CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording TV - t NL.IMRO.0784.BPKapelstraat-VG01

Raadscommissie Ruimte 6 december 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Bestemmingsplan Kapelstraat te Molenschot (Raadsvoorstel)20.171 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Op de CHW van de provincie Noord Brabant is de locatie aangewezen als Baronie. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken.

De Aa of Weerijs en de Mark bevinden zich in het westelijk deel. In het oostelijke gedeelte ligt de breuklijn die de westgrens vormt van de Roerdal Slenk. In het zuiden stromen ‘t Merkske, de Chaamse beken en de Strijbeekse beek. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. Een mooi voorbeeld van een goed bewaard gebleven historisch agrarisch cultuurlandschap is de omgeving van Castelré. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. Daarnaast komen ook meer besloten jonge zandontginningen voor, met bebouwing langs oude wegen, kleinschaligheid door de afwisseling van akkers en weiden met bosjes en losstaande bomen. Op de overgang van bos naar beekdal is een coulissenlandschap ontstaan met transparante bomenrijen, gericht op de beek.

30

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

De regio Baronie bezit bossen die de hele bosgeschiedenis weerspiegelen. Het Liesbos, het Ulvenhoutse Bos en het Chaamse Bos zijn zeer oude bossen die de kaalslag van de middeleeuwen overleefden. Het Mastbos en het St. Annabos zijn in de kern 16e eeuwse bosplantages, waarbij het Mastbos belangrijk is omdat hier in 1515 de introductie van de den (Pinus silvestris) plaatsvond. Bij de landgoederen en tussen Breda en Oosterhout werd door particulieren al vanaf 1725 druk bebost. De Canadapopulier werd in Noord-Brabant geïntroduceerd op het landgoed Valkenberg. Voorts zijn er in het zuidoosten de bossen van de heideontginningen uit de periode 18501950. De Strijbeekse Heide is na 1950 vooral spontaan bebost geraakt. Naast de van oorsprong natuurlijke beken komen diverse gegraven waterlopen voor, zoals enkele (relicten van) turfvaarten in de buurt van Breda. Voormalige veengebieden zoals de Vucht, De Moeren of de Binnenpolder zijn nog herkenbaar door hun openheid. Breda zelf functioneerde in de 17e eeuw als turfhaven. Ten noorden van Breda, in de omgeving van Terheijden, liggen omvangrijke verdedigingswerken uit de zeventiende en achttiende eeuw: schansen, linies en inundatiegebieden. Rond Breda liggen tal van voormalige militaire oefenterreinen waarvan dat tussen Breda en Oosterhout al sinds 1700 in gebruik is.

De verschillen tussen de oude en jonge ontginningen zijn door landinrichting in de afgelopen decennia grotendeels verloren gegaan. Het agrarische gebied van de Baronie heeft een meer open karakter gekregen doordat veel perceelrandbegroeiing is verdwenen. Het noordelijk deel van de Baronie wordt voor een groot deel in beslag genomen door de stedelijke concentraties van Breda, Oosterhout en Dongen en door grootschalige infrastructuur. In de zuidwesthoek rondom Zundert ligt een omvangrijke concentratie boomteeltbedrijven. Ten zuiden van Breda hebben veel dorpen hun kleinschalige karakter behouden, zoals Galder, Strijbeek, Hulten en Molenschot. De destijds voor de landbouw op het zand zo belangrijke beemdenzone heeft zijn open graslandkarakter behouden.

Figuur 5.1: Cultuurhistorische Waardenkaart Noord Brabant, locatie rood omlijnd

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

31

Conclusie De planlocatie ligt aan een cultuurhistorische lijn van redelijk hoge waarde, de Kapelstraat. De Kapelstraat is een historisch lint en tevens de westelijke invalsweg van Molenschot. Langs de Kapelstraat staat een variatie aan woningen, bedrijven en agrarische bedrijven. De rode contour in figuur 5.1 geeft het deel van Molenschot weer dat wordt aangemerkt als een waardevol gebied voor historische stedenbouw. De oostzijde van de planlocatie maakt onderdeel uit van dit gebied. Dit gebied is opgebouwd uit de centraal gelegen kapel, met aan de ‘plaatse’ een kerk en pastorie, school, en evenals langs uitwaaierende wegen boerderijen en veelal eenlaagse woonhuizen. De kleinschalige ontwikkeling van vier vrijstaande woningen aan de Kapelstraat is een aanvulling op het historische lint. Het plan heeft een heldere opzet en de woningen vormen een logische afronding van het dorp aan de westzijde. De Kapelstraat, als cultuurhistorisch waardevol lint, zal door het toevoegen van nieuwe vrijstaande woningen worden versterkt. Een uitgangsgpunt hierbij is dat de woningen qua bouwhoogte en uitstraling aansluiten op de omliggende bebouwing. Het bestemmingsplan maakt daarmee geen ontwikkelingen mogelijk die deze cultuurhistorische waarden kunnen aantasten. Hiermee vormt het planvoornemen geen belemmering voor het behoud van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen. 5.1.2

