CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Korte Hoogstraat 9 en 13 - Toelichting

Gemeenteraad 19 februari 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Intern16.298 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Korte Hoogstraat 9 en 13 te Molenschot

bestemmingsplan Korte Hoogstraat 9 en 13 te Molenschot

Inhoudsopgave

Toelichting

2 nschot" (ontwerp)

3

bestemmingsplan "Korte Hoogstraat 9 en 13 te Mole

bestemmingsplan Korte Hoogstraat 9 en 13 te Molenschot

Toelichting

bestemmingsplan "Korte Hoogstraat 9 en 13 te Molenschot" (ontwerp) 3

Toelichting Bestemmingsplan

Korte Hoogstraat 9 en 13 te Molenschot

Colofon

Gemeente:

Gilze en Rijen

Projectlocatie:

Korte Hoogstraat 9 - 13 5124 RE Molenschot

Datum:

08-08-2023 / 30-10-2023 / 27-11-2023

Status:

Ontwerp

IMRO-Code:

NL.IMRO.0784.BPKorteHoogstr0913-ON01

Opgesteld door:

Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl

Projectnummer:

11183.008 / Rda/EH

Pagina 2 van 50

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Procedure ....................................................................................................... 6

1.4.

Leeswijzer ....................................................................................................... 7

2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 8

2.2.

Beoogde situatie ............................................................................................. 10

3. Beleidskader................................................................................................... 16 3.1.

Rijksbeleid...................................................................................................... 16

3.1.1. 3.2.

Provinciaal beleid ............................................................................................ 16

3.2.1. 3.2.2. 3.3.

Ladder duurzame verstedelijking ............................................................... 16 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 16 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 17

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 20

3.3.1. 3.3.2. 3.3.3. 3.3.4.

Structuurvisie Buitengebied ....................................................................... 20 Landschapsontwikkelingsplan .................................................................... 21 Sloopkwaliteitsregeling.............................................................................. 22 Bestemmingsplan ..................................................................................... 22

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 23 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 23

4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 23

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.

Natuur ........................................................................................................... 25

4.3.1. 4.3.2. 4.4.

Waterrelevant beleid................................................................................. 23 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 25 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 25 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 25 Wet natuurbescherming ............................................................................ 27

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 29

4.4.1. 4.4.2.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 29 Archeologie .............................................................................................. 32

4.5.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 33

4.6.

Spuitzones ..................................................................................................... 33

4.7.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 34

4.8.

Geur .............................................................................................................. 35

4.8.1. 4.8.2.

Omgekeerde werking ................................................................................ 36 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 36

Pagina 3 van 50

4.9.

Luchtkwaliteit ................................................................................................. 37

4.9.1. 4.9.2.

Niet in betekenende mate ......................................................................... 37 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 38

4.10.

Geluid ......................................................................................................... 40

4.11.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 40

4.12.

Externe veiligheid ........................................................................................ 41

4.12.1. 4.12.2.

Regelgeving ............................................................................................. 41 Toetsing aan beleid .................................................................................. 42

4.13.

Technische infrastructuur ............................................................................. 44

4.14.

Volksgezondheid .......................................................................................... 44

5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 45 5.1.

Juridische achtergrond .................................................................................... 45

5.2.

Toelichting verbeelding.................................................................................... 45

5.3.

Toelichting regels............................................................................................ 46

6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 47 6.1.

Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 47

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 47

6.2.1. 6.2.2.

Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 47 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 47

7. Bijlagen .......................................................................................................... 49

Pagina 4 van 50

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Het gehele agrarische bouwvlak aan de Korte Hoogstraat 13 en de Korte Hoogstraat 9, met een totale oppervlakte van 11.730 m², is voor een deel (7.335 m²) in eigendom. Het andere deel van het agrarische bouwvlak is enkel middels het agrarische bouwvlak met de locatie aan de Korte Hoogstraat 13 verbonden, maar aan de Korte Hoogstraat 9 en de Korte Hoogstraat 13 zijn altijd zelfstandige agrarische bedrijven gevestigd geweest. De eigenaar van de Korte Hoogstraat 13 is voornemens om de locatie aan de Korte Hoogstraat 13 te Molenschot te verkopen, maar er is geen interesse in de kleinschalige agrarische bedrijfslocatie (welke met een bouwvlak nog aan een andere locatie verbonden is). Vanwege de krapte op de woningmarkt en de geschikte locatie voor een woonbestemming met hobbymatige paardenhouderij is derhalve de wens om de Korte Hoogstraat 13 om te zetten naar een woonbestemming. Op deze wijze wordt de onduidelijke (onwenselijke) planologische situatie tevens opgelost. Op 23 februari 2022 heeft de gemeente in een principebesluit besloten het wijzigen van de bedrijfswoning naar een plattelandswoning wenselijk te vinden.

