Bestemmingsplan Nieuwstraat 20 Gilze (excl bijlagen)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 24 van 43
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Nieuwstraat 20 te Gilze, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.
Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Op 28 oktober 2021 is door Pius Floris Boomverzorging Vught een quick scan flora en fauna uitgevoerd waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora & fauna aanwezig zijn, zie Bijlage 3. Nader onderzoek P.M. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. De Wnb is niet van toepassing op de te vellen houtopstanden, deze staan binnen de bebouwde kom bomen en vallen in dit kader onder het gemeentelijke beleid. Voor het beoogde initiatief is een boominventarisatie uitgevoerd, zie Bijlage 4. Uit de inventarisatie blijkt dat de bomen de beoogde ontwikkeling niet in de weg hoeven te staan. Echter ligt er nog geen definitief bouwplan, waardoor wordt gevraagd om de bomeneffectanalyse te koppelen aan de aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4.
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de drie woningen moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische en cultuurhistorische waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie
De cultuurhistorie binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw project een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 25 van 43
de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en verlening van een omgevingsvergunning. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een omgevingsvergunning moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het proces naar voren wordt gehaald. In de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en het bevoegd gezag van het bestemmingsplan zijn daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.
Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant.
Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Interim omgevingsverordening is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant heeft de provincie de aardkundige en cultuurhistorische waarden op een verbeelding opgenomen. Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 11. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang.
Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 26 van 43
Afbeelding 11: Uitsnede kaart Aardkundige-, cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, plangebied met roze plusteken aangeduid
De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW. Uit Afbeelding 12 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de regio ‘Baronie’. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. De locatie is gelegen in de bebouwde kom, waar zich geen open akkercomplexen en bijbehorende groenstructuren bevinden. Door het realiseren van de drie woningen in de bebouwde kom worden de open akkercomplexen niet aangetast. Daarmee sluit de beoogde ontwikkeling aan bij de ontwikkelingsstrategie van de regio De Baronie.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 27 van 43
Afbeelding 12: Uitsnede CHW-viewer Noord-Brabant plangebied zwart omcirkeld
Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de woning aan de Nieuwstraat 20 een Rijksmonument is. Het pand heeft cultuurhistorisch belang als bijzondere uitdrukking van de sociaal-economische en een typologische ontwikkeling van de artsen- apothekerswoning. Het pand heeft architectuurhistorisch belang vanwege de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur en vanwege de toegepaste ornamentiek en stijlelementen. Het pand is van belang vanwege de hoogwaardige kwaliteit van de samenstellende onderdelen. In de omschrijving van het Rijksmonument is wel benoemd dat het pand zowel aan de voor- als aan de achterzijde omgeven is door een ruime tuin. Door het riante oppervlak van het gehele perceel blijven de nieuwe woningen echter op voldoende afstand van de artsenapothekerswoning, waardoor de beoogde woningen vanuit cultuurhistorisch oogpunt niet belemmerend zijn. Het pand aan de Nieuwstraat 20 te Gilze wordt met deze beoogde ontwikkeling ook niet gewijzigd en de rijksmonumentale waarden zullen dan ook niet worden aangetast. Daarnaast is de locatie naast de historische dorpskern van Gilze gelegen. De dorpskern is ontstaan als domeinakkerdorp. Gilze behoorde tot het domein, dat in 992 door Hilsondis, de gravin van Strijen, geschonken werd aan de Abdij van Thorn.
