CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ontwerpbestemmingsplan De Nieuwe Erven

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan De Nieuwe Erven, Molenschot30.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De ruimte ten noorden van Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 21

de Veenstraat en de Kapelstraat wordt specifiek benoemd als zoekgebied voor dorpsuitbreiding van Molenschot. Het landelijke karakter van Molenschot mag niet verloren gaan door eventuele woningbouw. Vanuit het dorp moeten de directe uitzichten naar het buitengebied blijven bestaan. Middels voorliggend initiatief wordt een kwalitatief woonmilieu ontwikkeld, waar passende woongelegenheid wordt gerealiseerd voor met name starters en ouderen. De ontwikkeling past binnen het kader van het ambitiedocument.

3.3.3

Structuurvisie Stedelijk gebied Gilze en Rijen

Toetsingskader De ‘Structuurvisie Stedelijk Gebied, Gilze en Rijen’ is op 21 december 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de structuurvisie wordt een stap gezet met het concretiseren van de ruimtelijke ambities zoals gesteld in de toekomstvisie (3.3.1) en ambitiedocument (3.3.2). De structuurvisie ziet uitsluitend toe op het stedelijk gebied binnen de gemeente. De structuurvisie is een uitvoeringsdocument dat als onderlegger dient om aan de slag te gaan met de ambities en de hoofdkeuzes, bij toekomstige projecten en bestemmingsplannen. Beoordeling Voor wat betreft demografie en wonen gelden de volgende beleidsuitgangspunten: • de gemeente maakt ruimte voor meer vraaggestuurde vormen van woningbouw, zodat heel gericht kan worden ingespeeld op specifieke woonbehoeften; • de gemeente zet in op het zo lang mogelijk zelfstandig wonen door ouderen, en faciliteert dit door goede voorzieningen en het stimuleren van woningaanpassingen; • mits gebouwd kan worden voor de juiste doelgroep en woonbehoefte, krijgt inbreiding voorrang boven uitbreiding. Prioritering en fasering van woningbouwlocaties vindt mede plaats op basis van de bijdrage die wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit; Door de ligging nabij vliegbasis Gilze-Rijen is de groeiruimte van Molenschot altijd zeer beperkt geweest. Deze bouwbeperkingen worden inmiddels verzacht.

De zone ten noorden van de Veenstraat en Kapelstraat is in de structuurvisie aangewezen als zoekzone voor de dorpsuitbreiding van Molenschot. Er wordt gekozen voor geleidelijke groei waarmee voor een langere tijd in de (lokale) woningvraag kan worden voorzien. Uitgangspunt is dat de directe zichtlijnen, vanaf de oude radialen naar het buitengebied toe, ook bij mogelijke nieuwbouw behouden blijven.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 22

Figuur 9: Links: Uitsnede Visiekaart, met het plangebied rood omcirkeld Rechts: Gewenste ruimtelijke structuur en landschappelijke linten Molenschot

Conclusie Voorliggende initiatief voorziet in een ontwikkeling van een woongebied aan de noordkant van Molenschot. Hiermee worden 76 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van Molenschot. Er is een grote behoefte aan woningen voor met name starters en senioren. Middels deze ontwikkeling De ontwikkeling draagt bij aan de leefbaarheid in Molenschot. De ontwikkeling past binnen het kader van de structuurvisie.

3.3.4

Woonvisie ‘Wonen in Gilze en Rijen’

Toetsingskader De woonvisie ‘Wonen in Gilze en Rijen, doorstromend, duurzaam en divers’ (december 2019) draagt bij aan de ambitie van Gilze en Rijen als een aantrekkelijke, duurzame en gezonde gemeente om in te wonen, te werken en te recreëren. De gemeente zet in op de vitaliteit en leefbaarheid in de kernen, het betaalbaar houden van wonen voor iedereen, het aanpakken van de stevige verduurzamingsopgave en het uitvoering geven aan de nieuwe samenwerking binnen wonen, zorg en welzijn. De woonvisie geeft vorm en inhoud aan de ambitie op het gebied van wonen: 'Binnen de regio zien wij onszelf als een groene woongemeente. Wij combineren de nabijheid van de stedelijke voorzieningen en het cultuuraanbod (Tilburg en Breda) met een gevarieerd, ontspannen en dorps woonmilieu. De bereikbaarheid via spoor en snelwegen zorgt ervoor dat afstanden niet snel een beperkende factor zijn voor wonen, werken of recreëren. We voegen ook iets toe aan de regio. Wij hebben, met een mooi en afwisselend buitengebied, een sterke recreatieve meerwaarde voor de omgeving.'

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 23

De woonvisie richt zich op vier pijlers: 1. Vitale en leefbare kernen; we streven naar het behoud van het dorpse en ruimtelijk karakter, versterken de diversiteit zowel qua woningvoorraad als bevolkingssamenstelling en focussen ons op de bestaande voorraad. 2. Betaalbaar wonen; we staan voor voldoende betaalbare woningen. We zetten nieuwbouw in als motor voor doorstroming en hebben aandacht voor de huisvesting van bijzondere doelgroepen. 3. Een duurzame woningvoorraad; sociaal én particulier. Daarbij gaan we voor circulair, klimaat adaptief en een schoon woon -en leefklimaat. Hierbij speelt de energie-transitie een belangrijke rol. 4. Comfortabel wonen met zorg en welzijn; we faciliteren het langer zelfstandig wonen thuis in de wijk en waar nodig in geclusterde vorm. Beoordeling en conclusie De afgelopen jaren is minder gebouwd dan op basis van de prognose berekend was. Het is daarom van belang de woningproductie te versnellen en te vergroten om aan de vraag vanuit de markt te kunnen voldoen. De gemeente wil de komende jaren een inhaalslag doen op de nieuwbouw, om te voorzien in de uitgestelde woningbehoefte. Dat betekent dat in de eerstvolgende jaren een groter aantal nieuwbouwwoningen kan worden gebouwd dan in de huidige provinciale prognose is opgenomen. De gemeente hanteert daarbij de provinciale prognose als richtgetal, maar niet als harde grens.

