Bijlage 0- Evaluatie beleidsnota omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen
Tekst van het document
Evaluatie beleidsnota “Omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen” 1. Hoofdlijnen van het beleid Vóór het vaststellen van de beleidsnota “Omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen” op 30 september 2019 lag het initiatief voor een dialoog met de omgeving bij de gemeente. Op basis van de Inspraakverordening Gilze en Rijen werd bijvoorbeeld bij een bestemmingsplan, voorafgaand aan de wettelijke procedure, een voorontwerpbestemmingsplan voor inspraak ter inzage gelegd. Bezwaren, wensen en belangen van omwonenden richten zich dan in het kader van de inspraak in eerste instantie tot de gemeente en niet tot de initiatiefnemer. Met het vaststellen van de beleidsnota “Omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen” werd de verantwoordelijkheid voor afstemming met de directe omgeving van een ruimtelijk ontwikkelingsproject teruggelegd bij de initiatiefnemer. Redenen hiervoor waren: • bij inspraak was vaak al sprake van een uitgekristalliseerd plan, waardoor een initiatiefnemer minder geneigd was tot het doen aanpassingen. Door de initiatiefnemer vroegtijdig in overleg te laten gaan met de omgeving, kan veel meer rekening worden gehouden met de bezwaren, wensen en belangen van omwonenden.
Dit zou naar verwachting tot een soepeler verloop van de procedure kunnen leiden; • er kon met dit beleid alvast ervaring opgedaan worden met de werkwijze onder de nieuwe Omgevingswet (die op dat moment in 2021 werd verwacht); • op basis van regels uit de destijds geldende Verordening ruimte Noord-Brabant van de Provincie werd de gemeente in sommige gevallen ook al verplicht van initiatiefnemers te verlangen dat een zorgvuldige dialoog werd gevoerd. De beoordeling of dat zorgvuldig werd gedaan werd door de Provincie aan de gemeente gelaten.
2. Bij welke plannen werd een omgevingsdialoog gevoerd? In de beleidsnota is bepaald bij welke procedures sprake is van een omgevingsdialoog. Daarnaast is een lijst met criteria opgenomen waarvoor het voeren van een omgevingsdialoog verplicht is: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 100 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de functiewijziging van een of meer gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren naar de functies wonen, detailhandel, dienstverlening, kantoor of horeca, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functie(s) tenminste 100 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; e. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 100 m² bruto-vloeroppervlakte; f. - de uitbreiding, vestiging of omschakeling naar een veehouderij; - de uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf; - de vestiging van mestbewerking of een toename van de gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking; als bedoeld in de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant. Deze lijst met ruimtelijke ontwikkelingsprojecten is globaal gebaseerd op de ‘aangewezen bouwplannen’ als bedoeld in artikel 6.2.1 van het destijds geldende Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Door deze categorieën aan te wijzen en daarmee te bepalen wanneer wel, maar ook wanneer niet een omgevingsdialoog gevoerd hoefde te worden, werd beoogd een balans te vinden tussen enerzijds het belang van participatie bij ruimtelijke plannen en anderzijds de lasten voor de zowel initiatiefnemers als de ambtelijke organisatie. In Bijlage 1 is een lijst van plannen bijgevoegd uit de periode 30 september 2019 (vaststelling beleid) tot 1 januari 2024 (inwerkingtreding Omgevingswet). Al deze plannen zijn binnen deze periode vastgesteld of in ontwerp ter inzage gegaan en is een omgevingsdialoog gevoerd op basis van het beleid. Deze lijst met plannen is onderverdeeld in: Pagina 1 van 7
• • • • •
plan op basis van de Wet ruimtelijke ordening óf Wet algemene bepalingen omgevingsrecht? ligt het plan in stedelijk gebied of in het buitengebied? welk type omgevingsdialoog is gevoerd? in welke planfase bevindt het plan zich? zijn er zienswijzen ingediend, is bezwaar gemaakt /beroep ingesteld?
