Bijlage 1. Toelichting Aardstraat 2 en 2a Molenscot
Tekst van het document
Bestemmingsplan herontwikkeling Aardstraat 2 en 2a te Molenschot NL.IMRO.0784.BPAardstraat2en2a-ON01
Colofon Rapport: Bestemmingsplan herontwikkeling Aardstraat 2 en 2a te Molenschot Rapportnummer: 2020.0623 Status: Concept Datum: 13 juli 2022
Projectlocatie Aardstraat 2 en 2a 5124 RV Molenschot
Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl
© juli 2022 Reland Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 Inleiding ..........................................................................................1 1.1
Algemeen .............................................................................................................. 1
1.2
Plangebied ........................................................................................................... 1
1.3
Leeswijzer ............................................................................................................ 2
HOOFDSTUK 2 Huidige situatie ...............................................................................3 2.1
Inleiding ................................................................................................................ 3
2.2
Ligging projectlocatie ........................................................................................... 3
2.3
Ruimtelijke structuur ............................................................................................ 3
2.4
Functionele structuur ........................................................................................... 4
2.5
Geldend bestemmingsplan .................................................................................. 4
2.6
Huidige aanwezige bebouwing en gebruik plangebied ....................................... 9
HOOFDSTUK 3 Planbeschrijving ............................................................................12 3.1
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 12
3.2
Landschappelijk inpassingsplan ........................................................................ 13
HOOFDSTUK 4 Beleidskader .................................................................................15 4.1
Rijksbeleid .......................................................................................................... 15
4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................ 15 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .................................................. 15 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................. 16 4.2
Provinciaal beleid ............................................................................................... 16
4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant ....................................... 16 4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................... 19 4.3
Gemeentelijk beleid ........................................................................................... 23
4.3.1 Toekomstvisie Gilze en Rijen 2025 .................................................................. 23 4.3.2 Bestemmingsplan ............................................................................................. 24
HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten .....................................................................25 5.1
Milieu .................................................................................................................. 25
5.1.1 M.e.r. plicht ....................................................................................................... 25 5.1.2 Bodem .............................................................................................................. 26 5.1.3 Lucht ................................................................................................................. 26 5.1.4 Geur ................................................................................................................. 27 5.1.5 Geluid ............................................................................................................... 28
5.1.6 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 29 5.1.7 Externe veiligheid ............................................................................................. 30 5.1.8 Kabels en leidingen .......................................................................................... 34 5.2
Water.................................................................................................................. 34
5.2.1
Beleid .......................................................................................................... 34
5.2.2
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie .............................................. 35
5.3
Natuur ................................................................................................................ 36
5.3.1
Gebiedsbescherming .................................................................................. 36
5.3.2
Soortenbescherming ................................................................................... 36
5.4
Archeologie ........................................................................................................ 37
5.5
Landschap en cultuurhistorie ............................................................................. 38
5.6
Verkeer .............................................................................................................. 39
5.6.1 Mobiliteit ........................................................................................................... 39 5.6.2 Parkeren ........................................................................................................... 39
HOOFDSTUK 6 Juridische opzet ..............................................................................40 6.1
Algemeen ........................................................................................................... 40
6.1.1 Wettelijk kader .................................................................................................. 40 6.1.2 Planonderdelen ................................................................................................ 40 6.1.3 Inhoud algemeen ............................................................................................. 40 6.1.4 Regels .............................................................................................................. 40 6.2
Verbeelding ........................................................................................................ 41
6.3
Toelichting op de regels ..................................................................................... 41
HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid.............................................................................45 7.1
Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 45
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 45
BIJLAGEN Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII
- Landschappelijk inpassingsplan - Schetsplan bedrijfsloods en bijgebouw - Akoestisch onderzoek industrielawaai - QuickScan Flora en Fauna - Aerius berekening - Overzichtstekening geroerde grond - Verslag omgevingsdialoog
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Algemeen De initiatiefnemer is woonachtig en bedrijfsvoerende aan de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot. Initiatiefnemer exploiteert ter plaatse sinds vele jaren een varkenshouderij. De initiatiefnemer heeft zich ingeschreven bij de Saneringsregeling varkenshouderij (Srv) en heeft op 1 juli 2020 de beschikking voor de deelname aan de Srv ontvangen. Onderdeel en voorwaarde van deze regeling betreft het indienen van een verzoek aan het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente waarin de varkenshouderij zich bevindt om het bestemmingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een intensieve veehouderij kan worden geëxploiteerd of gevestigd. Op 14 juli 2020 is er een principeverzoek aan het college van B&W voorgelegd waarin de beoogde ontwikkeling is toegelicht. De initiatiefnemer wenst graag de varkensstallen, met een totale oppervlakte van 4.104 m2 te saneren in het kader van de Srv-regeling en het perceel te herontwikkelen en in gebruik te nemen als zelfstandig loon-, mechanisatie- en constructiebedrijf (agrarisch-technisch hulpbedrijf). Daarnaast bestaat het voornemen om de bedrijfswoning inclusief een bijgebouw en de mantelzorgwoning te houden. Tot slot wordt een gedeelte van een varkensstal afgebroken en naderhand herbouwd op een andere locatie binnen het perceel, welke in gebruik wordt genomen ten behoeve van het agrarisch-technisch hulpbedrijf.
