Bijlage 2- Regionale analyse voortijdige schoolverlaten en arbeidsmarkt
Tekst van het document
Regionale analyse Midden Brabant . Britt Visser Rita Kennis
16 april 2025
Projectnummer: K2024077
© 2024 KBA Nijmegen Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een retrieval systeem worden opgeslagen, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van KBA Nijmegen. No part of this book/publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher.
ii |
Inhoudsopgave Samenvatting
1
1 Inleiding 1.1 Onderzoeksvragen 1.2 Opzet van het onderzoek 1.3 Leeswijzer
7 7 9 11
2 Typering vsv’ers in de regio 2.1 Aandeel en aantallen vsv’ers 2.2 Onderwijsherkomst vsv’ers 2.2.1 Herkomst vsv’ers in het mbo per niveau en leerweg 2.2.2 Herkomst vsv’ers in het vo 2.3 Kwetsbare overgangen in en uit het onderwijs 2.3.1 Ongediplomeerde uitstroom vanuit havo naar het mbo 2.3.2 Instroom en uitval van nieuwkomers in het mbo 2.3.3 Uitstroom uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs 2.4 Vsv’ers één jaar later
13 13 16 17 23 26 26 28 32 35
3 De overgang van school naar werk 3.1 De wet Van school naar duurzaam werk 3.2 Veranderingen in het regionaal programma 3.3 Begeleiding van school naar duurzaam werk in Midden-Brabant 3.4 NEET-jongeren 3.5 Verdiepende cijfers
37 37 38 38 40 42
4 Leidende principes in de regionale aanpak
45
5 Conclusie
49
Bijlage 1 – geraadpleegde documentatie en interviews
55
| iii
Samenvatting
In opdracht van de Doorstroompunt-regio Midden-Brabant is een regionale analyse uitgevoerd die input moet bieden voor de vormgeving van het nieuwe regionale programma. In de analyse is aandacht voor de typering van de groep vsv’ers in de regio, groepen die (extra) aandacht vragen in de aanpak voortijdig schoolverlaten of overgang van school naar werk, veranderingen die in het opstellen van het regionaal programma aandacht vragen door de invoering van de wet Van school naar duurzaam werk en de uitgangspunten van waaruit de regio werkt / wil werken. Omvang en typering van voortijdig schoolverlaten in de regio Aandeel en aantallen vsv’ers Sinds 2019-2020 neemt het aandeel voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) toe, zowel landelijk als in de regio Midden-Brabant. In 2023-2024 bedroeg het aandeel vsv’ers in Midden-Brabant 2,5 procent, wat overeenkomt met de verwachting op basis van de sociaaleconomische kwetsbaarheid van de regio. In absolute aantallen ging het om 765 nieuwe vsv’ers. Het percentage nieuwe vsv’ers in Midden-Brabant (2,5%) ligt in vergelijking met de benchmarkregio’s (2,7%) iets lager. Vsv en woongemeente Tussen gemeenten zijn er verschillen in het percentage nieuwe vsv’ers. In Tilburg is het percentage zowel in absolute als relatieve zin het hoogste. In 2023-2024 woonde ongeveer 60 procent van alle nieuwe vsv’ers in deze gemeente.
Binnen Tilburg komen de meeste vsv’ers uit de wijken Noord, Oud-Noord, Reeshof en West. Het aandeel vsv’ers is zowel op gemeentelijk niveau als op wijkniveau sterk gerelateerd aan de sociaaleconomische kwetsbaarheid van de gemeente/wijk. Dat betekent dat naast afstemming van de regionale aanpak op de inspanningen en het beleid van scholen, óók samenwerking met partners uit hulpverlening en afstemming met gemeentelijk beleid relevant is. Onderwijsherkomst vsv’ers Het grootste deel van de vsv’ers (70%) is afkomstig uit het mbo. Door een stijging van het aantal vsv’ers uit het vo en een daling van het aantal uit het mbo, neemt het relatieve aandeel vsv’ers dat uit het mbo komt wel af; in 2022-2023 ging het nog om 80 procent. Binnen het mbo is circa 40 procent van de nieuwe vsv’ers afkomstig van mbo-1 en -2, terwijl slechts 19 procent van de mbo-studenten een opleiding volgt op deze niveaus. In 2022-2023 was het percentage vsv’ers op mbo-1 en mbo-2 hoger dan in de benchmarkregio’s en landelijk. Wel is in 2023-2024 zowel op mbo-1 als mbo-2 het vsv-percentage gedaald (net als landelijk) Ondanks de inspanningen die regionaal al worden ingezet (zoals de maatregel Sterke Start Entree) blijven de uitvalpercentages relatief hoog. Inspanningen blijven nodig, zowel voor de bol (absoluut de meeste vsv’ers) als de bbl (relatief het meest en stijgend).
Hoewel op mbo-niveau 3 en 4 het vsv-percentage lager is (6,11% mbo-3, 3,92% mbo-4 in 20232024), volgde in absolute zin bijna de helft van alle vsv’ers een opleiding op mbo-3 of -4. De redenen van uitval zijn divers. Uitval wordt veroorzaakt door ‘groenpluk’ (dat verder gaat dan alleen het handelen van de werkgever en vaak het gevolg is van een stapeling van factoren), studiekeuzeproblemen en persoonlijke problematiek.
|1
Op de vavo daalt het vsv-percentage regionaal sinds 2020-2021 en lag dit in 2022-2023 op 10,08 procent. In 2023-2024 is het vsv-percentage weer licht gestegen (10,49%). Succesfactoren in de aanpak zijn een integrale samenwerking tussen onderwijs en hulpverlening, een preventieve aanpak gericht op een warme overdracht/goede kennismaking en leerling gestuurd werken. De uitgangspunten van deze aanpak kunnen ook relevant zijn voor het mbo (alle niveaus). Binnen het voortgezet onderwijs is het aantal en percentage nieuwe vsv’ers in vergelijking met dat in het mbo heel beperkt. Wel was het vsv-percentage in de onderbouw van het vo in MiddenBrabant in 2023-2024 hoger dan landelijk (1,04% vs. 0,52%). In Midden-Brabant ging het in 20232024 om 117 nieuwe vsv’ers. Ruim een derde van deze uitval komt van ISK-leerlingen (nieuwkomers). Onduidelijk is in hoeverre administratieve oorzaken (ruis) hier een verklaring in vormen. In de bovenbouw vmbo is het aandeel hoger dan in de onderbouw vo (1,37%), maar in absolute aantallen gaat het om minder vsv’ers (61). In de bovenbouw havo/vwo is het aantal vsv’ers nog kleiner (N = 35), maar is het aandeel vsv’ers de laatste jaren wel verdubbeld. Het succesvol maken van de overstap naar het mbo kan vsv van deze groep voorkomen. Aandacht hiervoor is belangrijk, gezien de groei van met name de groep havisten die uitvalt.
Kwetsbare overgangen in en uit het onderwijs Naast de eerder besproken groepen zijn er verschillende onderwijsgerelateerde overgangen die risico’s met zich meebrengen voor voortijdig schoolverlaten of werkloosheid. Drie belangrijke overgangsmomenten zijn meegenomen in de analyse: de ongediplomeerde uitstroom van havo naar mbo, de instroom en uitval van nieuwkomers, en de uitstroom uit het vso en praktijkonderwijs. Ongediplomeerde uitstroom vanuit havo naar het mbo Eerder is al de groei van het aantal vsv’ers in de bovenbouw havo/vwo benoemd. Landelijk gaat dit (sinds 2020-2021) gepaard met een sterke groei (+68%) in de instroom van ongediplomeerde havisten naar het mbo, met name vanuit havo-4. Ook in de regio is sprake van groei. Dit kan positief zijn als praktisch onderwijs beter aansluit, maar brengt ook risico’s mee omdat deze leerlingen geen startkwalificatie hebben bij uitval. Landelijk vallen ongediplomeerde havisten vaker uit in het mbo dan instromers vanuit het vmbo. In de regio is 40 procent van de havisten in het mbo gestopt binnen 2,5 jaar na instroom. Onbekend is of dat meer of minder is dan andere instromers in het mbo. Dit vraagt om meer structurele monitoring.
