aangetroffen. De aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied zijn om deze reden uitgesloten. Aanwezigheid van de vrijgestelde soorten egel, konijn en rosse- en ondergrondse woelmuis kunnen niet worden uitgesloten. Het plangebied met de groenstrook en de daarin dekkende structuren vormt een zeer geschikt leefgebied voor de egel. Het halfopen karakter van de groenstrook biedt een geschikt biotoop voor het konijn. Vraatsporen mogelijk afkomstig van de rosse- en ondergrondse woelmuizen zijn aangetroffen binnen de groenstrook, daarbij vormt de dichte groenstrook met vele lage begroeiing en de aanwezigheid van fruitbomen een zeer geschikt leef- en foerageergebied voor deze soort.

Aanwezigheid van algemene soorten zoals haas, bruine rat, huismuis en bosmuis zijn niet op voorhand uit te sluiten. De aanwezigheid van das kan op voorhand worden uitgesloten doordat er geen burchten zijn vastgesteld binnen de invloedssfeer van de ontwikkeling, daarbij mist ook een essentieel foerageergebied van de das binnen het plangebied. 4.5.3. EFFECTBEOORDELING Wanneer als gevolg van de ontwikkeling de groenstrook en/of de achtertuinen niet behouden kunnen blijven zijn negatieve effecten op steenmarter, kleine marters en egel niet uit te sluiten. De ontwikkeling heeft betrekking op een relatief klein areaal <1ha van het beschikbare leefgebied. In dit kader is soortgericht onderzoek naar het voorkomen van kleine marter en steenmarters niet noodzakelijk (3), mits gewerkt wordt conform de mitigerende maatregelen zoals beschreven in de handreiking kleine marters, Noord-Brabant. Voor de egel geldt dat deze soort is vrijgesteld van verbodsbepalingen, echter wordt geadviseerd om nadrukkelijk rekening te houden met de egel tijdens de ontwikkeling. De egel heeft enkele jaren te maken met een achteruitgang in aantalsontwikkeling. In dit kader wordt geadviseerd het zorgvuldig handelen ten aanzien van egels te borgen in een ecologisch werkprotocol en werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periode (oktober t/m mei) van deze soort.

Tevens verdient het aanbeveling om tijdens de herinrichting rekening te houden met de habitatseisen van de egel. Voor konijn en eekhoorn zijn geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van de ontwikkeling. Voor de rosse en ondergrondse woelmuis zijn negatieve effecten echter niet uit te sluiten wanneer de groenstrook (en fruitbomen) binnen het plangebied niet behouden kunnen worden. Deze soorten zijn vrijgesteld van verbodsbepalingen, echter dient het zorgvuldig handelen ten aanzien van deze soorten te worden geborgd in een ecologisch werkprotocol.

10 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

4.6. AMFIBIEËN, REPTIELEN EN VISSEN 4.6.1. VOORONDERZOEK Uit NDFF gegevens blijken in een straal van 1 km rondom het plangebied geen waarnemingen gedaan te zijn van beschermde amfibieën, reptielen en/of vissen. Verspreidingsgegevens duiden op mogelijk verspreidingsgebied van de grote modderkruiper, levendbarende hagedis en rugstreeppad. 4.6.2. VELDONDERZOEK Binnen het plangebied en de directe omgeving ervan is geen oppervlaktewater aangetroffen, welke kan dienen als geschikt leefgebied voor vissen. Aanwezigheid van de grote modderkruiper binnen het projectgebied is om deze reden op voorhand uit te sluiten. Een geschikt biotoop voor de levendbarende hagedis en pionier soort rugstreeppad ontbreekt, in dit kader is aanwezigheid op voorhand uit gesloten. 4.6.3. EFFECTBEOORDELING Negatieve effecten op beschermde amfibieën, reptielen en vissen zijn uitgesloten. Er wordt geen beslag gelegd op het voortplantings- en/of winterbiotoop van amfibieën. 4.7. ONGEWERVELDEN 4.7.1. VOORONDERZOEK Op basis van NDFF gegevens zijn binnen een straal van 1 km rondom het plangebied waarnemingen gedaan van de grote weerschijnvlinder. 4.7.2. VELDONDERZOEK De waardplanten van de grote weerschijnvlinder zijn boswilg en grauwe wilg, deze zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Dit maakt het plangebied geen geschikt leefgebied voor deze beschermde soort. 4.7.3.