Deze loods heeft in de beoogde situatie een oppervlakte van circa 1.250 m2 en het bijgebouw achter de woning een oppervlakte van ca. 320 m2. Het tuinhuis (72 m2), de schuur achter de woning (63 m2) en de opslagloods achter de zeugenstal (90 m 2), de opslagloods ten zuidwesten (24 m2) met een totale oppervlakte van 249 m2 zullen worden gesaneerd. De te behouden mantelzorgwoning heeft een oppervlakte van 191 m2. Op 21 juli 2020 heeft het college van B&W van de gemeente Gilze en Rijen besloten om een positieve grondhouding in te nemen om ter plaatse van de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot een agrarisch-technisch hulpbedrijf te vestigen mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Om de wensen te kunnen realiseren dient een separate bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Middels deze procedure zal een nieuw bestemmingsplan opgesteld worden voor de locatie. Onderhavig document betreft de toelichting bij dit bestemmingsplan.
1.2
Plangebied Het plangebied zoals weergegeven in figuur 1 op de volgende pagina, omvat de percelen aan de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot, gemeente Gilze en Rijen. De percelen staan kadastraal bekend als gemeente Gilze en Rijen, sectie P, perceelnummers 373, 545, 546, 1124 ,1132 en 1133. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Gilze en Rijen.
1
Figuur 1. Ligging plangebied t.o.v. omgeving (plangebied rood omkaderd).
1.3
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit zeven hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de gewenste situatie beschreven. Vervolgens is in hoofdstuk 4 een toets op het relevante Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Tot slot volgt in hoofdstuk 6 de juridische opzet en voorziet hoofdstuk 7 in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
2
HOOFDSTUK 2.1
2 Huidige situatie
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de omgeving waarin het plangebied zich bevindt. De beschrijving richt zich op de huidige structuren, kenmerken, functies en waarden van de omgeving van het plangebied.
2.2
Ligging projectlocatie Het plangebied is, zoals eerder aangegeven, gelegen aan de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot in het westen van het buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen. In figuur 2 is de ligging van het plangebied in de gemeente Gilze en Rijen weergegeven.
Figuur 2. Ligging plangebied (rode cirkel) in de gemeente Gilze en Rijen.
2.3
Ruimtelijke structuur Het plangebied is gesitueerd op circa 500 meter ten westen van het dorp Molenschot (zie figuur 3). Daarnaast is het plangebied gelegen in de nabijheid van het buurtschap ‘Lage Aard’. Het plangebied wordt ontsloten door de Aardstraat, welke richting het zuiden overgaat in de Lijndonk en de Kapelstraat welke naar de kern Molenschot leidt. Op 1,5 kilometer ten noorden is de N282 gelegen en op 1,5 kilometer ten zuiden is de
3
A58 gelegen. Aan de Aardstraat en Kapelstraat zijn verschillende burgerwoningen en (agrarische) bedrijven gelegen. Tussen de bebouwing liggen percelen grasland, waardoor de Aardstraat een halfopen karakter met weidse doorzichten heeft.
Figuur 3. Uitsnede topografische kaart. Plangebied rood omcirkeld.
2.4
Functionele structuur De functies in de omgeving worden gekenmerkt door een mengeling van ‘(agrarische) bedrijvigheid’ en ‘wonen’. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich ten zuiden met name burgerwoningen en een kaasmakerij. Ten oosten zijn twee agrarische bedrijven, een begraafplaats en de kom van Molenschot gelegen. Aan de noordkant is een voormalig agrarisch bedrijf gelegen wat omgezet is naar een agrarisch loonwerkbedrijf.
2.5
Geldend bestemmingsplan Voor de locatie aan de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ welke op 1 juli 2013 is vastgesteld vigerend. In figuur 4 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven. Conform dit bestemmingsplan rust er op het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Ook is er een bouwvlak opgenomen. Daarnaast zijn er een aantal functie- en gebiedsaanduidingen opgenomen: -
Functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ Gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – 11’
4
-
Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geluidsgevoelige functie – 2’ Gebiedsaanduiding ‘ihcs – 1’ Gebiedsaanduiding ‘overig – agrarisch balansgebied’ Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – ils – 4’
Figuur 4. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied' gemeente Gilze en Rijen, vastgesteld d.d. 01-7-2013. Planlocatie aangegeven met rode tag.
Het is binnen de huidige bestemming niet mogelijk om een agrarisch-technisch hulpbedrijf te exploiteren. In het bestemmingsplan is een mogelijkeheid opgenomen om de huidige bestemming te wijzigen naar ‘Bedrijf’ (artikel 42.12.3). Ondanks het feit dat in voorgenomen herziening van het bestemmingsplan geen gebruik wordt gemaakt van genoemde wijzigingsbevoegdheid, wordt er aansluiting gezocht op het beleid. Uit de toetsing van de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid blijkt dat aan een groot aantal voorwaarden kan worden voldaan. Hieronder wordt per voorwaarde een korte motivatie gegeven.
