CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51 (nieuwe versie)

Gemeenteraad 5 maart 2026, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel reparatiebesluit bestemmingsplan Schoolstraat 49 5125.798 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

45 van 68

bodemverontreinigende ingrepen uitgevoerd. Er kan derhalve vanuit worden gegaan worden dat de bodemgesteldheid niet is veranderd. 4.8. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter rondom het plangebied zijn geen vollegronds- en sierteelt percelen. 4.9. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische en niet agrarische bedrijven. Tevens is de locatie gelegen aan een belangrijke weg voor het inkomend en uitkomend verkeer van en naar Molenschot. Hierdoor is reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. De ontwikkeling bestaat enerzijds uit de realisatie van een burgerwoning en anderzijds uit de realisatie van een hoveniersbedrijf. Het oprichten van een burgerwoning mag de beoogde ontwikkeling van een hoveniersbedrijf en andersom elkaar niet in de weg liggen. De beoogde bedrijfsactiviteiten vallen in het kader van de ‘Bedrijven en Milieuzonering’ onder de categorie plantsoendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m2. Een dergelijk bedrijf valt hierdoor in milieucategorie 3.1.

Binnen het omgevingstype ‘gemengd gebied’ geldt voor een bedrijf binnen milieucategorie 3.1 een richtafstand van 30 meter tot omliggende burgerwoningen. Door middel van een specifieke aanduiding wordt gewaarborgd dat

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

46 van 68

binnen een straal van 30 meter tot aan de nieuw te bouwen burgerwoning aan de Schoolstraat 49, geen bedrijfsactiviteiten mogen plaatsvinden t.b.v. het hoveniersbedrijf. Daarnaast mag het toekomstige hoveniersbedrijf, naast de toekomstige burgerwoning, ook richting andere woonbestemmingen geen onevenredige hinder veroorzaken. Daarbij dient te worden opgemerkt dat in de huidige planologische situatie een rundveehouderij is toegestaan welke aan te merken is als milieucategorie 3.2. Zoals aangegeven vallen de toekomstige bedrijfsactiviteiten onder milieucategorie 3.1. Planologisch gezien zal de ontwikkeling leiden tot een verlaging van de milieucategorie. Hierdoor zal het woon- en leefklimaat richting de omgeving verbeteren. De dichtstbijzijnde bestaande woning is gelegen aan de Schoolstraat 53. De woning is gelegen tegen het toekomstige bestemmingsvlak. Echter, er vindt planologisch gezien een verbetering plaats doordat de milieucategorie wordt verlaagd. Omdat de milieucategorie wordt verlaagd ten opzichte van de huidige planologische situatie, wordt aangenomen dat de hinder ten aanzien van geluid wordt verminderd. Zeker omdat bij een rundveehouderij de geluidsbelasting (afkomstig van ventilatoren, dieren en machines) constant aanwezig is.

Bij een hoveniersbedrijf vinden de werkzaamheden grotendeels bij derde plaats waardoor de geluidshinder beperkt blijft tot de aan- en afvoer van personeel naar de externe locaties. De verwachting is daarom dat de hinder beperkt is. Om nader aan te tonen dat de beoogde situatie niet zal leiden tot belemmeringen van de omliggende functies wordt verwezen naar onderstaande afbeelding. Hierin is aangegeven welke activiteiten waar zijn beoogd en waar worden uitgevoerd. Hieronder worden de activiteiten opgesomd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Kantoor- en kantinefunctie; Privé opslag en diverse kleine voorraad; Idem aan punt 2; Lange termijn opslag van diverse voorraad; Idem aan punt 4; Parkeergelegenheid achter de achtertuin van de Schoolstraat 51; Opslag/stalling van materieel en voertuigen/machines; Opslag van materieel, kleine werkplaats voor onderhoud en reparatie eigen materieel en verpakken van grindzakken (korrels tot 4 mm grote) middels een statische trechter; 9. Buitenopslag; 10. Opslag, idem aan punt 4.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