EFFECTBEOORDELING Het voorkomen van wettelijk beschermde ongewervelde is uitgesloten binnen de kaders van het plangebied, in dit kader zijn er geen negatieve effecten te verwachten .

11 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

Afbeelding 3: impressie projectgebied, met de klok mee; 1: Overzicht plangebied met rechts de groenstrook; 2: de monumentale boom west in het plangebied; 3: de groenstrook; 4: de rommelige structuren in de groenstrook.

12 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 5.1. HOOFDCONCLUSIES ▪ Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen, deze zijn door het slechte overzicht in de bomen echter niet uitgesloten. Om aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied uit te sluiten moet buiten de bladhoudende periode een nestcontrole plaatsvinden. Bij aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten moet soortgericht onderzoek uitgevoerd worden naar het gebruik van deze nesten door de betreffende soort(en); ▪ Negatieve effecten op functioneel leefgebied van huismus als gevolg van de ontwikkeling kan niet worden uitgesloten, soortgericht onderzoek hiernaar is hier benodigd; ▪ Negatieve effecten op (broedgevallen van) categorie 5 en algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten het algemene broedseizoen (maart – augustus). Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden om aanwezigheid van broedende vogels uit te sluiten. Zie voor randvoorwaarden paragraaf 5.2.1 Vogels; ▪

▪ ▪

Negatieve effecten op essentieel foerageergebied kunnen niet worden uitgesloten wanneer de (fruit)bomen, voor- en achtertuinen en de groenstrook niet gehandhaafd kunnen worden. Soortgericht onderzoek naar essentieel foerageergebied is noodzakelijk wanneer dit het geval is; Negatieve effecten op verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten wanneer de bomen binnen het plangebied niet behouden kunnen blijven; Negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen zijn uitgesloten, mits lichtverstoring tijdens de ontwikkel en gebruiksfase wordt voorkomen zie voor randvoorwaarden paragraaf 5.2.2 Vleermuizen;

▪

Negatieve effecten op kleine marters, vrijgestelde soorten egel, konijn, eekhoorn en rosse- en ondergrondse woelmuis kunnen worden uitgesloten wanneer wordt gewerkt conform een ecologisch werkprotocol en mitigerende maatregelen conform de handreiking kleine marters;

▪ ▪

Negatieve effecten op Natuurnetwerk Brabant (NNB) zijn door de relatief grove afstand uitgesloten; Negatieve effecten op Natura 2000 gebieden de Regte Heide & Riels Laag en het Ulvenhoutse Bos als gevolg van trillingen, geluidsoverlast of verstoring door verlichting zijn door de relatief grote afstand tot de ontwikkeling uitgesloten; Negatieve effecten op deze Natura 2000 gebieden als gevolg van stikstofdepositie is niet uitgesloten, hiervoor moet een AERIUS calculatie uitgevoerd worden;

▪

▪ ▪ ▪

De aanwezigheid en/of negatieve effecten op overige soorten en soortgroepen kan worden uitgesloten; De Wnb is niet van toepassing op de te vellen houtopstanden, deze staan binnen de bebouwde kom bomen en vallen in dit kader onder het gemeentelijke beleid; In alle gevallen dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht onder Wnb. Geadviseerd wordt de zorgplicht te borgen middels een ecologisch werkprotocol, opgesteld door een ter zake kundig ecoloog.

Voorafgaand aan de ruimtelijke ontwikkelingen dienen de soortgerichte onderzoeken uitgevoerd te worden en dient naar aanleiding van de hieruit gekomen resultaten een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. 5.2. RANDVOORWAARDEN 5.2.1. VOGELS Bij de uitvoering van de kapwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met algemeen voorkomende vogels die (kunnen) gaan broeden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd (tijdens het broedseizoen en daarbuiten). Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m augustus. Afhankelijk van de lokale klimatologische omstandigheden kan het broedseizoen eerder of later beginnen en eindigen. Broedende vogels mogen niet worden verstoord. Om overtreding van verbodsbepalingen uit te sluiten wordt geadviseerd om de kapwerkzaamheden geheel vóór het broedseizoen

