Bijlage 2 Toelichting Rielsebaan 48-52 Gilze
Tekst van het document
Gemeente Gilze en Rijen heeft vier dorpen in het groen: Gilze, Rijen, Hulten en Molenschot. Het is een gemeente waar wordt gewoond en gewerkt, met een ruim aanbod van sport en cultuur. De vier dorpen hebben allen een sterke binding met natuur en landschap. Met de steden Tilburg en Breda in de buurt, zijn grootstedelijke voorzieningen nooit ver weg. De nabijheid van spoor en snelwegen zorgen ervoor dat de steden goed bereikbaar zijn vanuit de gemeente. De toekomst van de dorpen wordt uitgestippeld op basis van vier denkrichtingen: 1. Nieuwe noodzakelijkheid ‘Een nieuwe manier van denken over wonen’ Dit betekent dat de gemeente kiest voor het verbinden van architectuur, duurzaamheid en landschap en daarbij ook de verbinding van duurzame woonkwaliteit en sociale betrokkenheid. 2. Sterke schakels ‘Bereikbaar voor iedereen’
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
3.3.2 Ambitiedocument ‘Ambitie Gilze en Rijen – nieuwe kansen!’
23
Goede bereikbaarheid voor alle doelgroepen van de kernen en hun specifieke functies krijgt de aandacht. Gilze en Rijen wil onderdeel zijn van een stedelijk netwerk. 3. Levendige centra ‘Sterke en vitale dorpsharten’ Hierin stelt de gemeente het belangrijk dat de dorpsharten herkenbaar en levendig zijn, met goed functionerende winkelconcentratiegebieden. 4. Karakteristieke bedrijvigheid ‘Bedrijventerreinen met een duidelijk profiel’ Nieuwe bedrijvigheid moet een meer herkenbaar profiel krijgen en er komen duurzame investeringen voor bestaande karakteristieke bedrijvigheid.
Afweging
De beoogde ontwikkeling past binnen de denkrichtingen zoals gesteld in het ambitiedocument.
3.3.3 Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
De eerder besproken toekomstvisie (H3.3.1) en ambitie (H3.3.2) dienen als uitgangspunt voor de structuurvisie. De gemeente Gilze en Rijen zetten in het buitengebied in op kleinschalige, organische ontwikkelingen die aansluiten op het landschappelijke karakteristiek. Nieuwe woningbouwontwikkelingen mogen de kwaliteiten niet beschadigen maar juist waar mogelijk versterken. Het principe ‘inbreiding voor uitbreiding’ wordt hiervoor ook gehanteerd bij de bestaande buurtschappen. Eerst wordt gekeken naar verdichtingsmogelijkheden van buurtschappen, pas daarna wordt gekeken naar andere locaties. Nieuwe woningen kunnen worden toegevoegd op de open plekken binnen het buurtschap, echter geldt wel dat de doorzichten naar buiten toe behouden moeten blijven. Belangrijk is dat de buurtschappen ruimtelijk zelfstandig blijven liggen. In de structuurvisie zijn bouwstenen opgenomen voor de herontwikkeling van erven. Zie navolgende afbeelding.
Afbeelding 10 Bouwstenen herontwikkeling van Erven (Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen)
24
Afweging Het planvoornemen past in het beleid van de Structuurvisie Stedelijk Gebied. Er is sprake van een ontwikkeling van een bestaand erf. Bij de ontwikkeling worden de in de structuurvisie aangegeven bouwstenen toegepast. Doordat gebruik wordt gemaakt van cultuurhistorisch bestaande bebouwing, blijft de gewenste openheid behouden.
3.3.4
Kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant (2013)
Voor iedere ruimtelijke ontwikkeling dient onderbouwd te worden hoe invulling gegeven wordt aan artikel 3.9 lid 1 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De provincie benadrukt met dit artikel dat bij de realisatie van een ruimtelijke ontwikkeling ook verzekerd moet worden dat er een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Voor de gemeente Gilze en Rijen wordt aangesloten bij de Werkafspraken binnen de Kwaliteitsverbetering van het landschap Hart van Brabant (vastgesteld d.d. 26-11-2015). In het afsprakenkader is opgenomen of en welke vorm van kwaliteitsverbetering van toepassing is bij de ontwikkelingen, aan de hand van een drietal categorieën: 1. Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen extra kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). 2. Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist). 3. Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).
Afweging Onderhavige ontwikkeling wordt aangemerkt als een categorie 2 – ontwikkeling. Onder deze categorie vallen namelijk ontwikkelingen die een relatief beperkte invloed hebben op de omgeving en die als passend binnen het landelijk gebied worden beschouwd. Denk hierbij aan de vormverandering van agrarische bouwvlakken, aanleg van minicampings en paardenbakken, omschakeling van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere en nevenactiviteiten. Onderhavig initiatief betreft een gelijksoortige ontwikkeling. Binnen categorie 2 wordt het accent gelegd op een goede landschappelijke inpassing, daartoe wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 4.