Andere aandachtspunten voor deze doorstroom zijn: Meer aandacht voor doorstroommogelijkheden havo-mbo binnen het vo én mbo (tijdige informatievoorziening) en intensiveren van samenwerking tussen havo-decanen en mbo; Aandacht hebben voor (vergroten van) aangepaste onderwijsprogramma’s, zoals meer mogelijkheden om te versnellen; Aandacht voor de vraag of havisten in het mbo andere begeleiding vragen (in de overstap) en verkenning van deze vraag in samenwerking tussen havo en mbo. Instroom en uitval van nieuwkomers in het mbo Nieuwkomers vormen een grote, groeiende groep binnen de Entreeopleiding van Yonder. De uitval van ISK-leerlingen in de Entreeopleiding is lager dan gemiddeld, en ongeveer de helft stroomt door naar mbo-2, waar hun studiesucces beter is dan dat van andere mbo-1 naar mbo-2 doorstromers. Wel zijn er zorgen over taalbeheersing en de geschiktheid van het onderwijstraject, vooral voor inburgeringsplichtige jongeren. Aandachtspunten voor nieuwkomers en het onderwijs aan deze groep:
2|
-
Diversiteit binnen de groep, inclusief verschillen in status, taalbeheersing en andere problematiek, en motivatie; Onvoldoende passende onderwijsplekken, vooral door hoge taaleisen; Gebrek aan praktijkgerichte routes (waaronder ook integratie van onderwijs en inburgering); Noodzaak van betere afstemming tussen ISK, vervolgonderwijs en gemeente en verbeteren van doorgaande leerlijnen. Oplossingsrichtingen: ISK als expertisecentrum formaliseren voor advisering, deskundigheidsbevordering en begeleiding; Extra financiering voor NT2-onderwijs; Ontwikkeling / beter benutten van meer praktijkgerichte leertrajecten; Betere afstemming over doorstroom en passende vervolgroutes (w.o. inburgeringsroutes) a.d.h.v. duidelijke criteria; Verbeterde overdracht van ISK naar vervolgonderwijs. Uitstroom uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs Leerlingen uit met name het vso zijn kwetsbaar in de doorstroom naar mbo en de arbeidsmarkt. Cijfers van Yonder tonen aan dat de uitval onder pro-leerlingen in de Entreeopleiding gelijk ligt aan het gemiddelde (29%), maar voor vso-leerlingen significant hoger is (50% in 2022-2023). Landelijke cijfers bevestigen dat vso-leerlingen vaker van mbo-opleiding wisselen en minder vaak een diploma behalen.
Op de arbeidsmarkt heeft 60 procent van de vso-leerlingen (profiel arbeidsmarktgericht) en 30 procent van de pro-leerlingen direct na uitstroom geen werk. De kwetsbaarheid van vso-leerlingen in deze verschillende overgangen vraagt om extra aandacht. In de regio Midden-Brabant stroomt circa een derde van de vso-leerlingen door naar het mbo, wat lager is dan in benchmarkregio’s. Dit komt doordat een relatief groot deel een uitstroomprofiel richting arbeid heeft. Voor praktijkonderwijs is de uitstroom naar mbo hoger dan bij vso (55%), maar lager dan in de benchmarkregio’s. Aandachtspunten in de overstap van vso en praktijkonderwijs naar mbo zijn: Verder vergroten van de kennis over het mbo door pro en vso én andersom, door intensiveren van de samenwerking en kennisdeling tussen deze partijen en door doorontwikkeling van de voorbereiding van pro- en vso-leerlingen op het mbo; Actief oppakken van verzuim en (dreigende) uitval, bijvoorbeeld door vroegtijdige inzet (op school) van verzuimcoördinator en leerplicht/doorstroompunt, inzet van peers, betrokkenheid/coaching vanuit vso en pro in overstap en duidelijkheid richting student over contactpersonen; Verder verbeteren van de warme overdracht, ook op leerling- en ouderniveau; Verder vergroten van de mogelijkheden tot flexibiliteit/maatwerk (o.a. in examinering, instroommomenten, mbo-certificaten).
Praktijkgerichte routes In de volle breedte van bovenstaande doelgroepen (vo en mbo) is er volgens betrokkenen uit de regio meer nodig in de ontwikkeling van meer praktijkgerichte (maatwerk)routes (met kwalificering), voor zowel 18- als 18+. Dat vraagt om goede samenwerking tussen partners vanuit zowel onderwijs, gemeenten als werkgevers. Overgang van school naar werk Wet Van school naar duurzaam werk
|3
De nieuwe wet Van school naar duurzaam werk beoogt gelijke kansen te vergroten door jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk bij (dreigende) werkloosheid. De wet wordt ingevoerd omdat bestaande wettelijke taken van mbo-instellingen, het Doorstroompunt en gemeenten niet optimaal op elkaar aansluiten, wat leidt tot beperkte en versnipperde ondersteuning. De wet introduceert vier maatregelen: 1. Onderwijs – Scholen bieden tot een jaar na diplomering aanvullende loopbaanbegeleiding aan jongeren die dat nodig hebben (uitbreiding taak). 2. Doorstroompunt – Uitbreiding van doelgroep (jongeren zonder startkwalificatie tot 27 jaar). 3. Gemeenten – ondersteuning voor jongeren die moeite hebben hun weg naar de arbeidsmarkt te vinden (uitbreiding taak). 4. Samenwerking – Verplichte regionale samenwerking tussen onderwijs, gemeenten en het Doorstroompunt.
Veranderingen in het regionaal programma Door de invoering van de wet krijgt het regionaal programma een bredere focus en doelgroep: Bredere focus: van preventie en bestrijding van voortijdig schoolverlaten naar het ondersteunen van alle jongeren bij onderwijs en werk; Verbreding doelgroep: uitbreiding van de leeftijdsgroep van 12-23 naar 12-27 jaar; Extra aandacht voor NEET-jongeren (Not in Employment, Education or Training); Verbreding partners: naast scholen en Doorstroompunt, werken ook gemeenten verplicht mee samen in het regionaal programma. Begeleiding van school naar werk in Midden-Brabant Uit eerder onderzoek in de regio blijkt dat mbo-instellingen en gemeenten uiteenlopende aanpakken hanteren in de begeleiding van school naar werk. Succesfactoren (die niet overal al in dezelfde mate zijn doorgevoerd) zijn onder andere: Begeleiding door deskundigen met kennis over jongeren en ondersteuningsmogelijkheden; Proactieve benadering van jongeren door gemeenten; Aanbevelingen omvatten: Formuleren van een gezamenlijke visie op ondersteuning van school naar werk; Meer samenwerking/netwerkvorming en kennisdeling tussen scholen en gemeenten (o.a. i.s.m.
pro en vso); Meer gezamenlijk toewerken naar netwerk van sociale werkgevers; (Ondersteunen bij het) vergroten van kennis en expertise bij bedrijven over subsidies en voorzieningen; Vergroten van de bekendheid van gemeentelijke ondersteuningsmogelijkheden. NEET-jongeren In Midden-Brabant is 8,5 procent van de jongeren een NEET-jongere (circa 5.870 jongeren). Dit zijn jongeren die niet werken en ook geen onderwijs volgen. Ongeveer een derde van deze groep heeft een uitkering en is in beeld bij de gemeente, maar 64 procent is buiten beeld. Een deel daarvan is (ook nu al) wel bekend bij het Doorstroompunt of gemeente. De wet breidt de doelgroep van het Doorstroompunt uit met NEET-jongeren zonder startkwalificatie, tot 27 jaar. Naar schatting krijgt het Doorstroompunt te maken met ruim 700 NEET-jongeren die de nieuwe doelgroep van het Doorstroompunt vormen. Op basis van eerdere studies zou een klein deel van hen feitelijk behoefte hebben aan extra ondersteuning. Een (ander) deel van de NEET-groep (zonder
4|
of met startkwalificatie) valt met de nieuwe wet onder de nazorgregelingen van mbo-instellingen. De totale omvang van de groep die ondersteuning zal krijgen bij de overgang van opleiding naar werk is op dit moment niet goed in te schatten, omdat dit afhankelijk is van keuzes die (regionaal) gemaakt (moeten) worden. Verdere dataverzameling nodig Beschikbare data over jeugdwerkloosheid, de overgang school-werk en ondersteuning van jongeren door gemeenten zijn zeer beperkt beschikbaar. Daardoor is geen (goed) beeld te schetsen van de typering van de overgang van school naar werk voor uitstromers met en zonder startkwalificatie uit het mbo. Regionale afspraken zijn nodig om monitoring te verbeteren en daarmee zicht te krijgen en te houden op de doelgroep en de effectiviteit van in te zetten maatregelen. Leidende principes Naast groepen en overgangsmomenten die aandacht vragen in de aanpak van voortijdig schoolverlaten en de overgang van school naar werk, zijn ook de uitgangspunten van waaruit partners in de regio werken (of willen werken) in de regionale analyse naar voren gekomen. Deze zijn geformuleerd als leidende principes.