De komende 5 jaar wil de gemeente een inhaalslag uitvoeren, om te voorzien in de uitgestelde woningbehoefte. Hierbij heeft de gemeente het voornemen om circa 125 tot 150 woningen per jaar te bouwen. Op basis van deze woonvisie zal de gemeente de woningbouwprogrammering voor de komende jaren verder uitwerken. Momenteel is de groep tussen 45 en 65 jaar sterk vertegenwoordigd binnen Molenschot. Voor een meer evenwichtige leeftijdsopbouw is het wenselijk om het aandeel inwoners met de leeftijd tussen 25 en 45 jaar te laten toenemen en de inwoners boven de 65 jaar te behouden. Er is een tekort aan huizen voor starters. Daarnaast is er voor de ouderen binnen Molenschot geen mogelijkheid om hun grote huis met grote tuin te verruilen voor een kleiner huis met een woon-slaapprogramma op de begane grond met een kleinere tuin. Deze doelgroepen trekken uiteindelijk weg uit Molenschot. Het programma van de beoogde ontwikkeling speelt in op voorgaande en sluit hiermee aan bij de gemeentelijke woonvisie.

3.3.5

Welstandsbeleid

Toetsingskader Het huidige welstandsbeleid van de gemeente Gilze-Rijen is op 20 december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad. Het welstandstoezichtbeleid is verbeeld op een ambitiekaart waarop het gehele grondgebied is verdeeld in groene, gele en rode gebieden. Voor de groene gebieden geldt geen voorafgaand toezicht, alleen nog een ‘vangnetregeling’ achteraf voor bijzondere gevallen. Voor de gele gebieden geldt een beperkt aantal algemene voorschriften en wordt het welstandsadvies gevraagd aan een stadsbouwmeester. Voor de rode gebieden geldt de Welstandsnota Gilze en Rijen en wordt het welstandsadvies gevraagd aan de commissie van Welstand en Monumenten.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 24

Het plangebied is grotendeels gelegen binnen het gele gebied. Voor de gele gebieden hanteert de gemeente Gilze en Rijen de volgende algemene voorschriften. Het uitgangspunt bij de beoordeling is dat een plan wordt goedgekeurd indien globaal in voldoende mate wordt voldaan aan de voorschriften. ▪ Het uiterlijk van het gebouw of bouwwerk is een begrijpelijke en logische keuze vanuit het gebruik of de bestemming; ▪ Het gebouw of bouwwerk is een begrijpelijke en logische keuze ten opzichte van zijn omgeving; ▪ De gekozen stijlvorm is begrijpelijk en logisch; ▪ De samenhang tussen maatverhoudingen in ruimtes, volumes en vlakverdelingen is logisch en begrijpelijk; ▪ Materiaalgebruik, kleur en textuur is logisch en begrijpelijk. Het perceel van de woning aan de Veenstraat 59 is gelegen binnen het rode gebied en is gecategoriseerd als ‘bijzondere welstandsniveau’.

Figuur 10: Uitsnede ambitiekaart Welstandstoezicht Gilze en Rijen, met het plangebied omcirkeld

Beoordeling en conclusie Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen het gele gebied. Voor de gele gebieden hanteert de gemeente Gilze en Rijen de volgende algemene voorschriften. Het uitgangspunt bij de beoordeling is dat een plan wordt goedgekeurd indien globaal in voldoende mate wordt voldaan aan de voorschriften. Aanvullend hieraan is ten behoeve van voorgestane ontwikkeling een beeldkwaliteitskader opgesteld zoals opgenomen in bijlage 14 van dit bestemmingsplan. In dit beeldkwaliteitskader zijn

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 25

beeldkwaliteitseisen geformuleerd ten aanzien van de architectuur, inrichting en uitstraling van de planlocatie. Doel van dit beeldkwaliteitsplan is het verschaffen van een toetsingskader voor de inrichting van de toekomstige bouwplannen. Dit beeldkwaliteitsplan brengt naar voren wat bepalend is voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en welke waarden door de ontwikkeling op deze locatie worden versterkt dan wel hoe eventuele aantasting wordt voorkomen Veenstraat 59 De Veenstraat 59 heeft binnen het vigerende bestemmingsplan de bouwaanduiding ‘karakteristiek’. In de welstandsnota is over deze aanduiding het volgende opgenomen; Ter plaatse van de aanduiding karakteristiek wordt gestreefd naar behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden van bouwwerken. Dit houdt in dat: a. de bouwwerken qua profiel, bouwmassa, gevelkarakteristiek, detaillering, kleur- en materiaalgebruik, situering en oriëntatie behouden dienen te blijven. Het behoud van de verschijningsvorm heeft hoge prioriteit; b. nieuwe bebouwing dient de karakteristiek van de bestaande gebouwen afzonderlijk en/of als geheel niet aan te tasten. Ten aanzien van het bestemmingsplan gelden geen verplichtingen vanuit welstand. Ten tijde van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor bouwen wordt het bouwplan door de stadsbouwmeester getoetst aan de algemene voorschriften.

3.3.6

Koersdocument Duurzaam Gilze en Rijen (2019)

Toetsingskader In april 2019 heeft gemeente Gilze en Rijen het ‘koersdocument Duurzaam Gilze en Rijen’ gepubliceerd. Dit document wordt vertaald in de gemeentelijke Omgevingsvisie en het nieuwe Omgevingsplan. Het koersdocument vormt daarnaast ook een kader voor de rest van het gemeentelijk beleid en is gekoppeld aan andere gemeentelijke en regionale beleidsplannen en visies die bijdragen aan het bereiken van de gemeentelijke duurzaamheidsambities. Hierbij valt te denken bijvoorbeeld de nieuwe Woonvisie, de Groenvisie Grenzeloos Groen, de Verkeersvisie 2025 en de Regionale Energie- en Klimaatstrategie Hart van Brabant. Belangrijk uitgangspunt is om aan de hand van dit beleidsdocument duurzame ruimtelijke initiatieven te stimuleren en duurzaamheidsambities centraal te stellen in de fysieke leefomgeving. Hieronder wordende belangrijkste ambities voor de periode 2030 en 2050 benoemd. Energie ▪ Gemeentelijke gebouwen die nog moeten worden opgeleverd zijn energieneutraal (label A). ▪ Co2 uitstoot verminderd met minstens 49% ten opzichte van 1990. Dit wordt bereikt aan de hand van energiebesparing, schone energieopwekking, duurzame mobiliteit en zuinig gebruik van grondstoffen. ▪ Verenigingen en bedrijven leveren een evenredige bijdrage aan van de gewenste co2 reductie van 49%.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 26

▪

Nieuwe locaties worden zo ontworpen dat zij zo veel mogelijk duurzame energie kunnen opwekken. Gebruik van elektriciteit en aardgas zijn gereduceerd en bewoners zijn voorbereid op de overgang van aardgas naar alternatieve warmtebron.