Een domeinakkerdorp is een nederzetting die ontstaan is als een groep boerderijen om een centraal gelegen herenhoeve, ook vroonhof geheten. Dit komt voort uit de driehoekige centrale plaats met de naam 'Heuvel' en het gegeven dat de grond in eigendom werd gehouden door de abdis, en niet door individuele boeren. De centrale plaats bevindt zich westelijk van het plangebied. Vanuit de markt ontstonden deels breed geprofileerde, lintbebouwde straten (Nieuwstraat en de Aalstraat) met enkele herenhuizen. Hiertussen bevinden zich vooral eenlaagse, evenwijdig aan de straat gesitueerde, functioneel gemengde bebouwing (met enkele bedrijfspanden uit veelal 1880-1920). De historische dorpskern is van historisch geografische waarde. In de late jaren vijftig en in de jaren zestig is de bebouwing ten zuiden en westen van de oude structuur uitbereid. De realisatie van de nieuwbouwwoningen heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van de kern van Gilze. De nieuwe woningen zullen de historisch waardevolle dorpskern niet aantasten. De panden aan de Nieuwstraat, welke onderdeel uit maken van de historische kern, blijven ongewijzigd. Uit bovenstaande blijkt dat de cultuurhistorische waarden in de omgeving niet aangetast zullen worden.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 28 van 43
4.4.2. Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De raad van de gemeente Gilze en Rijen heeft op 26 april 2011 het ‘Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen' vastgesteld. In het beleidsplan onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek zijn. Onderstaande Afbeelding 13 betreft een uitsnede van de archeologische beleidskaart waarop de planlocatie bij benadering is weergegeven binnen de blauwe cirkel.
Afbeelding 13: Uitsnede archeologische beleidskaart
Het archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, dient nog te worden uitgevoerd. Ter bescherming van de mogelijk in het plangebied aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 2’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3’ opgenomen in de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan. Aan deze dubbelbestemming is een vergunningstelsel gekoppeld. Voor uitvoering van werkzaamheden, die een oppervlakte beslaan groter dan 100 m2 of dieper dan 40 cm, zal nader archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Met de kosten voor nader archeologisch onderzoek is rekening gehouden in de exploitatie van dit plan. Tot slot is het op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet verplicht om een toevalsvondst aan het bevoegd gezag te melden, mocht hier toch nog sprake van zijn. Hier zal gehoor aan worden gegeven.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 29 van 43
4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De beoogde woningen worden gerealiseerd ter plaatse van gronden die tot op heden onbebouwd zijn. In de woningen zullen mensen 2 uur of langer verblijven. Om inzicht te krijgen in de actuele milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er op de locatie verontreinigde stoffen in de grond en/of grondwater aanwezig zijn, is een verkennend bodemonderzoek naar de bodemgesteldheid ter plaatse uitgevoerd door Lycens B.V. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief.
Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is terug te vinden in Bijlage 5. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.6. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten.
Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies, zoals winkels en eetgelegenheden. Rondom het plangebied is bedrijvigheid mogelijk. In de nabije omgeving van het plangebied zijn de enkelbestemming ‘Centrum – 1’, ‘Centrum – 2’ en ‘Centrum – 3’ gelegen. Binnen deze bestemmingen is het mogelijk om horeca t/m categorie 3, maatschappelijke voorzieningen en detailhandel te
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 30 van 43
exploiteren. Al deze bedrijvigheid (eetcafé/restaurant/dienstverlening/klinieken/detailhandel) valt conform de VNG-handreiking onder milieucategorie 1. In gemengd gebied geldt voor deze milieucategorie geen richtafstand. Voor een supermarkt geldt wel een richtafstand van 10 meter (de richtafstand voor het aspect externe veiligheid mag niet verkleind worden). De nieuwe supermarkt, welke mogelijk is gemaakt met het bestemmingsplan ‘Centrumplan Gilze – Centrumdeel’, komt op een afstand van minimaal 16 meter van het plangebied te liggen. Er wordt dus voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat de woningen geen negatieve effecten zullen ondervinden van omliggende bedrijvigheid en dat omliggende bedrijven niet worden belemmerend door de komst van de nieuwe woningen. 4.7. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven.
Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.7.1. Omgekeerde werking
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan de beoogde woningen. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de nieuwe woningen. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen de planlocatie zullen doen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
4.7.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNGhandreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied ligt op een afstand van meer dan 700 meter, aan de Alphensebaan 72. Overige veehouderijen zijn op ruimere afstand van het plangebied gelegen. Conform de VNG-handreiking geldt voor veehouderijen een maximale richtafstand van 200 meter. Er kan dus ruimschoots voldaan worden aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Als bronnenbestand is een export van het Bestand Veehouderijen Brabant genomen met als peildatum februari 2021. Daartoe kan de kaart als vrij recentelijk en accuraat
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 31 van 43
worden beschouwd. Uit Afbeelding 14 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de kwaliteit van de leefomgeving zeer goed is, waardoor het woon- en leefklimaat aanvaardbaar zal zijn voor wat betreft het aspect geur.