Deze zouden gebruikt kunnen worden in de vormgeving van de aanpak en samenwerking in het nieuwe regionale programma: Preventiedenken richt zich op het voorkomen van uitval door tijdig jongeren en hun ondersteuningsbehoeften in beeld te krijgen, bijvoorbeeld via warme overdrachten en uitgebreide intakeprocedures. Dit is op alle mbo-niveaus belangrijk. Daarnaast zijn registratie en monitoring essentieel voor het tijdig signaleren van risicogroepen en het maken van onderbouwde keuzes in de aanpak. Op dit punt zien betrokkenen ruimte voor groei. Transitiedenken benadrukt het belang van een procesbenadering van overgangen tussen onderwijsniveaus en van school naar werk, waarbij de betrokken partijen beter samenwerken en meer naar elkaar toe bewegen om te zorgen voor soepelere en succesvolle overgangen. Perspectief- en maatwerkdenken stelt de jongere centraal en biedt flexibele, op maat gemaakte oplossingen (aanbod, (praktijkgerichte) routes, ondersteuning) die aansluiten bij de specifieke behoeften van de jongere, zowel binnen het onderwijs als bij de overgang naar werk. Samenhangend- en netwerkdenken gaat over een integrale aanpak waarbij verschillende partners vanuit verschillende leefgebieden betrokken worden en samenwerken met het onderwijs om jongeren optimaal te ondersteunen, zowel preventief als na uitval (terugleiden naar onderwijs of werk).
|5
1 Inleiding
Na 2025 loopt de huidige convenantperiode van de aanpak voortijdig schoolverlaten af. Voor het opstellen van een nieuw regionaal programma hebben de partners in de Doorstroompunt-regio Midden-Brabant behoefte om terug te kijken wat er in de huidige periode is bereikt en vooruit te kijken naar de uitdagingen van de komende jaren. Voor en in de Doorstroompunt-regio is in de afgelopen periode al divers onderzoek gedaan: - Onderzoek (monitor) naar de vsv-aanpak: kwalitatief deel gericht op de preventie van uitval op mbo-1 en in de overstap vo-mbo (focus ouderbetrokkenheid, overstap en kennismaking, ondersteuning voor jongeren met een ondersteuningsbehoefte) en kwantitatief deel met kengetallen.1 - Onderzoek naar de ondersteuning die er in de regio wordt geboden aan jongeren bij de overgang van opleiding naar werk (bestaande inzet, effectiviteit inzet, eventuele benodigde andere of aanvullende ondersteuning). Context is de aankomende wet Van school naar duurzaam werk, waarvoor regio’s (mbo-instellingen en gemeenten) nieuwe verantwoordelijkheden krijgen in het voorbereiden op en begeleiden van jongeren van school naar werk.2 Om goed in te kunnen spelen op de ontwikkelingen in de regio, maar ook op veranderingen in de doelgroep van het regionaal programma is KBA Nijmegen gevraagd om een regionale analyse uit te voeren.
In deze regionale analyse worden er een aantal analyses gedaan die aanvullend zijn op reeds uitgevoerd onderzoek en om een samenvattend beeld te schetsen van de aanpak en eventuele witte vlekken (o.b.v. eerder onderzoek, en [eigen] cijfers en evaluaties) dat input moet geven voor de vormgeving en inrichting van het regionale programma 2025-2029 in de Doorstroompunt-regio Midden-Brabant.
1.1
Onderzoeksvragen
De onderzoeksvragen zijn langs twee sporen ingedeeld: een typering van de doelgroep voortijdig schoolverlaters in de regio en de aansluiting van de bestaande aanpak op de doelgroep. Typering voortijdig schoolverlaters in de regio 1. Wat zijn de belangrijkste voorspellers van voortijdig schoolverlaten in de regio? a. Wat komt uit landelijk onderzoek naar voren als de belangrijkste voorspellers van vsv en in hoeverre is dit ook in de regio zichtbaar? b. In hoeverre spelen bepaalde factoren in de regio een grotere rol in voortijdig schoolverlaten dan in vergelijkbare (benchmark)regio’s?
1 2
Kennis, R. (2023). Monitor vsv-aanpak RMC-regio Midden-Brabant. Visser, B., & Kennis, R. (2024). Ondersteuning van opleiding naar werk. Doorstroomregio Midden-Brabant.
|7
2. Hoe is de groep vsv’ers in de regio te typeren? a. Wat is de omvang en wat zijn achtergrondkenmerken van vsv’ers in de regio en welke ontwikkeling is hier de laatste vier jaar in te zien? • Woongemeente en -wijk • Laatst gevolgde onderwijstype • ‘Kwetsbare’ onderwijsherkomst (d.w.z. pro, vso, isk, entree) • School van herkomst • Uitvalreden • Terugkeer naar school binnen één jaar b. Hoe zijn specifiek de volgende doelgroepen te typeren in hun risico op voortijdig schoolverlaten en achterliggende kenmerken of ondersteuningsvragen? • nieuwkomers • switchers in het mbo c. In hoeverre leiden overgangen in de schoolloopbaan tot voortijdig schoolverlaten of het niet vinden van werk? Welke (type) jongeren lopen hierin meer risico? • overstap vo/vso/pro-mbo • overgang 18-/18+ (einde kwalificatieplicht, verandering wet- en regelgeving t.a.v. bv. jeugdwet) 3. Hoe is overgang school-werk te typeren voor uitstromers zonder startkwalificatie en gediplomeerde uitstromers (met startkwalificatie) uit het mbo? a. In hoeverre zijn uitstromers aan het werk en hoe is dit werk te typeren (hoogte inkomen, type contract, duurzaamheid werk)? Verschilt dit voor verschillende subgroepen? b. Welke groepen vinden geen werk binnen 3-6 maanden na diplomering? c. Welk deel van de uitstromers zonder startkwalificatie heeft een uitkering en hoe is deze groep te typeren? d.
Welk deel van de uitstromers zonder startkwalificatie heeft zorg (met indicatie) en hoe is die groep te typeren? e. Bij welk deel van de uitstromers zonder startkwalificatie is sprake van inzet vanuit participatiewet (loonkostensubsidie, jobcoaching) en hoe is deze groep te typeren? f. In hoeverre wordt er gebruik van praktijkleren / praktijkverklaring (en hoe is die groep te typeren)? Aansluiting van bestaande vsv-aanpak op doelgroep 4. Welke veranderingen zijn er in de regionale aanpak 2025-2029 (denk aan leeftijd, overgang school-werk, betrokken partners en hun rol, samenwerking gemeente)? a. Veranderingen in doelgroep (onderwijstype, problematiek, school/gemeente/regio) b. Veranderingen in focus (bv. voorkomen uitval, switch, overgang school-werk) c. Veranderingen in betrokken partijen
8|
5. In welke mate is de aanpak voortijdig schoolverlaten voldoende op aangesloten op de in onderzoeksvraag 2b en 2c genoemde doelgroepen en overgangsmomenten, en op de veranderingen in de regionale aanpak 2025-2029? Waar zitten witte vlekken en wat is er nodig om de aanpak beter op aan te laten sluiten? a. In hoeverre zijn maatregelen in het huidige vsv-programma al specifiek gericht op de in vraag 2b en 2c genoemde doelgroepen / overgangsmomenten? In hoeverre lukt het om uitval te voorkomen, wat zijn knelpunten en succesfactoren? b. In hoeverre sluiten de bestaande vsv-maatregelen aan op de (eisen in de nieuwe) regionale aanpak 2025-2029 (doelgroep, focus, betrokken partijen) en waar zitten witte vlekken? Welke veranderingen in doelgroepen, focus en betrokken partijen zijn wenselijk? c. Wat zijn vanuit deelvraag 5a en 5b gezien relevante aandachtpunten voor het nieuwe regionale programma (o.a. bereik, focus/kenmerken aanpak, betrokken partners en samenwerking)?
1.2
Opzet van het onderzoek
Focus in opzet en analyse De focus in de regionale analyse lag op de huidige vsv-maatregelen. Naast de vsv-maatregelen zijn er ook andere (regionale) initiatieven (vanuit onderwijs of gemeenten) die tot doel hebben om uitval te voorkomen of jongeren weer terug of toe te leiden naar onderwijs of werk. Deze zijn niet geanalyseerd (op effectiviteit of mogelijke verbeterpunten), omdat dit tot een te brede scope en te lange doorlooptijd van de analyse zou leiden. Hetzelfde geldt voor wat onderwijsinstellingen zelf doen, bijvoorbeeld vanuit hun kwaliteitsagenda, om inspirerend en uitdagend onderwijs te bieden aan de student (en daarmee ook uitval te voorkomen). Wel wordt gebruik gemaakt van de uitkomsten van eerder onderzoek naar de overgang van school naar werk in de regio MiddenBrabant. LPBL tool en benchmarkregio’s LPBL heeft voor alle Doorstroompunt-regio’s een tool ontwikkeld voor het opstellen van een regionale analyse. Met behulp van deze tool kan de Doorstroompunt-regio Midden Brabant worden vergeleken met Doorstroompunt-regio’s die vergelijkbaar zijn met Midden-Brabant, zogenaamde benchmarkregio’s. Deze benchmarkregio’s zijn geselecteerd aan de hand van verschillende criteria rondom de bevolkingssamenstelling van de regio.