Circulair ▪ Alle gemeentelijke reststromen worden hergebruikt. Dit geldt ook voor (sport)verenigingsgebouwen eigendom van de gemeenten. ▪ Maximaal 30 kg huishoudelijk restaval per inwoner per jaar in 2025 (landelijke doelstelling) ▪ Minimaal 50 nieuwe circulaire initiatieven binnen de maakindustrie, voedselproductie en bouw en infrastructuur. Deze initiatieven zijn zoveel mogelijk gekoppeld aan een sociaal doel. ▪ Milieugevaarlijke materialen en grondstoffen zijn zoveel mogelijk geweerd uit de samenleving. Door bijvoorbeeld het verplicht saneren van asbestdaken vóór 2024 zo vroeg mogelijk te stimuleren en dit - zo mogelijk - te combineren met het plaatsen van zonnepanelen. Klimaatbestendig en biodiversiteit ▪ Er zijn maatregelen getroffen waardoor er minder last wordt ervaren van de gevolgen van hoosbuien, droogte en hittestress. ▪ Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aandacht besteed aan groen en biodiversiteit met behoud en/of verbetering van de biodiversiteit als streven. ▪ In 2030 onderneemt 50% van de agrariërs binnen de gemeente natuur-inclusief. Dit betekent dat agrariërs zo veel mogelijk gebruik maken van natuurlijke hulpbronnen op hun bedrijf en zo min mogelijk van externe input. ▪ Biodiversiteit staat centraal in het beheer van de openbare ruimte centraal. Het merendeel van de bermen en openbaar groen wordt ecologisch onderhouden.

▪ Er zijn verbindingen gelegd tussen natuurgebieden en groene zones in de kernen voor de migratie van soorten. Beoordeling In het stedenbouwkundig ontwerp van het plangebied is zorgvuldig omgegaan met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie. Hieronder wordt beschreven hoe de gemeentelijke ambities in het plan zijn verwerkt. Energie De woningen voldoen aan de landelijke BENG- norm (bijna energieneutraal gebouw) waarbij het gebouw volledig vrij van gas is. Verwarming zal gebeuren via andere, duurzame systemen zoals bijvoorbeeld een warmtepomp. Bij het ontwerpen van de appartementen wordt een gezond binnenklimaat gecreëerd door optimale ventilatie. Wanneer de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (voorheen bouwvergunning) wordt aangevraagd voor de bouw van het voorliggend initiatief, moet deze voldoen aan het Bouwbesluit, waarmee het aspect duurzaam bouwen en energietransitie in de realisatie van het plan is verzekerd. Circulariteit Voor de bouw van de woningen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van circulair materiaal. Bij bouwmaterialen wordt aandacht besteed aan het toepassen van bouwmaterialen die minder milieubelastend zijn.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 27

Klimaatbestendigheid en biodiversiteit Ten aanzien van de behandeling van afstromend regenwater wordt de voorkeur gegeven aan bergen en infiltreren. In het maaiveld worden daartoe voorzieningen als wadi’s en/of ondergrondse constructies ingepast. Conclusie Het initiatief is in lijn met de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 28

4.0

OMGEVINGSASPECTEN

Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbare en duurzame omgeving dient bij ruimtelijke planvorming rekening te worden gehouden met verschillende omgevingsaspecten. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat behouden blijven of worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk zijn de verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van belang zijn voor het plan(gebied) nader toegelicht.

4.1

MOBILITEIT

Het aspect mobiliteit valt uiteen in twee delen namelijk: verkeer en parkeren. Door Stantec is op 17 november 2023 een onderzoek verkeer en parkeren uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de toekomstige effecten. De rapportage is als bijlage 1 aan het bestemmingsplan toegevoegd. In deze rapportage zijn de gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de parkeerbehoefte voor de nieuwe planontwikkeling bepaald. Doel van deze analyse is het verschaffen van inzicht in de toekomstige verkeersstromen en parkeerbehoefte, zodanig dat passende maatregelen genomen kunnen worden om verkeers- en parkeerproblemen in de toekomst te voorkomen.

4.1.1

Verkeersafwikkeling

Op basis van de berekeningen kan worden geconcludeerd dat het optredende aantal verkeersintensiteiten op de aansluitende wegen voor de prognose 2033 (incl. de toekomstige planontwikkeling) binnen de bandbreedtes vallen die gelden voor een erftoegangsweg. De rijbaanbreedte van de Veenstraat voldoet aan het minimale profiel volgens de richtlijnen van de ASVV 2021. Daarnaast vallen de optredende verkeersintensiteiten in de prognose 2035 nog onder de intensiteitsgrens die gelden om bermschade in de Veenstraat te voorkomen. Gezien de te verwachten verkeersintensiteiten voor het auto- en fietsverkeer op de Veenstraat zijn geen specifieke fietsvoorzieningen benodigd. Het extra verkeer door komst van het woningbouwplan aan de Veenstraat geeft geen problemen voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op de aansluitende wegen.

4.1.2

Parkeren

Conform het beleid van de gemeente Gilze en Rijen bedraagt de openbare parkeerbehoefte in de normatieve situatie voor het woningbouwplan 124 parkeerplaatsen. Hiervan dienen 101 parkeerplaatsen voor bewoners en 23 parkeerplaatsen voor bezoekers aanwezig te zijn. Wanneer er rekening wordt gehouden met dubbelgebruik bedraagt de parkeereis tijdens het maatgevend moment (werkdagavond) 109 parkeerplaatsen. Binnen het stedenbouwkundig plan zijn voor het oostelijke deel 31 privé en 61 openbare parkeerplaatsen opgenomen. Voor het westelijk

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 29

deel bedraagt het aantal 22 privé en 18 openbare parkeerplaatsen. De totale parkeercapaciteit komt hiermee op 132 parkeerplaatsen. Uit de parkeerbalans komt naar voren dat er voor het oostelijk deel tijdens de maatgevende periode (werkdagavond) een restcapaciteit aanwezig is van 13 openbare parkeerplaatsen. Voor het westelijk deel is tijdens de maatgevende periode (werkdagavond) een restcapaciteit van 10 openbare parkeerplaatsen. Hiermee concluderen we dat er voor beide ontwikkelingen voldoende parkeerplaatsen zijn opgenomen binnen het plan. Wij verwachten dan ook niet dat er in de toekomst binnen het plan parkeerproblemen gaan optreden die invloed hebben op de omgeving. In het kader van duurzaamheid kan het een optie zijn om een deel van (over)capaciteit parkeervakken in te richten als groen.