Archeologie

Landelijk beleid In het landelijk beleid betreffende archeologie is het bewaren van archeologische waarden in situ (in de bodem) het uitgangspunt. Nederland heeft namelijk in 1992 het Verdrag van Valletta/Malta getekend waarin behoud van archeologische waarden in situ voorop staat. Met de Wijzigingswet (Wamz 2007) op o.a. de Monumentenwet 1988 is dit in Nederland van kracht geworden. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2021 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Beleid gemeente Gilze en Rijen In 2010 heeft SRE Milieudienst een Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg opgesteld en een beleidskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente Gilze en Rijen. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op een grote hoeveelheid (veld-)gegevens die toegespitst zijn op de locale situatie. Hierdoor ontstaat een goed onderbouwd beleidsdocument en kunnen verantwoorde keuzes gemaakt worden over het al dan niet uit voeren van archeologisch onderzoek.

Door de verwachtingswaarde in categorieën onder te verdelen, wordt tevens onderscheidt gemaakt in de omvang van de ingreep. Met andere woorden; hoe lager de verwachtingswaarde, hoe groter de ingreep mag zijn, zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. Uit de beleidskaart blijkt dat het plangebied ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kernen. In gebieden met deze categorie is sprake van een onderzoeksplicht voor ingrepen van meer dan 100 m² en een diepte van meer dan 40 cm -Mv. Beschermd archeologisch monument Gebied van archeologische waarde Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kernen Gebied met een hoge archeologische verwachting Gebied met een middelhoge archeologische verwachting Gebied met een lage archeologische verwachting Gebied zonder archeologische verwachting Mogelijk verstoorde grond

Figuur 5.2: Archeologische beleidskaart gemeente Gilze en Rijen, locatie rood omlijnd

32

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

Onderzoek Door Transect Advies b.v. is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied aan de Kapelstraat. (Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, Transect Advies b.v., projectcode: 20070057, 29 maart 2022) De aanleiding voor het onderzoek was een bestemmingsplanwijziging, zodat ter plaatse van de bestaande volkstuinen in de toekomst woningen gerealiseerd kunnen worden. Ten tijde van het onderzoek zijn nog geen uitspraken te doen over de exacte omvang van de werkzaamheden. De totale oppervlakte van het plangebied is ongeveer 4000 m². In een later stadium is voor de daadwerkelijke grondroerende ingrepen een omgevingsvergunning vereist. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Melman, 2021). Conclusie Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met de Midden Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied in de historische kern van Molenschot, die is ontstaan op een dekzandwelving op terrasafzettingen. Deze dekzandwelving en terrasafzettingen hebben door hun relatief hoge en droge ligging gunstige bewoningsomstandigheden gehad.

Uit het veldonderzoek is gebleken dat het plangebied inderdaad ter plaatse van een dekzandwelving ligt, waarop een bouwlanddek van 60-115 cm dikte aanwezig is. De top ervan is tot een diepte van 35-70 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP) verstoord. De basis van het bouwlanddek is sterker humeus dan de top ervan en bevat roodbruin en bruin bouwpuin tot een diepte van 60-85 cm -Mv (6,7-7,2 m +NAP). Vanaf de onderzijde van het bouwlanddek is tevens het dekzand aangetroffen, dat archeologisch gezien nog als intact te beschouwen is. In de basis van het bouwlanddek kunnen vondsten worden aangetroffen uit de periode Neolithicum – Midden Nieuwe tijd, in het dekzand direct hier onder kunnen ook archeologische grondsporen worden aangetroffen. Aangezien het ontbreekt aan oorspronkelijke bodemhorizonten (E- en B-horizonten) is de top van het dekzand wel verstoord geraakt. Daarmee is wel een lage verwachting op de aanwezigheid van intacte vondstconcentraties. Zodoende kan de archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum naar laag worden bijgesteld. Advies In het plangebied is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf een diepte van 35-70 cm -Mv (6,9-7,2 m +NAP), hetgeen een handhaving is van de bestaande verwachting op de archeologische beleidskaart.

