CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ontwerpbestemmingsplan ronde 2 Tussen de Leijen

Raadscommissie Ruimte 18 januari 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Tussen de Leijen (Behandeling in de commissie middelen van 17-01-2022)28.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op basis van alleen de VGO onderzoeken kan niet worden vastgesteld of sprake is van oorzakelijke verbanden tussen stoffen en micro-organismen van veehouderijen en gezondheidseffecten (VGO, VGO 2). Dit geldt ook voor het deelonderzoek 'Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016' van het onderzoek 'Veehoudeij en Gezondheid Omwonenden, deelonderzoek (VGO 3) van 22 oktober 2018. Daarin staat vermeld dat er op dit moment geen duidelijke causaliteit te vinden is voor de gevonden associatie tussen longontsteking en geitenhouderijen in de omgeving (VGO 3). Een relatie met de Q-koortsepidemie van 2007-2009 is zeer onwaarschijnlijk, mede door de uiteindelijk getroffen maatregelen. Of er oorzakelijke verbanden bestaan en zo ja, wat deze inhouden, moet nog uit vervolgonderzoek blijken. Het kan enkele jaren duren voordat hierover duidelijkheid komt. Er zijn dus nog vele onderzoeken nodig om tot een definitieve conclusie te komen. Wanneer de bron(nen) die het verhoogde risico op longontsteking rond geitenhouderijen blad 32 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

veroorzaakt / veroorzaken bekend is / zijn, dan zijn ook bedrijfsgerichte maatregelen te nemen om de emissie te verminderen of te vermijden. Die kunnen dan aan vergunningverlening worden verbonden en geitenhouderijen kunnen zich verantwoord ontwikkelen zonder onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid te veroorzaken. De omgevingsdienst ziet geen redenen om geen woningen toe te staan. Op basis van het milieu- en gezondheidsonderzoek van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en de GGD Brabant kan geconcludeerd worden dat er geen causaal verband is aangetoond tussen een verhoogd gezondheidsrisico en wonen in de omgeving van een veehouderij. Er zijn geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat de geldende toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare volksgezondheidsrisico's te voorkomen. Nu ter plaatse van de nieuwe woningen binnen het plangebied wordt voldaan aan de geldende toetsingskaders, wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar geacht. Conclusie Op basis van het milieu- en gezondheidsonderzoek van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en de GGD Brabant is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. In de volgende paragrafen is, indien relevant, tevens getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarde.

4.3

Geluid Algemeen Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. Er is geen blootstelling aan geluid van andere bronnen (railverkeer, vliegverkeer, industrie). De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

Onderzoek Wegverkeerslawaai Er is door de Omgevingsdienst West-Brabant akoestisch onderzoek voor het aspect wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het complete onderzoek is als Bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. Hieronder zijn de conclusies en het advies van het onderzoek weergegeven. de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai in bouwvlak 1 deels wordt overschreden ten gevolge van het wegverkeer op de Mosstraat; de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai in bouwvlak 2 en 3 deels wordt overschreden ten gevolge van het wegverkeer op de Hannie Schaftlaan; de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai in bouwvlak 4 deels wordt overschreden ten gevolge van het wegverkeer op de Hannie Schaftlaan en Zwarte Dijk.

blad 33 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

de maximale grenswaarde voor wegverkeerslawaai ten gevolge van geen enkele weg overschreden wordt ter plaatse van de verschillende bouwvlakken. Maatregelen aan de bron en/of in het overdrachtsgebied worden niet doelmatig geacht, of stuiten op overwegende bezwaren van financiële of stedenbouwkundige aard. Zodoende zal een hogere waarden besluit vastgesteld moeten worden. Omdat het bestemmingsplan globaal van aard is, wordt de maximaal berekende geluidbelasting op de grenzen van een bouwvlak als hogere waarde vast gelegd, waarbij de ligging van de contour in ogenschouw genomen wordt. Deze contour is ook op de verbeelding opgenomen als zijnde gebied waar sprake is van een hogere grenswaarde. Geluidluwe gevel Conform het hogere waardenbeleid van de Provincie Noord-Brabant, wat de gemeente Gilze en Rijen hanteert moet bij gevelbelastingen van meer dan 53 dB een geluidluwe gevel veiliggesteld worden. Een geluidluwe gevel is een gevel waar de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van geen enkele geluidbron overschreden wordt. Aan deze geluidluwe gevel moet minimaal één aanliggende geluidgevoelige ruimte gelegen zijn. Dit is geborgd via de regels en de verbeelding, door de 'specifieke bouwaanduiding – geluidsluwe gevel' op te nemen. Hierin ligt vast dat een woning binnen deze specifieke bouwaanduiding parallel aan de maatgevende weg gesitueerd moet worden.

Uitzonderingen hierop zijn, indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidluwe gevel of op een andere wijze wordt gerealiseerd, of niet meer noodzakelijk is. Spoorweglawaai: Voor het aspect spoorweglawaai geldt dat het plangebied buiten de zone van de spoorlijn Breda – Tilburg is gelegen. Akoestisch onderzoek voor wat betreft het aspect spoorweglawaai is dan ook niet noodzakelijk. Luchtvaartlawaai: Voor het aspect luchtvaartlawaai geldt dat het plangebied buiten de 35 KE-zone van de vliegbasis Gilze en Rijen is gelegen. Akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Na het vaststellen van hogere waarden voor de nieuw te realiseren woningen binnen de oranje en rood gemarkeerde gebieden vormt het aspect geluid geen belemmering voor de functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

4.4

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het

blad 34 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rondom een risicobron. Onderzoek Inrichtingen Op basis van de Risicokaart bevinden zich geen risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied. Aan de Mosstraat 23 bevindt zich een propaantank. Het plangebied ligt echter buiten de geldende (plaatsgebonden risico) contouren van de propaantank. Transportroutes In 2018 heeft de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) de 'Rapportage Vervoer Gevaarlijke stoffen' voor de gemeente Gilze en Rijen geactualiseerd. Deze rapportage is opgesteld met het doel inzicht te bieden waar en welke gevaarlijke stoffen in de gemeente Gilze en Rijen worden vervoerd. Door te weten welke gevaarlijke stoffen over welke wegen worden vervoerd kan bepaald worden met welke rampscenario's rekening moet worden gehouden bij bestrijdbaarheid- en zelfredzaamheidsvraagstukken in ruimtelijke plannen. In afbeelding 4.4 zijn de routes van transport van gevaarlijke stoffen weergegeven. Op de kaart zijn ook de intensiteiten weergegeven. Er is een transportroute van gevaarlijke stoffen die uitkomt op de Hannie Schaftlaan. Uit de intensiteiten is op te maken dat het gaat om vier propaanleveringen (GF3) per jaar (8 inclusief retourrit). De leveringsroute gaat niet over de Hannie Schaftlaan, maar gaat heen en terug over de Mosstraat.