13 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

uit te voeren. Indien dit niet mogelijk is, is het verstandig de kapwerkzaamheden ruim vóór aanvang van het broedseizoen te laten starten. Dit voorkomt overtreding onder Wnb doordat wordt voorkomen dat vogels tot broeden komen. Wanneer kapwerkzaamheden volledig binnen het broedseizoen doorgang moeten vinden en het niet mogelijk is om mitigerende maatregelen te nemen, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden door een ter zake kundig ecoloog. Het risico hierbij is dat verstorende werkzaamheden geen doorgang kunnen vinden en uitgesteld dienen te worden totdat de vogels zijn uitgebroed en/of het nest niet meer in gebruik is. 5.2.2. VLEERMUIZEN Bij het toepassen van bouwverlichting en het aanleggen van nieuwe verlichting dient rekening gehouden te worden met negatieve effecten op vleermuizen (4). Om de negatieve effecten van ALAN (Artificial Light At Night) uit te sluiten wordt geadviseerd om mitigerende maatregelen te gebruiken en toekomstige verlichting vleermuis vriendelijk aan te leggen. Dit houdt in dat: -

Verlichtingspalen niet hoger zijn dan de onderzijde van de boomkronen; Armaturen naar benenden gericht zijn om uitstraling naar kronen voorkomen. Bij voorkeur alleen gericht zijn op daar waar licht noodzakelijk is; Het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting (Vleermuisvriendelijke verlichting amberkleurige led verlichting). Bijvoorbeeld batlamp van Rijkswaterstaat; Er geen uitstraling van bouwverlichting op groenelementen is tijdens de actieve periode van vleermuizen (globaal maart t/m oktober).

5.3. EFFECTEN EN AANBEVELINGEN HUISMUS Wanneer de groenstrook en de overige bomen binnen het plangebied niet behouden kunnen worden is een onderzoek naar de functionele leefomgeving van huismussen noodzakelijk. Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de eisen van het Kennisdocument Huismussen, BIJ12 (5). Voor dit onderzoek dient ergens in het jaar één veldbezoek plaats te vinden. Het meest geschikte moment is rond zonsopkomst of zonsondergang. Het onderzoek wordt uitgevoerd op een dag met goede weersomstandigheden: geen regen, geen harde wind, voldoende warm en worden postend en te voet uitgevoerd. 5.4. EFFECTEN EN AANBEVELINGEN VLEERMUIZEN Om de aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of foerageergebied van vleermuizen te stellen dient een soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Het onderzoeken naar essentiële vliegroutes en/of foerageergebied dient conform vleermuisprotocol 2021 (6) uitgevoerd te worden. Hierbij zijn twee gerichte veldbezoeken noodzakelijk, waarbij één ecoloog minimaal 75% van het te onderzoeken object moet kunnen overzien. Wanneer dit niet het geval is dient een extra veldwerker ingezet te worden, tot voldoende inspanning aantoonbaar behaald is Om essentieel foerageergebied vast te stellen zijn twee veldbezoeken noodzakelijk, deze kunnen simultaan worden uitgevoerd met de verblijfplaats onderzoeken.

De veldbezoeken dienen uitgevoerd te worden in de periode half mei t/m september: -

Foerageergebied: 2x 2uur, waarvan 1x in de kraamperiode. Interval 8 weken; Verblijfplaatsen: 3x 2 uur, waarvan 1x in de ochtend en 1x in de kraamperiode. Interval 20 dagen. (Hier worden zomer- en paarverblijfplaatsen samengepakt).

Weersomstandigheden dienen minimaal te voldoen aan de eisen van het vleermuisprotocol 2021, planning is in dit kader afhankelijk van intervallen en klimatologische omstandigheden. Wanneer optimale intervallen niet gehanteerd kunnen worden zijn suboptimale intervallen conform vleermuisprotocol 2021 geoorloofd