Daarom zal de archeologische dubbelbestemming in het bestemmingsplan worden opgenomen, waarbij ingrepen groter dan 100 m2, dieper dan 40 cm –Mv een onderzoeksplicht kennen. Dit kan tot gevolg hebben dat bij de toekomstige ingrepen in het plangebied een aanvullend karterend en waarderend archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. De gemeente heeft besloten dat dit dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), dat dient plaats te vinden conform een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 5.2 Bodem Tritium Advies b.v. heeft voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek Kapelstraat ong. te Molenschot, documentkenmerk 2103/074/NL-01, versie 0, 19 april 2021’. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

33

Onderzoek Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van de boorwerkzaamheden geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met PAK. Tevens is in een mengmonsters van de bovengrond een matige verontreiniging met lood aangetoond. Na uitsplitsing van het mengmonster blijkt dat de bovengrond maximaal licht verontreinigd is met lood. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt dat het grondwater sterk verontreinigd is met nikkel en licht verontreinigd is met cadmium, kobalt, koper en naftaleen. De aangetoonde lichte verontreinigingen in de grond en in het grondwater zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De waarden zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. De sterke verontreinigingen met nikkel in het grondwater is eveneens in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. In Noord-Brabant worden verontreinigingen met nikkel in het grondwater boven de interventiewaarden vaker aangetoond. De aanwezigheid van nikkel in het grondwater is in Noord-Brabant een bekend probleem wat samenhangt met de aanwezigheid van zandgronden in combinatie met vermesting/verzuring.

Nader onderzoek naar de sterke verontreiniging met nikkel in het grondwater wordt derhalve niet zinvol geacht. Conclusie De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Wel wordt geadviseerd om het grondwater niet zondermeer te gebruiken voor beregening of consumptie. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. 5.3

Milieu

5.3.1 Flora en Fauna In het kader van de natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Het plangebied ligt buiten de invloedsfeer van beschermde (natuur)gebieden zoals het NNB (Natuur Netwerk Noord-Brabant, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) of een Natura-2000 gebied. Tritium Advies b.v. heeft voor de planlocatie een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Quickscan flora en fauna Kapelstraat ongenummerd te Molenschot, documentkenmerk: 2008/089/TA-01, versie 0, 20 april 2021’. Het onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016) en enkele digitale verspreidingsatlassen. Onderzoek Gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water.

In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied geen sprake is. Tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde NNBgebied zijn meerdere akkerlanden gelegen. Tevens betreft het een beperkte ingreep (realisatie van vier nieuwbouwwoningen). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is op circa 4,6 kilometer gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien deze afstand kan een negatief effect met betrekking tot stikstofdepositie niet op voorhand worden uitgesloten. Een stikstofdepositie berekening is uitgevoerd en wordt in paragraaf 5.3.2 beschreven. 34

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken.

Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden.

In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

35

Conclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; • om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; • nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; • een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; • voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft; • om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten dient een stikstofdepositie berekening te worden gemaakt. Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van het nieuw te bouwen woningen wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht.

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). 5.3.2 Stikstofdepositie De diversiteit van de natuur gaat in Europa al lange tijd achteruit.

Duurzame bescherming van flora en fauna wordt daarom op Europees niveau als noodzakelijk gezien en heeft vorm gekregen in Natura 2000. Dit is een netwerk van waardevolle natuurgebieden in de Europese Unie. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. In Nederland is het Programma Aanpak Stikstof opgezet om de doelen van Natura 2000 te realiseren en ook tegelijkertijd ruimte voor economische ontwikkeling toe te staan. Er zijn ruim 160 gebieden aangemeld als Natura 2000-gebied met een gezamenlijk oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Hiervan is 69% water; de rest is land. 133 gebieden kennen een te hoge stikstofdepositie. De stikstofdepositie mag er de draagkracht van de natuur niet te boven gaan. Voordat er woningen worden gebouwd dan wel wegen worden aangelegd of verbreed, wordt de te verwachten stikstofdepositie uitgerekend en getoetst of de depositie toeneemt. Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Natuurbeschermingswet 1998. Welke gebieden onder Natura 2000 vallen, staat in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Voor ammoniak zijn emissiedoelstellingen geformuleerd in het kader van de Europese (NEC national emission ceiling)-richtlijn en in het Gotenborg protocol onder de Verenigde Naties -conventie over grensoverschrijdende luchtverontreiniging.