4.2

BODEMKWALITEIT

Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodemkwaliteit te worden beschouwd. Bij ruimtelijke plannen met een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie die ter plaatse wordt beoogd. Middels een verkennend bodemonderzoek wordt inzicht verkregen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de mogelijke aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de grond of het freatisch grondwater. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt vastgesteld of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Beoordeling Door Stantec is in november 2021 een verkennend bodemonderzoek en asbest in de bodem uitgevoerd om inzicht te krijgen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn. Het onderzoeksrapport is als bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek wordt geconcludeerd: Deellocatie 1: Akker en weiland • In alle boven- en ondergrondmonsters zijn geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden.

• Bij indicatieve toetsing van de grondmonsters aan het Besluit bodemkwaliteit zijn alle grondmonsters beoordeeld als altijd toepasbaar. • Op basis van de gemeten gehalten aan PFAS valt de bovengrond in de klasse landbouw/natuur. • In het grondwater zijn sterk verhoogde concentraties aan nikkel en koper, een matig verhoogde concentratie aan kobalt en licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium, kobalt en zink aangetoond.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 30

Deellocatie 2.1: Boerderij met erf • De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK. • In de overige grondmonsters zijn geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. • Bij indicatieve toetsing van de grondmonsters aan het Besluit bodemkwaliteit zijn alle grondmonsters beoordeeld als altijd toepasbaar. • Op basis van de gemeten gehalten aan PFAS is de bovengrond niet toepasbaar en kan deze niet elders worden hergebruikt. • Zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetoond in de grond. • In de puinlaag bij boring 106 is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. • In het grondwater uit peilbuis 107 is een sterk verhoogde concentratie aan nikkel, een matig verhoogde concentratie aan kobalt en licht verhoogde concentraties aan zink en naftaleen aangetoond. Deellocatie 2.2: Bovengrondse tank • Voor deze deellocatie zijn geen zintuigelijke waarnemen gedaan die mogelijk duiden op een verontreiniging met olieproduct. • Zowel in de boven- als ondergrond zijn geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. • Bij indicatieve toetsing van de grondmonsters aan het Besluit bodemkwaliteit zijn beide grondmonsters beoordeeld als altijd toepasbaar. • In het grondwater uit peilbuis 201 is een licht verhoogde concentratie aan naftaleen aangetoond.

• De gemeten concentraties van de overige geanalyseerde parameters zijn kleiner dan de streefwaarden. Deellocatie 2.3: Druppelzone • Bij deze deellocatie is visueel geen asbest aangetroffen. • In grondmengmonsters 2MM5-asb ligt het gewogen gehalte aan asbest op 7,8 mg/kg d.s. Het gewogen gehalte aan asbest is echter < 0,5 x interventiewaarde voor asbest waardoor er geen noodzaak is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de bodem. • In de bovengrond is PCB niet verhoogd aangetoond. Deellocatie 2.4: Gedempte waterput • Voor deze deellocatie zijn geen zintuigelijke waarnemen gedaan die mogelijk duiden op demping. • Zowel in de boven- als ondergrond zijn geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. • Bij indicatieve toetsing van de grondmonsters aan het Besluit bodemkwaliteit zijn beide grondmonsters beoordeeld als altijd toepasbaar. Zware metalen worden regionaal vaker zonder aanwijsbare bron in het grondwater aangetoond. De verhoogde concentraties betreven hoogstwaarschijnlijk verhoogde achtergrondwaardes. Er zijn geen aanwijsbare bronlocaties aangetroffen. Conclusie Middels het bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld.

De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodem- of asbestonderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het beoogde gebruik van de locatie als woonbestemming te verwachten.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 31

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld.

4.3

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

Toetsingskader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. De richtafstand tussen een milieugevoelige functie en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de gevoelige functie, die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is, tot de grens van de inrichting. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming ligt. De VNG-publicatie gaat uit van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied of van een gemengd gebied. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied kan aangemerkt worden als een gebied zonder functiemenging en een minimale invloed van invloeden van wegverkeer.

Bij een gemengd gebied is sprake van een functiemenging tussen wonen en milieubelastende activiteiten, van wonen langs drukke gebiedsontsluitingswegen of bij lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één stap worden verlaagd, behalve voor het aspect gevaar. De richtafstandenlijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar. De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van milieugevoelige objecten (die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk zijn) tot de grens van de inrichting. Beoordeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een woongebied met bijbehorende voorzieningen zoals groen en parkeren. Het plangebied is gelegen aan de Veenstraat, één van de belangrijkste ontsluitingswegen van het dorp Molenschot, tussen twee kleine woonkernen en enkele agrarische percelen. Op basis van deze kenmerken kan het plangebied aangemerkt worden als een ‘rustige woonwijk/ rustig buitengebied’. In de omgeving van het plangebied zijn een tweetal bedrijven aanwezig. Het gaat hierbij om het transportbedrijf aan de Veenstraat 67 en een africhtingsbedrijf voor paarden aan de Veenstraat 79.

Volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt voor het transportbedrijf een maximale richtafstand van 100 meter (geluid) en voor de paardenhouderij een maximale richtafstand van 50 meter (geur).

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 32

Adres:

Omschrijving bedrijfsactiviteiten

Indicatieve afstand

Afstand tot plangebied

Veenstraat 67

Transportbedrijf

100 meter (geluid)

65 meter

Veenstraat 79

africhtingsbedrijf paardenhouderij

50 meter (geur)

181 meter

voor

paarden

/

Veenstraat 79 De paardenhouderij ligt op meer dan 50 meter van het plangebied, namelijk op ca. 180 meter. Hierdoor kan worden gesteld dat de manege geen beperking is voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Andersom geldt ook dat de ruimtelijke ontwikkeling geen beperking geeft voor de activiteiten binnen de manege. De bestaande woningen aan de Veenstraat kunnen aangemerkt worden als maatgevend voor eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden. Veenstraat 67 Boemaars transport is gevestigd aan de Veenstraat 67. Op het bedrijfsperceel bevinden zich een bedrijfswoning met kantoorruimte, een gecombineerde werkplaats met stalling en een overkapping voor het stallen van vrachtwagens met opleggers. Aan de noordzijde, ter hoogte van de perceelsgrens, is een tankplaats aanwezig. Aan de straatzijde is een wasplaats gesitueerd. De meeste bedrijfsactiviteiten vinden plaats aan de achterzijde van het perceel. Tussen de bedrijfsactiviteiten en het plangebied, bevinden zich meerdere gebouwen. Het transportbedrijf richt zich met name op veetransport (60%). Het overige transport betreft o.a. veevoeder, bouwmaterialen e.d. De afstand van de inrichting tot aan het plangebied bedraagt 65 meter, waardoor de indicatieve afstand van 100 meter ten aanzien van het aspect geluid niet wordt behaald.