14 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

6. NATUURINCLUSIEF HERINRICHTEN Onderstaand wordt, als aanvulling op de quickscan, als vrijblijvend ecologisch advies gegeven. Het betreft maatregelen ter verbetering van de ecologische situatie in het plangebied om zo biodiversiteit in de bewoonde omgeving te bevorderen. Hierbij is het van belang aan te sluiten op bestaande ecologische waarde in de directe omgeving. Het plangebied blijkt een geschikt habitat voor egels, kleine marters en huismussen. Het is dan ook van belang om bij de herinrichting van het gebied een gelijke of zelfs verbeterde situatie voor deze dieren te realiseren. Daarbij kunnen voor vleermuizen en gierzwaluwen verbeterde nestomstandigheden gerealiseerd worden bij de nieuwbouwontwikkeling. De egel is een vrijgestelde soort, welke in Nederland de afgelopen jaren in aantallen fors achteruit is gegaan. De aanwezigheid van de egel binnen het plangebied kan na afloop van de nieuwbouwontwikkeling gestimuleerd worden door in de afrasteringen van de aan te leggen tuinen, egelpoorten te plaatsen en binnen of langs de tuinen haagstructuren aan te brengen. De haagstructuren zullen schuil- en foerageermogelijkheden brengen voor zowel de egel als kleine marterachtigen.

Daarnaast kunnen in diepere rustige haagstructuren en in de overgebleven stukken groenstrook takkenrillen worden aangebracht om veilige winterrustlocaties aan te bieden voor egels en rust- en verblijfplaatsen voor kleine marters. De huismus is een algemeen voorkomende standvogel in Nederland die sterk gebonden is aan de mens. Doorgaans vindt de huismus nestplekken onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Foerageren gebeurt in de regel op korte afstand van het nest (circa 50m) in struikgewassen en bomen. De huismus maakt in de winter gebruik van groenblijvende heesters, struiken en gevelbegroeiing als verblijfplaats. Daarnaast wordt in de winter ook gebruik gemaakt van verblijfplaatsen onder dakpannen en in gebouwen. De functionele leefomgeving van huismussen is van groot belang voor het voorkomen van de soort, hierbij dient in de directe omgeving voldoende voedselvoorziening aanwezig te zijn in de vorm van groenblijvende planten (hagen, gevelbedekking, heesters), drinkplaatsen, open zandige plekken en plekken waar kleine steentjes/grit gevonden kan worden. De leefomgeving van huismussen kan versterkt worden door het extensiever beheren van het grasveld binnen het plangebied. Hierdoor komen zaden en insecten beschikbaar in de broedperiode, doordat de biodiversiteit van insecten en planten ondersteund wordt.

Tevens kan een grote impuls gegevens worden door het realiseren van een groter aanbod van schuilplaatsen. Dit betreft voornamelijk groen met name groenblijvende hagen, een soorten met doorns zoals meidoorn en sleedoorn bieden goede verblijfplaatsen. Tevens kan gedacht worden aan verticaal groen bestaande uit inheemse klimplanten o.a. klimop en hop. Voor de verbetering van nestgelegenheden voor gierzwaluwen, vleermuizen en huismussen kan gedacht worden aan het plaatsen van inbouw gierzwaluw-, vleermuis- en huismuskasten in de buitenmuren van de nieuwbouwwoningen. Deze zijn te verkrijgen op websites als unitura.nl en vivarapro.nl en dienen als compensatie voor verdwijnende nestplekken.

15 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

LITERATUUR 1. FLORON. [Online] [Citaat van: 18 Maart 2020.] www.floron.nl. 2. De Zoogdierenvereniging. [Online] www.zoogdierenvereniging.nl. 3. Bouwens, Sander. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. sl : Zoogdiervereniging, 2017. 4. Spoelstra, K., van Grunsven, R. H., Ramakers, J. J., Ferguson, K. B., Raap, T., Donners, M., ... & Visser, M. E. Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat presence is affected by white and green, but not red light. . sl : Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences, 284(1855), 20170075, 2017. 5. BIJ12. Kennisdocument Huismus. Utrecht : BIJ12, 2023. 6. —. Kennisdocument Gierzwaluw. Utrecht : BIJ12, 2017. 7. —. Kennisdocument Ruige Dwergvleermuis. Utrecht : BIJ12, 2017. 8. —. Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis. Utrecht : BIJ12, 2017. 9. —. Kennisdocument Buizerd. Utrecht : BIJ12, 2017. 10. Vergeer J.W., van Dijk A.J., Boele A., van Bruggen J. & Hustings F. Handleiding Sovon Broedvogelonderzoek: Broedvogel Monitoring Project en Kolonievogels. . Nijmegen : Sovon Vogelonderzoek Nederland, 2016. 11. Bureaus, Vleermuisvakberaad Netwerk Groene. Vleermuisprotocol. sl : www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl, 2021. 12. BIJ12. Kennisdocument Das. Utrecht : BIJ12, 2017. 13. —. Kennisdocument Rosse Vleermuis. Utrecht : BIJ12, 2017. 14. Broekmeyer, M.E.A., et al.