Er zijn geen gegevens beschikbaar dat er bij de levering van propaan in de Mosstraat e.o. over de Hannie Schaftlaan wordt gereden.

Afbeelding 4.4: Uitsnede transportroutes (Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant) Ten zuiden van het plangebied zijn de wegen N282 en A58 gelegen. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van een brandbaar gas op de N282, een zogenaamd BLEVE-scenario. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van toxische scenario's op de A58 en het spoortraject Breda - Tilburg. Afhankelijk van de windrichting en de plaats van een incident met toxische stoffen op beide transportroutes, kan een dergelijk scenario tot het plangebied reiken. Bij een toxisch scenario is schuilen (binnenblijven met ramen en deuren gesloten) de gewenste handelingswijze. Risicocommunicatie en toepassing van centraal afsluitbare mechanische ventilatie kunnen daarbij ondersteunend werken. Doordat het plangebied enkel binnen het invloedsgebied van toxische scenario's op de A58 gelegen is, en dus buiten de risicocontour, is een beschouwing van het plaatsgebonden- en groepsrisico niet nodig. blad 35 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Op de Hannie Schaftlaan, die oostelijk van het plangebied gelegen is, is geen noemenswaardig transport van brandbare gassen te verwachten. Conclusie Het aspect externe veiligheid betreft enkel toxische scenario's die van invloed kunnen zijn op het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

4.5

Waterhuishouding Algemeen De waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten worden verantwoord in de watertoets. M.b.v. van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundige aspect in combinatie met het ruimtelijk beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de ontwikkelingen wordt gezocht naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. Hierbij dienen de volgende stappen te worden doorlopen: m.b.t. waterkwantiteit, hergebruik, vasthouden, berging, afvoer; m.b.t. waterkwaliteit schoonhouden, scheiden, zuiveren. Uitgangspunten omgang met afstromend hemelwater De planlocatie valt binnen het beheersgebied van waterschap Brabantse Delta. Ook voor Brabantse Delta is “hydrologisch neutraal ontwikkelen”speerpunt bij de ruimtelijke plannen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota vastgesteld met uitgangspunten m.b.t. de watertoets. Hierin staan de volgende principes centraal: wateroverlastvrij bestemmen; gescheiden houden van vuil -water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik, infiltratie, buffering, afvoer; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimte gebruik; voorkomen van vervuiling; rekening houden met waterschapsbelangen. Deze principes liggen in lijn met het landelijk beleid t.a.v. de watertoets.

Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Onderzoek Door Antea Group is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit waterhuishoudkundig plan d.d. 8 februari 2021 is opgenomen als Bijlage 10 bij de toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten, conclusies en aanbevelingen uit het waterhuishoudkundig plan. Huidige waterhuishoudkundige situatie Maaiveld Het maaiveld in het plangebied varieert van NAP +4,80 m tot NAP +6,70 m. De gemiddelde maaiveldhoogte van het plangebied is circa NAP +5,85 m. Afbeelding 4.5 toont het verloop van de maaiveldhoogten. De weghoogte van de Zwarte Dijk helt af van NAP +7,00 m tot NAP +6,55 m. De weghoogte van Mosstraat helt af van NAP +5,80 m tot NAP +5,70 m. De Hannie Schaftlaan sluit aan op de hoogte van voorgenoemde wegen. De laagte in het noordwestzijde van het plangebied is in de bestaande situatie gevoelig voor wateroverlast.

blad 36 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Afbeelding 4.5 Maaiveldhoogte t.o.v. NAP (AHN-viewer) Bodemopbouw De bodem bestaat uit zandgronden en slecht doorlatende lagen die afgezet zijn in beekdalen. In het plangebied is de bodemopbouw beschreven in het bodemonderzoek Verkennend bodem-, asbest en waterbodemonderzoek Tussen de Leijen d.d. 12 april 2019, zoals opgenomen als Bijlage 11 bij de toelichting. Onder het maaiveld bevindt zich een humeuze zandlaag met een dikte variërend van 0,4 m tot 0,8 m. Daaronder is matig siltig zand aangetroffen tot de in het veldwerk gehanteerde boordiepte. Ter plaatse van boringen 26, PB02 en PB04 is een slecht doorlatende laag aangetroffen op een diepte van circa 1,0 m beneden maaiveld. Bij PB02 en BP05 betreft de slecht doorlatende laag een veenlaagje van circa 0,3 m dikte. Bij boring 26 betreft de slecht doorlatende laag een kleilaag van 0,3 m dikte. Grondwater De gemiddelde hoogste grondwaterstand is een basis voor de uitwerking van de toekomstige aanlegpeilen. In Dinoloket zijn de meetreeksen opgevraagd en aangevuld met de gegevens van de gemeente. Daarnaast zijn in het plangebied in december 2020 vier peilbuizen geplaatst, die een half jaar worden waargenomen. Tijdens het veldwerk zijn de gemiddeld hoogste grondwaterstanden afgeleid uit de morfologische kenmerken in het boorprofiel. Per boorlocatie, zie afbeelding 4.6, worden twee getallen weergegeven.