In het kader van de ontwikkeling aan de Veenstraat 46 - 52 (Blokske I) is in 2011 een milieuonderzoek uitgevoerd naar de impact van de representatieve bedrijfssituatie op het woon- en leefklimaat van het betreffende bouwplan. Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse van het plangebied van BP Veenstraat (bouwplan ‘Blokske I’) voldaan kan worden aan de normstelling van het Activiteitenbesluit. Ten aanzien van de richtwaarde voor een rustige woonwijk geldt dat voldaan kan worden aan de richtwaarde van 45db(A) voor het langetijdgemiddeld beoordelingsniveau en 50dB(A) voor indirecte hinder. Voor het maximale geluidniveau kan in de dag- en avondperiode voldaan worden aan de richtwaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde voor een rustige woonwijk. Voor de nachtperiode is sprake van een overschrijding van ca. 5 dB(A) voor één woning. De overschrijding van de richtwaarde voor het maximaal geluidniveau kan in deze situatie als aanvaardbaar aangemerkt worden op basis van het feit dat de overschrijding blijft binnen de algemeen geldende grenswaarde uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Voor voorliggende plansituatie geldt dat de maatgevende woning binnen het plangebied ca. 20 meter verder van het transportbedrijf af ligt dan de maatgevende woning in het onderzochte bouwplan ‘Blokske I’. Dit komt ten gunste van het geluidniveau ter plaatse van het plangebied.

Het geluidniveau zal ter plaatse van het plangebied kan ten aanzien van bedrijven en milieuzonering in elk geval worden aangemerkt als ‘aanvaardbaar’. Daarnaast geldt dat voor alle woningen binnen het plangebied sprake is van een geluidluwe ruimte waar kan worden voldaan aan de richtwaarde geldend voor een rustige woonwijk. Eventueel kan bij de uitwerking van het bouwplan worden overwogen om de gevels van de dichtstbijzijnde woning, voor zover gericht naar het transportbedrijf, vanaf de 1e verdieping uit te voeren als dove gevel.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 33

Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied een goed woonen leefklimaat kan worden gewaarborgd. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.4

GELUIDHINDER WEGVERKEER

Toetsingskader Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige gebouwen (waaronder woningen), nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een (spoor)weg en/of industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen. Daarnaast dient op grond van de Wro, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat inzichtelijk te worden gemaakt. Daarbij dient aangetoond te worden dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit akoestisch oogpunt. Beoordeling De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de geluidzonde van verschillende wegen. Het bouwplan is gelegen binnen de geluidzone Wgh van de Veenstraat (gedeelte buiten de bebouwde kom) en de Broekstraat (gedeelte buiten de bebouwde kom). Voor een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijk ordening is ook het gedeelde van de Veenstraat en de Broekstraat dat binnen de bebouwde kom ligt relevant. De maximale snelheid bedraagt daar 30 km/uur.

Door Stantec is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is als bijlage 3 opgenomen bij dit bestemmingsplan. Uit de rekenresultaten blijkt dat de hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB ter hoogte van geen enkele woning wordt overschreden. Het vaststellen van hogere waarden is zodoende niet aan de orde. De geluidbelasting bedraagt maximaal 48 dB vanwege het verkeer op de Veenstraat en vanwege het verkeer op de Broekstraat maximaal 29 dB. Tevens is op grond van de Wro, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat ter plaatse van de nieuwe woningen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Het cumulatieve geluidniveau varieert tussen < 25 dB tot maximaal 58 dB. Uit de beoordeling van de rekenresultaten blijkt dat de MKM Lden bij de woningen varieert tussen “Matig” en “Goed”. Ondanks dat formeel een onderzoek karakteristieke geluidwering gevels niet benodigd is, wordt het toch geadviseerd hier onderzoek naar te doen voor de woningen waarbij een cumulatieve geluidbelasting hoger dan 53 dB berekend is (tijdens omgevingsvergunningsprocedure voor de activiteit bouwen). Dit om een acceptabel binnenniveau te garanderen voor de toekomstige bewoners.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 34

Conclusie Het aspect geluid is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

VLIEGBASIS GILZE-RIJEN

De kern Molenschot is gelegen in de nabijheid van Vliegbasis Gilze-Rijen. Momenteel geldt het BGGL (Besluit Geluidsbelasting Grote Luchtvaart). Voor wat betreft de geluidsbelasting die uitgaat van de vliegbasis is voor een gelijke toetsing van initiatieven aan de (toekomstige) wettelijke contouren van de Vliegbasis Gilze-Rijen én de gemeentelijke zienswijze ten aanzien van deze contouren, vooruitgelopen op het toekomstige luchthavenbesluit waarbij de regels gaan gelden die zijn vastgelegd in het Besluit militaire luchthavens (BML). De locatie is gelegen binnen de 35 tot 40 Ke contour. Op deze locatie, zijn conform artikel 6, lid 1 van het Bml, geluidgevoelige objecten toegestaan. Daarnaast vindt de volgende kwalitatieve toets plaats: Grondgebonden geluid Naast lawaai van het vliegverkeer kent de vliegbasis ook zogenaamd inrichtingslawaai of grondgebonden lawaai. Dit is geluid afkomstig van activiteiten op de basis zelf. Bijvoorbeeld het proefdraaien van (vliegtuig)motoren. Dit gebied wordt ook wel de 50 dB(A)-contour genoemd en is vastgelegd in het bestemmingsplan. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. 56 db(A) Lden contour De (oude en nieuwe) contouren gaan uit van een berekening in Kosteneenheden. Met de huidige iinzichten is een berekening in Lden (decibel) realistischer. Deze berekening levert een contour op waar de planlocatie buiten ligt.

Externe veiligheid Het gebruik van de helikopters brengt gevaar met zich mee, een zogenaamd plaatsgebonden risico, ook wel PR 10-6. De contouren worden bepaald door de opslag van munitie, brandstofleidingen enopslag en het vliegen zelf geeft ook risico’s. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. Cumulatie van snelweg- of spoorgeluid Buiten de directe overlast van de vliegbasis kent de gemeente nog drie belangrijke geluidsbronnen, namelijk de spoorlijn Breda-Tilburg, de snelweg A58 en de provinciale wegen. Er kan sprake zijn van cumulatie van geluid afkomstig van het spoor of de (snel)weg, samen met het geluid van de vliegbasis. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. Rattle Noise Naast het geluid wat door de vliegtuigen en helikopters wordt veroorzaakt is er nog een hinderbron die overlast veroorzaakt: rattle noise. Dit zijn trillingen die worden veroorzaakt door de helikopters. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 35

Figuur 11: Ke-zonering ontwerp luchthavenbesluit

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling doorstaat de kwalitatieve toets. Hierdoor is het mogelijk om de beoogde woningen te ontwikkelen.