42.12.3 Ontwikkelingen na planwijziging toegestaan d. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ter plaatse van de gronden 'overig - agrarisch balansgebied' zodanig wijzigen dat - indien sprake is van een algehele beëindiging van een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf - één van de in tabel 6 genoemde vervolgfuncties toegestaan is, met inachtneming van het volgende: 1. het agrarisch gebruik is beëindigd en agrarisch hergebruik is aantoonbaar niet mogelijk;
5
Het agrarisch bedrijf ter plaatse wordt beëindigd in het kader van de Srv-regeling. Voorwaarde aan deelname aan deze regeling is dat de intensieve veehouderij beëindigd wordt en herbestemming van het perceel dient plaats te vinden. In onderhavige ontwikkeling wordt het agrarisch bedrijf omgezet naar een agrarischtechnisch hulpbedrijf waardoor het agrarisch gebruik wordt beëindigd en het agrarisch hergebruik niet meer mogelijk is. 2. stapeling/cumulatie van vervolgfuncties is niet mogelijk; Er zal geen stapeling/cumulatie van vervolgfuncties plaatsvinden. Er verdwijnt één agrarisch bedrijf en er zal één agrarisch-technisch hulpbedrijf toegevoegd worden. 3. ingeval van planwijziging ten behoeve van de functies waarvoor een beperkt oppervlak van de bestaande bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt, dient sloop van de overtollige bebouwing plaats te vinden, waarbij minimaal de helft van de bestaande bebouwing moet worden gesaneerd. Voor zover de bestaande bebouwing meer bedraagt dan de maximale oppervlakten in tabel 1, dient ook deze bebouwing gesaneerd te worden; Conform tabel 1 dient het agrarisch technisch hulpbedrijf in de bestaande bebouwing gerealiseerd te worden. De her te bouwen bedrijfsgebouwen betreft bebouwing welke nu feitelijk aanwezig is, maar wordt gesaneerd en herbouwd. Dit is een voorwaarde zoals gesteld in de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (SRV).
Tabel 1 Vervolgfuncties na wijziging
6
4. het bepaalde in sub 3 is niet van toepassing indien het cultuurhistorische waardevolle bebouwing betreft; n.v.t 5. er mogen na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid geen nieuwe gebouwen worden gebouwd en bestaande gebouwen mogen niet worden uitgebreid; Na het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid zal er een maximum bebouwd oppervlakte opgenomen worden zodat er geen nieuwe gebouwen of bestaande gebouwen kunnen worden uitgebreid. 6. het bouwvlak wordt verkleind waarmee het huidige erf wordt vastgelegd; Het bouwvlak zal verkleind worden tot de beoogde bebouwing en het bijbehorende erf. 7. in afwijking van het bovenstaande geldt dat nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd indien en voor zover sloop van alle bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden; hierbij geldt dat maximaal 20% van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd tot een maximum van 400 m² met dien verstande dat bij de vervolgfunctie wonen maximaal 25% van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd met een maximum van 200 m²; In de beoogde situatie wordt een deel van de bedrijfsgebouwen hergebruikt als loods t.b.v. het agrarisch-technisch hulpbedrijf (1.250 m2) en als garage/privé opslag behorend bij de bedrijfswoning (320 m2).
Om de oppervlakte boven de rechtstreeks toegestane 200 m2 aan bijgebouwen te kunnen realiseren worden de te slopen gebouwen (die niet in aanmerking komen voor de Srv-regeling) ingezet in het kader van de gemeentelijke sloopkwaliteitsregeling. In die zin is er sprake van herbouw van gebouwen binnen het perceel, waardoor deze met minimaal ruimtegebruik worden gesitueerd. Hiermee is de beoogde ontwikkeling passend binnen de gestelde voorwaarden. 8. in afwijking van het bovenstaande geldt dat bij een bestemmingswijziging naar Wonen: n.v.t. 9. de opslag van goederen anders dan in gebouwen is niet toegestaan met uitzondering van de vervolgfuncties agrarisch handels- en exportbedrijf, agrarisch loon-
7
/hulptechnisch bedrijf en hoveniersbedrijf, waarbij maximaal 100 m² aan buitenopslag mag plaatsvinden; De vervolgfunctie betreft een agrarisch-technisch hulpbedrijf waardoor maximaal 100 m2 aan buitenopslag mag plaatsvinden. In afwijking hiervan wordt 200 m2 aan buitenopslag gevraagd voor de realisatie van een viertal opslagvakken van ieder 5 x 10 meter. Dit voor de opslag van groenafval, ophoogzand, zwarte grond e.d. 10. na de bestemmingswijziging dient de specifieke bouwaanduiding 'vab' te worden opgenomen dat aangeeft dat het een vrijkomende agrarische bebouwing betreft en dat het oppervlak aan bedrijfsgebouwen niet mag worden vergroot; De specifieke bouwaanduiding ‘vab’ zal in de verbeelding opgenomen worden. 11. vervolgfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de vervolgfunctie op deze locatie milieuhygiënisch inpasbaar is. 12. er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande agrarische bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); Uit hoofdstuk 5 blijkt dat onderhavige ontwikkeling geen beperkingen optreden voor omliggen, bestaande agrarische bedrijven. 13.