Nederland heeft zich hierbij verplicht om in 2020 niet meer dan 123 kiloton ammoniak per jaar uit te stoten. In 2010 bedroeg dit plafond nog 128 kiloton ammoniak.

36

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Derhalve moet worden gesteld dat vergunningen nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van (een toename van) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In dat geval is er in ieder geval geen sprake van significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof en is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) niet aan de orde. Hoewel plannen niet vergunningsplichtig zijn onder de Wnb (het opstellen van plannen is niet aan te merken als stikstof producerende activiteit) is het wel mogelijk het rekeninstrument AERIUS te gebruiken om het (bestemmings)plan op haalbaarheid te toetsen. Uit het rekeninstrument AERIUS blijkt of er sprake is van stikstofdepositie ten gevolge van het plan. Dit geeft een beeld over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor wat betreft de Wnb. Onderzoek Tritium Advies b.v. heeft voor de planlocatie een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Berekening stikstofdepositie gebruiks- en aanlegfase Kapelstraat in Molenschot, Tritium Advies b.v., Documentkenmerk: 2211/289/EH-01, 29 november 2022’.

Resultaten aanlegfase Uit de rekenresultaten van de aanlegfase blijkt dat er geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan plaatsvindt. Er zijn geen rekenresultaten. Resultaten gebruiksfase Uit de rekenresultaten van de gebruiksfase blijkt dat er geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan plaatsvindt. Er zijn geen rekenresultaten. Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2021.2 blijkt dat er ten gevolge van het planvoornemen geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wnb ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van het beoogde planvoornemen. 5.3.3

Waterparagraaf

Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.

De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen.

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

37

Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) vastgesteld op 3 december 2021. Een belangrijk uitgangspunt van het programma is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water-en bodemsysteem in 2050. Het RWP beschrijft de KRW-doelen, de vertaling naar de uitvoering, de randvoorwaarden voor de te behalen doelen en bijgaande onzekerheden en hoe daarmee omgegaan wordt. Dit alles met als doel om in 2027 te voldoen aan de normen van de Europese KRW waarbij de grondwatervoorraad weer in balans is en de hydrologische randvoorwaarden voor natuur op orde zijn. Ook wordt met het RWP voldaan aan de verplichtingen uit de Europese Richtlijn OverstromingsRisico’s (ROR).

Binnen de Waterwet, en straks de nieuwe Omgevingswet, vormt het RWP van de provincie Noord-Brabant, samen met het Nationaal Waterprogramma en de waterbeheerplannen van de waterschappen, het planstelsel voor het waterbeleid. Provincies leggen op regionaal niveau de strategische doelen vast. In de waterbeheerplannen van de waterschappen worden de voorwaarden voor uitvoering daarvan opgenomen. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het beleid van het Waterschap Brabantse Delta is voor de komende jaren vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 ‘Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. In het Waterbeheeprogramma worden de volgende doelstellingen gehanteerd: 1.

Klimaatadaptatie Het beperken van en het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Het waterschap werkt samen met alle partners aan een andere inrichting van de openbare ruimte om hier invulling aan te geven. Hierbij komen alle kerntaken samen. Ook stimuleren we burgers en bedrijven om maatregelen te nemen. 2. Waterveiligheid Het waterschap werkt aan dijkonderhoud, en -versterking. Maar ook de ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing zijn belangrijk voor het beperken van overstromingsrisico’s. 3. Gezond water Samen met partners werken aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Gezond water met veel natuur in en om het water en aantrekkelijk voor iedereen. 4. Voldoende water Het tegengaan van verdroging en het vergroten van de beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater vraagt om maatwerk. Vasthouden en infiltreren van water staat bovenaan. 5. Vaarwegen We zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van vaarwegen voor vlot en betrouwbaar scheepvaartverkeer en kijken naar het recreatieve belang van vaarwegen. 6. Waterketen Alle zuiveringen, rioolgemalen, afvalwatertransportleidingen en persstations die van belang zijn om afvalwater schoon te maken, onderhouden en vernieuwen we duurzaam en efficiënt. Er is aandacht voor innovaties, 38

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

verminderen van het gebruik van grondstoffen en het opvoeren van het produceren van grondstoffen uit afvalwater. Regelgeving Legger oppervlaktewaterlichamen gemeente Gilze en Rijen. Bij watergangen wordt onderscheid gemaakt tussen A-, B- en C-wateren. De watergang gelegen aan de westzijde van de planlocatie is aangewezen als een B-Watergang (figuur 5.3, paarse arcering). Deze gaat na circa 65 meter over in een A-Watergang (blauwe arcering). Er is sprake van het opnieuw inmeten en mogelijk actualiseren van deze B-watergang. Bij het vergraven van deze watergang is een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk.