Effectenindicator soorten. Wageningen : Alterra, 2013. 15. BIJ12 Kennisbank. Kadaster. [Online] BIJ12. [Citaat van: 7 Januari 2020.] https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/agrarischnatuurbeheer-anlb/kennisbank/doelsoorten/ransuil/. 16. Eekhoorn. [Online] Zoogdieren Vereniging. [Citaat van: 8 Januari 2020.] https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn. 17. Verspreidingsatlas. [Online] NDFF. [Citaat van: 17 Maart 2020.] https://www.verspreidingsatlas.nl/. 18. Waarnemingen.nl. waarnemingen.nl. [Online] [Citaat van: 17 Maart 2020.] https://waarneming.nl. 19. Nederlandsesoorten.nl. Nederlands Soortenregister. [Online] [Citaat van: 17 Maart 2020.] https://www.nederlandsesoorten.nl/. 20. Dietz, C. en A., Kiefer. Veldgids Vleermuizen van Europa. Zeist : KNNV Uitgeverij, 2017. 21. RAVON. [Online] [Citaat van: 18 Maart 2020.] www.ravon.nl. 22. SOVON. [Online] [Citaat van: 18 Maart 2020.] www.sovon.nl. 23. EIS. [Online] [Citaat van: 17 Maart 2020.] eis-nederland.nl. 24. Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. Smits en Winden, J. van der. Verstoringsgevoeligheid van vogels update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Culemborg : Bureau Waardenburg bv, 2008. 25. BIJ12. Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis. Utrecht : BIJ12, 2017. 26. De Vlinderstichting. [Online] https://www.vlinderstichting.nl/.

16 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

BIJLAGE I FF WAARNEMINGEN

17 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

BIJLAGE II RESULTATEN NDFF Naam

Groep

Beschermingsregime

Afstand

Buizerd

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Egel

Zoogdieren

Gewone dwergvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

0 - 1 km

Gierzwaluw

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Grote weerschijnvlinder

Dagvlinders

Huismus

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Kerkuil

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Laatvlieger

Zoogdieren

wnb-hrl

0 - 1 km

Myoot (soort onbekend)

Zoogdieren

wnb-hrl

0 - 1 km

Roek

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Slechtvalk

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Sperwer

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Alpenwatersalamander

Amfibieën

Baardvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

1 - 5 km

Baardvleermuis / Brandts vleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