3. Opzet evaluatie In de opzet van de beleidsnota zijn in meerdere paragrafen criteria/spelregels benoemd waar de omgevingsdialoog aan moet voldoen. Dit betreffen criteria die zich niet alleen richten op de inhoud van de omgevingsdialoog maar bijvoorbeeld ook op de juridische vereisten van de omgevingsdialoog. 3.1 Aan de hand van welke vragen evalueren we de omgevingsdialoog? Aan de hand van de criteria genoemd in het beleid wordt het beleid geëvalueerd. Daarbij worden de volgende vragen beantwoord: 1. Nemen de interne behandelaars de omgevingsdialoog (eenduidig) mee in: • de college- en raadsvoorstellen? • de brieven aan initiatiefnemers over het collegebesluit? 2. Weten de interne behandelaars de juiste omgevingsdialoog te vermelden? 3. Voegen de initiatiefnemers in hun verslaglegging alle onderdelen toe, zoals vermeld in de beleidsnota? 4. Controleren de interne behandelaars de verslaglegging? 5. Wordt de omgevingsdialoog, zoals voorgeschreven in de beleidsnota, toegevoegd aan de bijlagen bij de toelichting van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan of aan de bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning? 6. Wordt de separate bijlage waarin de initiatiefnemer duidelijk maakt dat betrokkenen in het proces akkoord gaan met de verslaglegging verzonden aan de gemeente en is deze compleet? 7.
Leidt het voeren van een omgevingsdialoog tot lastenverzwaring voor een initiatiefnemer? • heeft het toepassen van de omgevingsdialoog geleid tot aanpassing van de plannen? • heeft het toepassen van de omgevingsdialoog geleid tot minder bezwaar en beroep? • hoe ervaren initiatiefnemers de omgevingsdialoog? 8. Voldoet de omgevingsdialoog aan de juridische vereisten als weergegeven in paragraaf 8? 9. Zijn er ontwikkelingen geweest waar geen omgevingsdialoog gevoerd hoefde te worden, maar dat wel wenselijk zou zijn? 3.2 Met wie bespreken we de opgedane ervaringen? De onder 3.1 genoemde vragen zijn besproken met: • medewerkers van de ABG-organisatie die de ruimtelijke plannen begeleid hebben; • de portefeuillehouder ruimtelijke ordening gemeente Gilze en Rijen; • initiatiefnemers: o Vexpro B.V. (Kerkstraat 98 Gilze, Oranjestraat 113 Gilze, Oranjestraat 100 Gilze); o Vrolijk Leven B.V. (De Nieuwe Erven, Molenschot); o De Bunte Vastgoed B.V. (Hoofdstraat 72-72a Rijen, Rector Buijselstraat 20-24 Rijen, Mgr. Ariënsstraat 1, Rijen); • adviesbureaus: o Van Dun Advies; o Ordito. Met de adviesbureaus en initiatiefnemers is de als bijlage 2 opgenomen vragenlijst besproken. In deze vragenlijst zijn alleen de vragen opgenomen die van toepassing zijn op deze groep.
Pagina 2 van 7
4. Evaluatie De in hoofdstuk 3 benoemde vragen worden in dit hoofdstuk beantwoord op basis van de opgedane ervaringen met de als bijlage 1 opgenomen lijst plannen. 4.1 Wanneer vinden we het van belang dat een omgevingsdialoog wordt gevoerd? Nemen de interne behandelaars de omgevingsdialoog (eenduidig) mee in: - de college- en raadsvoorstellen; - de brieven aan initiatiefnemers over het collegebesluit. Bij besluiten op een principeverzoek is in het geval van een (gedeeltelijk) positief besluit consequent vermeld dat een omgevingsdialoog gevoerd diende te worden. Dit werd over het algemeen gedaan in de randvoorwaarden voor een verdere procedure, waarbij werd verwezen naar de gemeentelijke website waarop het beleid te vinden was. Gedurende de ruimtelijke procedure is een standaardtekst opgenomen in de college- en raadsvoorstellen waarin beschreven werd dat er een omgevingsdialoog werd gevoerd overeenkomstig het gemeentelijk beleid. In de gevallen waarin de omgevingsdialoog tot planaanpassing of het vervallen van bezwaren van omwonenden heeft geleid werd dat specifiek vermeld.