Categorie A watergang Categorie B watergang Figuur 5.3: Status watergangen, Waterschap Brabantse Delta, locatie zwart omlijnd

Voor categorie B oppervlaktewaterlichamen geldt dat deze een minder groot belang voor de publieke waterhuishouding hebben. Voor deze waterlopen worden dan ook geen specifieke maten opgenomen, maar uitgegaan van een standaard minimumprofiel. Alleen daar waar een ander profiel noodzakelijk is (bijvoorbeeld ondieper dan standaard vanwege verdrogingsbestrijding), is dit specifiek aangegeven in de leggertabel. Het standaard minimumprofiel voor categorie B oppervlaktewaterlichamen is: • Bodembreedte: 0,50 meter; • Diepte t.o.v. maaiveld: 0,80 meter; • Taludhellingen beide zijden: 1:1,5. Onderhoudsplicht Voor de categorie B waterlopen geldt dat de onderhoudsplicht in het algemeen berust bij de eigenaar of gebruiker van de aan het oppervlaktewaterlichaam grenzende gronden, voor de halve breedte van dat oppervlaktewaterlichaam. Onderhoudsstroken In de legger geldt dat alleen een onderhoudsstrook langs categorie A waterlopen aangehouden wordt. Voor categorie B worden geen onderhoudsstroken gedefinieerd. Vanwege het minder grote belang voor de waterhuishouding ligt het onderhoud daarvan van oudsher vrijwel nooit bij het waterschap maar bij de aanliggende eigenaren en is er dus geen voorziening voor machinaal onderhoud door het waterschap nodig. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater.

De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

39

kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; • de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

VGRP gemeente Gilze en Rijen In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) is weergegeven hoe de gemeente Gilze en Rijen haar rioleringstaak de komende planperiode vorm wil geven. Negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater dienen te worden voorkomen. Hieruit volgt dat alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten in principe waterneutraal dienen te worden uitgevoerd. In eerste instantie wordt gepoogd te voorkomen dat er negatieve effecten op gronden oppervlaktewater zijn. Dit houdt in dat hemelwater zo mogelijk bovengronds wordt geborgen en geïnfiltreerd. Hemelwater wordt eventueel vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater. Bij nieuwbouw is een retentie/ infiltratievoorziening van 60 mm op het hele perceel vereist door de gemeente. Ter bescherming van bodem en grondwater dient infiltratie van water vanaf wegen een zuiverende stap te ondergaan (b.v. zandfilter of lavakoffer). Het beleid is erop gericht een versnelde of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen door infiltratie of retentie. Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar, daar ligt immers de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt hydrologisch neutraal ontwikkelen tot t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dat komt overeen met retentie van 60 mm.

Onderstaande tabel geeft aan welke retentie de gemeente kan verwachten van perceeleigenaren als niet kan worden geïnfiltreerd. Situatie Retentie / infiltratie Bestaande situaties geen aanvullende retentie van hemelwater Verbouwing zonder vergroting van verhard oppervlak retentie van 7mm hemelwater, van toepassing op het gehele perceel Verbouwing met vergroting van verhard oppervlak retentie van 60mm hemelwater, enkel van toepassing op het extra verhard oppervlak Nieuwbouw retentie van 60mm hemelwater, van toepassing op het gehele perceel In het beoogde plan is er sprake van nieuwbouw. Door de ruime opzet van de percelen zal een groot deel van het hemelwater direct kunnen infiltreren. Om een genuanceerder beeld te geven over de retentie opgave is een aanname gedaan van het toekomstige verharde oppervlak van de percelen. In onderstaand tabel is per perceel een berekening gemaakt voor de benodigde retentie.