47 van 68

Circa 30 meter

Schoolstraat 53

Afbeelding 25: Beoogde situatie, locatie verschillende activiteiten aangegeven

Uit bovenstaande toelichting waar welke activiteiten beoogt zijn, valt te concluderen dat binnen een afstand van 30 meter van de locatie aan de Schoolstraat 53 geen activiteiten plaats vinden waarbij een geluidsuitstraling plaatsvindt. De beoogde bedrijfsbestemming zal derhalve geen belemmering opleveren ten aanzien van de naastgelegen woonbestemming aan de Schoolstraat 53. Voor het plangebied aan de Schoolstraat 51 te Molenschot is daarnaast tevens een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 13. Dit onderzoek is uitgevoerd op 18-10-2024, onder de nieuwe Omgevingswet. In het onderzoek is daarom abusievelijk uit gegaan van de nieuwe wetgeving, terwijl voor dit bestemmingsplan eigenlijk uit dient te worden gegaan van de oude wetgeving op basis van de Invoeringswet Omgevingswet. Het doel van dit onderzoek is het toetsen van het optredende geluid aan de waarden uit het Omgevingsplan (het voormalige bestemmingsplan onder de Wro). De algemene taak is onder de Omgevingswet om te komen tot een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (een goede ruimtelijke ordening, zoals dit geldt onder de Wro, waaronder dit bestemmingsplan is opgesteld). Bij de toetsing of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (goede ruimtelijke ordening) wordt aangesloten bij de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009.

De VNG heeft, gelet op de komst van de Omgevingswet de handreiking: ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ aangekondigd. Op het moment van opstellen van de rapportage is nog niet geheel duidelijk hoe de nieuwe VNG-publicatie in de praktijk zal worden toegepast. Daarom is gekozen om in 1e instantie aansluiting te zoeken bij de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009. Het toetsingskader komt daarom overeen met de bestemmingsplanmethodiek. Dit betekent dat ook onder het oude recht, zoals deze gold onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, ook de conclusie is dat de norm voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet wordt overschreden op de woning aan de Schoolstraat 53 acceptabel zijn en derhalve niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is derhalve op dit punt sprake van een goede ruimtelijke ordening. Uit de rekenresultaten is gebleken dat de waarde van geluid ten hoogste 43 dB(A) etmaalwaarde bedraagt ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen. Hierbij kan aan stap 2 van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009 worden voldaan. Daarnaast wordt artikel 22.63 lid 1 uit de bruidsschat van 50 dB(A) etmaalwaarde nergens overschreden. Uit het onderzoek is gebleken dat vanwege het voorgenomen initiatief er sprake is van

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

48 van 68

een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (goede ruimtelijke ordening). Daarnaast wordt artikel 22.63 lid 1 uit de bruidsschat nergens overschreden. Uit de rekenresultaten blijkt wel dat de norm voor het piekniveau wordt overschreden met maximaal 2 dB in de dagperiode. Hoewel op deze procedure niet van toepassing, geldt dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving de piekniveaus voor transportbewegingen uitgesloten worden. In zowel de VNGpublicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als de VNG-publicatie ‘Activiteiten en Milieuzonering’ is hier ook een afwijkingsmogelijkheid voor. Het is aan de gemeente om aan te geven of zij de overschrijding in de dagperiode van maximaal 2 dB aanvaardbaar vinden. De gemeente heeft hierbij aangegeven dat, omdat er ook in de huidige situatie al sprake was van aan- en afrijdend zwaar verkeer (de bron waardoor de overschrijding komt), de overschrijding enkel in de dagperiode plaatsvindt, ter plaatse van de woning aan de Schoolstraat 53 dit niet leidt tot een te hoog binnenniveau én de wetgeving deze pieken buiten beschouwing laat, het aanvaardbaar wordt geacht om het hoveniersbedrijf toe te staan. Er zal namelijk sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de beoogde situatie.

Verder zijn in de nabijheid van de toekomstige burgerwoning aan Schoolstraat 49 twee tuinbouwbedrijven aanwezig, welke zouden kunnen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door de komst van de burgerwoning. Deze bedrijven zijn respectievelijk gelegen aan de Schoolstraat 45 en de Schoolstraat 62. Conform de ‘Bedrijven en Milieuzonering’ valt een tuinbouwbedrijf met kassen, welke al dan niet worden verwarmd middels gasverwarming, onder milieucategorie 2. Binnen ‘gemengd gebied’ geldt derhalve een richtafstand van 10 meter. De afstand tussen het beoogde bouwvlak en het bouwvlak van de Schoolstraat 62 bedraagt circa 30 meter. Voor het bedrijf aan Schoolstraat 45 en de toekomstige burgerwoning bedraagt deze afstand circa 40 meter. Geconcludeerd kan worden dat in het kader van de ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geen belemmeringen zijn. 4.10. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.

Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?