Uit onderzoek van het CBS blijkt namelijk dat het aantal jongeren dat uitvalt of anderszins ondersteuning nodig heeft samenhangt met de bevolkingssamenstelling in een regio.3 Om inzicht te krijgen in de uitval en arbeidsdeelname van jongeren in een regio is het dan ook belangrijk om deze te bekijken in relatie tot de bevolkingssamenstelling van de regio. Om te voorkomen dat verschillen in uitval tussen verschillende groepen verklaard worden door verschillen in bevolkingssamenstelling, wordt de regio vergeleken met benchmarkregio’s. De benchmarkregio’s zijn met behulp van de LPBL tool geselecteerd op basis van drie criteria:
3
CBS. (2021). Samenhang tussen problemen en de kans op voortijdig schoolverlaten.
|9
1. De sociaaleconomische kwetsbaarheid van de regio (aandeel minima-huishoudens4 als percentage van het totaal aantal huishoudens)5 2. De stedelijkheid van de regio (bevolkingsdichtheid van de regio, geschaald op 0 tot 100%) 3. Spreiding (het aandeel huishoudens dat in de contactgemeente woont) Alle drie deze criteria hebben een bewezen samenhang met schooluitval. Op basis van deze drie criteria is er door LPBL een indeling gemaakt, zoals te zien in Figuur 1.1. Door het omcirkelen van de doorstroompuntregio (MC35) worden de benchmarkregio’s die het meest vergelijkbaar zijn met Midden-Brabant geselecteerd: Flevoland (MC18) en Walcheren (MC32).6 In Tabel 1 zijn de benchmark-indicatoren te zien per regio, en voor de benchmarkregio’s als geheel. Figuur 1.1 Selectie benchmarkregio’s
Bron: LPBL-tool.
Tabel 1.1 Benchmark-indicatoren % minima hh
% stedelijkheid
% hh in de contactgemeente
Flevoland
8,9
21
53
Walcheren
9,7
18
42
Benchmark gemiddelde
9,3
19
48
Midden-Brabant
9,3
24
54
Bron: LPBL-tool.
4 5
6
Het besteedbaar huishoudensinkomen van deze huishoudens is lager dan 110 procent van het sociaal minimum. Bron: CBS. Er is door LPBL gekozen voor het aandeel minima-huishoudens als indicator voor sociaaleconomische kwetsbaarheid van de regio. Het aandeel minima huishoudens hangt zeer sterk samen met de sociaaleconomische status van een huishouden en is eenvoudiger uit te leggen en mee te rekenen dan de SES-score zelf. De benchmarkcriteria zijn zo streng mogelijk afgesteld (vergelijkbare sociaaleconomische kwetsbaarheid en stedelijkheid), waardoor de twee regio’s die het meeste op Midden-Brabant lijken worden geselecteerd. Walcheren en Flevoland lijken qua stedelijkheid en kwetsbaarheid dus meer op Midden-Brabant dan bijvoorbeeld MC37 (Eindhoven (inclusief Helmond)).
10 |
In de LPBL tool zijn data uit de Dashboards VSV en JiKP, Statline CBS, Factsheets UWV, Onderwijs in cijfers en DUO-bestanden samengevoegd, om inzicht te geven in vsv-cijfers, de doorstroom in het schoolsysteem en risicomomenten en risicogroepen hierin, de positie van vsv’ers één jaar later en NEET-jongeren. Waar de cijfers dit toelaten vergelijken we Midden Brabant met de benchmarkregio’s. De cijfers uit de Dashboards in de LPBL-tool hebben betrekking op 20222023. Inmiddels zijn er in de Dashboards ook cijfers over 2023-2024 beschikbaar. We kunnen hiermee echter niet de benchmarkregio’s in beeld brengen. In de figuren in de volgende hoofdstukken hebben de cijfers daarom betrekking op 2022-2023, waarbij we waar mogelijk tekstueel aanvullen op basis van de cijfers uit 2023-2024. Overige openbare gegevens en regionale cijfers Aanvullend maken we gebruik van openbare cijfers die niet zijn opgenomen in de LPBL tool, bijvoorbeeld om in te zoomen op bepaalde groepen jongeren of om de regio te vergelijken met het landelijk gemiddelde. Daarnaast maken we gebruik van regionale cijfers zoals Namen en rugnummers rapportages (vsv), cijfers vanuit Intergrip en enkele bestanden die zijn gedeeld vanuit de mbo-instellingen (t.a.v. doorstroom havo-mbo, t.a.v. instroom ISK-leerlingen) en gemeente.7 Alle gebruikte bestanden zijn voor aanlevering geanonimiseerd.
Niet alle factoren die bepalend zijn voor het aandeel vsv’ers in de regio zijn te vatten in cijfers. Daarom is ook gebruik gemaakt van verschillende meer kwalitatieve bronnen en methoden: - Documentenanalyse van o.a. documenten over de huidige regionale aanpak en maatregelen, eerder uitgevoerd onderzoek in de regio, notulen van bijeenkomsten van de regie - groep en regiegroep XL en documentatie vanuit OCW over veranderingen ten aanzien van het nieuwe regionaal programma (en daarbij relevante wet- en regelgeving) Interviews om de groep nieuwkomers in beeld te brengen. Het betreft vier gesprekken die zijn gevoerd met het Schakelcollege Tilburg, met het praktijkonderwijs in Tilburg en Waalwijk, met Entree en inburgering en met de gemeente Tilburg. - Groepssessies met betrokken vanuit het onderwijs en betrokkenen vanuit de verschillende gemeenten in de regio om onder andere zicht te krijgen op het bestaande aanbod en succesfactoren en knelpunten hierin In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van de geraadpleegde documentatie en gehouden interviews.
1.3
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk gaan we in op de typering van de vsv’ers in de regio. We kijken naar het aandeel vsv’ers in de regio, en naar de onderwijsherkomst van deze vsv’ers. Daarnaast kijken we naar kwetsbare overgangen in en uit het onderwijs. Tot slot gaan we in op hoe het vsv’ers één jaar later vergaat. In hoofdstuk 3 kijken we naar de nieuwe wet Van school naar duurzaam werk en wat deze wet betekent voor het nieuwe regionale programma. Vervolgens kijken we naar beschikbare cijfers over de overgang van opleiding naar werk. In hoofdstuk 4 gaan we in op de manier waarop de regio wil werken aan het voorkomen van vsv en om zoveel mogelijk jongeren een passende plek te bieden. Hoofdstuk 5 sluit af met de belangrijkste conclusies.
7
Alleen de gemeente Oisterwijk heeft gegevens aangeleverd.
| 11
2 Typering vsv’ers in de regio
In dit hoofdstuk typeren we de vsv’ers uit de Doorstroompunt-regio Midden-Brabant. We gaan eerst in op het aandeel en aantal vsv’ers in de regio (paragraaf 2.1), gevolgd door de herkomst van de vsv’ers (paragraaf 2.2).
Aandeel en aantallen vsv’ers
2.1
In Figuur 2.1 is te zien dat het aandeel nieuwe vsv’ers sinds 2019-2020 toeneemt. Tussen 2022/2023 en 2023/2024 is landelijk voor het eerst weer een daling te zien. In Midden-Brabant heeft deze daling niet plaatsgevonden. Het aandeel vsv’ers in Midden-Brabant is hoger dan het landelijk gemiddelde en was in 2023/2024 2,5 procent. 8 In de benchmarkregio’s ligt het vsv-percentage in de afgelopen jaren wat hoger dan in Midden-Brabant. Figuur 2.1. Ontwikkeling percentage nieuwe voortijdig schoolverlaters 3,0% 2,7% 2,5%
2,5% 2,3%
2,0% 1,5% 1,0% 0,5% 0,0% 2017/2018
2018/2019
2019/2020
Midden Brabant
2020/2021 Landelijk
2021/2022
2022/2023
2023/2024
Benchmarkregio's
Bron: LPBL-tool & Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
Op basis van het aandeel minima huishoudens in de regio kan er een schatting worden gemaakt van het verwachte vsv-percentage in de regio. Deze inschatting is gemaakt vanuit de verwachting dat wanneer een regio een hoog aandeel minimahuishoudens heeft, het vsv-percentage ook ho(o)g(er) is. In Midden-Brabant wordt er op basis van het aandeel minima huishoudens 2,5 procent vsv’ers verwacht. Dit komt overeen met het daadwerkelijke aandeel vsv’ers (zie Figuur 2.2). Dit betekent dat de regio het gezien de mate van minimahuishoudens naar verwachting doet in termen van voortijdig schoolverlaten. In Midden Brabant ging het in 2022-2023 om 742 nieuwe vsv’ers en in 2023-2024 om 765 nieuwe vsv’ers.