4.2 Welke vormen van een omgevingsdialoog zijn er? Weten de interne behandelaars de juiste omgevingsdialoog te vermelden? De ervaring is dat over het algemeen in de principebesluiten wordt benoemd dat een omgevingsdialoog gevoerd moet worden conform het gemeentelijk beleid, zonder specificatie van het type omgevingsdialoog. In voorkomende gevallen wordt na een positief principebesluit een startoverleg gevoerd met de initiatiefnemer en het door de initiatiefnemer ingeschakelde adviesbureau waarin besproken wordt wat er allemaal moet gebeuren om tot een ruimtelijke procedure te komen. De opzet en inhoud van de omgevingsdialoog is daarbij ook onderwerp van gesprek. Wanneer dit niet het geval was, is de ervaring dat het voor externen voldoende duidelijk was wat er verwacht werd. Op de gemeentelijke website was naast het beleid ook per type omgevingsdialoog een folder te vinden waarin duidelijk werd uitgelegd wat er werd verwacht. Van de 50 onderzochte plannen is in 2 gevallen een te lichte vorm van dialoog gehouden. 4.3 Waar moet een verslag over de gevoerde omgevingsdialoog aan voldoen? Voegen de initiatiefnemers in hun verslaglegging alle onderdelen toe, zoals vermeld in de beleidsnota? Over het algemeen wordt dit door initiatiefnemers goed toegepast. Wanneer sprake is van een informatieavond moeten er meer onderdelen worden toegevoegd.
We merken in die gevallen dat dit meer administratie vraagt en sneller tot vragen of onduidelijkheden leidt. Het algemene beeld is echter positief. Controleren de interne behandelaars de verslaglegging? Ja. De gemeente hanteert voor de ruimtelijke procedures een zaaksysteem waarin ook processtappen zijn vastgelegd. Die processtappen moeten doorlopen worden. De controlevraag of de omgevingsdialoog op de juiste wijze is uitgevoerd vormt een van die te doorlopen processtappen. Wordt de omgevingsdialoog, zoals voorgeschreven in de beleidsnota, toegevoegd aan de bijlagen bij de toelichting van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan of aan de bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning? Van de 50 ruimtelijke plannen die onderzocht zijn is in 4 gevallen de omgevingsdialoog niet als bijlage opgenomen bij de stukken op de landelijke voorziening (www.ruimtelijkeplannen.nl).
Pagina 3 van 7
Wordt de separate bijlage waarin de initiatiefnemer duidelijk maakt dat betrokkenen in het proces akkoord gaan met de verslaglegging verzonden aan de gemeente en is deze compleet? Ja. We merken dat dit de lastigste stap is als het gaat om een juiste verslaglegging van de omgevingsdialoog. Omwonenden die het niet eens zijn met een initiatief, willen niet altijd (met een handtekening) akkoord geven op de verslaglegging van de omgevingsdialoog. In die gevallen is akkoord gegaan met het aantonen dat wel gevraagd is om een handtekening of is de instemming omgedraaid (bij geen reactie op het verslag werd er vanuit gegaan dat er mee ingestemd werd). Ook initiatiefnemers bevestigen dat dit als een lastige stap wordt ervaren. Doordat deze stap zich na het informatiemoment afspeelt levert het relatief veel administratie op ten opzichte van weinig resultaat. Initiatiefnemers geven ook aan dat ze deze specifieke stap (het vragen om een handtekening) bij andere gemeenten niet tegen komen.
4.4 Wat doen we met de resultaten van de omgevingsdialoog Worden de omgevingsdialogen eenduidig beoordeeld door de interne behandelaars aan de hand van paragraaf 6 van de beleidsnota? De zorgvuldigheidstoets bestaat uit de controle of: - daadwerkelijk alle personen uit de overeengekomen ‘cirkel van betrokkenen’ in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren; - daadwerkelijk alle betrokkenen voldoende tijd is gegeven om te reageren op het initiatief; - indien de plannen van initiatiefnemer zijn aangepast naar aanleiding van de omgevingsdialoog, of in het verslag door initiatiefnemer duidelijk is aangegeven wat de wijzigingen zijn ten opzichte van het oorspronkelijke plan; - indien de plannen van initiatiefnemer niet zijn aangepast naar aanleiding van de omgevingsdialoog, in het verslag duidelijk is aangegeven waarom initiatiefnemer daarvoor kiest; - de resultaten van de omgevingsdialoog nog actueel zijn. Het is belangrijk dat niet te veel tijd verstrijkt tussen het tijdstip van de omgevingsdialoog en het indienen van een (voor)ontwerp bestemmingsplan. Ja. Zoals eerder in deze evaluatie is aangegeven vormt een controle van de aangeleverde stukken met betrekking tot de omgevingsdialoog een onderdeel van de processtappen die zijn opgenomen in het zaaksysteem van de gemeente.