4.6

LUCHTKWALITEIT

4.6.1

Wet milieubeheer

Toetsingskader Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Een project kan als NIBM worden beschouwd als aannemelijk is, dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde. Beoordeling en conclusie Om het beoordelen van plannen voor overheden eenvoudiger te maken is in de Regeling NIBM het percentage van 3% uitgewerkt in concrete getallen. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over, bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Binnen het plangebied worden maximaal 76 woningen gebouwd. Het plan valt dus beneden de grens van 1.500 woningen. Het plan draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 36

4.6.2

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK)

Toetsingskader Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool. Het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) heeft als doel luchtkwaliteitgegevens over Nederland voor iedereen op één plaats, uniform en laagdrempelig beschikbaar te stellen, en daarmee de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit (digitaal) te ondersteunen. Beoordeling Via de CIMLK-Monitoringstool (monitoringsronde 2022) zijn voorts de concentraties voor de jaren 2021 en 2030 afgelezen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt op basis van de gegevens van de CILM-monitoringstool. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de monitoringstool.

Figuur 6: Uitsnede CIMLK-Monitoringstool ter plaatse van het plangebied

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 37

In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2021 en 2030 nabij het plangebied weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de CIMLK (2022).

NO2 PM10 PM2,5

2021

2030

14 µg/m³ 16 µg/m³ 9 µg/m³

12 µg/m³ 14 µg/m³ 7 µg/m³

Jaargemiddelde maximale grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³

Tabel 6: Luchtkwaliteitswaarden, afgerond op hele waarden

Conclusie Uit de monitoringstool (CIMLK) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de maximale concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2021 en 2030 de jaargemiddelde grenswaarden niet overschrijden.

4.7

EXTERNE VEILIGHEID

Toetsingskader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. In het kader van externe veiligheid binnen het plangebied is een memo opgesteld waarin dit aspect nader is onderbouwd. Deze memo is als bijlage 4 bij de toelichting toegevoegd. Beoordeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 76 woningen, waarvan maximaal 24 appartementen met zorg op afroep. Met het plan worden woningen en dus nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Daarom is met behulp van de risicokaart nagegaan of risicobronnen, in de omgeving van het plangebied, een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In de volgende afbeelding is de ligging van de risicobronnen weergegeven ten opzichte van de globale ligging van het bouwplan De Nieuwe Erven, Molenschot (aangeduid met rode stip).

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 38

Figuur 13:Overzicht risicobronnen in de omgeving van het plangebied

Uit de risicokaart blijkt dat in de wijde omgeving van het bouwplan vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de spoorlijn Tilburg-Breda en over de Rijksweg A58. Daarnaast blijkt uit gemeentelijke gegevens dat er ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de N282. In de Regeling Basisnet wordt voor alle rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen een risicoplafond - dat wil zeggen hoeveel risico er maximaal mag zijn - vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur. Spoorlijn Breda-Tilburg Uit de risicokaart blijkt dat er de spoorweg Tilburg-Breda hemelsbreed op 1,2 km van het bouwplan is gelegen. Het plan is dus niet gelegen binnen 200m van een spoorweg, dus een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroute is niet benodigd. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen wel over het plangebied is gelegen, waardoor er op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) inzicht te worden gegeven in de aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Rijksweg A58 Uit de risicokaart blijkt dat de Rijksweg A58 (wegvak B5) gelegen is op een hemelsbrede afstand van 2,6 km van het bouwplan is gelegen.

Het plan is niet gelegen binnen 200m van een snelweg, dus een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroute is niet benodigd. Het plangebied valt wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen (GT4), waardoor er op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) inzicht te worden gegeven in de aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Conclusie Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 76 woningen, waarvan maximaal 24 appartementen met zorg op afroep.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 39

Op ruimte afstand van het bouwplan zijn meerdere transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig, te weten de spoorlijn Breda-Tilburg (ca. 1,2 km), de Rijkswege A58 (ca. 2,6 km) en de provinciale weg N282 (640 m). Omdat het bouwplan niet binnen 200 meter van deze transportroutes is gelegen, is het inzichtelijk maken van de hoogte en toename van het groepsrisico niet benodigd. Het invloedsgebied van toxische stoffen die over de spoorlijn en de Rijksweg A58 worden vervoerd is wel over het plangebied gelegen. Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is daarvoor een motivering opgesteld (zie bijlage 4) die ingaat op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Deze onderbouwing wordt ter advies voorgelegd bij de gemeente Gilze en Rijen en de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Het advies van deze instanties wordt toegevoegd aan deze toelichting.

4.8

WATER

Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijstwateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

4.8.1

Beleid Provincie Noord-Brabant

Op 22 december 2021 is Waterbeleid: Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 van de provincie Noord-Brabant in werking getreden. De RWP is voorbereid onder de Waterwet en door Provinciale Staten vastgesteld als regionaal waterplan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet, is het RWP een verplicht programma onder de Omgevingswet. Samen met het middels de Visie Klimaatadaptatie door Provinciale Staten vastgestelde beleidskader voor klimaatadaptatie (incl. vitale bodem) en verdrogingsbestrijding vormen zij het kader voor de uitvoering van de wettelijke taken en de doelen uit de Brabantse Omgevingsvisie. In het Regionaal Water- en Bodemprogramma is opgenomen hoe de provincie de komende jaren om zal gaan met thema’s als klimaatadaptatie, schoon water en vitaliteit van de bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Om dat te bereiken, beschrijft het plan verschillende ontwikkelingen die van invloed zijn op de opgaven voor water en bodem.

Ook worden er 7 handelingsprincipes genoemd vanuit de kernwaarden van de Brabantse Omgevingsvisie. De eerste zes handelingsprincipes zijn ontleend aan de Visie Klimaatadaptatie (Besluit Provinciale Staten, 19 juni 2020) waarin de principes voor het eerst zijn geformuleerd en vastgesteld. Ze gaan over het in balans brengen van de watervoorraad, extreme weersituaties opvangen, water- en bodemkwaliteit beschermen en gebruikers

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 40

verantwoordelijk stellen. Als zevende principe is, mede gelet op trends en ontwikkelingen, het circulair denken toegevoegd. Hergebruik van stoffen uit het water of opwerken naar nieuwe stoffen staat daarbij centraal.