Het bovenste getal is de afgeleide GHG uit het boorprofiel en het onderste getal is de gemeten waterstand op 24 december 2020. Op basis van de monitoring wordt over een half jaar bepaald in hoeverre de afgeleide peilen een betrouwbaar beeld geven. Voor het opstellen van het waterhuishoudkundig plan wordt uitgegaan van de circa NAP +5,50 m voor het zuidelijke deel van het plangebied en NAP +5,20 / +5,00 m voor het noordelijke deel van het plangebied.

blad 37 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Afbeelding 4.6: Afgeleide hoogste grondwaterstanden volgens profiel (bovenste getal) en de gemeten grondwaterstanden op 24 december 2020 (onderste getal) Watersysteem Afbeelding 4.7 toont de ligging van de watergangen met een A-status en de watergangen met een B-status. Volgens de legger hebben de A-watergangen in het plangebied taluds met een helling van 1:1,5. In afbeelding 4.7 zijn de bodemhoogten volgens de legger opgenomen. De B-watergangen zijn (vooralsnog) niet ingemeten. De stuw KST00793 Moerstraat Rijen ligt volledig plat (vanaf het jaar 2003) en heeft een kruinhoogte van NAP +4,65 m. De beslissing voor het platleggen van deze stuw is genomen naar aanleiding van wateroverlast die is opgetreden. Door het waterschap zijn de waterstanden ter plaatse van de stuw gemeten. Bovenstrooms van de stuw varieert de waterstand tussen NAP +4,80 m en NAP +4,90 meter. De waterstand benedenstrooms van de stuw is circa 0,4 m lager, oftewel NAP +4,45 meter. Op ongeveer 600 m benedenstrooms van het plangebied is de eerstvolgende stuw gelegen, stuw KST01026 bij de Schorsstraat nabij de RWZI. Deze stuw wordt op dit moment geautomatiseerd en heeft een streefpeil van NAP +4,3 m in de zomer en NAP +4,1 m in de winter.

blad 38 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Afbeelding 4.7: Legger Riolering Afbeelding 4.8 toont de ligging van het gemeentelijk riool. Ter hoogte van de Zwarte Dijk is een riooloverstort van een bergbezinkvoorziening aanwezig. De overstort kan bij calamiteiten in werking treden. De overstort wordt vooralsnog niet gewijzigd. Dit is een aandachtspunt voor de uitwerking van het waterhuishoudkundig plan. Momenteel worden de mogelijkheden voor de verplaatsing van de overstort, in samenspraak met het waterschap, onderzocht. De manier waarop met de overstrort wordt omgegaan, wordt bij vaststelling van het bestemmingsplan toegevoegd aan het waterhuishoudkundig plan en de toelichting. Het riool aan de Mosstraat heeft een b.o.b. van circa NAP +4,60 m. Het riool aan de Zwarte Dijk heeft een b.o.b. van circa NAP +4,30 m.

blad 39 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Afbeelding 4.8: Ligging riolering (bron: gemeente d.d. 16 december 2020) Aan de westzijde van de A-watergang ligt een (riool)persleiding, zie afbeelding 4.9. Dit is een aandachtspunt voor de realisatie en het op te stellen rioleringsplan. Het opstellen van het rioleringsplan is geen onderdeel van dit waterhuishoudkundig plan. Bij het werken in de nabijheid van een persleiding moet worden voldaan aan voorwaarden uit de V.U.W. 2004.

Afbeelding 4.9: Persleiding (bron: Ruimtelijke plannen.nl) Uitgangspunten blad 40 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Vuilwaterafvoer Overeenkomstig het beleid van waterschap Brabantse Delta wordt het hemel- en afvalwater gescheiden ingezameld. Binnen het beschouwde gebied wordt het afvalwater naar de RWZI Rijen afgevoerd en wordt het hemelwater middels wadi's in de bodem geïnfiltreerd. Het huishoudelijk afvalwater worden aangesloten op het bestaande afvalwaterstelsel en afgevoerd naar de RWZI Rijen. De gemeente hanteert voor nieuwe vuilwaterriolen een verhang van 1:350 (diameter 300 mm) en 1,10 m gronddekking op bovenkant rioolbuis. De droogweer afvoer (DWA) bedraagt maximaal 10 liter/hoofd/uur c.q. 150 liter /hoofd/dag (volgens de waterparagraaf uit het bestemmingsplan). Voor de verder eisen wordt verwezen naar het kwaliteitshandboek openbare ruimte (gemeente Gilze en Rijnen d.d. 1 augustus 2010). Het opstellen van een rioleringsplan is geen onderdeel van dit rapport. Beschermingszone A-watergang A-watergangen hebben aan beide zijden een beschermingszone van 5 m vanaf de boveninsteek. Binnen de beschermingszone gelden de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Uitgangspunt voor onderhoud vanaf de kant is dat er rekening wordt gehouden met obstakelvrije zones. Dus er worden geen bomen of paaltjes of degelijke geplaatst op de onderhoudsroutes van de watergangen. Bij het waterschap is navraag gedaan over het onderhoud.

Het onderhoud van de A-watergang wordt van twee kanten uitgevoerd op dit moment. In de plansituatie mag volstaan worden met een eenzijdig onderhoudspad mits het pad goed begaanbaar is en de watergang niet breder wordt dan 7,0 meter op de insteek). Daarnaast heeft het waterschap de voorkeur om de A-watergang niet te verbreden, maar de voorkeur is om een losstaande waterberging te realiseren in het plangebied. Watercompensatie als gevolg van dempen van enkele B-waterlopen Het te dempen wateroppervlak bedraagt 1.863 m2 (BGT water waarbij de inhoud van de watergang op basis van foto's is ingeschat op 0,35 m3/m2 ). In totaal gaat door het dempen 652 m3 aan waterberging verloren. Het verlies aan berging wordt volledig gecompenseerd in de vorm van waterberging. Wateropgave als gevolg van toetsing wateroverlast Door het waterschap is een toetsing wateroverlast uitgevoerd (2018), waaruit een berekende inundatie volgt. De berekende hoeveelheid water op maaiveld in kubieke meters voor deze T100 met een klimaatscenario is ongeveer 500 m3 . Deze hoeveelheid wordt volledig gecompenseerd door de aanleg van waterberging. Watercompensatie als gevolg van nieuwe verhardingen en te dempen water Compensatie van verhardingen: Nieuwe verhardingen kunnen leiden tot versnelde afstroming van hemelwater. Om dit te voorkomen geldt een watercompensatie voor nieuwe verhardingen.