Afbeelding 14: Uitsnede achtergrond geurbelastingkaart ODZOB
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.8. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.8.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties;
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 32 van 43
▪ ▪
Combinatie van woningbouw en kantoren; Categorie inrichtingen.
Het initiatief betreft het creëren van drie nieuwe woningen. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts drie nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.8.2. Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de achtergrondconcentratie stikstofdioxide NO2 geldt ook een grenswaarde van 40 μg/m³. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,96 μg/m3, voor PM2,5 9,203 μg/m3 en voor NO2 15 μg/m3, zie Afbeelding 15, Afbeelding 16 en Afbeelding 17. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 33 van 43
Afbeelding 15: Uitsnede GCN-kaart PM10, plangebied zwart omcirkeld
Afbeelding 16: Uitsnede GCN-kaart PM2,5, plangebied zwart omcirkeld
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 34 van 43
Afbeelding 17: Uitsnede GCN-kaart NO2, plangebied zwart omcirkeld
4.9. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie ligt wel binnen de geluidszone van de Raadhuisstraat en de Lange Wagenstraat. Binnen de geluidszone van deze wegen is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het initiatief worden nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht in de vorm van 3 nieuwe woningen. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden. Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB.
Er is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door K-plus, zie Bijlage 6. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de Nieuwstraat opgenomen in het akoestisch onderzoek. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. Tevens kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geluid. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 35 van 43
4.10. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Bovendien mag de ontwikkeling geen belemmeringen veroorzaken omtrent het aspect parkeren. Het initiatief heeft slechts een geringe toename van het aantal transportbewegingen ten behoeve van de nieuwe woningen tot gevolg. Er zullen in de beoogde situatie voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de nieuwe woningen komen. Het plangebied zal aan de straatzijde worden ontsloten via een eigen oprit naar de nieuw aan te leggen weg, welke wordt aangelegd ten behoeve van de herontwikkeling aansluitend aan het plangebied. De ontsluitingsroute loopt via de route plein-park. De hoofdontsluiting van het nieuw te ontwikkelen gebied ligt aan de Lange Wagenstraat. Er wordt geen aantakking gemaakt op de Burgemeester van Mierlostraat, zodat het bestaande woongebied rondom deze straat en de Heuvelstraat niet worden belast met autoverkeer als gevolg van de drie nieuwe woningen (en de aansluitende centrumontwikkeling). De route vanaf de Nieuwstraat naar de woningen is een belangrijke voor langzaam verkeer. De route wordt gecombineerd met autoverkeer, doch de automobilist is te gast.
Voor het plan ‘Centrumplan Gilze – Centrumdeel’ is onderzocht of er voldoende capaciteit op de wegen aanwezig is op de omliggende wegen om het toenemende verkeer ten behoeve van de herontwikkeling te verwerken. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bestaande wegen binnen de huidige verkeersstructuur in Gilze over voldoende capaciteit beschikken om het verkeer van de herontwikkeling aansluitend aan het plangebied af te wikkelen. De lichte toename met voornamelijk lichte motorvoertuigen als gevolg van de realisatie van de drie woningen zullen dan ook geen belemmering opleveren omtrent de verkeersafwikkeling in de omgeving. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de Nota parkeernormen 2017 Gilze en Rijen. Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen voor de gemeente Gilze en Rijen opgenomen. Het plangebied is gelegen binnen ‘Centrum’. Voor de realisatie van een woning in ‘Centrum’ geldt een parkeernorm van 1,8 voor een woning groter dan 90 m² en een parkeernorm van 1,6 voor een woning kleiner dan 90 m². De beoogde woningen hebben een oppervlakte van groter dan 90 m² (circa 125 m²), dus geldt een parkeernorm van 1,8 per woning. Voor de drie woningen geldt derhalve in totaal een parkeernorm van 5,4. In de beoogde situatie zullen derhalve 6 parkeerplaatsen worden aangelegd.