4.10.1. Omgekeerde werking t.p.v. bedrijfswoning (Schoolstraat 51)

De ontwikkeling leidt tot het beëindigen van een rundveehouderij, ter plaatse van de Schoolstraat 51, waardoor het planologisch gezien niet meer mogelijk is om bedrijfsmatig vee te houden. Ter plaatse wordt een nieuw bedrijf in de vorm van een hoveniersbedrijf opgericht. De bedrijfswoning is en blijft een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij en blijft onderdeel uitmaken van een voormalige veehouderij. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv geldt voor een woning behorende bij een voormalige veehouderij en gelegen buiten de bebouwde kom, een afstand van ten minste 50 meter tot omliggende veehouderijen. Deze afstand moeten veehouderijen in de omgeving in de bestaande situatie dus al in acht nemen en dat blijft in de beoogde situatie het geval. Daar de bedrijfswoning met het initiatief niet dichter bij veehouderijen in de omgeving wordt gesitueerd, verandert de toetsingsafstand voor die veehouderijen niet. Gezien het bovenstaande worden omliggende veehouderijen, door de functiewijziging naar een hoveniersbedrijf in combinatie met het verplaatsen van de bedrijfswoning, niet onevenredig aangetast in de ontwikkelingsmogelijkheden.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

49 van 68

4.10.2. Omgekeerde werking t.p.v. burgerwoning (Schoolstraat 49)

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan de beoogde burgerwoning. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de burgerwoning. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen de planlocatie zullen doen. De realisatie van één burgerwoning leidt er niet toe dat er een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

4.10.3. Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. Voor rundveehouderijen en paardenhouderijen geldt een richtafstand van 100 meter. Voor pluimveebedrijven en varkenshouderijen wordt een richtafstand van 200 meter aangehouden. Rondom een straal van 250 meter zijn geen (actieve) veehouderijbedrijven zijn gelegen. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is in afbeelding 27 te zien dat de achtergrond geurbelasting ter plaatse van het plangebied tussen de 0 OUe/m3 en 3 OUe/m3 bedraagt. Dit komt overeen met milieukwaliteit ‘Zeer goed’.

Afbeelding 26: Uitsnede achtergrondgeurbelasting

Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat ter sprake een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. 4.11. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

50 van 68

omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.11.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen.

4.11.1.1.

Schoolstraat 49

4.11.1.2.

Schoolstraat 51

Het initiatief betreft het creëren van één nieuwe woning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts één woning mogelijk wordt gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. Voor het beoogde hoveniersbedrijf dient bepaald te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld.

Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Voor het aantal vervoersbewegingen dat benodigd is voor het hoveniersbedrijf is uitgegaan van de kerncijfers zoals deze zijn opgenomen in de CROW-publicatie 381. Voor een dergelijk bedrijf is uitgegaan van de categorie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. Dit omdat de bedrijfsactiviteiten het beste aansluiten in deze categorie. Er is uitgegaan van een verkeersintensiteit behorende bij ‘Schil Centrum’. Dit omdat het bedrijf tegen de bebouwde kom van Molenschot is gelegen.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

51 van 68

Voor een dergelijk bedrijf gelegen in ‘Schil centrum’ geldt een verkeersintensiteit van 5,0 bewegingen per 100 m2 bedrijfsgebouwen. In de beoogde situatie zijn circa 1.700 m2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig. Dit zou neer komen op 85 (17 * 5) bewegingen per dag. Dit aantal wordt niet als representatief geacht omdat een hoveniersbedrijf juist veelal op locatie aan het werk is. Gebruikelijk is om in de ochtend naar de klant te rijden waarna het werk wordt verricht en aan het einde van de dag terug te rijden naar de zaak. Omdat het bedrijf maximaal 8 werknemers in dienst heeft, wordt in de Worst-case situatie uitgegaan dat iedereen beschikt over een vervoersmiddel, welke ieder 4 bewegingen per dag maken (2 bewegingen van en naar het bedrijf, 2 bewegingen voor onvoorziene zaken). Dit komt neer op 32 bewegingen per dag. Omdat het bedrijf ook beschikt over ‘zware’ vervoersmaterialen zoals een tractor, containerwagen, vervoersmiddelen voor het vervoeren van kranen, etc. is gekozen dat ongeveer 50% van alle bewegingen bestaan uit ‘zwaar’ materiaal.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

32

Aandeel vrachtverkeer

50,0%

3

NO2 in μg/m

0,14

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 27: Uitsnede NIBM-rekentool

De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.11.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,27 μg/m3, voor PM2,5 8,478 μg/m3 en voor NO2 13,28 μg/m3, zie afbeelding 29 t/m 31.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

52 van 68

Afbeelding 28: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10

Afbeelding 29: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

53 van 68

Afbeelding 30: Uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.12. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht. De objecten liggen in de geluidszone van de Schoolstraat. Dit betreft een 30 km/h weg. In de Wgh is bepaald dat een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is voor locaties waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd binnen een verkeerzone waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt. Dit omdat op wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/h geldt buiten de lage snelheid gewoonlijk ook een lage verkeersintensiteit aanwezig is. Hierdoor zal altijd voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Echter geldt voor de Schoolstraat dat deze volledig is beklinkerd.