8
In 2023-2024 ging het om 765 nieuwe vsv’ers in Midden-Brabant.
| 13
Figuur 2.2 Vsv-percentage ten opzichte van verwachting op basis van minima hh, 2022-2023 3,0%
2,5%
2,5%
2,0% 1,0% 0,0%
Regio % nieuwe VSV-ers
VSV-verwachting
Bron: LPBL-tool
Vsv en woongemeente Op gemeentelijk niveau zijn er verschillen te zien het aandeel vsv’ers, maar er is ook te zien dat dit sterk samenhangt met de bevolkingssamenstelling (Figuur 2.3). In Tilburg is het aandeel vsv’ers bijvoorbeeld hoger dan in andere gemeenten, maar het verwachte aandeel vsv’ers op basis van het aandeel minimahuishoudens is in Tilburg ook hoger. In Oisterwijk is het aandeel vsv’ers juist lager, maar het verwachte aandeel vsv’ers is ook lager. Ook op gemeentelijk niveau is dus sprake van een relatie tussen het aandeel vsv’ers en de kwetsbaarheid. Sommige gemeenten hebben echter, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de bevolkingssamenstelling, een relatief hoog vsv-percentage (d.w.z. hoger dan verwacht kan worden; Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand en Tilburg). Andere gemeenten hebben juist te maken met een relatief laag vsv-percentage (Dongen, Goirle, Oisterwijk en Waalwijk). Overigens is het belangrijk om onderstaande verschillen in werkelijke en verwachte vsv-cijfers tegen de omvang in aantallen vsv’ers af te zetten. In absolute zin komen echter zowel absoluut als relatief de meeste nieuwe vsv’ers uit Tilburg. In 2022-2023 ging het om 470 nieuwe vsv’ers die woonachtig waren in Tilburg. Dat betekent dat zo’n 63 procent van alle nieuwe vsv’ers afkomstig was uit Tilburg.
Ook verhoudingsgewijs was het aantal nieuwe vsv’ers in Tilburg hoog: 51 procent van alle jongeren woonde in Tilburg, maar 63 procent van de vsv’ers woonde in Tilburg. Figuur 2.3. Vsv-percentage ten opzichte van verwachting op basis van minima hh, gemeenten, 2022-20239
Bron: LPBL-tool.
9
Het aantal nieuwe vsv’ers in 2022-2023 was: 35 in Dongen, 40 in Gilze en Rijen, 35 in Goirle, 22 in Hilvarenbeek, 32 in Loon op Zand, 35 in Oisterwijk, 470 in Tilburg en 73 in Waalwijk.
14 |
In 2023-2024 is het aandeel nieuwe vsv’ers in de regio dat uit Tilburg komt wat gedaald, naar 58 procent (en van alle jongeren uit de regio woont 50% in Tilburg). Vsv en woonwijk Naast het aandeel vsv’ers op regionaal en gemeentelijk niveau, kan er ook worden gekeken naar het aandeel vsv’ers op wijkniveau in Tilburg. In Figuur 2.4 is te zien dat de meeste Tilburgse vsv’ers in de afgelopen jaren uit de wijken Noord, Oud-Noord, Reeshof en West kwamen. Ook hier hangt het aandeel vsv’ers samen met kwetsbaarheid. Figuur 2.4. Aandeel Tilburgse vsv’ers per wijk 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
2021
18%
16%
2022
17%
16%
17%
18%
8%
2023
17%
16%
20%
15%
12%
Noord
Oud-Noord
Reeshof
17%
West
Centrum
18%
Oud-Zuid
Zuid
10%
90% 9%
10%
Berkel-Enschot
100%
6% 3%
11%
3%
8%
3%
Udenhout
Oost
9%
Bron: Bewerking Namen en rugnummers rapportage.10
Uit bovenstaande figuren blijkt dat er sprake is van een toename van het aandeel voortijdig schoolverlaters in de regio en dat het aandeel vsv’ers samenhangt met de kwetsbaarheid van de regio, gemeente en woonwijk. De kwetsbaarheid van de regio, gemeente en woonwijk beïnvloedt dus het aandeel vsv’ers in die bepaalde regio, gemeente of woonwijk. Er kan ook worden gekeken naar oorzaken van voortijdig schoolverlaten op individueel niveau. Het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) heeft onderzoek gedaan naar de oorzaken van voortijdig schoolverlaten in Europa. Hieruit blijken vier belangrijke redenen 11: 1. Lage onderwijsprestaties en aanwezigheid 2. Gezondheids- en welzijnsredenen 3. Lage betrokkenheid en ondersteuning van het gezin 4. Onvoldoende begeleiding bij het maken van keuzes Bovenstaande laat het belang zien van afstemming tussen de inspanningen en het beleid van scholen in het voorkomen van uitval (bv. zoals opgenomen in de kwaliteitsagenda’s) en de
10 De viercijferige postcodes van nieuwe vsv’ers woonachtig in Tilburg zijn samengevoegd tot wijken in Tilburg. 11 Cedefop. (2023). Stemming the tide: tackling early leaving from vocational education and training in times of crises: synthesis report of Cedefop/ReferNet survey. Luxembourg: Publications Office. Cedefop research paper.
| 15
regionale aanpak (relatie met punt 1 en 4), maar onderstreept ook het belang van samenwerking met partners uit hulpverlening/maatschappelijk werk binnen de regionale aanpak en van afstemming met gemeentelijk beleid (t.a.v. punt 2 en 3). In de volgende twee paragrafen zoomen we in op verschillende groepen jongeren die (meer) risico lopen om voortijdig schoolverlater te worden, of op bepaalde momenten waarop jongeren risico lopen om voortijdig schoolverlater te worden.
2.2
Onderwijsherkomst vsv’ers
Ruim 80 procent van alle vsv’ers in 2022-2023 in de regio Midden-Brabant is uitgevallen op het mbo. De rest is uitgevallen op het vo. Dit is vergelijkbaar met de benchmarkregio’s (zie Figuur 2.5). Deze percentages zijn ook vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde (niet in het figuur te zien). Figuur 2.5 Aandeel vsv’ers per onderwijssoort, 2022-2023 3,0% 2,5%
18%
19% 2,0% 1,5% 1,0%
81%
82%
Midden-Brabant
BM-Regio's
0,5% 0,0%
MBO
VO
Bron: LPBL-tool.
Door een groei van het aantal vsv’ers uit het vo (van 134 naar 213 vsv’ers) en een daling van het aantal vsv’ers in het mbo (van 595 naar 535 vsv’ers), is in 2023-2024 het aandeel vsv’ers uit het vo toegenomen tot 27,8 procent en het aandeel vsv’ers in het mbo afgenomen tot 69,9 procent.12 We zoomen hierna apart in op de (onderwijs)herkomst van vsv’ers uit het mbo en de (onderwijs)herkomst van vsv’ers uit het vo.
12 Vanuit de LPBL-tool is niet duidelijk of de leerlingen die zijn uitgevallen op de vavo zijn meegenomen in deze verdeling. In 2023-2024 viel 2,2 procent van de vsv’ers uit op de vavo.
16 |
2.2.1
Herkomst vsv’ers in het mbo per niveau en leerweg
In Figuur 2.6 is het aantal studenten en het aandeel vsv’ers per mbo niveau in 2022-2023 te zien. Op basis van dit figuur kunnen twee conclusies worden getrokken: (1) 19 procent van alle mbo-studenten die woonachtig is in de regio Midden-Brabant volgt een opleiding op mbo-1 of mbo-2, maar 40 procent van alle vsv’ers is afkomstig van mbo1 en mbo-2. Relatief gezien zijn er dus veel vsv’ers afkomstig van mbo-1 en -2. (2) Ondanks dat procentueel gezien de uitval op niveau 3 en 4 lager is (vsv afgezet tegen het totale aantal mbo-studenten op deze niveaus), komen in absolute zin de meeste vsv’ers van opleidingen op mbo-3 of mbo-4. Dit komt omdat er veel meer studenten een opleiding volgen op mbo-3 of mbo-4 dan op mbo-1 of mbo-2. 13 Figuur 2.6 Aantal studenten en aandeel vsv’ers per mbo niveau in Midden Brabant, 2022-2023 0%
10%
Aandeel studenten 3%
16%
Aandeel vsv'ers
20%
30%
40%
50%
19%
11%
70%
80%
90%
63%
29%
Niveau 1
60%
13%
Niveau 2
Niveau 3
47%
Niveau 4
Bron: Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
Het beeld in 2023-2024 is redelijk vergelijkbaar, met een lichte toename van het aandeel vsv’ers van mbo-3 en een lichte daling van het aandeel vsv’ers vanuit mbo-4.14 Figuur 2.7 laat de ontwikkeling van het aandeel vsv’ers in de regio op de verschillende mboniveaus in combinatie met leerweg zien. Voor alle niveaus is het aandeel vsv’ers in de bbl groter dan in de bol. In aantallen geldt dat niet, omdat regionaal (veel) meer studenten een bol-opleiding volgen. Bij bbl niveau 1 is tussen 2021-2022 en 2023-2024 een stijging te zien van 27,6 procent naar 45,9 procent vsv (8 nieuwe vsv’ers in 2021-2022 en 28 nieuwe vsv’ers in 2023-2024), nadat er eerder juist een daling was ingezet in het aandeel vsv’ers. Op niveau 2 geldt er dat er bij de bblopleiding sprake was van een toename in het aandeel vsv’ers tussen 2020-2021 en 2022-2023 van 12,7 procent tot 17,9 procent. Tussen 2022-2023 en 2023-2024 is het weer afgenomen naar 15,4 procent (71 nieuwe vsv’ers).