Deze parkeerplaatsen zijn in Bijlage 1 en Bijlage 2 opgenomen. Hieruit blijkt dat er op eigen terrein voldoende ruimte is om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde ontwikkeling dus geen belemmering vormt voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.11.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 36 van 43
De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval.
Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.11.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 18.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 37 van 43
Afbeelding 18: Uitsnede risicokaart Nederland
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van woningen) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plan voorziet in de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling op het plangebied vanuit het oogpunt externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Langs de autosnelweg A58 geldt geen plaatsgebonden risico ter hoogte van de gemeente Gilze en Rijen, maar wel een groepsrisico. Het groepsrisico kan alleen bepaald worden door risicoberekeningen, wat gevolgen kan hebben voor ruimtelijke ontwikkelingen tot ongeveer 300 meter vanaf de weg. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze weg. Het groepsrisico van de A58 is derhalve niet van invloed op het plangebied. Het plan hoeft het groepsrisico voor het transport over de A58 niet te verantwoorden. Bovendien is het plangebied niet binnen een invloedsfeer gelegen van een spoorweg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Centrumgebied Gilze’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming voor een leiding opgenomen. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie
Gezien voorgaand kan er gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief in het kader van externe veiligheid. 4.12. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 18). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 38 van 43
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.
Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP) maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming: ‘Centrum – 3’; ▪ Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie 2’; ▪ Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie 3’; ▪ Bouwvlak: ‘Bouwvlak’; ▪ Maatvoering: ‘maximum aantal wooneenheden: 3’; ▪ Maatvoering: ‘minimum goothoogte: 5 meter, maximum goothoogte: 7
▪
Figuur:
meter, minimum bouwhoogte: bouwhoogte: 11 meter’;
9
meter,
maximum
‘gevellijn’.
Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Centrumplan Gilze – Centrumdeel’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Centrum – 3’ gekregen. Tevens is de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ op de verbeelding weergeven. Voor de minimale en maximale bouw- en goothoogtes is aangesloten bij de bestemming ‘Centrum-3’ uit het bestemmingsplan ‘Centrumplan Gilze – Centrumdeel’. Ter plaatse van de parkeervoorzieningen is geen bouwvlak opgenomen, zodat verzekerd is dat deze gronden niet bebouwd worden. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 39 van 43
De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Centrumplan Gilze – Centrumdeel’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. De eigenaar van de gronden is voornemens om de eigen parkeerplaatsen met een poort af te kunnen sluiten, zodat de parkeerplaatsen niet publiek toegankelijk zijn en door derden (zoals bezoekers van de tegenover gelegen supermarkt) gebruikt kunnen worden. Om dit mogelijk te kunnen maken is een aparte regeling voor deze afscheiding opgenomen.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 40 van 43
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Nieuwstraat 20 te Gilze betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particulier eigenaar van de gronden. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. De gemeente plankosten worden in rekening gebracht op basis van leges welke voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan overeengekomen zijn. Dit is vastgesteld in een anterieure overeenkomst. De eventuele planschade komt voor rekening van de eigenaar van de gronden. Hiervoor is tussen de gemeente en de grondeigenaar een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot het indienen van zienswijzen geboden (in de vorm van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan). Ook zal een vooroverleg plaatsvinden met de daartoe aangewezen instanties en zal er een omgevingsdialoog plaatsvinden.
6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg zijn de volgende opmerkingen verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Er is een omgevingsdialoog met de buurt opgestart. De resultaten hiervan zullen nog worden overlegd. De brief omgevingsdialoog is als Bijlage 10 bij onderhavige toelichting bijgevoegd.