Sloopkwaliteitsregeling Buitengebied ABG Gemeenten
In februari 2021 is in de gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen de sloopkwaliteitsregeling vastgesteld. Deze regeling is bedoeld voor iedereen die meer vierkante meters aan bijgebouwen wil bij hun (bedrijfs)woning, dan dat het geldende bestemmingsplan rechtstreeks toelaat. Tevens is deze regeling gericht op (gestopte) boeren die de kosten voor gesloopte meters (in het kader van een herbestemming), wil terugverdienen. Met de sloopkwaliteitsregeling wordt (mede) invulling gegeven aan de ambitie van de gemeenten om een bijdrage te leveren aan de hoeveelheid overtollige bebouwing in ons buitengebied. Daarnaast moet de regeling ervoor zorgen dat er aan de ene kant meer ruimte is voor het behoud of realisatie van meer vierkante meters bijgebouwen. Hierdoor kunnen gewenste ontwikkelingen ook doorgaan en lopen deze niet vast op maximale hoeveelheid vierkante meters. Tot slot maakt de regeling maatwerk mogelijk, zonder dat sprake is van willekeur. Er wordt namelijk een algemeen kader weggezet waarbinnen maatwerk geleverd kan worden. Binnen de sloopbanken kan sprake zijn van twee varianten: 1. Het uitwisselen van vierkante meters tussen locaties. Voor deze uitwisseling wordt gebruik gemaakt van de databank die de gemeente beheert (de sloopbank).
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
3.3.5
25
2. De ‘extra meters’ op de betreffende eigen locatie compenseren door voldoende te slopen conform de ratofactor. Deze variant voorziet in de mogelijkheid om op het eigen perceel al te voldoen aan de geldende voorwaarden van de sloopbankregeling. Afweging Bij onderhavig initiatief is sprake van de tweede variant. Er wordt immers totaal 1.070 m 2 aan stallen gesloopt, deze sloopmeters kunnen in worden gezet op eigen locatie of elders in de gemeente. Initiatiefnemer zet de sloopmeters in op onderhavige locatie ten behoeve van de wijziging van het juridisch planologisch kader op locatie. Ter plaatse van Rielsebaan 48 is initiatiefnemer voornemens een bijgebouw van 450 m2 te laten staan. Dat is dus 250 m2 meer dan de basis van 200 m2. Hiervoor wordt 500 m2 (250 m2 * ratofactor 2) ingebracht uit eigen sloopmeters. Een van de voorwaarden van deelname aan deze regeling is dat er een bovengrens geld van maximaal 400 m2 aan bijgebouwen bij de (bedrijfs)woning. In het geval van dit bijgebouw betreft dat dus een overschrijding van 50 m2. Deze ruimte is echter nodig voor de voorzieningen voor de akkerbouwtak en het hobbymatig houden van enkele dieren. Daarnaast betreft de 450 m2 de bestaande omvang van de in 2012 gerealiseerde jongveestal. Sloop van een deel van deze bebouwing is kapitaal vernietiging en leidt in bouwtechnisch oogpunt tot uitdagingen die de waarde niet vertegenwoordigen.
De overschrijding wordt gecompenseerd door extra landschappelijke inpassing, de realisatie van een wadi en de sloop van extra vierkante meters. Dit is mede conform de voorwaarden zoals gesteld in de principemedewerking Gemeente Gilze en Rijen (d.d. 23-6-2021. Qua landschappelijke inpassing wordt ten oosten van het bijgebouw voorzien in de aanplant van hoogstam fruitbomen, een gemengde haag en het hemelwaterbassin. Voor meer informatie hieromtrent zie paragraaf 2.4. Om deze redenen is de extra 50 m2 te rechtvaardigen. Ter plaatse van Rielsebaan 52 is initiatiefnemer voornemens een bijgebouw van 400 m 2 te laten staan. Dat is dus 200 m2 meer dan de basis van 200 m2. Hiervoor wordt 400 m2 (200 m2 * ratofactor 2) ingebracht uit eigen sloopmeters. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal gesloopte en behouden meters. Tabel 1 Overzicht sloopmeters en toepassing sloopvariant 2 ter plaatse van Rielsebaan 48 – 52
Bestaande situatie Oppervlakte (m2)
Bedrijfsgebouwen
1.920
Bedrijfswoningen
240
Totaal
2.160
Functie Rielsebaan 48 Excl. bedrijfswoning Rielsebaan 52 Excl. bedrijfswoning Extra sloop Bedrijfswoningen
Toekomstige situatie Behoud Sloop (m2) inbreng 2 (m ) 450 500 400
400
240
170 0
1.090
1.070
In totaal wordt dus 900 m2 ingebracht van de in totaal 1.070 m2 te slopen stallen op locatie. De overige 170 m2 wordt omwille van kwaliteit verbeterende maatregelen ingeleverd. Kortom, op locatie zijn voldoende sloopmeters om via de Sloopkwaliteitsregeling op eigen locatie de bijgebouwen te laten staan. Het initiatief wordt in lijn met de regeling gerealiseerd.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Functie
26
Hoofdstuk 4 – Uitvoeringsaspecten Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Binnen dit hoofdstuk wordt gekeken naar de aspecten bodem, geluid, archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.