Tevens begint, ter hoogte van Schoolstraat 53, de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom is de maximum toegestane snelheid 60 km/h waardoor sprake is van optrekkend en afremmend verkeer. Gezien de ligging en het feit dat de 30 km/h weg volledig is beklinkerd, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen of de gevelbelasting niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Hiermee wordt onderzocht of in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Uit de berekeningen van het akoestisch onderzoek, zie Bijlage 8, blijkt dat de gevelbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen maximaal 48 dB zal bedragen. De gevelbelasting voldoet derhalve aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Hiermee is aangetoond dat in het kader van akoestiek sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

54 van 68

Het akoestische onderzoek is uitgevoerd in het kader van dit bestemmingsplan. Sinds het uitvoeren van het akoestisch onderzoek is de verkeersintensiteit van de weg niet onevenredig veranderd/vergelijkbaar gebleven. Derhalve is de akoestische situatie ten aanzien van de gevelbelasting niet veranderd.

4.12.1. Luchtverkeerslawaai

Conform het vigerende bestemmingsplan is de locatie gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – geluidsgevoelige functie – 1 (35-45 Ke-lijn). Ter plaatse van deze aanduiding geldt dat het niet toegestaan is om woningen toe te voegen. Echter kan door burgemeester en wethouders een ontheffing worden verleend voor het toevoegen van een woning mits sprake is van een grondgebonden karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van één vrijstaande woning, wat gezien wordt als grondgebonden. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal gelijktijdig een ontheffing worden aangevraagd. Defensie is momenteel bezig met een luchthavenbesluit voor vliegbasis Gilze en Rijen. De ontwerpbeschikking hiervan heeft tot en met 6 maart 2018 ter inzage gelegen, maar gezien de grote aantallen zienswijzen tegen het besluit, is het besluit nog niet vastgesteld. Met het in werking treden van het luchthavenbesluit vervalt het Besluit Geluidsbelasting Grote Luchtvaart, wat wordt vervangen door het Besluit Militaire Luchthavens. Omdat het Luchthavenbesluit nog niet is vastgesteld, zal nog worden getoetst aan het ontwerp Luchthavenbesluit. Conform het ontwerpbesluit ligt de locatie net binnen de nieuwe 45 Ke-contour van vliegbasis Gilze-Rijen.

Afbeelding 31: Ke-zonering ontwerp luchthavenbesluit, plangebied weergegeven met rode cirkel

Volgens artikel 5 eerste lid van het Besluit Militaire Luchtvaart is de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor nog geen vergunning voor het bouwen is verleend, 35 Kosteneenheden. In artikel 6 van het Besluit Militaire Luchtvaart staat dat in afwijking van artikel 5, eerste lid, de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in dat artikel 45 Kosteneenheden is:

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

55 van 68

1. voor woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen die een open plek in de bestaande, te handhaven bebouwing opvullen; 2. voor woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen die zullen dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing, niet zijnde woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of standplaatsen; 3. voor woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen die binnen het desbetreffende gebied worden verplaatst naar een locatie waar de geluidsbelasting ten gevolge van het luchthavenluchtverkeer minder is, met dien verstande dat aan de oude woning of het andere geluidsgevoelige gebouw de bestemming wordt onttrokken; of 4. voor woningen die ter plaatse dringend noodzakelijk zijn om redenen van grond- of bedrijfsgebondenheid. Aangezien de locatie ruimtelijk is gelegen binnen de bebouwde kom kan op grond van artikel 7 een nieuwe woning worden toegevoegd en een woning worden verplaatst. Er zal tevens de volgende kwalitatieve toets plaatsvinden:

Grondgebonden geluid

Naast lawaai van het vliegverkeer kent de vliegbasis ook zogenaamd inrichtingslawaai of grondgebonden lawaai. Dit is geluid afkomstig van activiteiten op de basis zelf. Bijvoorbeeld het proefdraaien van (vliegtuig)motoren. Dit gebied wordt ook wel de 50 dB(A)-contour genoemd en is vastgelegd in het bestemmingsplan. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour.

56 db(A) Lden contour

De (oude en nieuwe) contouren gaan uit van een berekening in Kosteneenheden. Met de huidige inzichten is een berekening in Lden (decibel) realistischer. Deze berekening levert een contour op waar de planlocatie buiten ligt.