Ter compensatie van de toename aan verharding wordt waterberging gerealiseerd. Conform de uitgangspunten van het waterschap moet het plangebied worden getoetst bij een bui die 1 maal per 100 jaar wordt verwacht. Bij zo'n bui is de benodigde waterberging 60 mm (conform de beleidsregel 'Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'). Het gebied is vanwege de ondiepe grondwaterstanden en kans op inundatie aangeduid als gebied met gevoeligheidsfactor 1. Voor het waterhuishoudkundig plan is uitgegaan verhardingen zoals genoemd in bijlage 2 bij het waterhuishoudkundig plan. Aanlegpeilen Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de ontwateringsdiepte voldoende te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de gemiddeld hoogste grondwaterstand en blad 41 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

het straatpeil, het maaiveld en/of vloerpeil. Tabel 4.1 toont de minimale peilen. De peilen gelden als een inspanningsplicht, de gemeente en waterschap kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor het handhaven van de genoemde waarden. Voor een klimaatrobuuste inrichting adviseert het waterschap om na te denken hoe wateroverlast in woningen voorkomen kan worden. Welke hoogteverschillen je daarvoor nodig hebt is o.a. afhankelijk van de situatie, de beschikbare ruimte en de noodzaak om water op straat te brengen. De bovengrondse inrichting dient bij extreme neerslag in staat te zijn, het deel van de neerslag dat niet afgevoerd kan worden door het hemelwaterriool, af te voeren naar hiervoor aangewezen locaties. Voor extreme neerslag wordt als richtlijn een bui met een herhalingstijd van 1x per 100 jaar gehanteerd, waarbij rekening wordt gehouden met de impact van klimaatverandering. Dit is vertaald naar een bui van 60 mm in 1 uur. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Tabel 4.1: Minimaal benodigde ontwateringsdiepte. Functie

Minimaal benodigde ontwatering (m ten opzichte van gemiddeld hoogste grondwaterstand)

Vloerpeil*

0,95

Wegpeil

0,7

Groenvoorzieningen

0,5

* conform het kwaliteitshandboek openbare ruimte (gemeente Gilze en Rijnen d.d 1 augustus 2010) geldt een vloerpeil van minimaal 0,25 meter boven het kruinpeil van de in de eindsituatie aan te leggen weghoogte. Dit om overlast binnen de woningen in extreme situaties te voorkomen. Onderhoud Het toekomstige beheer van de wadi's zal de gemeente t.z.t gaan voeren. De gemeente hanteert een obstakelvrije zone van 3 á 4 meter breedte vanuit insteek watergang/wadi. Conclusie De gemiddelde hoogte van het plangebied is NAP 5,85 m. In het kader van een gesloten grondbalans wordt de grond uit cunetten en te realiseren wadi's verwerkt in het plangebied. Op basis van een expert judgement levert is de gemiddelde terreinverhoging van 0,2-0,25 m. Welk effect heeft dit op de omgeving zal hebben is beoordeeld op basis van expert judgement. De uitstralingseffecten zijn te verwachten in de noordoosthoek van het plangebied. Door een greppel op te nemen (zie afbeelding 4.10) worden de uitstralingseffecten gemitigeerd. De uitstralingseffecten aan de andere zijden van het plangebied zijn nihil omdat het plangebied grenst aan wegen of watergang. Voor een klimaatrobuuste inrichting geldt het uitgangspunt om het vloerpeil van de woningen minimaal 0,25 m boven het wegpeil te realiseren t.o.v. de voorgestelde wegpeilen in afbeelding 4.11.

blad 42 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Afbeelding 4.10: Ligging van de nieuwe greppel

Afbeelding 4.11: Indicatieve wegpeilen De watercompensatie voor de toename aan verhardingen á 6.081 m3 is voorzien in de wadi's in de groenzones. Daarnaast voorziet het plan in droogvallende oevers welke grenzen aan de westelijke A-watergang. De droogvallende oevers compenseren tezamen minimaal 1.152 m3 waterberging ten behoeve de wateropgave toetsing wateroverlast en de compensatie van het dempen van een aantal B-watergangen. De wadi's met de nummers 2 tot en met 4 in afbeelding 4.12 worden voorzien van een overlaat (slokop) naar het hemelwaterriool. De uitwerking van het hemelwaterriool is geen blad 43 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

onderdeel van dit waterhuishoudkundig plan. De wadi's met nummer 8 in afbeelding 4.12 worden voorzien van overlaten (slokop), die als noodoverlaat in werking treden als de wadi volledig is gevuld met hemelwater. Een definitieve berekening kan uitgevoerd worden nadat het groenplan definitief is. Een definitieve berekening wordt voor vaststelling van dit bestemmingsplan uitgevoerd en aan dit bestemmingsplan toegevoegd.

Afbeelding 4.12: Watersysteem met afvoerende gebieden en wadi's. De wadi's ligging boven de gemiddelde hoogste grondwaterstanden. De bodem van de wadi's bestaat uit matig siltig zand. De doorlatendheid is volgens de literatuur circa 0,5 m/dag. De infiltratiecapaciteit zal afnemen. Praktijkonderzoeken wijze uit dat de doorlatendheid van de toplaag in de beheerfase terug zal lopen omdat de bodem van de wadi langzaam dicht slibt. Wanneer wordt gerekend met 50% infiltratiesnelheid is de ledigingstijd van circa 1,5 dag. Dus voldoet ruimschoots aan de norm binnen 5 dagen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.6

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en

blad 44 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Onderzoek De planlocatie en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied komen een aantal inrichtingen of voorzieningen voor, waarvoor een richtafstand geldt. Het gaat om: Wouwerbroek 9 Volkstuinen op percelen B5341 en B3724; Diverse veehouderijen Wouwerbroek 9 Ter plaatse van het perceel Wouwerbroek 9 geldt de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming is uitsluitend een agrarisch akkerbouwbedrijf toegestaan. Een agrarisch akkerbouwbedrijf behoort tot de milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde nieuwe woningen liggen op circa 25 meter afstand van dit agrarisch akkerbouwbedrijf. In de huidigde situatie bevinden zich op circra 5 meter van het bestemmingsvlak 'Agrarisch' bestaande woningen. Hiermee zijn de ontwikkelmogelijkheden van het agrarisch bedrijf reeds beperkt.