4.8.2

Beleid Waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in de gemeente Gilze en Rijen. Haar taken zijn waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, nog specifiek beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Naast het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft waterschap Brabantse Delta een eigen Keur, legger en verordeningen. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Keur is onder andere te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van ruimtelijke (her)ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zoals het hydraulisch neutraal ontwikkelen.

Aanvullend op de Keur heeft het waterschap haar eigen algemene regels vastgelegd in de “Algemene regels waterschap Brabantse Delta”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater” van waterschap Brabantse Delta. De waterschappen maken bij het beoordelen van het toegenomen verhard oppervlak onderscheid in de mate van toename van het verhard oppervlak. De grenswaarden voor het toenemen aan verhard oppervlak waaraan getoetst wordt zijn: ▪ < 500 m²; ▪ tussen de 500 m² en 10.000 m²; ▪ 10.000 m². Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat ruimtelijke (her)ontwikkelingen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Om aan dit uitgangspunt te kunnen voldoen wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren. Beoordeling en conclusie Om te voldoen aan de watertoets dient deze waterparagraaf formeel ter beoordeling te worden voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta en aan de gemeente Gilze en Rijen voor een wateradvies. De uitkomsten hiervan worden te zijner tijd verwerkt in deze toelichting.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 41

4.8.3

Beleid gemeente Gilze en Rijen

De gemeente Gilze en Rijen heeft in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021 - 2025 (vGRP) drie hoofddoelen omschreven: 1. Het duurzaam beschermen van de volksgezondheid; 2. Het op peil houden van de kwaliteit van de leefomgeving; 3. Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater). Deze drie hoofddoelen zijn uitgewerkt in de volgende zeven doelen: 1. Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; 2. Doelmatig inzamelen en verwerken van stedelijk afvalwater; 3. Voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel nadelig beïnvloedt; 4. Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken; 5. Doelmatig beheer en goed gebruik van de riolering; 6. Zo mogelijk infiltratie van regenwater in de bodem; 7. Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem en grondwater zoveel mogelijk voorkomen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat een versnelde afvoer of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk voorkomen wordt door infiltratie of retentie. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te ontwikkelen tot een bui van t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dit komt overeen met een compensatie-eis van 60 mm.

4.8.4

Waterbezwaar

Door Stantec is een waterparagraaf opgesteld. De waterparagraaf is als bijlage 5 opgenomen bij de toelichting. Door Civil support is de technische invulling van de waterbergingsopgave verder vormgegeven. Deze memo is als bijlage 6 opgenomen bij de toelichting. Doordat het plangebied niet met elkaar is verbonden, is een waterberging in één van de gebieden niet in staat het water van het gehele plangebied te verwerken. Hierdoor is de berekening voor een bergingsvoorziening in tabel 4.4.1 verdeeld over de twee deelgebieden. Deelgebied 1 ten noorden van de Veenstraat heeft een waterberging ter grootte van 268,59 m3 (4.260 m2 * 60 mm + (6.116 – 4.260) * 7 mm = 268,59 m3) nodig. Deelgebied 2 ten zuiden van de Veenstraat heeft een waterberging van 505,02 m3 (8.417 m2 * 60 mm) nodig.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 42

Tabel 7: Oppervlakteverdeling toekomstige situatie

4.8.5

ADVIES BEHANDELING REGENWATER (HWA)

Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. Deelgebied 1 omvat de gronden ten noorden van de Veenstraat, deelgebied 2 omvat de gronden ten zuiden van de Veenstraat. Omdat het twee losliggende plangebieden zijn worden ze waterhuishoudkundig ook los van elkaar gezien. Plangebied 2 is eigendom van twee verschillende grondeigenaren. Om het aandeel waterberging per eigenaar te bepalen, is deelgebied 2 in opgesplitst in twee sub-plandelen. De waterbergingsopgave voor de deelgebieden is als volgt: ▪ Deelgebied 1: 269 m3 ▪ Deelgebied 2.1: 405 m3 ▪ Deelgebied 2.2: 100 m3 Mogelijkheden voor waterberging Het maaiveld ligt op een hoogte van ca. +8,50 m N.A.P. en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt op +7,80 m N.A.P. Tussen het maaiveld en de maatgevende grondwaterstand zit dus maar ca. 0,70 m. Door de benodigde dekking (van ca. 1,0 m) op riolering en andere ondergrondse infiltratievoorzieningen behoren deze waterbergingsvoorzieningen niet tot de mogelijkheden binnen dit plangebied. De bergingsvoorzieningen dienen gerealiseerd te worden door middel van bovengrondse voorzieningen, zoals wadi’s of oppervlaktewater. Uitgangspunten wadi’s De volgende uitgangspunten voor bergingsberekening worden vastgesteld: ▪ Maaiveldhoogte: +8,50 m ▪ GHG: +7,80 m ▪ Drooglegging t.o.v. maaiveld: 30 cm ▪ Waterpeil wadi: 30 á 40 cm ▪ Talud 1:3

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 43

Bij een drooglegging van 30 cm en een waterpeil van 30 cm komt de bodem van de wadi op +7,90 m. De bodem van de wadi ligt dus boven de GHG. Bij een waterpeil van 40 cm is de bodem van de wadi gelijk aan de GHG.

Figuur 14: tekening bergingsopgave (bron: bijlage memo technische uitwerking waterbergingsopgave)

Deelgebied 1: De bergingsopgaaf bedraagt 269 m3. Deze bergingsopgaaf is te realiseren door het aanleggen van een wadi aan de westzijde van het plangebied. In figuur xx is het beschikbare oppervlak voor de wadi weergegeven. Het totaal bodemoppervlak van de wadi bedraagt 940 m2. Met een waterpeil van 30 cm bedraagt de gerealiseerde waterberging 282 m3. Hiermee voldoet deelplan 1 aan de bergingseis van 269 m3. Deelgebied 2.1: De bergingsopgaaf bedraagt 405 m3. Deze bergingsopgaaf is te realiseren door het aanleggen van wadi’s aan de oostzijde van het plangebied. Op bijgevoegde tekening is het beschikbare oppervlak voor de wadi’s weergegeven. Het totaal bodemoppervlak van de drie wadi’s bedraagt 1016 m 2 (318 + 114 + 436 + 148 m2). Met een waterpeil van 40 cm bedraagt de gerealiseerde waterberging 406,40 m3. Hiermee voldoet deelplan 2.1 aan de bergingseis van 405 m3. Deelgebied 2.2: De bergingsopgaaf bedraagt 100 m3. Deze bergingsopgaaf is te realiseren door het aanleggen van een wadi aan de oostzijde van het plangebied. In figuur xx is het beschikbare oppervlak voor de wadi weergegeven. Het totaal bodemoppervlak van de wadi’s bedraagt 961 m2 (445 + 516 m2). Met een waterpeil van 40 cm bedraagt de gerealiseerde waterberging 384,40 m3. Hiermee voldoet deelplan 2.2 aan de bergingseis van 100 m 3. Bij de

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 44

uitwerking van alle bovenstaande wadi’s dient de opmerking gemaakt te worden dat de taluds niet zijn meegenomen in de berekening. Er zit dus nog voldoende speelruimte voor de verdere detail uitwerking van het plan. Het plangebied zal waar mogelijk oppervlakkig en waar niet mogelijk middels traditionele regenwaterriolering afwateren richting de wadi’s. De wadi’s (per deelgebied) met elkaar verbonden zijn, zodat er één geheel systeem ontstaat.

