Bijlage 2- Toelichting ontwerp BP 'Mgr Schaepmanstraat 32 Rijen'
Tekst van het document
4.5.1
Beleid Provincie Noord-Brabant
Op 22 december 2021 is Waterbeleid: Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 van de provincie Noord-Brabant in werking getreden. De RWP is voorbereid onder de Waterwet en door Provinciale Staten vastgesteld als regionaal waterplan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet, is het RWP een verplicht programma onder de Omgevingswet. Samen met het middels de Visie Klimaatadaptatie door Provinciale Staten vastgestelde beleidskader voor klimaatadaptatie (incl. vitale bodem) en verdrogingsbestrijding vormen zij het kader voor de uitvoering van de wettelijke taken en de doelen uit de Brabantse Omgevingsvisie. In het Regionaal Water- en Bodemprogramma is opgenomen hoe de provincie de komende jaren om zal gaan met thema’s als klimaatadaptatie, schoon water en vitaliteit van de bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Om dat te bereiken, beschrijft het plan verschillende ontwikkelingen die van invloed zijn op de opgaven voor water en bodem.
Ook worden er 7 handelingsprincipes genoemd vanuit de kernwaarden van de Brabantse Omgevingsvisie. De eerste zes handelingsprincipes zijn ontleend aan de Visie Klimaatadaptatie (Besluit Provinciale Staten, 19 juni 2020) waarin de principes voor het eerst zijn geformuleerd en vastgesteld. Ze gaan over het in balans brengen van de watervoorraad, extreme weersituaties opvangen, water- en bodemkwaliteit beschermen en gebruikers verantwoordelijk stellen. Als zevende principe is, mede gelet op trends en ontwikkelingen, het circulair denken toegevoegd. Hergebruik van stoffen uit het water of opwerken naar nieuwe stoffen staat daarbij centraal.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
28
4.5.2
Beleid Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in de gemeente Gilze en Rijen. Haar taken zijn waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, nog specifiek beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Naast het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft waterschap Brabantse Delta een eigen Keur, legger en verordeningen. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Keur is onder andere te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van ruimtelijke (her)ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zoals het hydraulisch neutraal ontwikkelen.
Aanvullend op de Keur heeft het waterschap haar eigen algemene regels vastgelegd in de “Algemene regels waterschap Brabantse Delta”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater” van waterschap Brabantse Delta. De waterschappen maken bij het beoordelen van het toegenomen verhard oppervlak onderscheid in de mate van toename van het verhard oppervlak. De grenswaarden voor het toenemen aan verhard oppervlak waaraan getoetst wordt zijn: ▪ < 500 m²; ▪ tussen de 500 m² en 10.000 m²; ▪ 10.000 m². Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat ruimtelijke (her)ontwikkelingen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Om aan dit uitgangspunt te kunnen voldoen wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren.
4.5.3
Beleid gemeente Gilze en Rijen
De gemeente Gilze en Rijen heeft in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021 - 2025 (vGRP) drie hoofddoelen omschreven: 1. Het duurzaam beschermen van de volksgezondheid; 2. Het op peil houden van de kwaliteit van de leefomgeving; 3. Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater). Deze drie hoofddoelen zijn uitgewerkt in de volgende zeven doelen: 1. Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater;
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
29
2. Doelmatig inzamelen en verwerken van stedelijk afvalwater; 3. Voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel nadelig beïnvloedt; 4. Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken; 5. Doelmatig beheer en goed gebruik van de riolering; 6. Zo mogelijk infiltratie van regenwater in de bodem; 7. Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem en grondwater zoveel mogelijk voorkomen Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat een versnelde afvoer of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk voorkomen wordt door infiltratie of retentie. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te ontwikkelen tot een bui van t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dit komt overeen met een compensatie-eis van 60 mm. Beoordeling en conclusie Door Stantec is een uitgebreide waterparagraaf opgesteld welke als bijlage is opgenomen bij de toelichting. Hieronder zijn de belangrijkste adviezen en conclusies uit de waterparagraaf opgenomen. Uitgangspunt voor de waterparagraaf is de huidige situatie waarbij de bebouwing van de TropicalMargriethal reeds is gesloopt. Op de locatie is in de huidige situatie zodoende nauwelijks bestaande verharding aanwezig. Door de (her)ontwikkeling zal er 3.676 m2 aan extra verhard oppervlak ontstaan.