40

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

Oppervlakte percelen

ca. 1015 m2 ca. 1020 m2 ca. 1020 m2 ca. 780 m2

Verhard oppervlakte percelen (Bebouwing, oprit, terras) (ca. 20% van oppervlakte perceel) ca. 220 m2 ca. 220 m2 ca. 220 m2 ca. 160 m2 Totaal

x retentie van 60mm

0,06 0,06 0,06 0,06

Retentie toekomstige situatie (m3) = ca. 13 m3 = ca. 13 m3 = ca. 13 m3 = ca. 10 m3 = ca. 49 m3

Conclusie De conclusie is dat als gevolg van de ontwikkeling er in totaal ca. 49 m3 aan waterretentie zal moeten worden gerealiseerd. Dit kan per kavel plaatsvinden op eigen terrein. De percelen zijn van voldoende omvang om dit te kunnen realiseren. Er kan worden gewerkt met verlagingen op het achterste gedeelte van de kavel. Ook kan een waterbergingsvoorziening onder de oprit of onder het terras worden gerealiseerd. De eigenaar van het perceel is de onderhoudsplichtige voor de gerealiseerde berging. Bij de realisatie van de woningen dient er gebruik te worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem) kwaliteit en ecologie. 5.3.4

Wegverkeerslawaai

Beleid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, scholen, ziekenhuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wet Geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. Voor woningen binnen een onderzoekszone is een maximaal toelaatbare geluidsbelasting (Lden) op de gevel ten gevolge van verkeerslawaai vastgesteld op 48 dB (voorkeursgrenswaarde) en een maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB voor het binnenstedelijk gebied. Conclusie De planlocatie is gelegen aan de Kapelstraat. De Kapelstraat heeft een 30-km-regime. Voor 30 km/u wegen geldt op grond van de Wet geluidhinder geen onderzoeksplicht. Op circa 120 meter ten westen van de planlocatie gaat de Kapelstraat over in een 60 km/uur regime. Voor wegen buiten de bebouwde kom, en bestaande uit twee rijstroken, geldt een geluidszone van 250 meter. Formeel gesproken betekent dit dat het plangebied binnen de wettelijke zone van het 60 km/uur gedeelte van de Kapelstraat ligt. Omdat er sprake is van meerdere zones langs één weg, kan er op basis van artikel 75 van de Wgh gemotiveerd worden dat de ontwikkeling buiten de zone valt.

Indien zich langs een weg een zone bevindt die bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende zonedelen dat het breedste zonedeel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat zonedeel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de zonebreedte, nog langs de wegas doorloopt en met een loodlijn aansluit op de smalste zone. Een derde van het zonedeel (250 meter) is circa 83 meter. De planlocatie ligt op circa 120 meter afstand van het punt van versmalling van de zonebreedte. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling buiten de zone valt en er dus geen onderzoeksplicht geldt. De woningen zullen aan het binnenniveau van 33 dB moeten voldoen. Daarmee zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

41

5.3.5 Vliegverkeer De kern Molenschot is gelegen in de nabijheid van Vliegbasis Gilze-Rijen. Momenteel geldt het BGGL (Besluit Geluidsbelasting Grote Luchtvaart). Voor wat betreft de geluidsbelasting die uitgaat van de vliegbasis is voor een gelijke toetsing van initiatieven aan de (toekomstige) wettelijke contouren van de Vliegbasis Gilze-Rijen én de gemeentelijke zienswijze ten aanzien van deze contouren, vooruitgelopen op het toekomstige luchthavenbesluit waarbij de regels gaan gelden die zijn vastgelegd in het Besluit militaire luchthavens (BML). De locatie is gelegen binnen de 40 tot 45 Ke contour. Op deze locatie, zijn conform artikel 6, lid 1 van het Bml, geluidgevoelige objecten toegestaan. Daarnaast vindt de volgende kwalitatieve toets plaats: Grondgebonden geluid Naast lawaai van het vliegverkeer kent de vliegbasis ook zogenaamd inrichtingslawaai of grondgebonden lawaai. Dit is geluid afkomstig van activiteiten op de basis zelf. Bijvoorbeeld het proefdraaien van (vliegtuig)motoren. Dit gebied wordt ook wel de 50 dB(A)-contour genoemd en is vastgelegd in het bestemmingsplan. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. 56 db(A) Lden contour De (oude en nieuwe) contouren gaan uit van een berekening in Kosteneenheden. Met de huidige iinzichten is een berekening in Lden (decibel) realistischer. Deze berekening levert een contour op waar de planlocatie buiten ligt.