Naar aanleiding van dit besluit is contact opgenomen met de gemeente en op 13 april 2022 heeft de gemeentelijk ambtelijk aangegeven mee te willen werken aan een herbestemming naar de bestemming ‘Wonen’, mits er een verkleining van het bestemmings- en bouwvlak en sloop van overtollige bebouwing (onderbouwing van de te resteren bebouwing) plaatsvindt. Deze voorwaarden zijn in acht genomen voor de beoogde situatie. 1.2. Geldend planologisch regime Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, aldus vastgesteld d.d. 1 juli 2013, van toepassing. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn aan het plangebied toegekend, zie Afbeelding 1. Er is één gezamenlijk agrarisch bouwvlak gelegen aan de Korte Hoogstraat 13 en de Korte Hoogstraat 9. Het omzetten van een deel van dit agrarisch bouwvlak (ter plaatse van de Korte Hoogstraat 13) is niet passend binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan.

Pagina 5 van 50

Afbeelding 1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’, plangebied omkaderd

1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk.

Pagina 6 van 50

1.4. Leeswijzer In deze toelichting is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.

Pagina 7 van 50

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Gilze en Rijen, sectie P, nummer 1055. Deze locatie is gelegen in het buitengebied, tussen Gilze en Bavel (zie Afbeelding 2). De bebouwde kom van Gilze is op circa 2,5 kilometer gelegen. Het perceel met een oppervlakte van 7.903 m² is in eigendom. In de omgeving zijn voornamelijk woningen en enkele (agrarische) bedrijven gelegen. Daarnaast is veel groen aanwezig in de nabije omgeving van het plangebied.

Bavel

Gilze

Afbeelding 2: Ligging plangebied in omgeving

Op het perceel zijn bebouwing en voorzieningen aanwezig ten behoeve van een paardenhouderij. De volgende gebouwen en voorzieningen zijn op de bedrijfslocatie aanwezig, zie Afbeelding 3: 1. Bedrijfswoning 2. Loods/ paardenstal (234 m²) 3. Longeercirkel 4. Buiten rijbak 5. Paddocks 6. Carport (33 m²) 7. Vaste mestopslag (10 m²)

Pagina 8 van 50

3

7

4

6 5

1 2

Afbeelding 3: Luchtfoto bestaande situatie

De locatie beschikt over een melding in het kader van het Activiteitenbesluit voor het houden van 3 volwassen paarden en 4 paarden in opfok. De eigenaar is de paardenhouderij aan het afbouwen en ze gaat zich focussen op haar bedrijf in psychologische begeleiding en coaching. De bestaande loods mag tevens deels gebruikt worden als kantoor/praktijk/werkruimte voor psychologische begeleiding en coaching van (top)sporters, mensen uit het bedrijfsleven, de overheid en non-profit instellingen. De eigenaar beschikt over een vergunning om de bestaande loods aan de westzijde nog uit te bouwen, deels als opslag voor materialen en deels voor een paardenbox. Het gehele agrarische bouwvlak aan de Korte Hoogstraat 13 en de Korte Hoogstraat 9, met een totale oppervlakte van 11.730 m², is voor een deel (7.335 m²) in eigendom. Het andere deel van het agrarische bouwvlak is enkel middels het agrarische bouwvlak met de locatie aan de Korte Hoogstraat 13 verbonden, maar aan de Korte Hoogstraat 9 is altijd een zelfstandig agrarisch bedrijf gevestigd geweest. Circa 12 jaar geleden, voor dat initiatiefnemer het perceel aan de Korte Hoogstraat 13 kocht, zijn de percelen van de Korte Hoogstraat 13 en 9 al juridisch kadastraal gesplitst. Er is derhalve al een geruime tijd een zelfstandig bedrijf aanwezig op de Korte Hoogstraat 9.