Hoe ervaren ‘de personen die in de directe omgeving wonen of werken’ het toepassen van de omgevingsdialoog? Voordat het beleid werd ingevoerd werd een concept/voorontwerp van het ruimtelijk plan ter inzage gelegd. Op dat moment lag de regie bij de gemeente en kon men zich richten op de gemeente. Met het beleid werd dit anders, de initiatiefnemer van een plan is verantwoordelijk voor de omgevingsdialoog. Hoewel het niet als negatief wordt ervaren dat een initiatiefnemer zijn plannen aan de omgeving presenteert, zien personen die in de directe omgeving wonen of werken nog steeds de gemeente als aanspreekpunt. Dit uit zich vooral als sprake is van weerstand tegen een plan. Het is immers de gemeente die voorafgaand aan de omgevingsdialoog al op hoofdlijn heeft ingestemd met de ontwikkeling en die uiteindelijk bevoegd gezag is in de te volgen procedure. Daarnaast merken we dat bij weerstand tegen een plan omwonenden huiverig zijn om hun handtekening te zetten onder het verslag van de omgevingsdialoog. Initiatiefnemers geven aan de omgevingsdialoog als een positieve ontwikkeling te zien. Het stelt hen in staat in een vroegtijdig stadium in contact te komen met de omgeving van de beoogde ontwikkeling. Hierdoor wordt al vroeg duidelijk welke (individuele) belangen er spelen.
Dit geeft ook kans om, na de omgevingsdialoog, nog verder in gesprek te gaan om zo de individuele belangen verder in kaart te brengen. De ervaring is dat de meeste omwonenden dat ook waarderen. 4.5 Leidt het voeren van een omgevingsdialoog tot lastenverzwaring voor een initiatiefnemer? - Heeft het toepassen van de omgevingsdialoog geleid tot aanpassing van de plannen? - Heeft het toepassen van de omgevingsdialoog geleid tot minder bezwaar en beroep? - Hoe ervaren initiatiefnemers de omgevingsdialoog?
Pagina 4 van 7
Het grote voordeel is dat initiatiefnemers tijdens de omgevingsdialoog al op een vroeg moment rechtstreeks in contact staan met de directe omgeving. Hiermee wordt al in vroeg stadium duidelijk welke belangen er spelen. Dat is vaak ook nog in een fase dat planaanpassing minder gevolgen heeft. Hoe verder in de procedure, hoe meer gevolgen een planaanpassing namelijk kan hebben (denk aan aanpassen van onderzoeken, tekeningen, enz.). Planaanpassingen gaan vaak over kleinere details, maar juist die kleine details kunnen voor omwonenden veel uitmaken. Een verschuiving van slechts enkele meters van een woning heeft op planniveau doorgaans weinig impact, maar kan voor een omwonende een compleet ander uitzicht opleveren. De initiatiefnemers bevestigen dit, het gaat vaak om relatief kleine aanpassingen zoals het plaatsen van een erfafscheiding of een raam dat wordt voorzien Daar tegenover staat dat het voor initiatiefnemers tot meer lasten leidt. De organisatie van de omgevingsdialoog moet de initiatiefnemer zelf doen. Zeker in het geval van grotere plannen waar een informatiebijeenkomst gehouden moet worden, levert dit duidelijk meer werk op. In voorkomende gevallen heeft een initiatiefnemer specialistische kennis ingehuurd voor de omgevingsdialoog. Denk bijvoorbeeld aan een onafhankelijk gespreksleider of voor de verslaglegging van de bijeenkomst.