Externe veiligheid Het gebruik van de helikopters brengt gevaar met zich mee, een zogenaamd plaatsgebonden risico, ook wel PR 10-6. De contouren worden bepaald door de opslag van munitie, brandstofleidingen en -opslag en het vliegen zelf geeft ook risico’s. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. Cumulatie van snelweg- of spoorgeluid Buiten de directe overlast van de vliegbasis kent de gemeente nog drie belangrijke geluidsbronnen, namelijk de spoorlijn Breda-Tilburg, de snelweg A58 en de provinciale wegen. Er kan sprake zijn van cumulatie van geluid afkomstig van het spoor of de (snel)weg, samen met het geluid van de vliegbasis. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. Rattle Noise Naast het geluid dat door de vliegtuigen en helikopters wordt veroorzaakt is er nog een hinderbron die overlast veroorzaakt: rattle noise. Dit zijn trillingen die worden veroorzaakt door de helikopters. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour.

Figuur 5.4: Ke - zonering , planlocatie zwart omcirkeld

42

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling doorstaat de kwalitatieve toets. Hierdoor is het mogelijk om de beoogde woningen te ontwikkelen. 5.3.6 Explosieven opsporing AVG Explosieven Opsporing Nederland heeft voor de planlocatie een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid mogelijke ontplofbare oorlogsresten. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Kapelstraat Molenschot, AVG Explosieven Opsporing Nederland, kenmerk: 2156018-PVO-01, 16-04-2021. De aanleiding van dit onderzoek is het vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten van de gemeente Gilze en Rijen opgesteld door REASeuro met kenmerk: RO-130100, d.d. 30-09-2013. In het vooronderzoek wordt aangeven dat in het onderzoeksgebied naar alle waarschijnlijkheid ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn. Het specifieke opsporingsgebied is volgens dit rapport verdacht verklaard op de volgende hoofdsoorten ontplofbare oorlogsresten: • Klein Kaliber Munitie (KKM) • Geschutmunitie vanaf het kaliber 2 inch. • Handgranaten • Geweergranaten • Munitie voor granaatwerpers • Toebehoren van munitie. Onderzoek Het opsporingsgebied betreft de kadastrale percelen 2022, 2023, 2024 en 2045 en heeft een grootte van 4.264 m2.

Vanwege de aanwezigheid van bomen en hekwerken binnen het opsporingsgebied is er in overleg met opdrachtgever besloten, deze locaties binnen het opsporingsgebied middels realtime oppervlaktedetectie te detecteren. Als uitgangspunt is gesteld dat de vervolgwerkzaamheden, na de opsporingswerkzaamheden van AVG op een veilige manier doorgang kunnen vinden. Door een team van deskundigen is het opsporingsgebied gedetecteerd en zijn verdachte objecten benaderd, gecontroleerd en geïdentificeerd. Resultaten Vanuit het onderzoek zijn verder geen verdachte objecten waargenomen in het onderzochte gebied. Het onderzochte gebied wordt, in technische zin, vrijgegeven van ontplofbare oorlogsresten, zodat eventuele vervolgwerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. 5.3.7

Bedrijven en milieuzonering

Beleid Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. In de omgeving van het plangebied aan de Kapelstraat zijn planologisch gezien twee bedrijven mogelijk. Ten zuiden van het plangebied aan de overzijde van de Kapelstraat ligt een perceel met de bestemming ‘Gemengde doeleinden’. Onder de bestemming ‘Gemengde doeleinden’ vallen onder andere bedrijfsdoeleinden tot milieucategorie 1 en 2.

Op deze locatie, Kapelstraat 23, is een autobedrijf gevestigd die valt onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter.