Aan de Korte Hoogstraat 9 is een bedrijfswoning aanwezig met bijgebouwen en een loods. De loods dient zich uitstekend voor een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij. Rond de locatie zijn namelijk al meerdere woonbestemmingen gelegen en deze zorgen er voor dat een veehouderij niet mogelijk is. De loods op de locatie van de Korte Hoogstraat 9 is circa 400 m2 groot en de eigenaar heeft meerdere hectares grond in eigendom. Een agrarisch bedrijf in de vorm van een akkerbouwbedrijf is derhalve zeker denkbaar op de locatie. Eventueel zou een dienstverlening ten behoeve van de landbouw ook een mogelijkheid zijn om te exploiteren op de locatie aan de Korte Hoogstraat 9 te Molenschot. De eigenaar van de Korte Hoogstraat 9 heeft zelf het voornemen om in de hydrocultuur een bedrijf te gaan

Pagina 9 van 50

exploiteren. Hydrocultuur of hydroponie is een systeem waarbij wortels van planten groeien tussen kleikorrels. Deze korrels nemen water met voeding op en geven dit geleidelijk af aan de wortels van de plant. Hiervoor is enkel een loods noodzakelijk en geen grond. Deze planten kunnen namelijk in een pot worden gekweekt/geplant, waardoor het mogelijk is om in een gebouw met een grootte van 400 m2 een bedrijf in de hydrocultuur te exploiteren. Voor de locatie aan de Korte Hoogstraat 9 zou dit een passend gebruik zijn. Kortom is het op meerdere manieren mogelijk om een zelfstandig agrarisch bedrijf te blijven exploiteren op de locatie als de locatie aan de Korte Hoogstraat 9 als het bouwvlak van de Korte Hoogstraat 13 planologisch wordt gescheiden. Het voornemen is om de locatie aan de Korte Hoogstraat 13 te Molenschot te verkopen, maar er is geen interesse in de kleinschalige agrarische bedrijfslocatie (welke met een bouwvlak nog aan een andere locatie verbonden is). Vanwege de krapte op de woningmarkt en de geschikte locatie voor een woonbestemming met hobbymatige paardenhouderij is derhalve de wens om de Korte Hoogstraat 13 om te zetten naar een woonbestemming. 2.2. Beoogde situatie De beoogde ontwikkeling betreft het wijzigen van de agrarische bedrijfslocatie aan de Korte Hoogstraat 13 naar een woonbestemming ten behoeve van één reguliere burgerwoning.

De bedrijfswoning zal worden omgezet naar een reguliere burgerwoning. Bovendien zal het agrarische bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 234 m² behouden blijven als bijgebouw bij de woning ten behoeve van de hobbymatige paardenhouderij. De carport (open overkapping) met een oppervlakte van circa 33 m² zal in de beoogde situatie worden gesaneerd. De sloopmeters van de carport zullen worden ingezet voor het behoud van de bestaande bedrijfsbebouwing. Rondom het perceel is, zoals bij de omliggende percelen, een erfafscheiding met open constructie met een bouwhoogte van 1,5 meter aanwezig. Deze erfafscheiding zal tevens behouden blijven. In de tijd dat initiatiefnemer de locatie kocht, circa 11 jaar geleden, was er weinig beplanting aanwezig, zie Afbeelding 4. Inmiddels heeft initiatiefnemer de locatie zorgvuldig landschappelijk ingepast, dit heeft voor een positief effect gezorgd in de omgeving, zie Afbeelding 5. Initiatiefnemer heeft onder andere een dubbele rij beukenhaag gepland van minimaal 40 – 50 strekkende meter om de tuin, tevens een dubbele rij beukenhaag rond de longeercirkel en rond de weides binnen het plangebied aangelegd. In totaal is er minimaal 360 meter dubbele rij aan beukenhaag gepland. De tuin, de inritten en de voorkant van de woning zijn tevens ingepast met inheemse beplanting.

Als laatste zijn er tevens meerdere wilgenbomen gepland aan de overkant van de weg van de woning aan de Korte Hoogstraat 13.