4.8.6

ADVIES BEHANDELING VUILWATER (DWA)

In het plangebied worden 76 nieuwe woningen gerealiseerd. Uitgaande van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners (bron: Leidraad Riolering) en een gemiddelde vuilwaterproductie van 120 liter per persoon per dag, met een piek van 12 liter per persoon per uur dient er vanuit het plangebied dagelijks (76 x 2,5 x 120 l/dag =) 22,8 m³ vuilwater te worden afgevoerd naar het rioolstelsel. De piekbelasting bedraagt (76 x 2,5 x 12 l/uur =) 2,28 m³/uur. Het vuilwater vanuit het plangebied dient te worden aangesloten op een gemeentelijk rioolstelsel. De verdere uitwerking hiervan dient in samenspraak met de gemeente Gilze en Rijen te worden uitgevoerd.

4.9

NATUUR

Toetsingskader De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, namelijk een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de natuurwetgeving. Door Ekoza is in augustus 2022 een quickscan Flora- en Faunawetgeving uitgevoerd. Doel van deze quickscan is het inzichtelijk maken of beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn en welke betekenis deze hebben voor de verdere uitvoering van het initiatief. Verder wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ontwikkeling negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. De quickscan is als bijlage 7 aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is voor enkele soorten nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport van het nader onderzoek is als bijlage 8 bijgevoegd. De resultaten van het ecologisch onderzoek zijn hier kort samengevat.

Beoordeling gebiedsbescherming Uit een rapportage blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden geen effect hebben op de aangrenzende Natura2000-gebieden en/of Natuur Netwerk Nederland (NNB). Het plangebied ligt buiten de begrenzing van de NNB. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Ulvenhoutse Bos) ligt op circa 5 km afstand van het plangebied. Om negatieve effecten uit te sluiten voor de nabij liggende natura 2000-gebieden, is een berekening gemaakt met de rekentool AERIUS Calculator. In paragraaf 4.10 wordt nader ingegaan op het aspect stikstof.

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 45

Beoordeling soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen werkzaamheden kunnen een negatief effect opleveren voor steenmarter en kleine marters. Middels nader onderzoek is onderzocht of de soorten daadwerkelijk gebruik maken van het projectgebied en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. Onderzoek naar de steenmarter en kleine marters is door middel van sporenonderzoek en camera’s uitgevoerd. - Steenmarter Tijdens het nader onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan van vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter. Het gebruik van het plangebied als vaste rust- en verblijfplaats hiermee uitgesloten. Op basis van het beeldmateriaal maakt het plangebied mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van de steenmarter. Het ruimtebeslag dat zal plaatsvinden op het leefgebied van de steenmarter door het realiseren van de nieuwbouw bedraagt nog geen 2%.

Derhalve is er geen sprake van een significante afname en is er geen significant negatief effect op het essentieel leefgebied van deze soort. Er zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. - Kleine marterachtigen Tijdens het nader onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan van kleine marterachtigen. Daarnaast zijn geen sporen waargenomen en zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen aangetroffen. Het gebruik van het plangebied als vaste rust- en verblijfplaats hiermee uitgesloten. Vleermuizen De bebouwing en bomen op de locatie zijn potentiële vaste rust- en verblijfplaatse voor gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen. Conform het vleermuisprotocol hebben in de periode half mei tot half juli veldbezoeken plaatsgevonden. Daarnaast zijn er in de periode half augustus tot en met september veldbezoeken uitgevoerd in de nacht. De conclusie van het nader ecologisch onderzoek t.a.v. vleermuizen is als volgt: - Zomer- en kraamverblijf Op basis van het nader onderzoek is geen waarneming gedaan van zomer- en kraamverblijfplaatsen. Op basis van een visuele inspectie zijn geen uitwerpselen aangetroffen. Ook is geen waarneming gedaan van zwermende, invliegende of uitvliegende vleermuizen. Het gebruik van de gebouwen binnen het plangebied als zomer- en kraamverblijf is hiermee uitgesloten. - Paarverblijf Op basis van het nader onderzoek wordt het voorkomen van paarverblijven uitgesloten.

Tijdens de verschillende onderzoekrondes, specifiek binnen de onderzoeksperiode gericht op

Stantec | Bestemmingsplan ‘De Nieuwe Erven, Molenschot’ – D01 46

paarverblijven, zijn eveneens geen activiteiten waargenomen (zwermen en baltsende mannetjes) die duiden op het gebruik van de gebouwen als paarverblijfplaats. Vogels De bebouwing op de locatie is mogelijk geschikt als nestlocatie voor huismus en voor steenuil en kerkuil. Nader onderzoek moet uitwijzen of de bebouwing gebruikt wordt door deze soorten en een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. Voor de huismus vinden er in de periode half maart tot half juni twee bezoeken plaats. Voor de steenuil vinden vier bezoeken plaats in de schemering in de periode half februari – half april en voor de kerkuil vinden vier bezoeken plaats in de periode februari – augustus. De bomen en struiken zijn geschikt als nestlocatie voor vogels. Actieve nesten mogen geen negatief effect ondervinden. De verwijdering van de vegetatie en de sloop van de gebouwen dienen buiten het broedseizoen (half maart – half juli), na het nader onderzoek, uitgevoerd te worden om te voorkomen dat vogels zich erin nestelen. De conclusie van het nader ecologisch onderzoek t.a.v. huismus, steenuil en kerkuil is als volgt: - Huismus Tijdens het nader onderzoek zijn geen huismussen waargenomen in het plangebied. Daarnaast zijn er geen waarnemingen gedaan van nestlocaties. Het gebruik van de gebouwen binnen het plangebied als nestlocatie is hiermee uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14294403/1