voor duurzame locaties geldt dat hier alleen vervolgfuncties zijn toegestaan als de locatie eerst minimaal 6 maanden is aangeboden op de markt voor te verplaatsen intensieve veehouderijen, met dien verstande dat deze eis niet geldt indien de eigenaar van het beëindigde bedrijf het bedrijf niet verkoopt en op deze locatie blijft wonen. Aan de hand van de in bijlage 3 opgenomen tabel kan worden bepaald of er sprake is van een duurzame locatie; Door deelname aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (SRV) is bovenstaande niet van toepassing. 14. bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
8
Uit paragraaf 5.3 en 5.5 blijkt dat de bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in de omgeving niet onevenredig worden aangetast. 15. er dient zorg te worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak; Er is in dit bestemmingsplan zorg gedragen voor een goede landschappelijke inpassing. In hoofdstuk 3.2 en bijlage I is dit landschappelijk inpassingsplan verder uitgewerkt. 16. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking. Uit paragraaf 5.6 blijkt dat onderhavig planvoornemen niet bij draagt aan een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking.
2.6
Huidige aanwezige bebouwing en gebruik plangebied Zoals eerder beschreven is het plangebied gelegen op de percelen 373, 545, 546, 1124, 1132 en 1133 (zie figuur 5). Op 5 van de percelen ligt het agrarisch bouwvlak. Het overige perceel (1124) is in gebruik als erfverharding om de achterzijde van het perceel te bereiken. Op het agrarisch bouwvlak bevinden zich: de bedrijfswoning, drie varkensstallen met een totale oppervlakte van 4.104 m2, een mantelzorgwoning, een opslagruimte voor machines en twee bijgebouwen (zie figuur 6). De blauw omkaderde gebouwen zijn de gebouwen welke in aanmerking komen voor de Srv-regeling. Naast de bestaande bebouwing is op de locatie aan de Aardstraat 2 en 2a tevens een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe vleesvarkensstal met een oppervlakte van 2.691,4 m2 ten zuiden van de bestaande bebouwing (zie figuur 7).
9
Figuur 5. Kadastrale situatie. Plangebied rood omkaderd.
Legenda ▪ ▪ ▪ ▪
Bedrijfswoning met garage █ Varkensstallen █ Mantelzorgwoning █ Bijgebouwen / werkplaats █
Figuur 6. Overzicht gebouwen. De werkplaats zal gedurende de saneringswerkzaamheden in gebruik blijven en pas na herbouw van de loods worden verwijderd. Hiervoor wordt een voorwaardelijk verplichting opgenomen. De materialen t.b.v. de her te bouwen loods blijven op het terrein aanwezig.
10
Figuur 7. Luchtfoto projectlocatie inclusief ligging vergunde maar niet gerealiseerde vleesvarkensstal aan de zuidzijde van het perceel
11
HOOFDSTUK 3.1
3 Planbeschrijving
Beoogde ontwikkeling Ter plaatse van het plangebied zal de varkenshouderij beëindigd worden. Om gebruik te kunnen maken van de Srv-regeling zal aan de vereisten vanuit deze regeling voldaan moeten worden, waaronder de borging dat de varkenshouderij onomkeerbaar gesloten wordt. Zo dienen alle stallen gesloopt te worden, dienen de varkensrechten doorgehaald te worden, dient de milieuvergunning en vergunning Wet natuurbescherming ingetrokken te worden en zal de varkenshouder een verzoek bij het bevoegde bestuursorgaan in moeten dienen om het bestemmingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een intensieve veehouderij kan worden gevestigd. De initiatiefnemer wenst ter plaatse van de varkenshouderij, in de her te bouwen loods, een zelfstandig loon-, mechanisatie- en constructiebedrijf (agrarisch technisch hulpbedrijf) op te starten. Het her te bouwen bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van circa 1250 m2 en zal tegen de achterzijde van de bestaande bedrijfsbebouwing (191 m2, welke op dit moment in gebruik is als mantelzorgwoning) gerealiseerd worden. Na beëindiging van de mantelzorg als gevolg van overlijden of verhuizing wordt deze wederom in gebruik genomen als bedrijfsbebouwing. De bestaande garage/berging (ca. 62 m2), opslagloods (ca. 24 m2), opslagruimte (ca. 91 m2) en opslag berging (ca. 72 m2) gesloopt worden.