Pagina 10 van 50

Afbeelding 4: Inpassing perceel circa 11 jaar geleden, foto’s initiatiefnemer en luchtfoto 2012

Pagina 11 van 50

Afbeelding 5: Inpassing 2023, foto’s initiatiefnemer en luchtfoto 2023

Pagina 12 van 50

Het slopen van het bestaande voormalige bedrijfsgebouw zou kapitaalvernietiging zijn, omdat het gebouw bouwkundig nog in uitstekende staat verkeerd. Het gebouw zal dan ook als bijgebouw bij de woning in gebruik blijven. De paardenstallen in dit gebouw zullen tevens behouden blijven, er is namelijk een grote vraag naar locaties waar hobbymatig paarden gehouden kunnen worden. Door dit gebouw te behouden wordt ingespeeld op deze vraag. Het behouden van een gebouw met een dergelijke oppervlakte is overigens noodzakelijk voor de locatie. Het gebouw wordt namelijk, zoals zojuist benoemd, in gebruik genomen als bijgebouw bij de woning, als hobbymatige paardenstal en voor opslag voor materieel en strooisel en (ruw)voer. Er is namelijk één bijgebouw aanwezig en dit gebouw dient derhalve voor meerdere doeleinden. Als eerste is privé opslag noodzakelijk voor de woning, denk hierbij aan onder andere machines voor het onderhouden voor de beplanting op de locatie. Daarnaast is voor het hobbymatig houden van paarden van belang dat er paardenstallen in het gebouw aanwezig zijn, om aan de recente wet- en regelgeving te voldoen dienen deze stallen tevens een voldoende grote oppervlakte te hebben. Dit komt neer op gemiddeld 12 m2 per paardenstal. Voor het houden van paarden dient tevens opslag van strooisel en (ruw)voer aanwezig te zijn.

Dit neemt ook een ruime oppervlakte in beslag aangezien er voldoende strooisel en (ruw)voer aanwezig moet zijn. In onderhavige situatie liggen de grote ruwvoer en strobalen van circa 500 kg op elkaar gestapeld, circa 6 balen hoog. Als laatste dient er ook materieel te worden opgeslagen in het gebouw, dit dient binnen te worden opgeslagen voor het behoud van de machines en dergelijke om het terrein te kunnen onderhouden. De levensduur van dergelijke machines is namelijk aanzienlijk hoger wanneer deze binnen kunnen worden opgeslagen. In onderstaande afbeelding is een indeling van het gebouw weergegeven. Hierop is te zien dat het gehele gebouw wordt benut.

Afbeelding 6: Indeling voormalig bedrijfsgebouw

De woonbestemming heeft een oppervlakte van 3.843 m². De overige gronden zullen worden herbestemd naar agrarische gronden (onbebouwd). In de beoogde situatie zullen de buitenrijbak, de longeercirkel en de paddocks worden geclusterd binnen het plangebied. De voorzieningen zullen binnen de woonbestemming komen te liggen. De voorzieningen, de buitenrijbak, de longeercirkel, de mestplaat en de paddocks, zijn noodzakelijk voor het hobbymatig houden van paarden. In het kader van het dierenwelzijn is het namelijk van belang dat de dieren iedere dag vrije bewegingsruimte hebben. De paddocks in het plangebied zijn vrije uitloopruimtes voor paarden, deze paddocks zorgen er voor dat de beperkte weidegang welke aanwezig zijn niet wordt overbelast. In de zomer (met droog weer) kunnen de paarden op de weides lopen en met slechter weer kunnen de paarden in de paddocks worden losgelaten. De locatie is namelijk gelegen op een laag gelegen, nat

Pagina 13 van 50

perceel. Het gaat hier om kleiachtige grond, dit houdt in dat de grond glibberig en glad wordt wanneer deze nat wordt. De paarden kunnen dus, om blessures te voorkomen, met te nat weer niet op de weides staan. Door de paddocks binnen het plangebied hebben de paarden alsnog het hele jaar door iedere dag vrije beweging. De minimale afmeting van een paddock bedraagt 15 meter bij 7,5 meter. Dit is om te kort draaien, en hiermee blessures, te voorkomen. Daarnaast is het van belang dat de paarden op een goede manier worden getraind. Binnen het plangebied is een buitenrijbak aanwezig, deze is voorzien van een goede bodem die het hele jaar door te rijden is. Dit is een echte must voor het trainen van de paarden. Een paardenbak is minimaal 20*40 en de bestaande buitenbak heeft deze minimale afmetingen. De buitenrijbak zal in de beoogde situatie worden verplaatst richting de stal om de ruimtelijke impact in het gebied zo klein mogelijk te houden. Doordat de buitenrijbak voorzien is van een goede bodem is het niet goed voor de levensduur om daar de paarden ook in de longeren. Een longeerbak is derhalve van belang voor de duurzaamheid van de buitenrijbak. De aanwezige longeercirkel heeft een doorsnede van circa 16 meter. Een minimale adviesmaat voor een longeercirkel is 14 meter, echter in de praktijk is deze vaak zelfs 20 meter.