Externe veiligheid

Het gebruik van de helikopters brengt gevaar met zich mee, een zogenaamd plaatsgebonden risico, ook wel PR 10-6. De contouren worden bepaald door de opslag van munitie, brandstofleidingen en opslag en het vliegen zelf geeft ook risico’s. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour.

Cumulatie van snelweg- of spoorgeluid

Buiten de directe overlast van de vliegbasis kent de gemeente nog drie belangrijke geluidsbronnen, namelijk de spoorlijn Breda-Tilburg, de snelweg A58 en de provinciale wegen. Er kan sprake zijn van cumulatie van geluid afkomstig van het spoor of de (snel)weg, samen met het geluid van de vliegbasis. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour.

Rattle Noise

Naast het geluid wat door de vliegtuigen en helikopters wordt veroorzaakt is er nog een hinderbron die overlast veroorzaakt: rattle noise. Dit zijn trillingen die worden veroorzaakt door de helikopters. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling doorstaat de kwalitatieve toets. Hierdoor is het mogelijk om de beoogde woningen te ontwikkelen. Nadat het bestemmingsplan definitief is vastgesteld zal, ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen, een akoestisch onderzoek worden overhandigd waarin de karakteristieke geluidwering is onderzocht.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

56 van 68

4.13. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan de Schoolstraat. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmingsverkeer van en naar de bebouwde kom van Molenschot. Richting het noorden wordt de weg, via de bebouwde kom, ontsloten door de Kapelstraat en de Broekstraat. Wanneer men verder richting het noorden gaat is, via de Veerstraat, de N282 goed te bereiken. Richting het zuiden wordt de weg ontsloten door de Lijndonk en de Raakeindse Kerkweg. Via deze wegen kan ontsloten worden richting de A58. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen in de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen (al dan niet met aanhanger) van en naar de inrichting bewegen. Het bedrijf heeft maximaal 8 werknemers in dienst, wordt in de worst-case situatie uitgegaan dat iedereen beschikt over een vervoersmiddel, welke ieder 4 bewegingen per dag maken (2 bewegingen van en naar het bedrijf, 2 bewegingen voor onvoorziene zaken). Dit komt neer op 32 bewegingen per dag.

Omdat het bedrijf ook beschikt over ‘zware’ vervoersmaterialen zoals een tractor, containerwagen, vervoersmiddelen voor het vervoeren van kranen, etc. is gekozen dat ongeveer 50% van alle bewegingen bestaan uit ‘zwaar’ materiaal. Zwaar verkeer zal aanwezig blijven, zoals reeds vermeld, maar deze zullen vele malen lager liggen dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf. Dit omdat er niet dagelijks vrachtverkeer noodzakelijk is voor het afvoeren van mest, afleveren voer, ophalen melk etc. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de beoogde situatie is uitgegaan van de ‘Nota parkeernormen Gilze en Rijen 2017’. Hierbij is rekening gehouden met het oprichten van één burgerwoning en het exploiteren van een hoveniersbedrijf. Ten aanzien van wonen geldt, voor een woning met een oppervlakte van meer dan 90 m 2, dat er minimaal 2 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn voor eigen gebruik. Daarnaast geldt een toeslag van 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers. In totaal moeten per woning minimaal 3 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Voor zowel de burgerwoning als de bedrijfswoning geldt dat het perceel voldoende ruimte biedt voor het aanleggen van minimaal 3 parkeerplaatsen op eigen terrein.

Voor het aantal parkeerplaatsen dat benodigd is bij een hoveniersbedrijf is aangesloten bij de categorie ‘Bedrijf extensief, bezoekers extensief’ Hiervoor geldt een minimale parkeerbehoefte van 1,1 per 100m 2 bedrijfsvloer oppervlak. Deze zijn benodigd voor de opslag van eigen voertuigen en eventuele bezoekers. In de beoogde situatie wordt circa 1.700 m2 aan bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Dit komt neer op (afgerond) 19 parkeerplaatsen (1,1 * 17). Voertuigen t.b.v. het eigen bedrijf worden grotendeels inpandig in de nieuw te bouwen loodsen en overkapping gestald. Het bedrijf heeft verschillende voertuigen in het bezit. De aanwezige schovels, graafmachines etc. zijn qua omvang te vergelijken met een bestelbus. Voor dergelijke voertuigen wordt aangehouden dat, rekening houdend met vrije uitrijd mogelijkheden, circa 20 m2 stallingsruimte per voertuig benodigd is. Dit betekent dat er minimaal 380 m 2 (19 * 20) inpandige stallingsruimte wordt gebruikt voor het stallen van voertuigen. Hiervoor zijn de nieuw te bouwen loodsen, met een omvang van ieder 600 m2, en de overkapping van 160 m2 beschikbaar. De overige ruimtes zijn beschikbaar als werkplaats, opslag overig materiaal, opslag goederen, etc.