13 In 2023-2024 was het aandeel studenten op niveau 1 tot en met niveau 4 respectievelijk 3%, 15%, 19% en 62%. Het aandeel vsv’ers was respectievelijk 14%, 27%, 19% en 40%. 14 Het totaal aandeel vsv’ers dat is uitgevallen op niveau 3 en 4 is ongeveer gelijk gebleven. Binnen niveau 3 en 4 zijn er wel veranderingen te zien. Het aandeel vsv’ers dat uitviel op niveau 3 is gestegen naar 19% en het aandeel vsv’ers dat uitviel op niveau 4 is gedaald tot 40%.
| 17
100%
Figuur 2.7 Ontwikkeling van het aandeel vsv’ers per mbo niveau en leerweg in Midden Brabant 50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2018/2019
2019/2020
2020/2021
2021/2022
2022/2023
BOL niveau 1
BBL niveau 1
BOL niveau 2
BBL niveau 2
BOL niveau 3
BBL niveau 3
BOL niveau 4
BBL niveau 4
2023/2024
Bron: Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
Vsv afkomstig van mbo-1 en mbo-2 In figuur 2.8 is voor mbo-1 te zien hoeveel procent van de studenten vsv’er werd in het schooljaar 2022-2023. In Midden-Brabant werd 29,4 procent van de studenten die een entreeopleiding volgde15 vsv’er (N = 63). Dit is hoger dan in de benchmarkregio’s (26,4%) en landelijk (24,2%). Figuur 2.8 Aandeel vsv’ers op mbo niveau 1, 2022-2023 30% 20% 10%
29,4%
26,4%
24,2%
0% MBO 1 Midden-Brabant
BM-Regio's
Landelijk
Bron: LPBL-tool & Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
15 Het betreft jongeren woonachtig in de regio Midden-Brabant, ongeacht op welke mbo-instelling (wel of niet in de regio) zij een mbo-1 opleiding volgden.
18 |
In 2023-2024 is het aandeel studenten dat vsv’er werd op niveau 1 in Midden-Brabant afgenomen tot 24,8 procent, maar in absolute zin waren er meer vsv’ers (N = 74). Ook landelijk is het iets afgenomen, tot 22,6 procent. Regionaal zijn er al veel inspanningen om uitval op mbo-niveau 1 te voorkomen. Zo is er de maatregel Sterke Start Entree16, waarbij er wordt gefocust op een uitgebreide kennismaking. Bij deze kennismaking zijn de medewerkers van Entree betrokken, maar ook medewerkers van ondersteunende organisaties zoals R-Newt, Sterkhuis en IMW. Er wordt tijdens dit gesprek een maatwerktraject voor de jongere vastgelegd, waarin wordt beschreven welke ondersteuning de jongere krijgt gedurende de opleiding. Deze uitgebreide kennismaking wordt als succesfactor genoemd in de regionale sessie met het onderwijs die in het kader van de regionale analyse is gehouden. In Figuur 2.9 is te zien welk aandeel van de mbo-2 studenten vsv’er werd in het schooljaar 20222023. In Midden Brabant ging het om 12,7 procent van alle mbo-niveau 2 studenten (N = 177). Ook dit is hoger dan in de benchmarkregio’s en landelijk (respectievelijk 10,9% en 11,4%). Het aantal vsv’ers afkomstig van de bol is ongeveer even groot als dat vanuit de bbl. Figuur 2.9 Aandeel vsv’ers op mbo niveau 2, 2022-2023 15% 10% 5%
12,7%
10,9%
11,4%
0% MBO 2 Midden-Brabant
BM-Regio's
Landelijk
Bron: LPBL-tool & Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
In 2023-2024 is het aandeel studenten dat vsv’er werd op niveau 2 in Midden-Brabant afgenomen tot 10,9 procent (N = 146). Landelijk is het aandeel ook iets gedaald tot 10,6 procent. Ondanks dat er regionaal al veel inspanningen worden gedaan om voortijdig schoolverlaten op mbo-1 en mbo-2 te voorkomen, blijven de uitvalpercentages op niveau 1 en niveau 2 relatief hoog. Dit betekent niet dat de inzet die er wordt gedaan niet effectief is. De effectiviteit van de huidige aanpak is niet goed te bepalen, omdat onduidelijk is hoe hoog de uitval zou zijn geweest zonder deze inspanningen. De cijfers maken wél duidelijk dat inspanningen op mbo-1 en -2 nodig blijven om het aantal vsv’ers (verder) omlaag te brengen. Dat geldt zeker ook voor de bbl, aangezien daar de vsv-percentages het laatste jaar stijgen. Vsv afkomstig van mbo-3 en mbo-4 Het aandeel vsv’ers op mbo-3 en -4 is te zien in Figuur 2.10. In Midden Brabant was dit in 20222023 4,7 procent (N = 79 mbo-3; N = 276 mbo-4), wat iets lager is dan in de benchmarkregio’s,
16 Naast de vsv-maatregelen zijn er ook andere (regionale) initiatieven. Deze zijn niet geanalyseerd, omdat de focus van de regionale analyse lag op de huidige vsv-maatregelen.
| 19
en gelijk aan het landelijk gemiddelde. Op mbo-3 betreft het in ruim de helft van de gevallen vsv’ers vanuit de bbl. Op mbo-4 betreft het bijna altijd bol-studenten. Figuur 2.10 Aandeel vsv’ers op mbo niveau 3/4, 2022-2023 6% 5% 4% 3% 4,7%
2%
5,2%
4,7%
1% 0% MBO 3/4 Midden-Brabant
BM-Regio's
Landelijk
Bron: LPBL-tool & Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
Het aandeel vsv’ers op niveau 3 en niveau 4 was in 2023-2024 vergelijkbaar. Ondanks dat de vsv-percentages op mbo-3 en -4 lager zijn dan op mbo-1 en -2, blijft het belangrijk om in het regionaal programma aandacht te besteden aan deze groep, omdat zoals gezegd in absolute zin bijna de helft van alle nieuwe vsv’ers uit het mbo afkomstig is van mbo-3 of -4. In de regionale sessie met het onderwijs is ingegaan op deze doelgroep, redenen van uitval onder niveau 3 en 4 studenten en mogelijke oplossingen hiervoor: -
-
Groenpluk en praktijkgerichte (bbl-)opleidingen. Uit de regionale sessie met het onderwijs kwam naar voren dat er regionaal op mbo-3 en -4 te weinig mogelijkheden worden ervaren voor leren in de praktijk en BBL-routes. 17 Dit kan leiden tot voortijdig schoolverlaten, onder andere in de latere leerjaren. In sommige gevallen komt dit door ‘groenpluk’. Dit houdt in dat studenten een baan aangeboden krijgen voordat ze een diploma hebben behaald. Groenpluk is een ‘complex’ begrip en zowel pull- als pushfactoren spelen hierin mee; de werkgever die aan de jongere ’trekt’, maar ook bewuste keuzes van studenten om de opleiding niet af te maken en te gaan werken. Bijvoorbeeld omdat de manier van leren (meer theoretisch) niet aansluit bij de wensen en motivatie van de student, maar bijvoorbeeld ook ‘gedwongen’ door financiële omstandigheden van de student. Vaak betreft het een stapeling van factoren.18 19 ‘Groenpluk’ wordt als belangrijke oorzaak benoemd van uitval op mbo-3 en -4. Mogelijke oplossingen die genoemd worden zijn het aanbieden van meer praktijkgerichte routes (o.a. BBL) en meer overstapmogelijkheden van BOL naar BBL. Tegelijkertijd zijn ook goede afspraken met werkgevers nodig om te voorkomen dat studenten vroegtijdig (zonder diploma) de arbeidsmarkt betreden. Persoonlijke problematiek.