De aanwezige longeercirkel heeft derhalve gemiddelde afmeting. De voorzieningen ten behoeve van de hobbymatige paardenhouderij worden geclusterd in de beoogde situatie en komen binnen de woonbestemming te liggen. In de nabije omgeving van de beoogde woonbestemming zijn voornamelijk woningen gelegen met rijbak, paardenstallen en andere hippische voorzieningen, zie Afbeelding 7. De paardensport is de laatste jaren als breedtesport enorm gegroeid. Het is de wens van veel paardenliefhebbers om de eigen paarden, met bijbehorende stallen en weides, direct aan huis te hebben. De locatie aan de Korte Hoogstraat 13 te Molenschot biedt de paardenliefhebbers de mogelijkheid om te wonen bij hun paard en gebruik te maken van professioneel onderhouden hippische voorzieningen.

Afbeelding 7: Luchtfoto directe omgeving Korte Hoogstraat 13, woonbestemmingen met hippische voorzieningen omcirkeld

Pagina 14 van 50

De beoogde ontwikkeling dient gepaard te gaan met een goede landschappelijke inpassing. Er is derhalve een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke rekening houdt met de kwaliteiten en kenmerken van de omgeving. Onderstaande afbeelding geeft de inrichting van de landschappelijke inpassing weer. Dit landschappelijk inpassingsplan is in Bijlage 1 op schaal opgenomen.

Afbeelding 8: Inrichtingsschets beoogde situatie

Gezien het voornemen van de eigenaar aan de Korte Hoogstraat 9 om op termijn een agrarisch bedrijf (niet zijnde een veehouderij) op te richten op de locatie blijft deze bestemming behouden. Echter, ligt er op dit moment een maatvoering met een maximum van 2 wooneenheden op de locatie. Deze zal in de beoogde situatie worden aangepast naar een maximum van 1 wooneenheid. Om dit planologisch te borgen is de locatie aan de Korte Hoogstraat 9 meegenomen op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Pagina 15 van 50

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid

3.1.1. Ladder duurzame verstedelijking

In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Op basis van vaste jurisprudentie geldt voor wonen dat pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is wanneer in de woningbouwlocatie 12 woningen worden gerealiseerd. Met dit plan wordt een agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Derhalve is verdere toetsing aan de Ladder niet nodig. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:

‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan.

Pagina 16 van 50

Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Bovendien wordt (een deel van) een agrarisch bouwvlak gesaneerd, waarmee mogelijkheden voor meer bebouwing komen te vervallen. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.2.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt.

In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Landelijk gebied’, ‘Beperkingen veehouderij’, ‘Stalderingsgebied’ en ‘Gemengd landelijk gebied’, zie Afbeelding 9.

Afbeelding 9: Uitsnede kaart werkingsgebied Iov (hoofdstuk 3)

Artikel 3.51 (Afwijkende regels Beperkingen Veehouderij) en artikel 3.52 (Aanvullende gegevens stalderen) zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling, omdat de ontwikkeling geen ontwikkeling van een veehouderij betreft. In artikel 3.68, eerste lid, is vastgelegd dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking hiervan kan het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning mogelijk worden gemaakt als is verzekerd dat aan de voorwaarden die gesteld zijn in artikel 3.69 wordt voldaan. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst.

Pagina 17 van 50

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde ontwikkeling betreft het herbestemmen van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning met bijgebouw.

Het agrarische bouwperceel wordt daarbij gewijzigd in een woonbestemming, in een groenbestemming en in een agrarische bestemming. Er wordt dus gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel. Uit paragraaf 3.1.1 blijkt dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Tot slot worden alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen geconcentreerd binnen een bouwperceel. Uit bovenstaande blijkt dat er in de beoogde situatie sprake zal zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst.

De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Pagina 18 van 50

In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de omzetting naar een woonbestemming te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast is er sprake van een afname van de emissies door het saneren van (een deel van) een agrarische bedrijfslocatie waardoor ook het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Gilze en Rijen is het afsprakenkader van Hart van Brabant toepassing.