Tevens dient te worden opgemerkt dat de graafmachines en shovels grotendeels, in het kader van werkvoorbereiding, op de aanhangwagens blijven staan waardoor effectief met de beschikbare ruimte wordt omgegaan. Tot slot dient rekening gehouden te worden met bezoekers. Conform de parkeernota bedraagt het aandeel bezoekers 5%. Van de benodigde parkeerplaatsen (19) dient 5% beschikbaar te zijn voor bezoekers. Dit betekent dat op locatie 1 parkeerplaats voor bezoekers beschikbaar wordt gesteld. Deze zal vooraan het perceel worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

57 van 68

4.14. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.14.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.

Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

58 van 68

4.14.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie afbeelding 33.

Afbeelding 32: Uitsnede risicokaart

4.14.2.1.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een hoveniersbedrijf en realisatie burgerwoning) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen.

4.14.2.2.

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Conform het gestelde in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebruik worden gesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De dichtstbijzijnde routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevinden zich op een grotere afstand dan 200 meter van het plangebied. Het gaat daarbij om de rijksweg A58 (> 1 kilometer) en de spoorlijn Tilburg-Breda (> 2 kilometer).

4.14.2.3.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is tegenover het plangebied een dubbelbestemming ‘Leiding – water’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling ligt buiten deze dubbelbestemming en heeft derhalve geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

59 van 68

Op de risicokaart, afbeelding 27, is te zien dat op een afstand van circa 750 meter een gasleiding is gelegen. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.

4.14.2.4.

Militair vliegveld Gilze-Rijen

4.14.2.5.

Conclusie

Op de risicokaart worden enkel defensie-inrichtingen getoond waar buiten het hek beperkingen gelden aan het ruimtegebruik. Deze beperkingen gelden binnen bepaalde veiligheidszones. Daarbinnen mogen bijvoorbeeld geen woningen en andere kwetsbare objecten worden gebouwd en mogen ook geen wegen aangelegd worden. Om elk militair terrein zijn drie zones (A, B en C) vastgesteld. Hoe dichter bij een militair terrein, hoe strenger de regels. Het plangebied is niet gelegen binnen één van deze drie zones. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.15. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 27). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.16. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv.

diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. In paragraaf 4.9 is reeds uiteen gezet dat in een straal van 250 meter geen veehouderijen zijn gelegen.

Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de grote afstand van de planlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de planlocatie.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

60 van 68

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: − − − − − − − − − − − − − − − − − − −

Enkelbestemming ‘Wonen’; Enkelbestemming ‘Bedrijf’; Enkelbestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’; Enkelbestemming ‘Agrarisch’ Bouwvlak; Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2a’; Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’; Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’; Functieaanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf – hovenier’; Functieaanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf – beperking bedrijfsactiviteiten’; Functieaanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf – buitenopslag’; Bouwaanduiding ‘Specifieke bouwaanduiding – vab’; Gebiedsaanduiding ‘luchtvaarverkeerzone – 7’; Gebiedsaanduiding ‘luchtvaarverkeerzone – 8’; Gebiedsaanduiding ‘luchtvaarverkeerzone – 9’; Gebiedsaanduiding ‘milieuzone - geluidsgevoelige functie – 1’; Gebiedsaanduiding ‘ihcs – 1’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – ils – 5’; Gebiedsaanduiding ‘overig – kernrandzone’;

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

61 van 68

− Gebiedsaanduiding ‘overig – agrarisch verbredingsgebied’; Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Op de verbeelding worden enkele specifieke aanduidingen opgenomen. Deze worden hieronder specifiek toegelicht. - Bouwvlak Voor de bouw van de nieuwe burgerwoning aan de Schoolstraat 49, dient een bouwvlak te worden opgenomen. - Enkelbestemming: ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ De beoogde landschappelijke inpassing wordt in het bestemmingsplan vastgelegd middels de bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ - Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van bedrijf - hovenier’; Ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ zal de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – hovenier’ opgenomen worden, waarmee wordt geborgd dat ter plaatse een hoveniersbedrijf mag worden geëxploiteerd. - Bouwaanduiding: ‘Specifieke bouwaanduiding – vab’; Om te voorkomen dat de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen niet zal toenemen, wordt de specifieke bouwaanduiding – vab opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat er niet meer dan 1.700 m 2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig mogen zijn.