De algemene indruk is dat initiatiefnemers het als een positieve ontwikkeling ervaren omdat het ze zelf een kans geeft om in contact met omwonenden te staan. Het is lastig om een goede inschatting te kunnen geven of het beleid ook daadwerkelijk tot minder bezwaar en beroep heeft geleid. Ieder plan is tenslotte uniek waardoor het niet mogelijk is te beoordelen of de situatie anders was geweest als bij het betreffende plan geen omgevingsdialoog was gedaan. De algemene indruk, zowel binnen de ABG-organisatie als bij initiatiefnemers, is echter dat het beleid een positief effect heeft gehad. Hoewel er altijd tegenstanders van een plan zullen blijven, is bij diverse plannen te zien dat het aantal zienswijzen relatief laag is gezien de schaal van de ontwikkeling. Bij bijvoorbeeld de plannen Oranjestraat 113, Gilze en De Nieuwe Erven, Molenschot was dat goed te zien. Dezelfde trend lijkt zichtbaar te zijn bij het aantal beroepschriften. 4.6 Zijn er juridische vereisten aan het voeren van een omgevingsdialoog? Voldoet de omgevingsdialoog aan de juridische vereisten als weergegeven in paragraaf 8? In het beleid zijn voorbeelden gegeven van juridische vereisten voor het voeren van een omgevingsdialoog. Er mag niet te veel tijd zitten tussen het moment van de omgevingsdialoog en het in procedure brengen van het ruimtelijk plan. Belangen kunnen immers wijzigen.
Daarnaast is de omgevingsdialoog zorgvuldig uitgevoerd wanneer: - een ontmoeting in persoon tussen omwonenden of andere eigenaren van percelen in de omgeving van de projectlocatie is georganiseerd, waarbij deze personen vooraf worden uitgenodigd; - deze personen informatie krijgen over het project en de gelegenheid krijgen hierop te reageren. Er zijn geen voorbeelden geweest waar niet voldaan werd aan de hiervoor genoemde juridische vereisten. 4.7 Zijn er ontwikkelingen geweest waar geen omgevingsdialoog gevoerd hoefde te worden, maar dat wel wenselijk zou zijn? In paragraaf 2 is aangegeven bij welke categorieën van plannen een omgevingsdialoog gevoerd diende te worden. Deze lijst met categorieën richtte zich in hoofdlijn op de plannen waar sprake was van bouwen. De afgelopen jaren zijn er binnen de ABG-organisatie (dus niet alleen binnen gemeente Gilze en Rijen) initiatieven geweest die niet binnen de genoemde categorieën vielen, maar waarvan het in de toekomst wel wenselijk zou zijn om een omgevingsdialoog te voeren omdat deze initiatieven een beduidende impact kunnen hebben. Concreet gaat het om de volgende gevallen: - wijziging naar hoog milieuhinderlijke bedrijfsfuncties; - woonvormen in een pand waar sprake is van huisvesting anders dan in het verband van een huishouden (bv.
huisvesting arbeidsmigranten, logiesfunctie werknemers, opvang van asielzoekers, woon-zorgcombinaties met intensieve begeleiding); - het realiseren van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter zoals zendmasten. Daarnaast is in 2021 de “Handreiking zonne-energie” vastgesteld. In dat beleid wordt benoemd dat participatie wenselijk is.
Pagina 5 van 7
5. Welke resultaten zien we? En leiden deze tot aanpassing van het beleid? In het algemeen kan gesteld worden dat de ervaringen met het beleid positief zijn. Het proces van de omgevingsdialoog In twee gevallen is een te lichte vorm van omgevingsdialoog gevoerd en in vier gevallen is de omgevingsdialoog wel op de juiste wijze gevoerd, maar is die niet bijgevoegd bij het ruimtelijk plan op de landelijke voorziening. In één geval is bij vaststelling van het bestemmingsplan de omgevingsdialoog alsnog op de juiste wijze bij het bestemmingsplan bijgevoegd. Het valt op dat de plannen waar dit is gebeurd, de oudere plannen betreffen. Dus uit de beginfase van het werken met het beleid. Bij de overige plannen is op de juiste wijze uitvoering gegeven aan het beleid. De inhoud van de omgevingsdialoog Zowel initiatiefnemers als interne medewerkers zien de meerwaarde van het beleid. De voordelen die genoemd zijn: • het biedt een kans om vroegtijdig in contact te komen met de omgeving zonder dat de gemeente daar tussen zit; • initiatiefnemers komen in contact met de omgeving op het moment dat de plannen nog niet uitgekristalliseerd zijn, waar dat bij een voorontwerp op basis de inspraakverordening al wel zo was (onderzoeken waren vaak al verricht).