De nieuwe woningbouwontwikkeling vormt geen beperkingen voor de ontwikkelmogelijkheden van het agrarisch akkerbouwbedrijf. Volkstuinen Ten noorden van het plangebied zijn volkstuinen gelegen. Volkstuinen worden vergelijkbaar geacht met milieucategorie 1. Aan de richtafstand van 10 meter wordt voldaan. Diverse veehouderijen Ten oosten van het plangebied liggen diverse veehouderijen. Het aspect geur is bij deze inrichtingen het bepalende aspect. Gezien het feit dat er meerdere veehouderijen in de direct omgeving van het plangebied aanwezig zijn, is er een onderzoek naar geur gedaan. Derhalve is er een aparte paragraaf over het aspect geur opgenomen in deze toelichting. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.7. Aan de richtafstanden voor geluid, stof en gevaar wordt voldaan. Conclusie Aan de richtafstanden van alle omliggende inrichtingen en voorzieningen wordt voldaan. Daarmee kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.7

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.

blad 45 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Onderzoek Voor de veehouderijen aan de Mosstraat 19 en 23 is de individuele geurbelasting (voorgrondbelasting) berekend. Deze voorgrondgeurbelasting bedraagt respectievelijk 2,3 ouE/m3 en 2,9 ouE/m3 op de dichtstbijzijnde nieuwe woningen. Er wordt daarmee voldaan aan de wettelijke norm van 3 ouE/m3 . Aan de advieswaarde van de GGD, te weten 2 ouE/m3 , wordt niet voldaan. Dit betekent dat het percentage geurgehinderden in de nieuwbouwwijk net boven het vanuit gezondheid als maximum gehanteerde percentage geurgehinderden van 12% ligt. Deze waarde is echter een advies en geen harde grenswaarde. Dit vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast is de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) berekend. De achtergrondbelasting in het plangebied bedraagt maximaal 5 ouE/m3 . Een dergelijke belasting wordt vanuit ruimtelijke ordening gecategoriseerd tot een goed woon- en verblijfsklimaat. De GGD hanteert een maximale advieswaarde van 5 ouE/m3 voor de achtergrondconcentratie. Hier wordt exact aan voldaan. Dit betekent dat op basis van de dosisresponsrelatie uit het onderzoek van Geelen et al. het percentage geurgehinderden in de nieuwbouwwijk gelijk is aan het vanuit gezondheid als maximum gehanteerde percentage geurgehinderden van 12%. Conclusie Er wordt voldaan aan de wettelijke norm van 3 ouE/m3 .

Derhalve vormt het aspect geur geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.8

Luchtkwaliteit Algemeen In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit maakt onderdeel uit van de Wet milieubeheer en bevat grenswaarden voor luchtkwaliteit. Conform de richtlijn van de EU gelden de grenswaarden voor de buitenlucht voor het gehele grondgebied van de lidstaten, met uitzondering van de werkplek. De uitvoeringsregels behorend bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr) die gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit in werking treden. Uit verschillende onderzoeken is bekend dat omwonenden van veehouderijen blootgesteld worden aan verhoogde concentraties van geur, fijn stof, endotoxinen en biologische agentia. Deze blootstelling kan tot hinder en gezondheidsklachten leiden. Maar ook verkeer gerelateerde emissies beïnvloeden de luchtkwaliteit en kunnen tot gezondheidseffecten leiden, met name aan de luchtwegen. Zowel het verkeer als de in de nabijheid gelegen veehouderijen zijn daarom in dit onderzoek meegenomen.

Onderzoek Door de Omgevingsdienst Midden- en West- Brabant en de GGD Brabant is een milieuonderzoek uitgevoerd naar alle aspecten die een relatie hebben met gezondheid, waaronder luchtkwaliteit (zie Bijlage 7 voor het volledige onderzoek). Bij het onderzoek naar de luchtkwaliteit zijn alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. Met behulp van de provinciale database Web-BVB1 zijn de relevante veehouderijen geselecteerd en is de totale emissie van fijn stof (PM10) en de overige algemene parameters voor de geurberekeningen bepaald. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het softwarepakket Geomilieu (versie 4.41, module STACKS).

blad 46 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

PM10 Voor PM10 geldt een wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie op plaatsen waarbij sprake kan zijn van langdurende blootstelling van mensen. Uit de berekening blijkt dat de concentratie PM10 ter plaatse van het plangebied ten hoogste 22,5 µg/m3 bedraagt. Deze concentratie is opgebouwd uit een achtergrondconcentratie van 22,1 µg/m3 en een bijdrage door de inrichtingen van in totaal (gecumuleerd) maximaal 0,4 µg/m3. Er wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. Daarnaast geldt voor PM10 een grenswaarde van 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat de 24-uurgemiddelde concentratie maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Bij geen enkel toetspunt wordt het maximaal aantal overschrijdingsdagen overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt (gecumuleerd) op zijn hoogst 11. PM2,5 Voor PM2,5 geldt een wettelijke grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie op plaatsen waarbij sprake kan zijn van langdurende blootstelling van mensen. De concentratie van PM2,5 hangt sterk samen met de concentratie van PM10. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft de relatie tussen de concentraties PM2,5 en PM10 nader onderzocht.

Uit het onderzoek volgt dat wanneer aan de wettelijke grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde voor PM2,5. Ter plaatse van de omliggende woningen bedraagt de concentratie PM10 maximaal 22,5 µg/m3 . Bij deze PM10 concentratie wordt ook aan de grenswaarde voor PM2,5 voldaan. Gezondheidskundige beoordeling Bekend is dat ook onder de wettelijke grenswaarden gezondheidseffecten kunnen optreden. Daarom adviseert de GGD in het kader van een gezond leefklimaat om de waarden van de WHO als maatgevend te nemen, juist omdat onder de wettelijke normen gezondheidswinst te behalen valt. Tevens wordt in het kader van gezondheid geadviseerd door de GGD een afstand van 300 meter van woningen tot Rijkswegen en 50 meter tot drukke doorgaande wegen te hanteren. Aan de advieswaarde van de WHO (20 µg/m3) wordt niet voldaan. Naast het feit dat deze waarde slechts een advies en geen grenswaarde is, is de achtergrondconcentratie ter plaatse al 22,1 µg/m3 bedraagt en deze op een groot aantal plaatsen in Nederland al boven de 20 µg/m3 ligt. Een andere locatie voor woningbouw binnen de gemeente brengt hierin naar verwachting geen verbetering. Aan de afstandscriteria tussen woningen en Rijkswegen dan wel drukke doorgaande wegen wordt wel voldaan.

Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied. Er is geen sprake van een belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Lichthinder Algemeen Uit eerder uitgevoerd onderzoek blijkt dat verstoring van het dag-nachtritme bij de mens negatieve fysieke en psychische gevolgen heeft. Deze verstoring vindt echter pas plaats bij relatief hoge lichtintensiteiten. Hoewel er geen aanwijzingen uit epidemiologisch onderzoek zijn, valt niet uit te sluiten dat buitenverlichting, door verkorting van de avond en nacht, via stress en in combinatie met andere stressfactoren in de leefomgeving, op den duur leidt tot aantasting van de gezondheid.

blad 47 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Uit onderzoek komt naar voren dat omwonenden van kassen met assimilatieverlichting en van sportvelden hinder ondervinden van het oplichten van hun woningen en tuinen, van direct zicht op de lichtbronnen of van de gloed erboven. De percentages matig of ernstig gehinderden variëren van 5 tot 15 %. Vooral de gloed boven kassen ervaren omwonenden als hinderlijk. Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen kassen, sportvelden of andere bronnen die lichthinder kunnen veroorzaken. Gezondheidseffecten als gevolg van lichthinder zijn in het plangebied derhalve niet te verwachten. Conclusie Het aspect lichthinder vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.10

Ecologie Algemeen Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijk ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de Natuurtoets wordt niet ingegaan op de Boswet. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Deze paragraaf beschrijft de in en rond het plangebied aanwezige natuurwaarden met bijzondere aandacht voor de dier(- en plant)soorten die een beschermde status genieten ingevolge de Wnb. De beschrijving is gebaseerd op de natuurtoets van 30 januari 2017. Het onderzoeksgebied bestaat uit het plangebied en de directe omgeving, tot zover de ontwikkeling mogelijk effect heeft op de te beschermen waarden. Onderzoek Er is een natuurtoets uitgevoerd om te onderzoeken of het plan uitvoerbaar is vanuit de geldende natuurwetgeving.

Deze natuurtoets is bijgevoegd als Bijlage 12 bij de toelichting. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Beschermde gebieden Natura 2000 Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Ulvenhoutse bos. Dit gebied ligt op ongeveer negen kilometer afstand van het plangebied. Er liggen nog een aantal andere Natura 2000-gebieden op een afstand van tien kilometer van het plangebied. Het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse bos ligt buiten het invloedsgebied van het plan wat betreft vermesting en verzuring, verdroging of geluid- en lichtverstoring. Vanwege de afstand, de beperkte omvang van de ontwikkeling in het plangebied worden geen effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen in het Natura 2000-gebied verwacht. Er is geen effect op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en daarom is er geen aanleiding om te verwachten dat er op Natura 2000-gebieden op grotere afstand nog effecten zullen optreden. Een vervolgonderzoek vanuit de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. De gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Natuur Netwerk Brabant

blad 48 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Het plangebied ligt niet in Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde gebied behorend bij het NNB ligt op ongeveer 600 meter ten zuiden van het plangebied. Het NNB is aangewezen voor het beheertype "N16.03 Vochtig bos met productie". Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNB in de nabijheid van het plan kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling in het plangebied heeft geen effect op de directe omgeving van het plangebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNB geen belemmeringen. Het NNB-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Houtopstanden Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom Boswet. Daarmee vallen houtopstanden die vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. In het plangebied staat één enkele boom, daarnaast staan er bomen in de tuin bij de woning die in het plangebied ligt. Deze bomen vallen niet onder de criteria genoemd in de Wet natuurbescherming. Daarmee vallen de houtopstanden niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Mogelijk zijn ze wel beschermd via de APV van de gemeente, of middels een bestemmingsplan. Beschermde soorten Vogels - jaarrond beschermde nesten In het plangebied is een groot nest aangetroffen. Het is daarom niet uit te sluiten dat in het plangebied een jaarrond beschermd nest aanwezig is.

Om het effect van de ontwikkeling te kunnen bepalen moet in het broedseizoen bepaald worden welke soort het nest gebruikt. Er moet een onderzoek worden uitgevoerd naar het mogelijk voor komen van een jaarrond beschermd nest. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd conform richtlijnen uit de SOVON BMP methode. Vogels - algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. Zo kunnen in het plangebied nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten met name in opgaande vegetatie). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels.

Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied dan worden locatiespecifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Zoogdieren - Vleermuizen Het is niet uit te sluiten dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de woning(aan de Mosstraat 6) in het plangebied. Vleermuizen zijn beschermde soorten en staan vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied / vliegroute van vleermuizen zijn daardoor beschermd. In het kader van de Wet natuurbescherming is daarom een aantal verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen neergelegd die in principe niet overtreden mag worden door onder andere een ruimtelijke ontwikkeling. blad 49 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Door de mogelijke sloop van de woning is mogelijk sprake van het verstoren en aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn en indien het gebouw gesloopt word/ de boom gekapt wordt, is dit afhankelijk van de ingreep (zonder aanvullende maatregelen) in overtreding met de wet. Om inzicht te krijgen in het voor komen van verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw wordt een onderzoek conform het vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureau's, 2017) uitgevoerd. Indien vleermuisverblijven aanwezig zijn dan is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig om deze verblijven te mogen vernietigen. Zoogdieren - Wezel, bunzing en steenmarter Het is niet uit te sluiten dat de wezel, bunzing en of steenmarter een verblijfplaats heeft rond de woning die in het plangebied staat. Door de aanleg van de toekomstige woonwijk verdwijnt mogelijk de verblijfplaats van een van deze soorten. Om te kunnen bepalen of er een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden is een onderzoek naar het voor komen van de drie martersoorten nodig. Een nader onderzoek, conform de richtlijnen uit de Handreiking kleine marters in relatie tot soortenbescherming (Provincie Noord Brabant, 2017), wordt uitgevoerd naar het voorkomen van een aantal marterachtigen (wezel, bunzing en steenmarter).