6.2.2. Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 41 van 43
7. Bijlagen Bijlage 1: Stedenbouwkundig inpassingsplan Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3: Flora- en fauna QuickScan Bijlage 4: Bomen Effect Analyse Bijlage 5: Bodemonderzoek Bijlage 6: Akoestisch onderzoek Bijlage 7: Notitie invoergegevens AERIUS-berekening Bijlage 8: AERIUS-berekening realisatiefase Bijlage 9: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 10: Brief omgevingsdialoog
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 42 van 43
Bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Pagina 43 van 43
Nieuwstraat 20, Gilze
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
4 4 14
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Centrum - 3 Waarde - Archeologie - 2 Waarde - Archeologie - 3
16 16 20 24
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene gebruiksregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels
28 28 29 30 31 32 33 34
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
35 35 36
Bijlagen bij regels Bijlage 1 Lijst van vrije beroepen Bijlage 2 Staat van bedrijfsativiteiten Bijlage 3 landschappelijk inpassingsplan
2
37 38 40 48
bestemmingsplan "Nieuwstraat 20, Gilze" (concept)
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Regels
bestemmingsplan "Nieuwstraat 20, Gilze" (concept) 3
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
Hoofdstuk 1 Artikel 1
1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze met identificatienummer NL.IMRO.0784.Nieuwstraat20-ON01 van de gemeente Gilze en Rijen;
1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;
1.3
aan huis gebonden beroep:
een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroep met ondergeschikte functies zoals vermeld in bijlage 1 Lijst van vrije beroepen. Het beroep dient qua omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij bijbehorende bijgebouwen te passen en de woonfunctie dient als primaire functie behouden en herkenbaar te blijven. Hieronder dienen niet te worden begrepen de uitoefening van ambachtelijke bedrijven;
1.4
aan huis gebonden bedrijf:
het beroepsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk met ondergeschikte functies, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- of Vergunningenbesluit milieubeheer geldt. Het bedrijf dient qua omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij bijbehorende bijgebouwen te passen en de woonfunctie dient als primaire functie behouden en herkenbaar te blijven.
1.5
aan- / uitbouw:
een uit de gevel springend, in architektonisch opzicht ondergeschikt, deel van een hoofdgebouw dat door zijn indeling en inrichting is bestemd om hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van de hoofdfunctie;
1.6
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.7
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.8
aaneengebouwde woning:
een grondgebonden woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer hoofdgebouwen;
4
bestemmingsplan "Nieuwstraat 20, Gilze" (concept)
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
1.9
afgewerkt maaiveld:
de gemiddelde hoogte van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, omringende grond; bij hellende terreinen: het hoogste punt van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, omringende grond;
1.10
afhankelijke woonruimte:
een tijdelijke zelfstandige woonvorm ten behoeve van mantelzorg, waarbij bewoning van een (bij)gebouw tijdelijk is toegestaan en er sprake is van de huisvesting van één huishouden;
1.11
AHOED:
Apotheek en Huisartsen Onder Één Dak; medische instelling waarbij apotheek, huisartsen, fysiotherapeut en aanverwante medische / sociaal-medische activiteiten zijn verenigd binnen één gebouw of cluster van nabijgelegen gebouwen.
1.12
archeologisch deskundige
een door het college van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de geldende kwaliteitscriteria VTH en adviseert en beoordeelt conform de ten tijde van het advies of beoordeling geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
1.13
archeologisch onderzoek
onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische relicten door een gecertificeerde instantie werkend volgens de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Aanpak (PvA) (bij booronderzoek) of Programma van Eisen (PvE) (bij gravend onderzoek).
1.14
archeologisch rapport
rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
1.15
archeologische verwachting
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten.
1.16
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten.
1.17
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
bestemmingsplan "Nieuwstraat 20, Gilze" (concept) 5
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
1.18
behoudsmaatregelenplan
document waarin maatregelen zijn geformuleerd die getroffen worden om archeologische resten in de bodem te behouden en te beschermen tijdens de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de gronden nadien.