1 - 5 km

Bastaardkikker

Amfibieën

Beekrombout

Libellen

Boomkikker

Amfibieën

Boommarter

Zoogdieren

Boomvalk

Vogels

Bosbeekjuffer

Libellen

Bosvleermuis

Zoogdieren

Bunzing

Zoogdieren

1 - 5 km

Das

Zoogdieren

1 - 5 km

Drijvende waterweegbree

Vaatplanten

Eekhoorn

Zoogdieren

Franjestaart

Zoogdieren

wnb-hrl

1 - 5 km

Gevlekte witsnuitlibel

Libellen

wnb-hrl

1 - 5 km

Gewone grootoorvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

1 - 5 km

Gewone/Kleine/Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

1 - 5 km

Grote gele kwikstaart

Vogels

wnb-vrl

1 - 5 km

Grote vos

Dagvlinders

1 - 5 km

Haas

Zoogdieren

1 - 5 km

Havik

Vogels

wnb-vrl

1 - 5 km

Kamsalamander

Amfibieën

wnb-hrl

1 - 5 km

Kleine dwergvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

1 - 5 km

Knoflookpad

Amfibieën

wnb-hrl

1 - 5 km

Knolspirea

Vaatplanten

1 - 5 km

Konijn

Zoogdieren

1 - 5 km

Levendbarende hagedis

Reptielen

1 - 5 km

Ondergrondse woelmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Ooievaar

Vogels

wnb-vrl

1 - 5 km

Poelkikker

Amfibieën

wnb-hrl

1 - 5 km

Ransuil

Vogels

wnb-vrl

1 - 5 km

Rosse vleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

1 - 5 km

0 - 1 km

0 - 1 km

1 - 5 km

1 - 5 km 1 - 5 km wnb-hrl

1 - 5 km 1 - 5 km

wnb-vrl

1 - 5 km 1 - 5 km

wnb-hrl

wnb-hrl

1 - 5 km

1 - 5 km 1 - 5 km

18 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

Naam

Groep

Beschermingsregime

Afstand

Rosse woelmuis

Zoogdieren

Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren

Steenmarter

Zoogdieren

Steenuil

Vogels

wnb-vrl

1 - 5 km

Teunisbloempijlstaart

Nachtvlinders

wnb-hrl

1 - 5 km

Vinpootsalamander

Amfibieën

Watervleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

1 - 5 km

Wespendief

Vogels

wnb-vrl

1 - 5 km

Wezel

Zoogdieren

1 - 5 km

Bruine eikenpage

Dagvlinders

5 - 10 km

Damhert

Zoogdieren

5 - 10 km

Dennenorchis

Vaatplanten

5 - 10 km

Dreps

Vaatplanten

5 - 10 km

Gentiaanblauwtje

Dagvlinders

5 - 10 km

Gewone/Grijze grootoorvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

5 - 10 km

Gewone/Kleine dwergvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

5 - 10 km

Hazelworm

Reptielen

Heikikker

Amfibieën

Hoogveenglanslibel

Libellen

5 - 10 km

Kartuizer anjer

Vaatplanten

5 - 10 km

Kleine ijsvogelvlinder

Dagvlinders

5 - 10 km

Korensla

Vaatplanten

5 - 10 km

Muurhagedis

Reptielen

wnb-hrl

5 - 10 km

Oehoe

Vogels

wnb-vrl

5 - 10 km

Ringslang

Reptielen

Rugstreeppad

Amfibieën

Ruw parelzaad

Vaatplanten

Sierlijke witsnuitlibel

Libellen

wnb-hrl

5 - 10 km

Vermiljoenkever

Geleedpotigen

wnb-hrl

5 - 10 km

Wilde ridderspoor

Vaatplanten

Wild zwijn

Zoogdieren

Zwarte wouw

Vogels

Akkerogentroost

Vaatplanten

10 - 25 km

Beekprik

Vissen

10 - 25 km

Berggamander

Vaatplanten

10 - 25 km

Bever

Zoogdieren

Blaasvaren

Vaatplanten

10 - 25 km

Brede wolfsmelk

Vaatplanten

10 - 25 km

Edelhert

Zoogdieren

10 - 25 km

Gestreepte waterroofkever

Kevers

Gevlekte glanslibel

Libellen

10 - 25 km

Glad biggenkruid

Vaatplanten

10 - 25 km

Gladde slang

Reptielen

wnb-hrl

10 - 25 km

Grijze grootoorvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

10 - 25 km

Groot spiegelklokje

Vaatplanten

10 - 25 km

Grote modderkruiper

Vissen

10 - 25 km

Grote parelmoervlinder

Dagvlinders

10 - 25 km

1 - 5 km wnb-hrl

1 - 5 km 1 - 5 km

1 - 5 km

5 - 10 km wnb-hrl

5 - 10 km

5 - 10 km wnb-hrl

5 - 10 km 5 - 10 km

5 - 10 km 5 - 10 km wnb-vrl

wnb-hrl

wnb-hrl

5 - 10 km

10 - 25 km

10 - 25 km

19 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

Naam

Groep

Beschermingsregime

Hermelijn

Zoogdieren