Bij aanwezigheid van verblijfplaatsen van marterachtigen is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig om de verblijfplaats te mogen verwijderen. Nader onderzoek Om te bepalen of in het plangebied beschermde soorten voorkomen is door Antea Group een nader onderzoek uitgevoerd naar jaarrond beschermde nesten, vleermuizen en kleine marterachtigen. De resultaten van het nader onderzoek zijn verwerkt in de rapportage 'Nader soortenonderzoek woningbouwontwikkeling Tussen de Leijen' d.d. 12 januari 2021. De rapportage is opgenomen als Bijlage 13 bij de toelichting. Hierna komen de resultaten en conclusies van het nader onderzoek aan bod. Boomnest In het plangebied is een boomnest aangetroffen. Tijdens de onderzoeksperiode was het nest niet in gebruik. Er zijn voor wat betreft het boomnest geen vervolgstappen benodigd. Vleermuizen In het plangebied zijn de gewone dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen. De laatvlieger is enkel foeragerend en passerend waargenomen. Op één plek in het gebouw is een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis geconstateerd. Buiten de grenzen van het plangebied is vliegroute aanwezig, langs de Mosstraat. De bebouwing betreft een verblijfplaats voor vleermuizen en aantasting van de aanwezige verblijfplaats is in overtreding met de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5, Wet natuurbescherming).

Om deze reden dient een activiteitenplan te worden opgesteld en een Wnb ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Noord-Brabant. Een dergelijke ontheffing neemt circa 20 weken in beslag (+6 weken ter inzage). Daarnaast dienen zo spoedig mogelijk mitigerende maatregelen worden genomen door het plaatsen van vleermuiskasten in de directe omgeving van het plangebied om vertraging te voorkomen. Kleine marterachtigen In de onderzoeksperiode zijn geen waarnemingen gedaan van marterachtigen in het plangebied. Ook zijn geen keutels of pootafdrukken gevonden die duiden op het voorkomen van marterachtigen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn marterachtingen uitgesloten in het onderzoeksgebied. Er zijn op basis van de Wet natuurbescherming geen vervolgstappen aan de orde voor marterachtigen. Conclusie Rekening houdend met het opstellen van een activiteitenplan, het aanvragen van een Wnb blad 50 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

ontheffing en het nemem van mitigerende maatregelen voor vleermuizen, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.11

Verkeer en parkeren Algmeen In deze paragraaf wordt ingegaan op de gevolgen van het onderhavige bestemmingspl an voor verkeersafwikkeling in de directe omgeving van het plangebied. Onderzoek Verkeersgeneratie Als gevolg van de bouw van de voorziene woningen neemt het aantal verkeersbewegingen enigszins toe ten opzichte het huidige niveau. Om de verkeersgeneratie van de woningbouwontwikkeling Tussen de Leijen in Rijen te bepalen, is gebruik gemaakt van de kencijfers uit de CROW-Publicatie 317: “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Binnen het plangebied worden maximaal 375 woningen gerealiseerd, waaronder rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, half-vrijstaande en vrijstaande woningen. Half-vrijstaande woningen zijn niet als specifieke categorie opgenomen, voor deze woningen is gerekend met de categorie 'twee-onder-een-kap woning'. Aan de hand van cijfers van CBS Statline is de stedelijkheidsgraad van de gemeente Gilze en Rijen bepaald, deze is 'matig stedelijk'. Voor de input van de ligging is 'rest bebouwde kom' aangehouden. Voor de input van het aantal woningen per type is uitgegaan van het stedenbouwkundig plan. De verkeersgeneratie van 'Tussen de Leijen' is hiermee als volgt: tabel 4.2: berekening verkeersgeneratie Functie Categorie

Programma Berekeningswijze Min

Max

Gem

Wonen Koop, tussen/hoek

140

per woning

938

1.050

994

Wonen koop, 2-onder-1 kap

173

per woning

1.280,2

1.418,6 1.349,4

Wonen koop, 2-onder-1-kap 18 (half-vrijstaand)

per woning

133,2

147,6

140,4

Wonen koop, vrijstaand

per woning

343,2

378,4

360,8

2.694,6

2.994,6 2.844,6

44* 375

* het stedenbouwkundig plan gaat uit van in totaal 367 woningen, waaronder 36 vrijstaande woningen. In het bestemmingsplan mogen maximaal 375 woningen worden gerealiseerd. In dit kader zijn in de bovenstaande berekening 8 vrijstaande woningen toegevoegd. In totaal genereert de nieuwe wijk 2.844,6 motorvoertuigbewegingen per gemiddelde weekdag. Voor het berekenen van het aantal motorvoertuigen per gemiddelde werkdag kan de vuistregel vermenigvuldigen met 1,11 worden gebruikt. Dit komt overeen met 3.157,5 motorvoertuigbewegingen per gemiddelde werkdag. Het plangebied krijgt vier ontsluitingen. Eén ontsluiting in het zuiden op de Zwarte Dijk, één ontsluiting op de Mosstraat in het noorden en twee ontsluitingen op de Hannie Schaftlaan aan de oostzijde van het plangebied. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling leidt tot een toename van de verkeersintensiteit/-druk op de Mosstraat en de Zwarte Dijk. Om te zorgen dat geen sprake is van een onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen wordt het gedeelte van de Mosstraat ten westen van de Hannie Schaftlaan aangepast. Deze aanpassingen zijn op dit moment nog niet duidelijk en worden in het ontwerpbestemmingsplan meegenomen. Parkeren Om de nieuwe woningen mogelijk te maken dienen er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Voldaan moet worden aan de parkeereis, welke is opgenomen in de blad 51 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