Uitgaande van deze toename aan extra verhard oppervlak en gelet op het beleid van Waterschap Brabantse Delta, is er een watercompensatie nodig. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak van 4.946 m2 moet er worden gecompenseerd volgens de norm van 60 mm. Hierdoor is er een bergingseis van 297 m3. In het plangebied is deze bergingseis haalbaar doordat meerdere waterbergingsopties mogelijk zijn toe te passen. De voorkeur gaat daarbij uit naar een bovengrondse berging boven een ondergrondse berging. De meest voorkomende bovengrondse waterbergingen zijn oppervlaktewater en wadi’s. In het plangebied is het aanleggen van oppervlaktewater geen optie. Doordat er in het plangebied geen bestande watergangen aanwezig zijn is er geen locatie waarop mogelijke oppervlaktewater op kan aansluiten. Het aanleggen van een wadi zal plaatsvinden in het openbaar groen. Binnen het plangebied kan het water ook geborgen worden onder de grond. Veel voorkomende manieren zijn bijvoorbeeld een waterbergende fundering en infiltratie kratten. Bij het bergen in de ondergrond wordt het hemelwater via een hemelwaterriool of infiltrerende verharding afgevoerd richting de berging. Er is genoeg oppervlakte in het plangebied waaronder een ondergrondse waterberging kan worden toegepast.
Om te voldoen aan de watertoets is de waterparagraaf formeel ter beoordeling voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta en aan de gemeente Gilze en Rijen voor een wateradvies. De uitkomsten hiervan zijn verwerkt in paragraaf 6.2.2 van deze toelichting.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
30
4.6
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
Toetsingskader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. De richtafstand tussen een milieugevoelige functie en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de gevoelige functie, die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is, tot de grens van de inrichting. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming ligt. De VNG-publicatie gaat uit van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied of van een gemengd gebied. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied kan aangemerkt worden als een gebied zonder functiemenging en een minimale invloed van invloeden van wegverkeer.
Bij een gemengd gebied is sprake van een functiemenging tussen wonen en milieubelastende activiteiten, van wonen langs drukke gebiedsontsluitingswegen of bij lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één stap worden verlaagd, behalve voor het aspect gevaar. De richtafstandenlijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar. Voor het aspect gevaar wordt hierbij wel de kanttekening geplaatst dat mogelijke specifieke regelgeving van toepassing kan zijn zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of het Vuurwerkbesluit. De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van milieugevoelige objecten (die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk zijn) tot de grens van de inrichting. Beoordeling en conclusie Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een woongebouw binnen de richtafstand van de sporthal. Voor een sporthal geldt volgens VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 50 meter tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk. De 50 meter heeft betrekking op het aspect ‘geluid’.
Hierdoor voldoet de situering van het voorgenomen appartementengebouw niet aan de minimale richtafstand van 50 meter t.o.v. de sporthal. In het kader van de vergunning voor de bouw van de sporthal is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting van de sportfaciliteit op de nieuwe en bestaande woningen in de omgeving. Middels dit onderzoek is aangetoond dat ter plaatse van het appartementengebouw een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geluid afkomstig van de sporthal kan worden gewaarborgd. Het rapport van het akoestisch onderzoek is toegevoegd als Bijlage 6 bij deze toelicht. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
31
4.7
GELUID WEGVERKEERSLAWAAI
Toetsingskader Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige gebouwen (waaronder woningen), nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een (spoor)weg en/of industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen. Beoordeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een woongebouw met 19 appartementen. Hiermee wordt een geluidsgevoelige bestemming gerealiseerd zoals opgenomen in de Wgh. Door Stantec is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd in het kader van de Wgh. Daarbij is tevens in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook het geluid afkomstig van omliggende 30 km/u wegen onderzocht. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting op de geluidgevoelige functies binnen de ruimtelijke ontwikkeling als gevolg van het wegverkeer en deze te toetsen aan het wettelijk kader van de Wet geluidhinder. Het onderzoeksrapport is als bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd.
Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een woning of een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. De ruimtelijke ontwikkeling bevindt zich binnen de geluidzone van Mgr. Nolenstraat. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook de geluidbelasting te worden beoordeeld als gevolg van cumulatie van alle geluidbronnen. In dit verband zijn ook de niet gezoneerde wegen Mgr. Schaepmanstraat, Van Oldenbarneveldtlaan en Colijnstraat in het onderzoek betrokken. Uit de rekenresultaten blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB als gevolg van de Mgr. Nolenstraat niet wordt overschreden. Het vaststellen van een hogere warde is niet aan de orde. De karakteristieke geluidwering van de gevels moeten voldoen aan de minimale eis van 20 dB uit het Bouwbesluit 2012. Uit een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening blijkt dat voor het appartementencomplex sprake is van een “Goed” woon- en leefklimaat Conclusie Het milieuaspect wegverkeerslawaai vormt geen beperking voor de realisatie van het appartementencomplex.
4.8
LUCHTKWALITEIT
Toetsingskader Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
32
getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Een project wordt als NIBM beschouwd als aannemelijk is dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde. Beoordeling en conclusie Om het beoordelen van plannen voor overheden eenvoudiger te maken is in de Regeling NIBM het percentage van 3% uitgewerkt in concrete getallen. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. In het voorliggend plan is sprake van de realisatie van een appartementengebouw met 19 appartement woningen. De realisatie van 19 appartement woningen wordt gezien als NIBM. Een toetsing aan de grenswaarden kan voor deze ontwikkeling achterwege blijven. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Toetsingskader Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Met de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit gevolgd en wordt de uitvoering van de maatregelen en projecten (die zijn opgenomen in het NSL) bijgehouden. De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2016). De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken. Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Beoordeling Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Wettelijke grenswaarden en actiedrempels zijn meestal een compromis tussen haalbaarheid en gezondheid. Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen.
De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2015 en 2020). De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
33
Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de monitoringstool. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt op basis van de gegevens in de NSLmonitoringstool. In deze tool is onder andere de weg opgenomen. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 nabij het plangebied weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2019.
Figuur 13: uitsnede NSL- monitoringstool, met plangebied in rood omkaderd
Voor de meting van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is uitgegaan van de concentratie luchtverontreinigende stoffen aan de N631 (Oosterhoutseweg). Het is aannemelijk dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen langs overige wegen in de omgeving van het plangebied in ieder geval lager zijn dan langs de N631. Uit de NSL-monitoring blijkt in de omgeving van het plangebied de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk 14,256 µg /m3, 15,682 µg /m3 en 8,683 µg /m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO 2, PM10 (beide 40 ug/m3) en PM2,5 (25 µg /m3) worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 7, waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden. De algemene trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen gaan dalen. Overschrijdingen van de grenswaarden zijn dan ook niet te verwachten. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Vanwege de algemene trend dat de emissies en achtergrondconcentraties gaan dalen, worden ook in de toekomst geen overschrijdingen verwacht.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
34
4.9
CULTUURHISTORIE
Cultuurhistorische waardenkaart In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn. In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de cultuurhistorische waarden kaart ter plaatse van het plangebied.
Figuur 14: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, met het plangebied in rood omkaderd
Beoordeling en conclusie Het plangebied is op de locatie van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie NoordBrabant niet aangeduid als cultuurhistorische waardevol gebied. Het beoogde plan heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van het gebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.