4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Bodem Besluit ruimtelijke ordening
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen voor onderzoek naar de bestaande toestand en de gewenste kwaliteit van de bodem. Daarnaast moet de uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk worden gemaakt. Zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplannen zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: • worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; • worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; • in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen. Voor elke functiewijziging, al dan niet naar een gevoelige functie, dient onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. Er gelden daarbij andere eisen voor de bestemming wonen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Afweging
In voorliggend geval is er sprake van het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een woonbestemming, waarbij de agrarische bedrijfsbebouwing (gedeeltelijk) wordt gesloopt. Er hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden op het erf. Een samenvatting van deze onderzoeken wordt hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportages in bijlage 5 en 6.
De bodem tot een diepte van minimaal 2,50 m-mv bestaat uit zand. Van 2,5 a 3,0 m-mv bevindt zich leem tot 3,5 m-mv (maximale boordiepte). In de bovengrond is plaatselijk een bodemvreemde bijmenging aangetroffen met sporen baksteen. Het grondwater bevindt zich gemiddeld op 2,0 m-mv (d.d. 30 augustus 2022). In het grondmengmonster M01 van de bovengrond wordt de achtergrondwaarde voor PCB overschreden. De gehalten van de overige analyse zijn alle lager dan de achtergrondwaarden. In de steekbus, welke rond de grondwaterstand genomen is ter plaatse van de bovengrondse dieseltank, zijn de gehalten van de geanalyseerde parameters alle lager dan de achtergrondwaarden. In het grondwater uit peilbuizen 01 en 02 wordt de streefwaarde overschreden voor barium. De concentraties van de overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de streefwaarden. In het grondwater uit peilbuis 101 wordt de streefwaarde overschreden voor minerale olie. De concentraties van de overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de streefwaarden.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Bodemonderzoek ABO Milieuconsulent Een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek is in augustus 2022 uitgevoerd door ABO Milieuconsult conform NEN 5725 en NEN 5740. Met het onderzoek is de huidige bodemkwaliteit vastgelegd.
27
Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de het opgeboorde bodemmateriaal visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het bodemonderzoek wordt vervolgens geconcludeerd dat het licht verhoogde gehalte PCB in de bovengrond en de licht verhoogde concentraties barium en minerale olie in het grondwater dermate gering zijn dat de resultaten geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader onderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 5. Rapportage asbestinventarisatie STER In verband met de sloopactiviteiten, is een asbestinventarisatie uitgevoerd door STER (d.d. 9 augustus 2022). Er is geen asbest aangetroffen, wat betekent dat de opstallen geschikt zijn voor volledige sloop. Meer informatie is te vinden in het onderzoeksrapport in bijlage 6. Conclusie Het aspect bodem wordt hiermee in voldoende mate geborgd in onderhavig bestemmingsplan.
4.1.2 Geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • •
wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
Ook dient hierbij gekeken te worden dat bepaalde te ontwikkelen inrichtingen geen negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies. In de Wet geluidhinder wordt geen onderscheid gemaakt tussen bedrijfswoning, woning of plattelandswoning. Er is reeds sprake van een woonfunctie op locatie. Binnen de Wgh zijn de bestaande woningen dus al gelegaliseerd. De mogelijkheid tot het vestigen van een mantelzorgwoning op termijn middels de binnenplanse ontheffingsbevoegdheid betreft een geluidgevoelig object. Op basis van de geluidskaart van de Atlas Leefomgeving, ter impressie zie navolgende afbeelding, geldt op locatie van de bijgebouwen een geluidbelasting van circa 53 dB. Dit komt overeen met een redelijk geluidsniveau. Dit betekent dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden maar dat onder de hoogst toelaatbare waarde wordt gebleven. In het kader van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gelden specifieke te toetsen voorwaarden voor het moment dat er een omgevingsvergunningprocedure wordt doorlopen. Zo dient ten tijde van de aanvraag onder andere worden aangetoond dat de ontwikkeling vanuit milieuhygiënisch oogpunt inpasbaar is en dient de ontwikkeling te voldoen aan het principe van een ‘goede ruimtelijke ordening’, of diens opvolger.