'Nota Parkeernormen 2017'. Uitgangspunt bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen is dat de parkeerbehoefte op eigen terrein, dan wel binnen het plangebied, moet worden opgelost. Conform de Nota Parkeernormen 2017 geldt voor een woning met een oppervlakte groter dan 90 m2 in het gebiedstype 'overig' een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. De gemeente Gilze en Rijen houft deze parkeerbehoefte aan als minimale grens. Minder parkeerplaatsen dan deze parkeerbehoefte is niet toegestaan. Het bestemmingsplan maakt maximaal 375 woningen mogelijk. Ervan uitgaande dat alle woningen een oppervlakte groter dan 90 m2 hebben, geldt dat de ontwikkeling 'Tussen de Leijen' een parkeerbehoefte van 750 parkeerplaatsen heeft. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de te realiseren parkeerbehoefte. Voor het berekenen van het aantal te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein dient gerekend te worden met het 'berekende aantal'. Dit berekende aantal wijkt af van het theoretisch aantal parkeerplaatsen. In de onderstaande tabel zijn de omrekenwaardes voor de parkeervoorzieningen op eigen terrein opgenomen. De vrijstaande, half vrijstaande en twee-onder-één kapwoningen worden gerealiseerd met op het perceel een garage met een enkele-, lange- of dubbele oprit.

tabel 4.3: omrekenwaardes parkeervoorzieningen op eigen terrein (Nota Parkeernormen 2017)

Bij de rijwoningen is er geen ruimte op het perceel aanwezig om parkeerplaatsen te realiseren. Om de parkeerbehoefe voor de rijwoningen op te vangen, worden ook parkeerplaatsen in de openbare ruimte aangelegd. In de openbare ruimte worden circa 360 parkeerplaatsen aangelegd. De meeste parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden in de vorm van parkeerhoven aangelegd. Daarnaast worden er haaksparkeerplaatsen aangelegd rondom de groenzones en worden er parallel parkeerplaatsen aangelegd langs de straten. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

blad 52 van 65

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

4.12

Cultuurhistorie Algemeen Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 2). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Onderzoek Uit de Cultuur Historische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat er ter plaatse van onderhavig plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden gelegen zijn.

De ontwikkeling van de woningen hebben dan ook geen negatieve uitwerking op eventuele cultuurhistorische waarden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.13

Archeologie Algemeen Verdrag van Malta en Wet op de Archeologische Monumentenzorg Het Verdrag van Malta, ook wel het verdrag van Valletta genoemd, is een Europees verdrag dat in 1992 is ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Het verdrag is er op gericht het bodemarchief beter te beschermen. Het bodemarchief bestaat uit alle archeologische waarden die zich in de bodem bevinden. Deze archeologische waarden dienen op een integrale wijze beschermd te worden, waarbij de volgende drie principes gelden: 1.

2. 3.

blad 53 van 65

Tijdig rekening houden met eventuele aanwezigheid van archeologische waarden: Het is belangrijk dat bij de ruimtelijke inrichting van een gebied tijdig rekening gehouden wordt met mogelijk aanwezige archeologische resten. Daarom dient voorafgaand aan een nieuwe ontwikkeling onderzoek plaats te vinden naar archeologische waarden in de bodem van het plangebied. Hierdoor kunnen tijdig archeologievriendelijke alternatieven gezocht worden en wordt tevens een stukje onzekerheid tijdens de bouw van de ontwikkelingen weggenomen, doordat vooraf duidelijk is of er al dan niet archeologische resten in bodem te verwachten zijn. Behoud in situ: Er wordt naar gestreefd archeologische waarden in de bodem te bewaren (behoud in situ). In de bodem blijven de resten immers goed geconserveerd. Verstoorder betaalt: Degene die verantwoordelijk is voor het verstoren van de grond dient te betalen voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarden, wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Tussen de Leijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0436124.100

Dit verdrag is in 2007 vertaald naar de Nederlandse situatie middels de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Onder deze wet, een wijzigingswet die onder andere de Monumentenwet 1998 heeft gewijzigd, zijn de gemeenten de bevoegde overheid inzake archeologie geworden. Zij dienen het aspect archeologie onder meer te borgen in nieuwe bestemmingsplannen. Onderzoek In januari 2019 heeft Antea Group een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Tussen de Leijen in Rijen. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 14. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten uit het bureauonderzoek en veldonderzoek beschreven. Bureauonderzoek In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' is voor het zuidelijke deel van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Voor gebieden met deze aanduiding geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen die dieper reiken van 0,4m onder maaiveld en/of een oppervlakte van meer dan 100m2 beslaan. Deze dubbelbestemming volgt uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen. Op de beleidskaart is het noordelijk deel van het plangebied opgenomen als een gebied met een lage verwachtingswaarde. De archeologische dubbelbestemming ontbreekt dan ook in het vigerende bestemmingsplan.

Voor het gehele plangebied geldt op basis van het archeologisch bureauonderzoek een brede archeologische verwachting. Er kunnen in theorie archeologische resten worden aangetroffen die dateren vanaf het laat paleolithicum tot en met de nieuwe tijd, maar voornamelijk rondom de dalvormige laagte. De overige delen van het plangebied hebben een lage archeologische verwachting als gevolg van de onaantrekkelijkheid van het gebied in historische tijden als vestigingslocatie. Veldonderzoek Om te onderzoeken of er mogelijk archeologische resten aanwezig kunnen zijn in de grond is een twaalftal boringen gedaan. Uit deze boringen is gebleken dat er sprake is van een moerige eerdgrond met zanddek. In twee boringen is een A-C profiel waargenomen en in alle overige boringen is tussen de A en C- horizont sprake van een geroerde AC horizont. De bodem is daarmee in het grootste deel van het plangebied verstoord tot voorbij het potentieel archeologisch vlak. Verondersteld mag worden dat het hier gaat om een laagte tussen twee welvingen waarbij mogelijk maar niet noodzakelijkerwijs de laagte ook als een ooit actief beekdal moet worden geïnterpreteerd. Puntvondsten als kano's en voordes zijn hiermee niet waarschijnlijk. Een aanwijzing hiervoor is het vlekkerige karakter van de aangetroffen moerige laag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10929965/1