4.10
ARCHEOLOGIE
Toetsingskader Gemeenten hebben op basis van de Monumentenwet en de Wet op de archeologische monumentenzorg de rol van bevoegd gezag op gebied van archeologie. Dit betekent dat de zorg voor het bodemarchief niet langer vrijblijvend is, maar dat zij de verantwoordelijkheid moeten nemen voor de archeologische monumentenzorg.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
35
Beoordeling en conclusie In het vigerend bestemmingsplan zijn locaties met een hoge archeologische verwachtingswaarde specifiek aangeduid. Het planperceel heeft in het geldende bestemmingsplan de aanduiding ‘Waardearcheologie-6’. Op gronden met deze bestemming is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek verplicht wanneer bebouwing wordt gerealiseerd of werkzaamheden plaatsvinden met een oppervlak groter dan 25.000 m2 en dieper gaan dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. Aangezien de verstoringsoppervlakte minder bedraagt dan 25.000 m 2 is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
4.11
EXTERNE VEILIGHEID
Toetsingskader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Beoordeling Het initiatief voorziet in de realisatie een appartementengebouw met 19 woningen. Met het plan worden woningen en dus nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Daarom is met behulp van de risicokaart nagegaan of risicobronnen, in de omgeving van het plangebied, een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het bouwplan bevindt zich niet binnen 200 meter van een transportroute of binnen het invloedsgebied van een buisleiding of een risicovolle inrichting. Op grotere afstand zijn echter wel transportroutes aanwezig waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het betreft de Rijksweg A58 en A27 en de spoorlijn Breda-Tilburg, waarvan het invloedsgebied van toxische stoffen wel over het plangebied is gelegen.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
36
Figuur 15: Uitsnede risicokaart ter plaatse van het plangebied
Rijksweg A58 De Rijksweg A58 maakt deel uit van het basisnet waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. De afstand van het plangebied tot de A58 is zodanig groot (circa 4 kilometer), dat deze buiten de plaatsgebonden risicocontour, het verantwoordingsgebied en het invloedsgebied ligt. Spoorlijn Breda- Tilburg De spoorlijn Breda-Tilburg die deel uitmaakt van het basisnet ligt op circa 0,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en ook niet binnen het verantwoordingsgebied van 200 meter. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische stoffen. Op basis van artikel 7 van de Bevt dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten strijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ondergrondse buisleidingen Ten westen van het plangebied liggen twee ondergrondse buisleidingen. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 1 kilometer. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de buisleidingen. Conclusie Het initiatief voorziet in de realisatie van een appartementengebouw. Er worden zodoende nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In Bijlage 8 van deze toelichting is een motivering opgenomen van het aspect externe veiligheid en de standaard verantwoording groepsrisico van de
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
37
Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant opgenomen. Ten behoeve van voorliggende plannen gelden derhalve geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid.
4.12
M.E.R BEOORDELING
Toetsingskader Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. in werking getreden. De vorm-vrije mer-beoordeling voor activiteiten onder de grenswaarde is vervangen door de mer- beoordelingsplicht. De mer- beoordelingsplicht is van toepassing indien: ▪ de activiteit onder een van de categorieën van activiteiten in kolom 1 van bijlage D valt (ongeacht de omvang van d ie activiteit) én ▪ sprake is van een aangewezen besluit in kolom 4 van bijlage D, waaronder het bestemmingsplan. Beoordeling De realisatie van woningen valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject zoals genoemd in categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. en er is sprake van een besluit zoals genoemd in kolom 4. De drempelwaarde uit onderdeel D 11.2 voor woningen ligt op 2.000 woningen of meer. Voorliggende herziening voorziet in de toevoeging van 19 appartementen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project (midden in het stedelijk gebied van Rijen) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de beoordeling van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Conclusie Aangezien de ontwikkeling valt onder de activiteit D 11.2 van het Besluit m.e.r. is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Het plan heeft geen belangrijke negatieve gevolgen het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Het bevoegd gezag neemt op basis van een aanmeldnotitie een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit wordt te zijner tijd als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
38
5.0
JURIDISCHE PLANBESCRHIJVING
5.1
INLEIDING
Een bestemmingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). Algemene toelichting verbeelding Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee wordt ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld met andere overheden en samenwerkingspartners. Verder maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
Algemene toelichting planregels De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming onder meer bestemmingsregels, bouwregels en afwijkingsmogelijkheden; ▪ Hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin algemene afwijkings-, bouw-, gebruiks-, aanduidings-, afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels), met daarin de overgangsregels en de slotregel.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
39
5.2
TOELICHTING BESTEMMINGEN
In dit bestemmingsplan komen de volgende regels en bestemmingen voor:
5.2.1
Hoofdstuk 1; Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). Hierin wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe dient te worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan.
5.2.2
Hoofdstuk 2: Bestemmingsplanregels
In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingsplanregels opgenomen. Artikel 3: Groen Gronden met de bestemming groen zijn bedoeld voor groenvoorzieningen. Hieronder vallen onder andere voorzieningen voor langzaam verkeer, speelvoorzieningen, straatmeubilair en kunstobjecten, kunstwerken, nutsvoorzieningen en ondergeschikte voorzieningen voor verkeer parkeren en inritten. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor speeltoestellen en kunstobjecten geldt een maximale bouwhoogte van 4 meter. De maximale bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes bedraagt maximaal 6 meter. De maximale bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 3,5 meter bedragen. Artikel 4: Maatschappelijk Gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en hieraan ondergeschikte voorzieningen zoals tuinen, erven parkeer- en groenvoorzieningen. Onder maatschappelijke voorzieningen wordt verstaan voorzieningen op het gebied van: openbaar bestuur en overheidsdiensten, levensbeschouwelijke organisaties, onderwijs en kinderopvang, gezondheidszorg, veterinaire diensten en uitvaartvoorzieningen. Hieronder valt ook ondergeschikte detailhandel en horeca tot en met categorie 2. Binnen deze bestemming geldt een maximale bouwhoogte van 8 en 11 meter.