Dit maakt dat ten tijde van de aanvraag exact aangetoond dient te worden op basis van de dan aangedragen locatie, of dat ter plaatse van de te realiseren mantelzorgwoning een goed woon- en leefklimaat geborgd kan worden en zo ja onder welke voorwaarden en omstandigheden. Hiermee wordt het aspect wegverkeerslawaai in onderhavig plan in voldoende mate geborgd.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Afweging
28
Afbeelding 11 Uitsnede Geluidskaart Atlas Leefomgeving met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
De ligging van de planlocatie ten opzichte van de nabijgelegen weg vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Dit betekent dat het verrichten van akoestisch onderzoek voor wat betreft wegverkeerslawaai niet benodigd is in deze fase van het proces. Het plangebied is voor het overige niet gelegen binnen een geluidszone van industrie en spoorwegen. Voor wat betreft de richtafstanden ten aanzien van geluid zie paragraaf 4.1.5 milieuzonering. Conclusie Het aspect geluidhinder wordt hiermee in voldoende mate geborgd in onderhavig bestemmingsplan.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
4.1.3 Luchtkwaliteit
29
• •
het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. NIBM De ontwikkeling die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt, valt niet direct onder een categorie uit de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. Aan de hand van een berekening moet aangetoond worden dat de bijdrage van de beoogde ontwikkeling NIBM is. Ten behoeve van een dergelijke berekening heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld: de NIBM-tool. Hiermee kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of er sprake is van een NIBM-bijdrage. In de NIBM-tool dient alleen het extra aantal voertuigbewegingen als gevolg van een ontwikkeling te worden ingevoerd. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Onderhavig ontwikkeling heeft geen toename van 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg. Voor meer informatie omtrent de verkeersgeneratie, zie paragraaf 4.2.4 ‘Verkeer en parkeren’.
Kortom, het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2021 ter plaatse minder dan 10 µg/m³, de concentratie PM 10 minder dan 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal door voortschrijdende technologie de toekomstige situatie verder verbeteren en zal er sprake zijn van een duurzame toekomstige bedrijfsvoering.
Conclusie
Uit bovenstaand resultaat blijkt dat de bijdrage van voertuigbewegingen van en naar het plangebied in het kader van de luchtkwaliteit beschouwd kan worden als niet in betekende mate. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots voldoende. De voorgenomen ontwikkeling is
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De geldende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
30
niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Verder onderzoek op dit punt is in het kader van de functiewijziging, de herontwikkelingen van de bijgebouwen, en de sloop van de stallen niet noodzakelijk.
4.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Beleid
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Met onderhavige ontwikkeling is er sprake van een functiewijziging van twee voormalige agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Ter plaatse van het bijgebouw bij Rielsebaan 48 wordt na de herontwikkeling hobbymatig vee gehouden en wordt de ruimte deels gebruikt ten behoeve van de akkerbouwtak. Daarnaast wordt ter plaatse van Rielsebaan 52 mogelijk een kleinschalige recreatieve voorziening ontwikkeld middels een binnenplanse ontheffingsmogelijkheid in het bestaande bijgebouw. Anderzijds wordt agrarische opstallen gesloopt. In het kader van het planvoornemen is wat betreft de functiewijziging sprake van beperkt kwetsbare objecten. Wat betreft de sloop is dat niet het geval. Dit betekent dat moet worden getoetst of er in de nabije omgeving sprake is van risicofactoren in het kader van externe veiligheid.
Inrichting LPG-tankstation Total (Tilburgsebaan 6) Het toetsingskader voor externe veiligheid wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen, op basis waarvan ten behoeve van het groepsrisico rekening moet worden gehouden met een invloedsgebied van 150 meter rondom vulpunt en ondergrondse tank. De afstand tot het plangebied is ca. 1.400 meter. Vanzelfsprekend reiken daardoor ook de plaatsgebonden risicocontouren niet tot het plangebied. Het LPG-tankstation heeft derhalve geen invloed op de ontwikkeling. Overige ontwikkelingen zijn op grotere afstand gelegen. Er wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Toetsing
31
Afbeelding 12 Uitsnede Risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauw omlijnd)
Risicovol transport door buisleidingen Er vindt in de directe omgeving van het plangebied transport van gevaarlijke stoffen plaats door buisleidingen. Op 185 meter afstand ten westen van Rielsebaan 48 is een ondergrondse aardgasleiding van I&M transport gelegen (A-531). Deze buisleiding is op 285 meter afstand gelegen ten westen van Rielsebaan 52. Voor deze gasleiding geldt geen risicocontour voor wat betreft het plaatsgebonden risico. De 1%-letaliteitsafstand van deze buisleiding bedraagt 240 meter. Rielsebaan 48 (bedrijfswoning en bijgebouwen) is gelegen binnen deze zone, terwijl Rielsebaan 52 (bedrijfswoning en bedrijfsgebouw) is gelegen buiten deze zone.