Volgens betrokkenen is er ook relatief veel uitval door (zware) persoonlijke problematiek. Om deze uitval te voorkomen benoemen betrokkenen
17 Bij Yonder volgt circa de helft van alle mbo-studenten op mbo-3 en mbo-4 een BBL-opleiding. Regionaal is dit echter als aandachtspunt benoemd. 18 Veenstra, M., Duysak, S., & van der Wel, J. (2025). Voortijdig schoolverlaters aan het werk. Amsterdam: Regioplan. 19 Groenpluk is dus niet per definitie een goede term, omdat het verondersteld dat de oorzaak enkel bij de werkgever ligt.
20 |
het belang van inzet op een brede integrale intake (bijvoorbeeld zoals deze plaatsvindt binnen de Entreeopleiding of de vavo) en meer maatwerkmogelijkheden in het onderwijs. - Studiekeuzeproblematiek. Ten slotte werd in de regionale sessie genoemd dat er relatief veel uitval is door een verkeerde studiekeuze. De betrokkenen geven aan dat deze uitval met name plaatsvindt na de stage in het eerste jaar, wanneer studenten erachter komen dat het (toekomstige) werk niet past bij de student. - Niet kunnen voldoen aan verwachtingen op de werkvloer. Betrokkenen van Yonder benoemen dat uit eigen onderzoek/data blijkt dat de uitval in latere leerjaren relatief vaker het gevolg is van studenten die lichamelijk of emotioneel niet kunnen voldoen aan de eisen of verwachtingen van het werk. Zij vallen pas relatief laat uit, omdat beroepsgerichte eisen en stages steeds belangrijker worden in de hogere leerjaren en hier eerder nog niet tegenaan liepen. Met cijfers vanuit Intergrip kunnen we in beeld brengen hoeveel studenten switchen of zich uitschrijven van een opleiding bij Yonder, De Rooi Pannen (locaties Tilburg) en Yuverta Tilburg. In 2022-2023 stroomden 537 studenten vanuit een vo-school in Midden-Brabant in op een van de genoemde mbo-instellingen.
Op peildatum 1 november 2024 – dus na twee jaar – is gekeken hoeveel van deze studenten zijn geswitcht van opleiding of zich hebben uitgeschreven. 20 In totaal schreef 40 procent van de in 2022-2023 ingestroomde studenten zich uit van de mbo-instelling tussen het moment van instroom en 1 november 2024. Dit kunnen voortijdig schoolverlaters zijn, maar ook jongeren die zich hebben ingeschreven bij een andere mbo-instelling.21 We hebben geen zicht op de redenen van uitschrijving. Naast de 40 procent uitstromers, is ook nog zo’n 6 procent van de studenten die in 2022-2023 instroomde tussen het moment van instroom en 1 november 2024 geswitcht van opleiding (kwalificatiedossier) binnen dezelfde mbo-instelling. 2 procent van de studenten is geswitcht naar een opleiding binnen een ander opleidingsdomein. Meer breed opgezette BOL-opleidingen (met een specialisering na het eerste jaar) zouden volgens betrokkenen aan de sessie kunnen bijdragen aan het verminderen van uitval als gevolg van een verkeerde studiekeuze. Yonder doet dit bijvoorbeeld al door het aanbieden van een brede niveau 2 opleiding op het gebied van dienstverlening (met mogelijkheid tot dubbelkwalificering).
De studenten die deze opleiding volgen hebben een breed eerste jaar en maken pas na het eerste jaar de keuze in welke richting ze willen uitstromen22 Tegelijkertijd blijft ook de begeleiding van studenten die willen switchen relevant. Vsv afkomstig van vavo Het percentage vsv’ers in de regio op de vavo nam sinds 2020-2021 af en was in 2022-2023 10,08 procent (N = 13), zie figuur 2.11. Landelijk was niet eenzelfde daling te zien in het percentage vsv’ers. Waar de regio eerder te maken had met een bovengemiddeld hoog vsv-percentage onder vavo-deelnemers, is in 2022-2023 het percentage vsv’ers van de vavo gedaald tot onder het landelijk gemiddelde.
20 Een uitschrijving betekent niet altijd dat de student uit is gevallen op het mbo als geheel. Wanneer een student switcht naar een(zelfde) opleiding op een andere mbo-instelling, wordt dit gezien als uitschrijving. 21 Ook studenten die de overstap maken van bijvoorbeeld Yonder naar De Rooi Pannen Tilburg worden gezien als uitschrijving en komen in de cijfers ook als zodanig naar voren. 22 Kwaliteitsagenda 2024-2027 ROC Tilburg (Nu: Yonder).
| 21
In 2023-2024 is het percentage vsv’ers in de regio op de vavo weer licht toegenomen tot 10,49 procent, iets boven het landelijk gemiddelde (9,69%). In 2023-2024 ging het om 17 nieuwe vsv’ers. Figuur 2.11 Ontwikkelingen aandeel vsv’ers op de vavo, regio en landelijk 16% 14% 12% 10,49% 9,69%
10% 8% 6% 4% 2% 0% 2018/2019
2019/2020
2020/2021 Midden-Brabant
2021/2022
2022/2023
2023/2024
Landelijk
Bron: Dashboard voor Doorstroompunten.
Op basis van de cijfers kan er gesteld worden dat de maatregelen die worden ingezet om vsv op de vavo te voorkomen effect hebben. In de regiosessie met het onderwijs is ingegaan op de aanpak die gehanteerd wordt en de succesfactoren hierin. De volgende succesfactoren kwamen naar voren: - Een integrale aanpak waarbij verschillende partners (o.a. zorg, maatschappelijk werk, jongerenwerk, netwerk van de jongere) al vanaf de intake worden betrokken; - Sterke Start Vavo (preventieve aanpak, gericht op een goede kennismaking en juiste informatievoorziening vanuit het vo) - Leerling gestuurd werken (o.a. in de vorm van het betrekken van jongeren bij keuzes rondom de inrichting van het onderwijs); - Een focus op contact en verbinding met de jongere en veel persoonlijke aandacht voor de jongere (‘gezien worden’); - Eenzelfde visie binnen het gehele onderwijsteam, gericht op het bieden van maatwerk en het ondersteunen van de jongere naar een diploma. Dit vraagt ook om professionalisering van het team; - Pedagogiek gaat voor didactiek, waarbij docenten meedenken over pedagogisch beleid binnen de school. Voor het opstellen van het regionaal programma is het interessant om te onderzoeken in hoeverre de genoemde succesfactoren breder in de regio kunnen worden toegepast.
22 |
2.2.2
Herkomst vsv’ers in het vo
Zoals eerder benoemd was 27,8 procent van de nieuwe vsv’ers uit de regio Midden-Brabant afkomstig uit het vo. In Figuur 2.12 is het aandeel leerlingen te zien dat in de onderbouw, havo/vwo bovenbouw en vmbo bovenbouw voortijdig uitviel in 2023-2024. Figuur 2.12 Aandeel vsv’ers in het vo, 2023-202423 1,6% 1,4%
1,4% 1,2%
1,2% 1,0%
1,0% 0,8% 0,6%
0,6%
0,6%
0,5%
0,4% 0,2% 0,0% Onderbouw
Havo/vwo bovenbouw Midden-Brabant
Vmbo bovenbouw
Landelijk
Bron: Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
We zoomen in op de drie groepen. Onderbouw vo: vsv onder nieuwkomers Tussen 2018-2019 en 2019-2020 was sprake van een sterke afname van het aandeel vsv’ers in de onderbouw van het vo in Midden Brabant (Figuur 2.13). Het aandeel bleef een aantal jaren vrijwel gelijk, maar steeg vanaf 2021-2022 sterk tot 1,04 procent in 2023-2024. Het aandeel vsv’ers in de onderbouw van het vo is in Midden-Brabant hoger dan landelijk. Landelijk was het aandeel vsv’ers in 2023-2024 0,52 procent. In Midden-Brabant ging het in 2023-2024 om 117 nieuwe vsv’ers.