Hierdoor hebben planaanpassingen minder gevolgen en zijn deze makkelijker door te voeren; • doordat niet meer met een voorontwerp gewerkt wordt, wordt het ‘herkauwen’ van informatie voorkomen. De ervaring was namelijk dat in de voorontwerpfase dezelfde opmerkingen/reacties/zienswijzen ingebracht werden als vervolgens in de ontwerpfase; • hoewel het gaat om een algemene druk, lijkt er sprake te zijn van positief effect als gekeken wordt naar het aantal zienswijzen/beroep bij procedures. Met name bij aantal grotere plannen met veel direct omwonenden was te zien dat er relatief weinig zienswijzen waren. Welke kritische punten zijn er? • de omgeving richt zich uiteindelijk toch op de gemeente. Het is namelijk de gemeente die na de omgevingsdialoog bevoegd gezag is in de procedure en de (individuele) belangen zal wegen. Omwonenden die het niet eens zijn met de plannen en daar tegenin willen gaan hebben weinig met de omgevingsdialoog. Dat is nu eenmaal niet weg te nemen; • de organisatie van een omgevingsdialoog vraagt meer inzet van een initiatiefnemer. Tegelijkertijd is de ervaring dat dit niet opweegt tegen de eerder genoemde positieve punten; • bij de verslaglegging levert het akkoord gaan met de inhoud van het verslag door middel van een handtekening de meeste problemen op. De ervaring is dat het zetten van een handtekening als een te grote stap wordt ervaren.
Zeker wanneer er weerstand is tegen een plan. Dit wordt zowel in de ambtelijke organisatie als door initiatiefnemers/adviesbureaus als een lastige stap ervaren. Wanneer een omgevingsdialoog? Op basis van de ervaringen met het beleid is het gewenst de lijst van categorieën uit te breiden met de volgende ontwikkelingen: • gebruikswijzigingen naar hoog milieuhinderlijke bedrijfsfuncties; • het realiseren van woonvormen waarbij huisvesting in een pand plaatsvindt anders dan in het verband van een huishouden (bv. huisvesting arbeidsmigranten, logiesfunctie werknemers, opvang van asielzoekers, woon-zorgcombinaties met intensieve begeleiding); • het realiseren van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter; • ontwikkelingen op basis van de “Handreiking zonne-energie”. Conclusie Op basis van de hiervoor genoemde punten geldt dat de algemene ervaringen met de omgevingsdialoog positief zijn. Initiatiefnemers komen in een vroegtijdig stadium in contact met de omgeving zonder dat de gemeente daar tussen zit. Bovendien is dit contact in een fase waarin de plannen nog niet volledig uitgekristalliseerd zijn en aanpassing van de plannen eenvoudiger is en zonder grote gevolgen. De enkele negatieve punten hebben met name betrekking op de administratieve lasten, waarbij vooral het vragen van een akkoord op de verslaglegging door middel van een handtekening als lastige stap Pagina 6 van 7
wordt ervaren. Dit beeld is er zowel intern als extern. Dit kan opgelost worden door de vereiste handtekening te schrappen. Wel dient nog steeds uit bijvoorbeeld een e-mail (of andere bevestiging) te blijken dat akkoord gegaan wordt met de inhoud van het verslag. Samengevat wordt op basis van deze aanbevolen om de volgende twee wijzigingen aan het beleid te doen: • een verruiming van de categorieën van gevallen waarin een omgevingsdialoog gevoerd dient te worden; • het vervangen van de stap om door middel van handtekeningen akkoord te vragen op de verslaglegging door een schriftelijk akkoord.
Bijlage 1: Lijst ruimtelijke plannen Bijlage 2: Vragenlijst externen
Pagina 7 van 7