Voor het overige ligt in de omgeving van het plangebied geen risicovolle transport buisleiding die grond van het Bevb een belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Risicovol transport over spoorwegen en water Er vindt in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over spoorwegen of water, die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het Bevt ten aanzien van spoorwegen en water. Risicovol transport over wegen Er vindt in de directe omgeving van het plangebied transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen. Op circa 750 meter ten noordoosten ligt de transportroute Rijksweg A58. Het invloedsgebied bedraagt 4.000 meter.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingen, in de zin van omzetten agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoning en het omschakelen van de activiteiten op locatie, in relatie tot de buisleiding; kan worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico. Een standaard verantwoording van het groepsrisico gaat onder andere in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. Derhalve kan het standaardadvies van de veiligheidsregio worden toegepast. Zie hiertoe eveneens ‘risicovol transport over wegen’.
32
Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op een bestemmingswijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ waarbij de bestaande bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen. Op termijn is een kleinschalige omschakeling beoogt waarbij de bijgebouwen gewijzigd kunnen worden ten behoeve van een recreatieve functie, in de zin van een bed en breakfast, of mantelzorgvoorziening. Hiertoe is in onderhavig plan een binnenplanse ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Zowel een B&B als mantelzorgfunctie betreft een (beperkt) kwetsbare object die zijn gelegen in het invloedsgebied. De toename van het groepsrisico is met onderhavige ontwikkeling bij de mogelijke ontwikkeling van een bed en breakfast of mantelzorgvoorziening echter nihil. Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingen en het omschakelen van de activiteiten op locatie, kan worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico. Een standaard verantwoording van het groepsrisico gaat onder andere in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. Derhalve kan het standaardadvies van de veiligheidsregio worden toegepast.
Advies Veiligheidsregio
De veiligheidsregio heeft haar advies gedeeld. Een samenvatting van het advies wordt hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige adviesrapport in bijlage 7.
Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid
Onder bestrijdbaarheid wordt verstaan dat de hulpverleningsdiensten met de beschikbare voertuigen binnen de gestelde opkomsttijd ter plaatse zijn en de calamiteit kunnen beperken en bestrijden. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de bereik- en beschikbaarheid van de bluswatervoorzieningen. De planlocatie is voor de hulpverleningsdiensten goed bereikbaar. Ten aanzien van zelfredzaamheid in het plangebied geldt dat er in noodsituaties naar diverse richtingen gevlucht kan worden danwel dat er in de woning geschuild kan worden. De projectlocatie is goed ontsloten op het lokale wegennet waardoor vluchten in diverse richtingen mogelijk is. Bovendien gaat het in dit planvoornemen om bestaande woningen die niet worden aangepast. Wat betreft de mogelijke toekomstige B&B en mantelzorgfunctie geldt dat deze te zijner tijd zullen moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2012 of diens opvolger en dus zullen moeten voldoen wat betreft te treffen maatregelen, zoals bijvoorbeeld rookmelders, vluchtroutes en mogelijke andere middelen. Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied goed is.
4.1.5 Milieuzonering Algemeen
Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de voorgaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
33
In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype rustige woonwijk, wat overeenkomt met de omgeving van het projectgebied als rustig en open agrarisch gebied. Gelet op het bestaande gebruik als zijnde fokken en houden van rundvee, gaat het hier om een omschakeling van milieucategorie 3.2 naar milieucategorie 2. De milieucategorie 2 slaat namelijk op ‘Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’, die ter plaatse van Rielsebaan 48 wordt gerealiseerd. Daarnaast geldt voor het bijgebouw bij Rielsebaan 52 in de toekomst mogelijk een omschakeling naar milieucategorie 1, in verband met de kleinschalige recreatieruimte (milieucategorie 1), die daar wellicht gerealiseerd wordt. De richtafstanden mogen daardoor verlaagd worden tot 30 meter.
Toetsing
Functiewijziging Onderhavige ontwikkeling is in beginsel een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in omliggende milieugevoelige functies gegarandeerd is. In de omgeving van het plangebied vinden enkele bedrijfsactiviteiten plaats. In de omgeving van het plangebied ter hoogte van Rielsebaan 48-52 te Gilze is op circa 60 meter afstand een bedrijf gelegen. Het betreft een paardenhouderij (milieucategorie 3.1) op adres Rielsebaan 49. Op circa 110 meter afstand van het plangebied ligt aan Rielsebaan 41 een akkerbouwbedrijf (milieucategorie 2). Gelet op de richtafstanden van deze functies en omdat de beoogde ontwikkelingen in bestaande gebouwen zijn voorzien, wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor worden bedrijven in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt door het plan. De voorgenomen plannen leiden er niet toe dat een milieugevoelige functie dichter bij omliggende bedrijfsactiviteiten komen te liggen.
Adres Rielsebaan 41
Bestaande/aanwezige bedrijfsfunctie Akkerbouwbedrijf
Rielsebaan 49
Paardenhouderij
2
Richtafstand (m) 30
Werkelijke afstand (m) 110
3.1
50
60
Milieucategorie
Gelet op bovenstaande motivering en de richtafstanden zal op locatie derhalve sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en zullen de bedrijfsvoeringen ter plaatse van omliggende bedrijven door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd worden in haar ontwikkelingsmogelijkheden.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Tabel 2: Impressie bedrijfsactiviteiten inclusief richtafstanden en werkelijke afstand in omgeving van het plangebied.