Deze te slopen bebouwing heeft een gezamenlijke oppervlakte van 251 m 2 en komt niet in aanmerking voor de Srvregeling. Bij de woning wordt een nieuw bijgebouw met een oppervlakte van circa 320 m2 gerealiseerd. Om de oppervlakte boven de rechtstreeks toegestane 200 m2 te kunnen realiseren worden de te slopen gebouwen (die niet in aanmerking komen voor de Srv-regeling) ingezet in het kader van de gemeentelijke sloopkwaliteitsregeling. Door de sloop van 240 m2 aan bebouwing kan de 120 m2 (bovenop de toegestaan 200 m2) van het nieuw te bouwen bijgebouw gecompenseerd worden. In totaal wordt er voor de deelname aan de Srv-regeling 4.104 m2 aan varkensstallen gesloopt. In figuur 8 is de beoogde situatie weergegeven Concreet houdt de wens het volgende in: ▪ ▪
De bestemming ‘Agrarisch’ omzetten naar (agrarisch technisch hulp) ‘Bedrijf’. Behoud van de bedrijfswoning, bedrijfsbebouwing (welke momenteel in gebruik is als mantelzorgwoning) en bijgebouw, herbouw van de garage en de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw t.b.v. het agrarisch-technisch hulpbedrijf.
12
Figuur 8. Beoogde situatie
3.2
Landschappelijk inpassingsplan In figuur 9 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Het volledige inpassingsplan is in bijlage I weergegeven. De nieuwe bedrijfsopzet is ingericht op goede ontsluiting en manoeuvreerruimte ten zuiden van de nieuwe bedrijfsruimte. Via de bestaande inritten is het verharde deel te bereiken voor vracht- en landbouwverkeer. De groeninrichting (tuin) aan de straatzijde blijft gehandhaafd, inclusief de solitaire landschapsboom (rode beuk). Aan de achterzijde ligt de derde uitgang. Deze is alleen nodig voor het grote zakelijke verkeer. Het terrein wordt omheind door een laag hekwerk (1,2m) hoog. Dit hekwerk wordt begroeid met klimop voor een groene uitstraling. Daarnaast sluit dit aan op het bestaande groene hekwerk ten noorden van de nieuw te bouwen loods. Rondom de verharding en de gebouwen liggen groene ruimtes. De noordelijke groene ruimte wordt begeleid door een bestaande rij eikenbomen. Deze eiken staan op grond van de initiatiefnemer, maar geven een mooie geleiding van de weg en afscherming van de loods. Ten zuiden van de woning staat in de tuin een bossingel met grote bomen. Deze blijft behouden. Achter de achtertuin en bossingel komt een nieuwe hoogstamfruitboomgaard. Een groene afscherming van het bedrijfsterrein vanaf de Aardstraat. Ten zuiden van het plangebied ligt een greppel.
Deze vormt geen onderdeel van lokale watersysteem en dient voor infiltratie van het regenwater.
13
Figuur 9. Landschappelijk inpassingsplan.
14
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleidskader
Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien Rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld.
Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8). Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen deze Nationale Hoofdstructuur gelegen. Hierdoor zijn in dit geval alleen de algemene regels van belang. De bestemmingswijziging van slechts één perceel is niet van nationaal belang en leidt tevens niet tot een grootschalige ontwikkeling welke van nationaal belang zou kunnen zijn. Er kan worden gesteld dat de SVIR geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te
15
onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'neetenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt gebruik gemaakt van een separate planologische procedure, de ontwikkeling wordt buiten het bestemmingsplan om mogelijk gemaakt doordat de ontwikkeling passend is binnen het provinciaal beleid. Voor het overige worden er geen toevoegingen of overwegingen gemaakt om extra mogelijkheden of een gradatie in mogelijkheden op te nemen. Het Barro is dan ook niet relevant voor deze ontwikkeling. Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Daarnaast is de ontwikkeling van kleinschalige aard waardoor verdere toetsing aan het Barro niet noodzakelijk is.
4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4 uit de SVIR (efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik). De ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van nieuwe ontwikkelingen. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft er voor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De Ladder voor stedelijke ontwikkeling rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
Conclusie Met onderhavig planvoornemen worden geen woningen toegevoegd. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor deze ontwikkeling.
4.2
Provinciaal beleid 4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de
16
‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 2 juli 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is één van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. Regionale contrasten; 2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; 4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond; 7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur.
recreatieve
De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. Structurenkaart Onderhavige locatie is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen binnen de hoofdzone ‘Landelijk gebied’. De zone landelijk gebied is onderverdeeld in twee perspectieven, namelijk het ‘gemengd landelijk gebied’ en het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. Uit de structurenkaart komt naar voren dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 10).
17
Figuur 10. Uitsnede structuurkaart 'Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord Brabant'. Plangebied wit omcirkeld.
De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik het uitgangspunt. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen. Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. Onderhavige ontwikkeling, waarin een agrarisch-technisch hulpbedrijf gerealiseerd wordt op een vrijkomende agrarische bebouwingslocatie, is passend binnen Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, NoordBrabant.
18
4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019 en geconsolideerd op 1 maart 2020. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden er voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast dient te worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering ook financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing.