23 Het aandeel vsv’ers per type vo-onderwijs is niet opgenomen in de LPBL-tool. Er is dan ook geen vergelijking met de benchmarkregio’s gemaakt.
| 23
Figuur 2.13 Aandeel vsv’ers in de onderbouw van het vo, regio en landelijk 1,20% 1,04%
1,00% 0,80% 0,60%
0,52% 0,40% 0,20% 0,00% 2018/2019
2019/2020
2020/2021 Midden-Brabant
2021/2022
2022/2023
2023/2024
Landelijk
Bron: Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
De onderbouw van het vo bestaat voor een deel uit ISK leerlingen. Zij worden namelijk, ongeacht hun leeftijd, gerekend onder de onderbouw van het vo. Van de 117 uitvallers in de onderbouw, kwamen ten minste 42 van de ISK.24 Dit betekent dat ten minste 36 procent van alle vsv’ers in de onderbouw van het vo leerlingen van de ISK betreft. Dit aandeel varieerde in eerdere jaren (tussen 2020-2021 en 2022-2023) tussen de 51 en 60 procent. Binnen het Schakelcollege Tilburg was een groei in het aandeel vsv’ers te zien tussen 2020-2021 en 2022-2023. In 2022-2023 viel 16,6 procent van de ISK-leerlingen, een stijging van circa vijf procentpunt in vergelijking met 2020-2021. In 2023-2024 is het aandeel vsv’ers afgenomen, tot 13,9 procent. Onduidelijk is in hoeverre administratieve oorzaken het aantal vsv’ers op de ISK verklaren. Volgens de directeur van het Schakelcollege is het aantal vsv’ers (thuiszitters) veel kleiner, en betreft het allemaal jongeren met een zware specialistische hulpvraag. Ook vanuit de gemeente wordt aangegeven dat vele verhuizingen en tijdelijke opvanglocaties zorgen voor ruis in aantallen en registratie. In paragraaf 2.3.2 komen we verder op terug op de groep nieuwkomers en hun studiesucces binnen het mbo.
24 Hier zijn alleen de vsv’ers van het Schakelcollege Tilburg meegenomen. Bij de ISK Wereldschool van de Willem van Oranje Onderwijsgroep en 2College EOA Oisterwijk waren minder dan 5 (maar meer dan 0) vsv’ers. Aantallen onder de 5 worden niet precies getoond in de gegevens.
24 |
Figuur 2.14 Aandeel vsv’ers op het Schakelcollege in Tilburg 18,00%
16,57%
16,00%
14,69%
13,91%
14,00% 12,00%
11,83%
10,00% 8,00% 6,00% 4,00% 2,00% 0,00% 2020/2021
2021/2022
2022/2023
2023/2024
Bron: Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
Vmbo bovenbouw In Figuur 2.15 is te zien dat het aandeel vsv’ers in de bovenbouw van het vmbo in Midden-Brabant tussen 2020-2021 en 2021-2022 fors steeg, maar in 2022-2023 weer licht is gedaald. Tussen 2022-2023 en 2023-2024 nam het aandeel vsv’ers weer toe tot 1,37 procent in Midden-Brabant. Het ging in 2023-2024 om 61 nieuwe vsv’ers. Landelijk was het aandeel nieuwe vsv’ers in de bovenbouw van het vmbo stabieler, maar ook landelijk is het laatste jaar een stijging te zien. Vanaf 2021-2021 zijn er in Midden-Brabant relatief gezien iets meer jongeren die uitvallen in de bovenbouw van het vmbo dan landelijk. Figuur 2.15 Ontwikkeling van het aandeel vsv’ers in de bovenbouw vmbo, regio en landelijk 1,60% 1,40%
1,37%
1,20%
1,15%
1,00% 0,80% 0,60% 0,40% 0,20% 0,00% 2018/2019
2019/2020
2020/2021 Midden-Brabant
2021/2022
2022/2023
2023/2024
Landelijk
Bron: Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
| 25
Havo/vwo bovenbouw In Figuur 2.16 is te zien dat het aandeel vsv’ers in de bovenbouw havo/vwo in de afgelopen jaren is verdubbeld ten opzichte van 2020-2021. Landelijk was er sprake van een meer geleidelijke stijging, maar in 2023-2024 is de gemiddelde uitval landelijk gelijk aan de uitval in Midden-Brabant. Van alle bovenbouw leerlingen op havo/vwo valt 0,64 procent uit. In Midden-Brabant ging het in 2023-2024 om 35 nieuwe vsv’ers (tegenover 16 in 2020-2021). In paragraaf 2.3.1 gaan we dieper in op specifiek de groep havisten die (ongediplomeerd) doorstroomt naar het mbo. Figuur 2.16 Ontwikkeling aandeel vsv’ers in de bovenbouw havo/vwo, regio en landelijk 0,80% 0,70%
0,64%
0,60% 0,50% 0,40% 0,30% 0,20% 0,10% 0,00% 2018/2019
2019/2020
2020/2021
2021/2022
Midden-Brabant
2022/2023
2023/2024
Landelijk
Bron: Dashboard vsv voor Doorstroompunten.
2.3
Kwetsbare overgangen in en uit het onderwijs
Naast de genoemde groepen in paragraaf 2.2 zijn er ook verschillende overgangen in het onderwijs, die kunnen leiden tot voortijdig schoolverlaten of het niet hebben van werk. In deze paragraaf bespreken we drie overgangsmomenten, die volgens betrokkenen om verdieping vragen: de ongediplomeerde uitstroom van havo naar het mbo, de instroom en uitval van nieuwkomers, en de uitstroom uit het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs. 2.3.1
Ongediplomeerde uitstroom vanuit havo naar het mbo
Omvang instroom ongediplomeerde havisten in mbo Landelijk is er vanaf ongeveer 2020-2021 een sterke groei (+68%) zichtbaar van de ongediplomeerde uitstroom vanuit havo naar het mbo. Die groei is zowel zichtbaar vanuit havo-3, havo-4 als vanuit havo-5 (zonder diploma). In absolute zin betreft het vooral havo-4 leerlingen.25 Aan de ene kant kan dit een positieve ontwikkeling zijn, bijvoorbeeld wanneer praktisch onderwijs beter bij de leerling past of wanneer het afronden van de havo een te grote opgave blijkt. Aan de andere zijn er ook risico’s: ongediplomeerde havisten hebben in tegenstelling tot gediplomeerde havisten geen startkwalificatie als zij uitvallen in het mbo. Landelijk vallen havoleerlingen juist relatief vaker uit dan vmbo-leerlingen. 26
25 Bron: CBS Statline 26 Inspectie van het Onderwijs. (2024). Doorstroom van havo 4 naar mbo. Alternatieve route niet zonder risico’s.
26 |
Ondanks dat er geen compleet beeld is van de ongediplomeerde instroom vanuit havo in het mbo27, is er tussen 2022-2023 en 2024-2025 een stijging van 51 procent in het aantal ongediplomeerde havisten dat instroomt in het mbo te zien. In 2022-2023 ging het om bijna 210 leerlingen en in 2024-2025 om bijna 315 leerlingen. Die groei is met name zichtbaar binnen opleidingen van de Rooi Pannen.28 Uitval van havisten in het mbo Cijfers over de uitval van specifiek ongediplomeerde havisten ontbreken, wel zijn er cijfers over de uitval van alle havisten in het mbo in de regio. Van de havisten die in 2022-2023 zijn gestart op het mbo was in januari 2025 bijna 40 procent gestopt met zijn of haar opleiding (zonder diploma). De uitval van havisten die in de jaren daarna zijn gestart is logischerwijs lager (cohort 2324: 30% uitval, cohort 24-25: 3% uitval), omdat zij zich nog minder lang in het mbo bevinden. Onbekend is in hoeverre de uitval hoger is voor studenten die niet vanuit de havo instromen in het mbo. Wel weten we op basis van cijfers uit Intergrip dat van het cohort dat in 2022-2023 instroomde in het mbo het percentage havoleerlingen dat zich uitschreef (tot 1 november 2024) iets lager (30%) ligt dan het percentage van alle vo-instromers in het mbo (39%).
Aandachtspunten Hoewel er voor de regionale analyse niet met betrokkenen gesproken is over aandachtspunten voor de instroom van ongediplomeerde havisten in het mbo, kunnen vanuit ander onderzoek wel een aantal aandachtspunten genoemd worden29: - Aandacht voor doorstroommogelijkheden mbo binnen het vo: de toename van de ongediplomeerde doorstroom havo-mbo benadrukt het belang om in het vo (de havo) voldoende aandacht te besteden aan de mogelijkheden om vanuit de havo voor het mbo te kiezen. Aangezien een overgangsbewijs van havo 3 naar havo 4 al toelating geeft tot het mbo, is het belangrijk hier tijdig (op zijn laatst leerjaar 3) aandacht aan te besteden. De informatie zou zich niet alleen moeten richten op de mogelijkheden/eisen, maar ook op het bieden van realistische informatie over de inhoud van opleidingen en toekomstige beroepen en verwachtingen ten aanzien van bijvoorbeeld stage en niveau. Dit vraagt mogelijk om (bij)scholing van decanen en om (het intensiveren van de) samenwerking tussen mbo-scholen en havo-decanen. Ook vanuit het mbo kan worden nagedacht over specifieke informatievoorziening richting havisten (zie ook volgende punt). - Aandacht voor (aangepaste) onderwijsprogramma’s in het mbo: een deel van de havisten heeft binnen het mbo behoefte aan extra uitdaging. Dit leidt tot aandachtspunten in het aanbod van verkorte of versnelde trajecten.