Artikel 5: Verkeer: Gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, bermen en fiets- en voetpaden. De gronden zijn verder ook bestemd voor nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, ondergrondse voorzieningen zoals bergbezinkbassins, drinkwatervoorzieningen en (hoofd)riolering en groenvoorzieningen inclusief waterpartijen en –gangen, kunstwerken, kunstobjecten, speeltoestellen en straatmeubilair. Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
40
Artikel 6: Wonen Deze bestemming is opgenomen voor de realisatie van het appartementengebouw. Binnen deze bestemming mogen er maximaal 19 (gestapelde) wooneenheden worden gerealiseerd. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor de afzonderlijke huisvesting van huishoudens of daarmee vergelijkbare economische eenheden van een of meer personen in grondgebonden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘gestapelde woningen’, gestapelde woningen, al dan niet in samenhang daarmee aan huis gebonden beroepen. Het appartementengebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Verder is een aanduiding opgenomen met een maximum goot- en bouwhoogte van 11 meter. Artikel 7: Waarde-Archeologie 6 In het bestemmingsplan is, ter bescherming van de archeologische waarden, een dubbelbestemming opgenomen. De met 'Waarde – Archeologie 6' bestemde gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden met te verwachten archeologische waarden. Op deze gronden is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten dieper dan 40 cm, het verlagen van de waterpeil of het aanbrengen of rooien van bomen of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd.
Dit verbod geldt niet voor bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 25.000 m2 of een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Voor het overige zijn in dit bestemmingsplan de regels van het vigerende bestemmingsplan van toepassing verklaard.
5.2.3
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Hieronder zijn begrepen de anti-dubbeltelregel, de algemene gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels en de overige regels. Onder de algemene aanduidingsregels is een aanduiding ‘IHCS -1’ opgenomen in verband met het beschermingsgebied van in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen. Hierdoor geldt ter plaatse van het plangebied een bouwhoogtebeperking van bouwwerken hoger dan 56 boven NAP.
5.2.4
Hoofdstuk4: Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
41
6.0
UITVOERBAARHEID
6.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Gilze en Rijen en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is voor de gemeente Gilze en Rijen derhalve een kostenneutrale ontwikkeling. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.
6.2
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
6.2.1
Omgevingsdialoog
Naast de wettelijke procedures, besteedt de initiatiefnemer nadrukkelijk aandacht aan de communicatie met de belanghebbenden. De plannen zijn dan ook tot stand gekomen na diverse afstemmingsmomenten en workshops waarbij hen de gelegenheid is geboden om bezwaren en suggesties naar voren te brengen.
6.2.2
Vooroverleg
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan aan de daarvoor in aanmerking komende instanties toegezonden. Het plan is gestuurd naar de provincie Noord-Brabant, het waterschap Brabantse Delta, de brandweer Midden- en West-Brabant. De reacties zijn hieronder samengevat. ▪ Vanwege de ligging van het plangebied binnen een toxisch invloedsgebied dient in het kader van externe veiligheid is met name afsluitbare mechanische ventilatie in het gebouw een aandachtspunt. ▪ In de waterparagraaf 4.5 van de toelichting wordt verwezen naar de bijlage met de uitgebreide waterparagraaf. Voor het overzicht en de volledigheid is aangeraden een samenvatting van de bevindingen uit de waterparagraaf (zoals bergingsopties) op te nemen in de toelichting zelf. Paragraaf 4.5 van deze toelichting is naar aanleiding van dit advies aangepast. De ontvangen vooroverlegreacties zijn als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
6.2.3
Ontwerp bestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij de gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. De resultaten van deze procedure worden te zijner tijd in de toelichting verwerkt.
Stantec | 327200295_Ontwerp bestemmingsplan herontwikkeling Mgr. Schaepmanstraat 32 Rijen
42