1.19
beschermingswaardige bomen:
een boomgroep of bomencluster welke beeldbepalend en van lokale importantie is, waarbij niet de individuele boom, maar de uitstraling van de bomengroep als geheel, als beeldbepalend kan worden aangemerkt;
1.20
begane grond:
bouwlaag waarvan het vloerpeil ter hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een onderbouw;
1.21
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.22
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.23
bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
1.24
bijgebouwen:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
1.25
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
1.26
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.27
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder;
6
bestemmingsplan "Nieuwstraat 20, Gilze" (concept)
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
1.28
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.29
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
1.30
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.31
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;
1.32
bouwwerk, geen gebouw zijnde:
een bouwwerk voorzien van maximaal één gesloten wand;
1.33
brutovloeroppervlakte (bvo):
het totale gebouwde vloeroppervlak van de ruimte die wordt gebruikt voor de in het plan aangegeven doeleinden, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.
1.34
culturele voorzieningen:
musea, (muziek)theaters, expositieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen.
1.35
dakopbouw:
bouwlaag welke maximaal 70% van het bebouwde oppervlak van de daaronder gelegen bouwlaag van het hoofdgebouw omvat;
1.36
dakvlak:
een hellend vlak in een dak;
1.37
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
bestemmingsplan "Nieuwstraat 20, Gilze" (concept) 7
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
1.38
dienstverlening:
het bedrijfsmatig verrichten van diensten van of ten behoeve van het publiek al dan niet met baliefunctie, zoals een uitzendbureau, bank, stomerij, wasserette, apotheek, kapsalon, schoonheidssalon, schoenmaker of reisbureau;
1.39
eengezinswoning:
een gebouw dat uitsluitend één woning omvat;
1.40
Eigen terrein
Ruimte in, op of onder een gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort;
1.41
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.42
gecertificeerde instantie
instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet.
1.43
geschakelde woning:
blokken van twee vrijstaande eengezinswoningen welke aan maximaal één zijde in de zijdelingse perceelsgrens zijn gebouwd en door een of meer bijgebouwen met elkaar zijn verbonden;
1.44
gestapelde woning:
een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat en/of woningen boven een andere functie op de begane grond en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd;
1.45
gevellijn:
denkbeeldige lijn die strak langs de gevel van een gebouw loopt tot aan de bouwperceelsgrenzen, dan wel de aangeduide lijn;
1.46
grondgebonden woning:
een woning, niet zijnde een gestapelde woning, die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de bouwlagen aansluit op het maaiveld;
1.47
hoofdgebouw:
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht;
8
bestemmingsplan "Nieuwstraat 20, Gilze" (concept)
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze
1.48
horeca:
een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van een nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie, een en ander gepaard gaande met dienstverlening onderverdeeld in categorie 1 t/m 4. Tot de 1 t/m 4 genoemde begrippen worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard, omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten: horeca categorie 1: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide snacks, ijs en kleine maaltijden voor consumptie zowel ter plaatse als elders, met daaraan ondergeschikt het verstrekken van dranken, zoals een snackbar, cafetaria, lunchroom en ijssalon. horeca categorie 2: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet in combinatie met kleine etenswaren, zoals een café.
horeca categorie 3: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het daaraan ondergeschikt verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van nachtverblijf en/of van zaalverhuur, zoals een (hotel-) restaurant, pannenkoekhuis, eetcafé en pizzeria, uitgezonderd een maaltijdafhaalcentrum. horeca categorie 4: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot dansen dan wel tot het uitoefenen van een kans- en behendigheidsspel al dan niet in combinatie met het verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, zoals een dancing, discotheek.
1.49
huishouden:
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen;
1.50
kamerverhuur en/of logies:
de verhuur van een deel van een al dan niet zelfstandige woonruimte ten behoeve van bewoning aan personen;
1.51
kap:
de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°;
1.52
maatschappelijke voorzieningen
educatieve, (para)medische (waaronder een AHOED), sociale, levensbeschouwelijke, verzorgd wonen (waaronder aanleunwoningen en begeleid wonen) en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca (categorie 1 en 2) in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen, daaronder niet begrepen uitvaart gerelateerde activiteiten;
bestemmingsplan "Nieuwstraat 20, Gilze" (concept) 9
bestemmingsplan Nieuwstraat 20, Gilze