De wijziging van een agrarische bedrijfsbestemming in de bestemming ‘Wonen’ wordt conform dit afsprakenkader gezien als een categorie 2-ontwikkeling, aangezien het gaat om een herbestemming met geen substantiële inbreuk op het landschap en het bouwvlak met tenminste 60% wordt verkleind. De situatie zoals deze reeds aanwezig is blijft namelijk grotendeels behouden. De gebouwen zullen blijven staan en de voorzieningen zullen juist worden geclusterd in de beoogde situatie. Het op deze manier clusteren van de voorzieningen zorgt voor een positief effect op de ruimtelijke impact van het beoogde plan. Verder wordt enkel de bestemming veranderd ten behoeve van het afsplitsen van een overtollige woning met tuin en het bestaande agrarische bouwvlak wordt verkleind. Het gaat hier derhalve om een buitenplanse afwijking binnen het bouwvlak met geen substantiële inbreuk op het landschap en derhalve een categorie 2 ontwikkeling, zie Afbeelding 10. Bij een categorie 2 ontwikkeling is alleen landschappelijke inpassing vereist.

Afbeelding 10: Uitsnede afsprakenkader Hart van Brabant

Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 1 bij de toelichting. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door het opnemen van de bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ op de verbeelding en het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.

Pagina 19 van 50

Wonen in landelijk gebied (artikel 3.68 & 3.69) In artikel 3.68 van de Iov is opgenomen dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking hiervan kan op grond van artikel 3.69 Iov het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning mogelijk worden gemaakt als is verzekerd dat:

1. Er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;

Er wordt met het initiatief slechts één woonbestemming gecreëerd.

2. Overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Er is ter plaatse geen sprake van overtollige bebouwing. Binnen de planlocatie zijn in de huidige situatie alleen de bedrijfswoning met een bedrijfsgebouw aanwezig. Het bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 234 m² zal worden ingezet als bijgebouw ten behoeve van de hobbymatige paardenhouderij bij de beoogde woning. Verder zijn er op de planlocatie ook een longeercirkel, buitenrijbak en paddocks aanwezig. Deze voorzieningen zullen in de beoogde situatie ook behouden blijven ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden. Geconcludeerd wordt dat er op de planlocatie geen overtollige bebouwing aanwezig is.

Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor wonen in het landelijk gebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in landschapsontwikkelingsplan en het bestemmingsplan.

de

gemeentelijke

structuurvisie,

het

3.3.1. Structuurvisie Buitengebied

De gemeente Gilze en Rijen heeft haar beleid voor het buitengebied uiteen gezet in de Structuurvisie Buitengebied. Het plangebied is valt volgens deze structuurvisie (en het vigerende bestemmingsplan) in het agrarisch verbredingsgebied, zie Afbeelding 11. Het agrarisch verbredingsgebied vormt de buffer tussen het agrarische gebied aan de ene kant en aan de andere kant de natuur- en bosgebieden en kernen, de vliegbasis Gilze-Rijen en de vier kernen binnen de gemeente. Het betreft een agrarisch landschap, waarbij openheid en beslotenheid elkaar afwisselen en dat gelegen is aan de randen van bestaande bos- en natuurgebieden en de vliegbasis. Het toekomstperspectief in deze zone is met name gericht op de grondgebonden landbouw, waarbij rekening gehouden moet worden met de kwaliteiten van omliggende natuurgebieden en die van de leefomgeving van de kernen. Woonfuncties zijn na een planwijziging in het agrarische verbredingsgebied toegestaan, mits wordt uitgegaan van bestaande bebouwing. In de beoogde situatie zal een agrarische bedrijfslocatie worden omgezet naar een woonbestemming, waardoor minder sprake zal zijn van emissies en het woon- en leefklimaat in de omgeving zal verbeteren. Bovendien zal de beoogde ontwikkeling gecombineerd worden met een zorgvuldige landschappelijke inpassing, waardoor de kwaliteiten van het omliggende landschap versterkt zullen worden.

Er zal geen nieuwe bebouwing worden opgericht. De beoogde ontwikkeling past derhalve binnen het agrarisch verbredingsgebied.