- Functieaanduiding: ‘Specifieke vorm van bedrijf – beperking bedrijfsactiviteiten’ In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in paragraaf 4.9 toegelicht dat in een straal van 30 meter rondom de nieuwe burgerwoning aan de Schoolstraat 49 en de reeds bestaande woning aan de Schoolstraat 53, beperkende bedrijfsactiviteiten mogen plaatsvinden. Binnen de bedrijvenbestemming zal de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – beperking bedrijfsactiviteiten’ worden opgenomen, waarmee wordt geborgd dat daarbinnen beperkt bedrijfsmatige activiteiten mogen plaatsvinden. - Functieaanduiding: ‘Specifieke vorm van bedrijf – buitenopslag’ Aangegeven is dat, voor de werkvoorbereiding, buitenopslag mag plaatsvinden. Echter mag dit enkel achter de nieuw te bouwen loodsen zodat het vanaf de straat niet zichtbaar is en het perceel een georganiseerd karakter behoudt. Om te borgen dat nergens anders buitenopslag zal plaatsvinden, zal de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – buitenopslag’ opgenomen worden met een maximale omvang van 800 m2 en een maximale hoogte van 3,0 meter. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan.

Echter, waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. De regels worden zo gewijzigd dat ter plaatse van de Schoolstraat 49 een burgerwoning gerealiseerd kan worden. Ten aanzien van het toekomstige hoveniersbedrijf geldt dat de exploitatie van een hoveniersbedrijf mogelijk wordt gemaakt. In de regels zal worden opgenomen dat de omvang van de bedrijfsgebouwen niet mag worden vergroot. Ten behoeve van de bedrijfsvoering wordt buitenopslag toegestaan, mits deze achter de nieuw te plaatsen loodsen zal bevinden. Tevens zal worden gewaarborgd dat op de bedrijvenbestemming, welke binnen 30 meter van de nieuw te bouwen burgerwoning aan de Schoolstraat 49, geen bedrijfsactiviteiten mogen plaatsvinden, dit in het kader van de ‘Bedrijven en

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

62 van 68

Milieuzonering’. Tot slot worden enkele afwijkingsbevoegdheden opgenomen zodat omschakeling naar een ander bedrijfsvorm kan plaatsvinden.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

63 van 68

6. Uitvoerbaarheid 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Schoolstraat 49 – 51 betreft een gezamenlijk particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemers. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor initiatiefnemers. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden.

6.2.1. Vooroverleg

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg hoeven er geen aanpassingen te worden doorgevoerd aan het plan. De overlegpartners zijn akkoord met het ontwerpbestemmingsplan. De reacties van het vooroverleg zijn terug te vinden in Bijlage 11.

6.2.2. Omgevingsdialoog

Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de omwonenden. Vanwege het coronavirus heeft er geen fysieke bijeenkomst plaatsgevonden, maar zijn de initiatiefnemers bij de omwonenden individueel langs gegaan om de plannen kenbaar te maken. In Bijlage 9 is het formulier dat als achtergrondinformatie is achter gelaten bij de omwonenden weergegeven. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog zijn enkele vragen gesteld. Deze vragen zijn verzameld en beantwoord. Dit is ook in Bijlage 9 weergegeven. De antwoorden op de vragen zijn ook teruggekoppeld aan de omwonenden. Na dat het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage heeft gelegen hebben er nog gesprekken plaatsgevonden met de omwonende aan de adressen van de Schoolstraat 53 en 47. De verslagen van deze gesprekken zijn bijgevoegd bij het verslag van de omgevingsdialoog.

6.2.3. Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp is in dit kader ter visie gelegd, gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Tegen het plan zijn enkele zienswijzen kenbaar gemaakt. De beantwoording en verwerking van de zienswijzen zijn behandeld in Bijlage 14. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen een ieder tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

6.2.4 Reparatiebesluit

Na vaststelling van het bestemmingsplan ‘Schoolstraat 49-51’ is beroep ingesteld tegen het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Appellant heeft in zijn beroepsschrift aangegeven dat er een aantal onduidelijkheden zijn tussen de planregels en de verbeelding. Bij nadere constatering is gebleken dat er een aantal discrepanties zijn tussen de verbeelding en de planregels van het bestemmingsplan