34
Nevenactiviteiten Ter plaatse van zowel Rielsebaan 48 als 52 vinden met onderhavig plan, naast de hoofdfunctie wonen, op termijn nevenactiviteiten plaats. Bij Rielsebaan 48 betreft het op termijn een groepsaccommodatie en bij Rielsebaan 52 een kleinschalige akkerbouwactiviteit. Zoals onderbouwd in paragraaf 2.2 en bijlage 3 zijn deze akkerbouwactiviteiten als kleinschalig beoordeeld. Doordat de akkerbouwtak kleinschalig is, wordt deze in onderhavig initiatief behandeld in lijn met het principe van beroep c.q. bedrijf aan huis. Op het gebied van milieuzonering mogen beide activiteiten geschaald worden onder milieucategorie 2 overeenkomstig de navolgende categorieën op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’:
Met het opstellen van een nieuw planologisch juridisch kader dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening gemotiveerd te worden dat ter plaatse van beide woonbestemmingen 48 en 52 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de woonbestemmingen omliggende (bedrijfs)activiteiten niet hinderen in haar ontwikkelingsmogelijkheden. Voor wat betreft het plangebied is ten opzichte van omliggende functies reeds onderbouwd dat hetgeen aanvaardbaar is en vice versa. Echter, daarnaast dient getoetst te worden dat Rielsebaan 48 versus Rielsebaan 52 qua activiteiten aan huis aanvaardbaar is voor het woon- en leefklimaat van beiden, plus dat de woonfuncties op beide locaties de activiteiten van beiden niet negatief zouden kunnen beïnvloeden.
Op basis van de planregels, voor meer informatie zie paragraaf 5.3, geldt dat ter plaatse van de woonbestemming: • gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd (planregels artikel 5.2). • herbouw van de aanwezige woning niet zonder is meer toegestaan (artikel 5.2 sub b). Herbouw buiten bestaande fundering is onder voorwaarden toegestaan (planregels artikel 5.3.1). Gebouwen en dergelijken mogen dus alleen binnen het bouwvlak gebouwd worden/ in stand worden gehouden. Dit maakt dat in de situatie van Rielsebaan de bouwvlakken als maatgevend moeten worden aangehouden. In een mogelijke toekomstige situatie waarbij de woningen worden gesloopt en nieuw worden gebouwd buiten de funderingen zou er wat betreft de richtafstanden milieuzonering nogsteeds voldaan worden aan de voorwaarden, dit omdat de bouwvlakken voldoende afstand behouden en de planregels enkel bebouwing binnen het bouwvlak toestaan. Dit geldt eveneens in een mogelijke toekomstige situatie waarbij de aan huis gebonden activiteiten zouden worden verplaatst binnen het erf.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Voor milieucategorie 2 geldt een maximale richtafstand van 30 meter. Het betreft de grootste afstand op het milieuaspect ‘geluid’. In onderhavig bestemmingsplan is rekening gehouden met voldoende afstand tussen de beide woon-bouwvlakken van Rielsebaan 48 en Rielsebaan 52. Tussen beide bouwvlakken geldt een afstand van 35 meter. Beide bouwvlakken worden gescheiden door een groenstrook met een breedte van tenminste 25 meter. Tot de woonbestemming Rielsebaan 52, gelegen buiten het woonbestemmingsvlak, ligt een strook verharding zoals deze ook in de bestaande situatie aanwezig is. Deze verharding wordt privé gebruikt voor onder andere bereikbaarheid garage. De uitbreiding van bebouwing is hier niet toegestaan.
35
Met de huidige afstanden op basis van de woonbestemming en de bijhorende bouwvlakken, in combinatie met onderhavig juridisch planologisch kader (planregels en de verbeelding), is geborgd dat Rielsebaan 48 en Rielsebaan 52 elkaar niet belemmeren in haar ontwikkelingsmogelijkheden en in haar woon- en leefklimaat (vice versa).
Conclusie
Het aspect milieuzonering wordt hiermee in voldoende mate geborgd in onderhavig bestemmingsplan.
4.1.6 Geurhinder veehouderijen Beleid
De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd) zijn relevante wettelijke regelingen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van agrarische bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gesitueerd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst (de zogenoemde ‘omgekeerde werking’). De Wet geurhinder stelt eisen aan minimale benodigde vaste afstanden van gevel tot gevel en tot (voormalige) bedrijfswoningen. Tevens gelden vaste afstanden voor diercategorieën waar geen emissiefactoren voor vastgesteld zijn. De Wgv schrijft dat bedrijfswoningen bij een (agrarisch) bedrijf niet worden gekenmerkt als geurgevoelig object bij de berekening van geurbelasting, maar wel als geurgevoelig object wat betreft de omgekeerde werking. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten, binnen een wettelijke vastgestelde bandbreedte, de beleidsvrijheid om zelf geurnormen en afstanden vast te stellen. Afwijkende normen kunnen gelden binnen een bepaald gebied.
Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde gebiedsvisie. Daarbij moet een relatie worden gelegd met de bestaande en te verwachten achtergrondbelasting aan geur in het gebied. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied.
Toetsing
Deelgebied A. Bebouwde kom B. Zone beperkingen veehouderij rond kernen C. Zone beperkingen veehouderij rond natuur D. Agrarisch kerngebied en overig buitengebied
Geurnorm (voorgrondbelasting) 3,0 Ou 5.0 Ou 8,0 Ou 10,0 Ou
Het plangebied is gelegen in deelgebied D. In dit deelgebied is voor de veehouderij behoud van ontwikkelingsruimte van belang. Zoals blijkt uit de achtergrondbelasting in onderstaande afbeelding, is de kwaliteit van de leefomgeving wat betreft geur ‘zeer goed’. Aangezien onderhavig initiatief voorziet in het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een woonbestemming, waarbij de agrarische bedrijfsbebouwing gedeeltelijk wordt gesloopt. Dit zal in de toekomst leiden tot een verbeterde geursituatie, waardoor de geurnorm niet overschreden zal worden.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Geurgebiedsvisie ABG-gemeenten (voorgrondbelasting) Op 28 oktober 2022 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Gemeente Gilze en Rijen 2022’ in werking getreden. In deze geurverordening is voor artikel 3 lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij een afwijking opgenomen. In deze afwijking wordt beschreven dat de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied geldt zoals is aangegeven op de kaart behorende bij de Gebiedsvisie Wgv ABG-gemeenten. In de kaart wordt onderscheid gemaakt tussen vier verschillende deelgebieden, in onderstaande tabel zijn de geurnormen voor ieder deelgebied opgenomen.
36
Afbeelding 13 Uitsnede kaart Gebiedsvisie Wgv ABG-gemeenten 2022 (plangebied aangeduid met rode pijl)
Afbeelding 14 Uitsnede achtergrondgeurbelasting met globale aanduiding plangebied (blauw omlijnd)
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
In het kader van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gelden specifieke te toetsen voorwaarden voor het moment dat er een omgevingsvergunningprocedure wordt doorlopen. Zo dient ten tijde van de aanvraag onder andere worden aangetoond dat de ontwikkeling vanuit milieuhygiënisch oogpunt inpasbaar is en dient de ontwikkeling te voldoen aan het principe van een ‘goede ruimtelijke ordening’, of diens opvolger. Dit maakt dat ten tijde van de aanvraag exact aangetoond dient te worden op basis van de dan aangedragen locatie, of dat ter plaatse van de te realiseren mantelzorgwoning een goed woon- en leefklimaat geborgd kan worden en zo ja onder welke voorwaarden en omstandigheden. Hiermee wordt het aspect geur in onderhavig plan in voldoende mate geborgd.
37
Achtergrondgeurbelasting De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat in een gebied. In voorgaande afbeelding is de beoordeling van het leefklimaat schematisch weergegeven. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit geurhinder en veehouderijen bestaan er wat betreft de functiewijziging geen belemmeringen. Bovendien is een goed woon- en leefklimaat geborgd. Voor een nadere duiding van het juridisch planologisch kader zie paragraaf 5.3. Het aspect geurhinder wordt hiermee in voldoende mate geborgd in onderhavig bestemmingsplan.
4.1.7 Gezondheid
Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen. De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: • Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt; • Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijnstof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt; • Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde,
individueel danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstofendotoxine emissie van de veehouderij; • Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie. Veehouderijen In het kader van onderhavige ontwikkeling is de dichtstbijzijnde veehouderij gelegen ter plaatse van Rielsebaan 14. Het betreft een varkenshouderij. Aangezien deze veehouderij is gelegen op een afstand van circa 700 meter zal de adviesgrenswaarde van 30 EU/m 3 endotoxinen hoogstwaarschijnlijk niet worden overschreden. Vanuit endotoxine bestaan er wat betreft onderhavige ontwikkeling geen belemmeringen.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.