Pagina 20 van 50

Afbeelding 11: Uitsnede zoneringskaart, plangebied omcirkeld

3.3.2. Landschapsontwikkelingsplan

De gemeente Gilze en Rijen heeft in 2006 een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld. In het LOP wordt de visie weergegeven op de gewenste landschapsontwikkeling in de gemeente Gilze en Rijen. In het buitengebied komen naast bedrijfswoningen ook burgerwoningen voor, met name in de kernrandzones, bebouwingsconcentraties en linten. De locatie aan de Korte Hoogstraat 13 te Molenschot is tevens aan een bebouwingsconcentratie gelegen, zie Afbeelding 12. In de landbouw vindt nog steeds een schaalvergroting plaats, waardoor bedrijven groter worden of de bedrijfsactiviteiten beëindigen. Door de afname van het aantal agrarische bedrijven komen bedrijfslocaties vrij, die wel een economische waarde hebben. Een nieuwe functie voor de gebouwen, zoals wonen en niet agrarische bedrijvigheid is dan ook een logisch vervolg. Deze tendens vindt vooral plaats in de bebouwingsconcentraties en aan de dorpsranden, waar de meeste kleine agrarische bedrijven bestaan en waar de beperkingen voor groei het sterkst ervaren worden. De locaties waar uiteindelijk bedrijfsbeëindiging plaats gaat vinden, worden door de marktwerking bepaald. De gemeente kan hierin niet sturen. Wel kan de gemeente eisen stellen aan de aard van de nieuwe functie en de randvoorwaarden waarbinnen deze nieuwe functie gevestigd kan worden.

Vanuit het LOP is het wenselijk om de overtollige bebouwing op een dergelijke locatie te saneren en resterende bebouwing zo geconcentreerd mogelijk te houden. Hierdoor wordt verpaupering voorkomen. Ook voor deze plekken kan gesteld worden dat een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd moet worden. Bij zowel nieuwbouw als functieverandering op bestaande locaties is het daarnaast soms mogelijk om in ruimere zones bijdragen aan landschapsbouw te leveren, bijvoorbeeld aan de randen van het voormalige bouwperceel, aan kavelranden etc. Vooral rond de waardevolle akkercomplexen rond Gilze maar ook elders is het wenselijk om de nieuwe erven qua vorm, omvang en situering zo te bepalen, dat achtergelegen open gronden ook open blijven en dat doorzichten vanaf de weg naar het achterliggende landschap open blijven. In de beoogde situatie is het voor de eigenaar van de kleinschalige agrarische bedrijfslocatie ook niet meer winstgevend om het agrarische bedrijf te exploiteren. De agrarische bedrijfslocatie is dan ook voor de verkoop niet interessant. Door de woonbestemmingen die in de nabije omgeving van de Korte Hoogstraat 13 te Molenschot zijn gelegen is het tevens niet mogelijk om de agrarische bedrijfslocatie uit te breiden. Derhalve is de herbestemming naar een woonbestemming een logisch gevolg. Dit sluit aan bij de tendens in bebouwingsconcentraties.

Er is in de beoogde situatie geen sprake van overtollige bebouwing, het agrarische gebouw zal in gebruik worden genomen als bijgebouw ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij bij de woning. Tot slot zal het omzetten naar een woonbestemming gecombineerd worden met de aanleg en instandhouding van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De beoogde ontwikkeling sluit derhalve aan bij het Landschapsontwikkelingsplan.

Pagina 21 van 50

Afbeelding 12: Uitsnede kaart ‘Landschapsontwikkelingsplan’, plangebied omcirkeld

3.3.3. Sloopkwaliteitsregeling

Om de 234 m2 aan bijgebouwen te kunnen behouden wordt aangesloten bij de Sloopkwaliteitsregeling van de gemeente Gilze en Rijen. In deze regeling staat onder paragraaf 3.5 onder punt 7 beschreven dat ‘Als basis geldt een oppervlaktemaat van 200 m² waarop de ‘extra meters’ berekend worden. In

het geval er minder bijgebouwen aanwezig zijn dan 200 m² geldt het bestaande oppervlak als basismaat’. Aangezien er op de planlocatie meer dan 200 m2 aan bijgebouwen aanwezig zijn, geldt ter

plaatse een basismaat van 200 m2. Op de planlocatie zijn, boven de basismaat van 200 m2, nog 34 m2 aan bijgebouw aanwezig. De sloopkwaliteitsregeling stelt dat voor alle aanwezige vierkante meters aan bijgebouwen, boven de basismaat, sloopmeters aangekocht dienen te worden met een factor 2. Er zijn momenteel geen compensatiemeters beschikbaar welke ingezet kunnen worden voor de beoogde ontwikkeling. Echter wordt binnen het plangebied de carport van 33 m2 gesaneerd. Deze meters kunnen worden ingezet voor het behoudt van het bedrijfsgebouw. Om 34 m2 extra te mogen behouden dienen er conform de sloopkwaliteitsregeling 68 m2 te worden gesloopt, er geldt namelijk een ratofactor van 2 in de Sloopkwaliteitsregeling. Met het saneren van de carport dient er derhalve nog maar 35 m2 sloopmeters te worden aangekocht voor het behoud van de bedrijfsbebouwing. Op grond van de hardheidsclausule uit de sloopkwaliteitsregeling is het mogelijk om de 35 m2 aan bijgebouwen te behouden zonder daarvoor sloopmeters aan te kopen. Met de beoogde ontwikkeling is er namelijk een concreet zich op een verbetering. Daarnaast zijn er, zoals omschreven, geen sloopmeters beschikbaar binnen de gemeente Alphen-Chaam.