De vormen van de kwaliteitsverbetering dienen dan ook te worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Gilze en Rijen is het afsprakenkader van de regio Hart van Brabant van toepassing. Op 26 november 2015 is de notitie ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ vastgesteld. Het initiatief betreft het wijzigen van de agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming. Het bestaande bestemmingsvlak heeft een omvang van 17.090 m². De beoogde bedrijfsbestemming krijgt een omvang van 6.779 m². Het initiatief valt in categorie 3. Uit de berekening blijkt dat er een waardevermindering van de ruimtelijke ontwikkeling optreed. Daarnaast vindt nog een landschappelijke inpassing (figuur 12) plaats waardoor het initiatief ruimschoots voldoet aan de benodigde kwaliteitsverbetering. Voor de volledige rapportage van de landschappelijke inpassing en de berekening kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar bijlage II.
19
Figuur 11. Berekening kwaliteitsverbetering.
Figuur 12. Kosten tegenprestatie.
20
De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: • • • • •
Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen.
Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er hoofdstructuren opgesteld: − − − −
Bestaand stedelijk gebied; Natuur Netwerk Brabant; Groenblauwe mantel; Gemengd landelijk gebied.
Op de ‘Integrale plankaart met structuren en aanduidingen’ behorende bij de Interim Omgevingsvordening Noord-Brabant, is te zien dat het plangebied binnen de structuur ‘Gemengd landelijk gebied’ valt. In figuur 13 is een uitsnede van deze ‘Integrale plankaart’ met daarop de betreffende structuren en aanduidingen op het plangebied te zien.
Figuur 13. Uitsnede structuurkaart 'Landelijk gebied' Interim Omgevingsverordening NoordBrabant.
21
Zoals eerder beschreven in paragraaf 4.2.1 wordt er in het gemengd landelijk gebied een gemengde plattelandseconomie nagestreefd waarbinnen een menging van functies voorkomt. Binnen het gemengd landelijk gebied liggen naast agrarische ontwikkelingsmogelijkheden ook mogelijkheden voor de ontwikkeling van nietagrarische functies zoals recreatie, natuur, wonen en bedrijvigheid. Vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf in gemengd landelijk gebied is mogelijk mits aan de voorwaarden uit artikel 3.61 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant kan worden voldaan. Artikel 3.61 Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: a. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; Een agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in landelijk gebied kan zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt.
De gemeente Gilze en Rijen heeft voor haar buitengebied beleid uitgewerkt waarin een globale ontwikkelingsrichting voor voormalige agrarische bedrijven is opgenomen. De gemeente ondersteunt initiatieven om vrijkomende agrarische bebouwing te gebruiken voor nieuwe vormen van ondernemerschap. De gemeente wil kansen creëren voor 'ondernemen in een groen decor'. De omschakeling van de intensieve veehouderij naar een agrarischtechnisch hulpbedrijf met de landschappelijke inpassing van het perceel sluit aan op de ontwikkelrichting van het buitengebied zoals beschreven in de gemeentelijke structuurvisie. Gezien de ligging van verschillende functies (onder andere woningen en agrarische (loonwerk) bedrijven in de omgeving), is de herontwikkeling naar een agrarisch-technisch hulpbedrijf een meer passende functie dan de intensieve veehouderij. Door de verbetering van de omgevingskwaliteit als gevolg van voorgenomen ontwikkeling (verbetering op het gebied van geurbelasting, luchtkwaliteit en ammoniakemissie) en het gegeven dat het beoogde agrarisch-technisch hulpbedrijf in functioneel opzicht passend is binnen de karakteristiek van het gebied, past de ontwikkeling in de omgeving. b. de ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel; Het bouwperceel wordt in voorgenomen ontwikkeling niet gesplitst. c.
is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;
22
Overtollige bebouwing wordt in het kader van de SRV-regeling gesloopt. De bedrijfswoning en de bedrijfsbebouwing (welke momenteel in gebruik is als mantelzorgwoning) blijven behouden. Daarnaast zal een garage bij de woning gerealiseerd worden en zal een bedrijfsgebouw t.b.v. het agrarisch technisch hulpbedrijf gerealiseerd worden d. mestbewerking is uitgesloten. Er zal geen mestbewerking plaatsvinden op de planlocatie. Lid 2 Als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf geldt een bouwperceel van ten hoogste 1,5 hectare. In de huidige situatie heeft het bouwperceel een oppervlakte van 1,71 hectare. In de toekomstige situatie zal het bouwperceel verkleind worden tot 0,68 hectare zodat de omvang van het agrarisch-technisch hulpbedrijf passend is binnen de omgeving. Conclusie Het plangebied is gelegen in het gemengd landelijk gebied, waar een menging van functies en een gemengde plattelandseconomie het streven zijn. ‘Bedrijvigheid’ maakt onderdeel uit van deze menging van functies. Het exploiteren van het agrarischtechnisch hulpbedrijf is mogelijk in het gemengd landelijk gebied waar het plangebied in gelegen is. Uit het voorgaande is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3.61 van de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant.
Het provinciaal beleid levert dan ook geen belemmeringen op en biedt handvatten voor de ontwikkeling.