38
Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Spuitzones In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse akkerbouwlanden aanwezig waar mogelijk gewasbescherming wordt toegepast. De ontwikkeling betreft een wijziging van de bestemming en aanpassing van bestaande bebouwing. In lijn met de landschappelijke inpassing zullen de woonpercelen worden afgeschermd met groenelementen wat de kans op drift aanzienlijk verminderd. Kortom gelet op de omvang, afstanden en landschapsmaatregelen vormen de spuitzones geen belemmering voor het planvoornemen. Hoogspanningsleidingen In de nabijheid van onderhavige ontwikkeling zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
4.2 Fysieke aspecten 4.2.1 Cultureel erfgoed Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
39
Afbeelding 15 Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Gilze-Rijen met ligging plangebied (rood omlijnd)
Op basis van het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Gilze en Rijen is het plangebied gedeeltelijk gelegen in een gebied dat is aangemerkt met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Ter impressie zie navolgende afbeelding. Ter plaatse van deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m2 en meer dan 40 cm diepteverstoring. In het kader van onderhavig initiatief wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Enerzijds omdat de sloop is voorzien voor een groot deel buiten de dubbelbestemming plus ter plaatse van reeds bestaande bebouwing, waardoor er reeds sprake is van bodem verstorende activiteiten. Anderzijds omdat de oppervlaktenormen in het vigerende bestemmingsplan niet worden overschreden. Wel dient de algemene zorgplicht in acht worden genomen ten tijde van de sloop en nieuwbouw.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Uit voorgaande archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze-Rijen blijkt dat het plangebied aangeduid is met categorieën 2, 3 en 6. Voor iedere categorie is beleid opgenomen, dat bepaalt dat ingrepen vanaf een bepaalde omvang archeologisch onderzoek vereist. Deze komen overeen met de vereisten die in het bestemmingsplan staan op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’, hieronder toegelicht.
40
Afbeelding 16 ligging dubbelbestemming waarde archeologie (blauw omlijnd) o.b.v. vigerend bestemmingsplan binnen plangebied (rood omlijnd)
Cultuurhistorie
De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Het plangebied ligt volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart binnen de regio de Baronie. Het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De ontwikkelingsstrategie voor deze regio is als volgt: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio;
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.
41
2. De cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen.; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Beekdal van de Mark” en “Dekzandeiland Alphen-Baarle”.
Afbeelding 17 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
Daarnaast is er een indicatieve archeologische waarde met indicatieve trefkans gekenmerkt aan de oostelijke kant van het plangebied. Deze is reeds besproken. Voor het overige zijn in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen danwel Rijksmonumenten aanwezig. In het kader van onderhavige ontwikkeling wordt aangesloten bij de cultuurhistorische waarden van het landschap door toepassing van een landschappelijk inpassingsplan. Voor meer informatie zie paragraaf 2.4. Daarnaast wordt in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik met het plan binnen de huidige grenzen van het bouwvlak gebleven, waardoor negatieve invloeden op omliggende cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk tot het minimum worden beperkt. De uiteindelijke sloop van de verouderde melkveestal betreft geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Conclusie Vanuit archeologie en cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Ten noorden van het plangebied is de Rielsebaan aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol (redelijk hoog). Het gaat hier om de laanbeplanting en heeft de volgende karakteristiek: ‘Opvallend lange, tussen Riel en Gilze gesitueerde laan met eiken uit 1850-1930’.
42
4.2.2 Ecologie Wetgeving
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Nationaal Natuurnetwerk’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
43
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Toetsing gebiedsbescherming en soortenbescherming
Om te kunnen toetsen of de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met de natuurwetgeving kan worden uitgevoerd, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. De resultaten hiervan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 7.
Afbeelding 18 Ligging t.o.v. dichtstbij gelegen Natura 2000 gebied
Gelet op de grote afstand zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Echter is met het planvoornemen stikstofuitstoot niet geheel uit te sluiten. Er worden immers opstallen, verharding en bijbehorende voorzieningen gesloopt en er vindt een wijziging plaats van de juridisch planologische situatie. Derhalve is een stikstofdepositieberekening opgesteld om inzichtelijk te maken wat het effect is van het planvoornemen ten aanzien van de stikstofdepositie op
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand van circa 4,3 kilometer van het plangebied. Ter impressie zie navolgende afbeelding.
44
omliggende Natura 2000-gebieden. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 9.
Afbeelding 19 Uitsnede AERIUS Calculator met uitkomsten stikstofdepositieberekening
Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt op circa 180 meter ten oosten van het plangebied. Ter impressie zie navolgende afbeelding. Het betreft beheertype ‘Beek en Bron’. Het gaat hier om kleine stromende wateren met hun bronnen, die uiteindelijk uitmonden in een rivier, in oost- en zuid Nederland, of op een estuarium. Beken en bronnen zijn van groot belang voor bronmos, bronkruid beekstaartjesmos, waterranonkels, sterrekroossoorten, vederkruiden, waterviolier en enkele fonteinkruiden.
Bestemmingsplan “ Rielsebaan 48 – 52 te Gilze”
In de stikstofdepositieberekening is de gebruiksfase en het aantal vervoersbewegingen meegenomen. De bijgevoegde AERIUS berekening toont aan dat er sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Het geeft een toename van 0,01 mol/ha/jaar op het gebied Regte Heide & Riels Laag. Deze toename is zodanig laag, dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie worden uitgesloten. Hierdoor zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van Natura 2000-gebieden wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.