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

64 van 68

zoals deze was vastgesteld in de raadsvergadering van 12 juni 2025. Deze discrepanties zijn de volgende: -De naamgeving van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – hoveniersbedrijf’ en ‘specifieke bouwaanduiding ‘vab” komen niet één op één overeen tussen de verbeelding en de planregels; -De aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – geen bedrijfsactiviteiten’ bevat geen gekoppelde planregels, terwijl volgens de toelichting van het bestemmingsplan dit wel was beoogd; Hoewel betoogd kan worden dat, gelet op het relativiteitsvereiste, deze discrepanties niet kunnen leiden tot vernietiging van het raadsbesluit, is het toch wenselijk om ambtshalve deze te discrepanties te herstellen. Om deze discrepanties te herstellen, wordt voor het bestemmingsplan een reparatiebesluit genomen (zijnde een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht). Normaliter dienen voor deze besluiten wederom de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht doorlopen te worden. Op deze regel bestaan uitzonderingen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State hoeft deze procedure voor het repartiebesluit niet doorlopen te worden mits de wijzigingen in het besluit (a) naar aard of omvang van ondergeschikte aard zijn of (b), als een zienswijze van een appellant niet geheel of slechts deels is gehonoreerd en de raad alsnog vindt dat deze had moeten leiden tot aanpassing van het plan, de wijzigingen naar aard en omvang niet leiden tot een wezenlijk ander plan. 1 De gedachte achter deze jurisprudentielijn is dat er in die situaties geen sprake is van een nieuw primair besluit waarvoor het noodzakelijk is om een nieuw ontwerpplan ter inzage te leggen zodat het bestuursorgaan eenieder bij de besluitvorming hiertoe kan betrekken.2 Het betreffende wijzigingsbesluit ziet op het herstellen van enkele discrepanties tussen de verbeelding en de planregels en het toekennen van planregels voor de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – geen bedrijfsactiviteiten’ uit het bestemmingsplan. De achterliggende reden voor deze wijzigingen is dat bij het opstellen van het plan in de plansoftware delen van de aanduiding zijn weggevallen dan wel dat er verschrijvingen hebben plaatsgevonden in de naamgeving van de aanduiding.

Het reparatiebesluit ziet op het herstellen van kleine verschrijvingen in de naamgeving van de betreffende aanduidingen zodat het naamgebruik consistent is tussen regels en verbeelding. Dergelijke wijzigingen kunnen worden aangemerkt als wijzigingen van ondergeschikte aard. Voorts ziet het repartiebesluit in het toevoegen van een tweetal bepalingen welke gekoppeld worden aan de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – geen bedrijfsactiviteiten’. Aan deze aanduiding, welke in het voorliggende repartiebesluit omwille van de duidelijkheid herschreven is naar ‘specifieke vorm van bedrijf – beperkte bedrijfsactiviteiten, waren in de regels van het bestemmingsplan ‘Schoolstraat 49-51’ als vastgesteld op 12 juni 2025 geen bepalingen gekoppeld terwijl dit wel was beoogd. Volgens de toelichting van het bestemmingsplan als vastgesteld op 12 juni 2025, paragraaf 4.9 (welke in dit repartiebesluit ongemoeid is gebleven), geldt voor het hoveniersbedrijf dat met deze planwijziging mogelijk wordt gemaakt volgens de brochure Bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 30 meter tot woningen.

In de betreffende paragraaf van de toelichting van het bestemmingsplan is in figuur 25 en ook de toelichting op pagina 47 en 48 aangegeven dat het aspect milieuzonering geen belemmeringen vormt voor de betreffende planontwikkeling vanwege de beoogde activiteiten van het hoveniersbedrijf aan de voorzijde van het perceel (inpandige opslag, een kantine en een kantoor). De milieukundig zwaardere activiteiten van het hoveniersbedrijf vinden hier niet plaats. Om dit ook juridisch te borgen was hiervoor de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – geen bedrijfsactiviteiten’ op de verbeelding opgenomen, welke is gelegen binnen een cirkel van 30 meter tot de woning aan de Schoolstraat 53 en op 30 meter afstand van de woning aan de Schoolstraat 49. 3 Met de planregels in Zie bijv. ABRvS 16 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5948, r.o. 2.24.1, ABRvS 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6546, r.o. 2.2.3, ABRvS 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4599, r.o. 14.1 en ABRvS 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2855, r.o. 5.2. 2 Zie de conclusie van A-G Nijmeijer, ABRvS 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2238, r.o. 6.5.2 (onder c, Ad 1). 3 Waarbij ook opmerkt dient te worden dat op gronden met de aanduiding ‘bedrijfswoning’ uitsluitend gebruikt mogen worden voor de bedrijfswoning. 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16540902/1