10 - 25 km

Iepenpage

Dagvlinders

10 - 25 km

Karwijselie

Vaatplanten

10 - 25 km

Kempense heidelibel

Libellen

10 - 25 km

Kleine wolfsmelk

Vaatplanten

10 - 25 km

Kluwenklokje

Vaatplanten

10 - 25 km

Kranskarwij

Vaatplanten

10 - 25 km

Kruipend moerasscherm

Vaatplanten

Kwabaal

Vissen

Meervleermuis

Zoogdieren

Muurbloem

Vaatplanten

Oostelijke witsnuitlibel

Libellen

wnb-hrl

10 - 25 km

Otter

Zoogdieren

wnb-hrl

10 - 25 km

Platte schijfhoren

Weekdieren

wnb-hrl

10 - 25 km

Rivierrombout

Libellen

wnb-hrl

10 - 25 km

Schubzegge

Vaatplanten

10 - 25 km

Speerwaterjuffer

Libellen

10 - 25 km

Stijve wolfsmelk

Vaatplanten

Tweekleurige vleermuis

Zoogdieren

Veldparelmoervlinder

Dagvlinders

Vroedmeesterpad

Amfibieën

Waterspitsmuis

Zoogdieren

10 - 25 km

Wezel/Hermelijn

Zoogdieren

10 - 25 km

Wilde weit

Vaatplanten

10 - 25 km

Wolfskers

Vaatplanten

10 - 25 km

Akkerboterbloem

Vaatplanten

25 - 50 km

Akkerdoornzaad

Vaatplanten

25 - 50 km

Bokkenorchis

Vaatplanten

25 - 50 km

Brave hendrik

Vaatplanten

25 - 50 km

Eikelmuis

Zoogdieren

25 - 50 km

Gaffellibel

Libellen

Getande veldsla

Vaatplanten

25 - 50 km

Gewone bronlibel

Libellen

25 - 50 km

Gewone zeehond

Zoogdieren

25 - 50 km

Groene glazenmaker

Libellen

wnb-hrl

25 - 50 km

Groenknolorchis

Vaatplanten

wnb-hrl

25 - 50 km

Grote leeuwenklauw

Vaatplanten

Grote vuurvlinder

Dagvlinders

wnb-hrl

25 - 50 km

Ingekorven vleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

25 - 50 km

Kommavlinder

Dagvlinders

25 - 50 km

Kruiptijm

Vaatplanten

25 - 50 km

Naakte lathyrus

Vaatplanten

25 - 50 km

Naaldenkervel

Vaatplanten

Noordse woelmuis

Zoogdieren

wnb-hrl

25 - 50 km

Noordzeehouting

Vissen

wnb-hrl

25 - 50 km

Pimpernelblauwtje

Dagvlinders

wnb-hrl

25 - 50 km

Rosse / Bos- / Tweekleurige vleermuis / Laatvlieger

Zoogdieren

wnb-hrl

25 - 50 km

wnb-hrl

Afstand

10 - 25 km 10 - 25 km

wnb-hrl

10 - 25 km 10 - 25 km

10 - 25 km wnb-hrl

10 - 25 km 10 - 25 km

wnb-hrl

wnb-hrl

10 - 25 km

25 - 50 km

25 - 50 km

25 - 50 km

20 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

Naam

Groep

Beschermingsregime

Afstand

Rosse / Bosvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

25 - 50 km

Schubvaren

Vaatplanten

25 - 50 km

Smalle raai

Vaatplanten

25 - 50 km

Spiegeldikkopje

Dagvlinders

25 - 50 km

Tweekleurige bosspitsmuis

Zoogdieren

25 - 50 km

Water-/Meervleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

25 - 50 km

Wolf

Zoogdieren

wnb-hrl

25 - 50 km

Zandhagedis

Reptielen

wnb-hrl

25 - 50 km

21 Flora- en Fauna QuickScan Nieuwstraat 20, Gilze Status: Definitief_2023 Kenmerk: PRDLB23-00583

BIJLAGE III JAARROND BESCHERMDE NESTEN De opgestelde lijst met jaarrond beschermde nesten voor vogels is een beleidsdocument dat voortvloeit uit de voormalige Flora- en faunawet en meegenomen is onder de Wet natuurbescherming. Van de onderstaande soorten zijn de nesten jaarrond beschermd en moeten er mitigerende maatregelen getroffen worden indien er een activiteit plaatsvindt die de nestlocatie kan beschadigen of de gunstige staat van instandhouding in gevaar kan brengen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in vijf categorieën, waarbij nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn en de nesten van soorten onder categorie 5 beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn. Onderstaande categorieën gelden voor alle provincies behalve Limburg. Provincie Limburg heeft een andere indeling van categorieën ▪ Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). ▪ Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar(voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14494150/1