Gelet op de schade die het met zich meebrengt aan de bedrijfsbebouwing en gelet op de kosten welke er verbonden zijn aan de eventuele sloop in verhouding tot het aantal vierkante meters aan kwaliteitswinst wat nog zou moeten plaatsvinden, is het niet redelijk om 34 m2 van het bestaande bedrijfsgebouw te slopen. Om deze reden mogen de 34 m2 aan bijgebouwen behouden blijven op grond van de hardheidsclausule uit de sloopkwaliteitsregeling van de gemeente Gilze en Rijen.

3.3.4. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen, zie Afbeelding 1: ▪ Enkelbestemming: Agrarisch; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie; ▪ Bouwvlak; ▪ Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 2; ▪ Gebiedsaanduiding: ihcs – 1; ▪ Gebiedsaanduiding: overig – agrarisch verbredingsgebied. In het bestemmingsplan is het niet mogelijk om een deel van de agrarische bedrijfsbestemming om te zetten naar een woonbestemming. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het vigerende bestemmingsplan.

Pagina 22 van 50

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder wijzigingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject wat 2.000 of meer woningen omvat. In de beoogde situatie gaat het om een functieverandering van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Deze ontwikkeling is niet opgenomen in het besluit MER. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden.

De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ ▪ ▪

Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie

Pagina 23 van 50

Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.2 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden.

Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van het RWP is: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun RWP stelt. Waterschap De doelstelling van het waterbeheerplan Brabantse Delta (2022-2027): Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen.

Ambitie: Samen werken met de omgeving aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Belangrijke onderwerpen waarvoor het Brabantse Delta doelen voor opgesteld heeft: ▪ Water voor duurzame ontwikkeling; Het realiseren van de ambities wordt bereikt aan de hand van zes beleidskeuzes: 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden ▪ Waterveiligheid;

Pagina 24 van 50

De waterveiligheid wordt verbeterd door het verkleinen van de kans op overstroming én het verkleinen van de mogelijke gevolgen. Om deze aspecten in samenhang te behandelen worden de drie lagen van het concept meerlaagsveiligheid gebruikt: 1. Preventie door sterke waterkeringen 2. Ruimtelijke inrichting minder kwetsbaar maken 3. Crisisbeheersing ▪ Gezond water; ▪ Voldoende water; Gemeente In 2020 is het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025’ voor de gemeente Gilze en Rijen vastgesteld. Hierin worden activiteiten benoemd om de riolering te onderhouden en te verbeteren. Belangrijke aandachtspunten hierin zijn niet alleen de gevolgen van de klimaatomslag, maar ook die van energietransitie en circulaire economie. De gemeente Gilze en Rijen is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afvalwater dat afkomstig is van huizen en bedrijven. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de aansluiting op het riool.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m³ niet-verontreinigd hemelwater per m² verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op de bedrijfslocatie aan de Korte Hoogstraat 13 wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten of infiltreren in de bodem.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde waterhuishoudkundige situatie blijft het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd worden op het gemeentelijk riool. De aansluiting op het riool zal niet wijzigen. De beoogde situatie zal geen negatief effect hebben op de waterhuishouding. Er zal geen extra verharding of bebouwing worden gerealiseerd. Voor de aanleg van landschapselementen is zelfs erfverharding, met een oppervlakte van circa 12 m², verwijderd. De neerslag die kan infiltreren in de bodem zal dus in de beoogde situatie niet verslechteren ten opzichte van de bestaande situatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.

Pagina 25 van 50

Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.

Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Natuur Netwerk Brabant’ van de Iov (conform paragraaf 3.2.3) is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 13. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Afbeelding 13: Uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant (paragraaf 3.2.3) Iov, plangebied met plusteken weergegeven

Pagina 26 van 50

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn ‘Ulvenhoutse Bos’, ‘Regte Heide en Riels Laag’ en ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop’ (België). De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13658422/1