4.3
Gemeentelijk beleid 4.3.1 Toekomstvisie Gilze en Rijen 2025 Het relevante vigerende gemeentelijke beleid is vastgesteld in de ‘Toekomstvisie Gilze en Rijen 2025’. Hierin is beleid vastgesteld voor bedrijvigheid in het buitengebied. Gilze en Rijen heeft een groot buitengebied met veel agrarische bedrijven, met name intensieve veeteeltbedrijven en rundveehouderijen. De agrarische bedrijvigheid blijft van primair belang in het buitengebied. De verdergaande liberalisering van de agrarische sector zal onherroepelijk leiden tot schaalvergroting en tot vermindering van het aantal bedrijven. Blijvende ondernemers moeten hun bedrijven optimaal kunnen inrichten. Daarbij is onder meer verbreding van hun bedrijfsactiviteiten aan de orde. De gemeente ondersteunt initiatieven om vrijkomende agrarische bebouwing te gebruiken voor nieuwe vormen van ondernemerschap. De gemeente wil kansen creëren voor 'ondernemen in een groen decor'. Op onderhavige planlocatie zal in de toekomst agrarische bebouwing vrijkomen. De gemeente staat positief tegenover nieuwe vormen van ondernemerschap op dit soort locaties. Het realiseren van een agrarisch-technisch hulpbedrijf past dus binnen het beleid van de gemeente Gilze en Rijen. Voorwaarde aan deze ontwikkeling is dat nieuwe activiteiten in het buitengebied niet de ontwikkeling van omliggende agrarische activiteiten in de weg staan.
In de directe omgeving zijn
23
enkele agrarische bedrijven gelegen maar worden met voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig in hun belangen geschaad.
4.3.2 Bestemmingsplan Zoals eerder in hoofdstuk 2.5 beschreven, is het gemeentelijk bestemmingsplan in feite het enige beleidsstuk waarmee de ontwikkeling in strijd is. Hoewel niet volledig voldaan kan worden aan de voorwaarden uit deze wijzigingsbevoegdheid, is deze wel gericht op een dergelijke omzetting. Daarom heeft de gemeente middels een positief standpunt op het eerder ingediende principeverzoek aangegeven dat het voorstelbaar is dat (middels onderhavig separaat bestemmingsplan) wordt afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. Conclusie De structuurvisie biedt enerzijds handvatten en anderzijds geen belemmeringen voor het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een agrarisch-technisch hulpbedrijf. De ontwikkeling is wel in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Middels een positief standpunt en principeakkoord op het eerder ingediende principeverzoek heeft de gemeente echter aangegeven dat de ontwikkeling op deze plek voorstelbaar is en dat middels een goede onderbouwing afgeweken zou kunnen worden van het vigerende bestemmingsplan. Het gemeentelijk beleid vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.
24
HOOFDSTUK 5.1
5 Omgevingsaspecten
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
5.1.1 M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt er een agrarisch bedrijf beëindigd en omgezet in een agrarisch-technisch hulpbedrijf en zal er geen woningbouwmogelijkheid worden toegevoegd waardoor voorgenomen ontwikkeling niet in bijlage C of D van het besluit m.e.r. voorkomt. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”.
Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft geen nieuwbouw van woningen waardoor het initiatief geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woning dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Ook voor het omzetten van het agrarisch bedrijf in een agrarisch-technisch hulpbedrijf is geen vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.
25
5.1.2 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. In voorgestane ontwikkeling (omzetting intensieve veehouderij naar agrarisch-technisch hulpbedrijf) is er formeel in planologisch-juridisch opzicht geen sprake van een wijziging naar een gevoeligere bestemming en is een bodemonderzoek niet noodzakelijk in het kader van de planologische procedure. Het aspect bodem levert dan ook geen belemmering op voor voorgestane ontwikkeling.
5.1.3 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; a. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; b. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; c. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Ter plaatse van objecten waar voor langere tijd verbleven kan worden, zoals woningen, dient onder andere sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Fijnstof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3 en de grens voor de daggemiddelde concentratie bedraagt 50 μg/m3.
Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het plangebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 17,77 μg/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden. Stikstof Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 μg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 15,19 μg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer ligt. Initiatief Een functiewijziging kan invloed hebben op het aantal verkeersbewegingen dat uiteindelijk effect heeft op de luchtkwaliteit. Gezien het feit dat de intensieve veehouderij
26
ter plaatse gesaneerd wordt en omgezet wordt naar agrarisch-technisch hulpbedrijf zal sprake zijn van verbetering van de luchtkwaliteit. Daarnaast zal er geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De ontwikkeling heeft dan ook geen dusdanige negatieve invloed op de luchtkwaliteit dat de grenswaarden zullen worden overschreden. Dit zorgt ervoor dat het woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit acceptabel is en door de ontwikkeling niet in het geding komt. Conclusie Zowel op het gebied van fijnstof als stikstofdioxide is in de huidige situatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast blijkt dat het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie niet toeneemt, waardoor het initiatief geen significant effect heeft op de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Voor voormalige bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) bij andere veehouderijen gelden vaste afstanden. Dit geldt voor alle soorten dieren. Voorwaarde is dat de woning op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van de veehouderij. Onderhavige bedrijfswoning maakt in de beoogde situatie geen onderdeel meer uit van de veehouderij waardoor een minimumafstand dient aan te houden i.p.v.
de waarden voor geurbelasting. Wanneer een locatie buiten de bebouwde kom gelegen is, geldt een minimumafstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde veehouderij welke dieren met een geuremissiefactor huisvest betreft de veehouderij aan de Lijndonkseweg 15. De afstand tot deze intensieve veehouderij bedraagt 590 meter waardoor deze ruimschoots aan de minimumafstand voldoet. De sanering van de varkenshouderij ter plaatse van de Aardstraat 2 zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat t.a.v. het geuraspect. Deze verbetering heeft betrekking op de eigen locatie alsook de omliggende woningen. Er kan worden
27
geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect geur, op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
5.1.5 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In deze wet is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (weg)verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of andersoortige planologische procedure. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • •
wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt
In dit geval is ter plaatse reeds sprake van een bestaande bedrijfswoning, waarvoor reeds is bepaald dat de situatie acceptabel is om voor langere tijd te verblijven. Er worden dan ook geen nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd waardoor er geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd behoeft te worden. Om te bepalen of er als gevolg van beoogde bestemmingswijziging sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor omliggende woningen, is er een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage III. Optredende geluidbelastingen op bestaande woningen Langtijdgemiddelde geluidbelastingen De langtijdgemiddelde optredende gevelbelastingen ten gevolge van de activiteiten op het terrein en de gebouwen van de inrichting bedragen ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde. Daarmee wordt voldaan aan de geluidseisen van het Activiteitenbesluit. Er wordt niet voldaan aan stap 2 van de VNG, wel wordt voldaan aan stap 3. Buitenplanse inpassing is mogelijk. Het bevoegd gezag dient te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. Als uitgangspunt kan hierbij genomen worden dat er op de huidige locatie momenteel sprake is van een intensieve veehouderij.
Deze wordt gesaneerd om plaats te maken voor het agrarischtechnisch hulpbedrijf. Maximale geluidniveaus De maximale geluidniveaus bedragen ten hoogste 64 dB(A) ten gevolge van de activiteiten op het terrein en de gebouwen van de inrichting. Er wordt voldaan aan stap 2 van de VNG alsook aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit.
28
Indirecte hinder De gevelbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking bedraagt ten hoogste 41 dB(A) etmaalwaarde. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB van de Schrikkelcirculaire wordt niet overschreden. Optredende geluidbelastingen maximale planologische mogelijkheden Kapelstraat 41 Langtijdgemiddelde geluidbelastingen De langtijdgemiddelde optredende gevelbelastingen ten gevolge van de activiteiten op het terrein en de gebouwen van de inrichting bedragen op de grens van het bouwvlak van Kapelstraat 41 ten hoogste 54 dB(A) etmaalwaarde. Er wordt bij geen van de waarneempunten voldaan aan stap 2 of 3 van de VNG. Ook wordt niet voldaan aan het Activiteitenbesluit. Maximale geluidniveaus De maximale geluidniveaus bedragen op de grens van het bouwvlak van Kapelstraat 41 ten hoogste 72dB(A) ten gevolge van de activiteiten op het terrein en de gebouwen van de inrichting. Er wordt bij geen van de waarneempunten voldaan aan stap 2 of 3 van de VNG. Ook wordt niet voldaan aan het Activiteitenbesluit. Indirecte hinder De gevelbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking bedraagt ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB van de Schrikkelcirculaire wordt niet overschreden. De bronnen welke de te hoge geluidbelasting veroorzaken liggen verspreid over het gehele terrein, de rijroutes en komend van intern geluid.
Het verleggen van bijvoorbeeld de inrit aan de Aardstraat alleen zal niet leiden tot een geluidbelasting die bij de maximale planologische mogelijkheden gaat voldoen aan stap 2 voor de langtijdgemiddelde. Indien al het verkeer het terrein betreedt via de Kapelstraat is dit wel van invloed op de maximale geluidniveau’s, deze zullen op de opgenomen waarneempunten dalen. In een vervolgonderzoek kan, indien gewenst, gekeken worden naar de invloed van onder andere bovenstaande opties. Vooralsnog is dit niet verder onderzocht.
5.1.6 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is
29
gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval is de planlocatie gelegen in een gebied met overwegend woonbestemmingen en enkele (agrarische) bedrijven. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom niet met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal woningen gelegen. Het beoogde agrarisch-technisch hulpbedrijf kan ingedeeld worden in de categorie ‘Diensteverlening t.b.v. de landbouw: algemeen b.o. > 500 m2’. Dit soort bedrijven vallen in milieucategorie 3.1 wat inhoudt dat de afstand tot milieugevoelige functies zoals woningen minimaal 50 meter dient te zijn. In onderstaande tabel is de werkelijke afstand van het beoogde agrarisch-technisch hulpbedrijf tot omliggende functies inzichtelijk gemaakt. Adres Kapelstraat 41 Aardstraat 6 Kapelstraat 37 Kapelstraat 44 Aardstraat 12