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

43

Wijzigingsplan ´Veenstraat 1´

Categorie 2 autobedrijf Kapelstraat 23

Gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Classificatie omgevingstype plangebied Kapelstraat Het plangebied is gelegen aan de Kapelstraat, een van de linten van de kern Molenschot en tevens een belangrijke ontsluitingsweg. Hier komen op een relatief korte afstand verschillende functies voor. Zo zijn in de omgeving van het plangebied onder meer agrarische bestemmingen, maatschappelijke bestemmingen, wonen, horeca en bedrijven gelegen. Gelet op het gemengd voorkomen van deze functies, en de ligging aan een ontsluitingsweg, kan het gebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden als opgenomen in de VNG-publicatie kunnen hierdoor met één afstandsstap worden teruggebracht. Voor de bedrijven in de directe omgeving kan de richtafstand verkleind worden naar 10 meter. Adres

Categorie

Richtafstand Richtafstand bij toepassing gemengd gebied

Feitelijke afstand tot plangebied

Voldoet

Kapelstraat 23

categorie 2

30 m

10 m

ca. 10 m

Ja

Kapelstraat 27

categorie 2

30 m

10 m

ca. 20 m

Ja

Figuur 5.5: Nabij gelegen bedrijven, planlocatie zwart omlijnd

Conclusie Omdat de directe omgeving van het plangebied verschillende functies heeft kan worden uitgegaan van gebiedstype ‘gemengd gebied’. Gelet op het voorstaande kan geconcludeerd worden dat kan worden voldaan aan de richtafstand voor het bedrijf aan Kapelstraat 23. Bovendien liggen er op een kleinere afstand meerdere kwetsbare objecten (woningen) en vinden de activiteiten vooral plaats op het achterterrein van het perceel aan de Kapelstraat 23. Het autotransportbedrijf wordt daarom niet in haar bedrijfsvoering beperkt door de beoogde ontwikkeling.

44

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

Geurhinder Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van (individuele) veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn. In artikel 3 van de Wgv zijn de geurnormen opgenomen. Voor bedrijven waarvoor een geuremissie is vastgesteld gelden de richtafstanden uit de VNG-brochure voor de afstand tot een geurgevoelige functie. Er zijn ook diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Hiervoor gelden minimaal aan te houden afstanden. Deze zijn opgenomen in artikel 4 van de Wgv. De minimale afstandseisen zijn van toepassing: • 100 meter bij ontwikkelingen gelegen binnen de bebouwde kom • 50 meter bij ontwikkelingen gelegen buiten de bebouwde kom Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom.

Gemeenten mogen van bovenstaande normen en afstanden afwijken middels een gemeentelijke verordening. In de Wgv is in artikel 6.1 opgenomen dat gemeenten middels deze verordening binnen bepaalde bandbreedten mogen afwijken van de wettelijke standaardnormen. De gemeente Gilze en Rijen heeft geen gemeentelijke verordening vastgesteld. Ten zuidwesten van de locatie op Kapelstraat 27 is er planologisch gezien een agrarisch bedrijf mogelijk. Er is een bouwvlak aanwezig. Feitelijk is hier geen sprake meer van een agrarisch bedrijf en wordt de ruimte gebruikt als caravan stalling. Deze stalling valt onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Aangezien er op een kleinere afstand tot dit Agrarisch perceel reeds bestaande woningen zijn gesitueerd wordt de bedrijfsvoering niet beperkt door de beoogde ontwikkeling. De betreffende bedrijven zullen namelijk de normen uit de Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) moeten respecteren en zullen gelet op bovenstaande niet verder in hun bedrijfsvoering beperkt worden dan in de huidige planologische situatie. In algemene zin kan dus gesteld worden dat er op de locatie reeds voldaan wordt aan de geldende normen. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect “milieuzonering bedrijven” er geen beperkingen zijn voor de geplande ontwikkeling ter plaatse van de planlocatie.

Categorie 2 Caravanstalling Kapelstraat 27

Figuur 5.6: Nabij gelegen agrarische bedrijven, planlocatie zwart omlijnd

Conclusie In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Ten zuidwesten van de locatie op Kapelstraat 27 is er planologisch gezien een agrarisch bedrijf mogelijk. Feitelijk is hier geen sprake meer van een agrarisch bedrijf en wordt de ruimte gebruikt als caravan stalling. Aangezien er op een kleinere afstand reeds bestaande woningen zijn gesitueerd kan er vanwege deze geringe afstand tussen het bouwvlak op de bestemming ´agrarisch´ en de bestaande, omliggende woningen geen nieuw agrarisch bedrijf gevestigd worden. Het aspect geurhinder heeft geen negatieve effecten op de beoogde planontwikkeling. 45

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

5.3.8 Luchtkwaliteit Sinds 2007 is de nieuwe Wet luchtkwaliteit in werking getreden. In deze wet zijn grenswaarden opgenomen die bindend zijn voor de overheid. In de wet wordt aangegeven dat bij uitoefening van bestuurlijke bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit ten aanzien van een bepaalde luchtverontreinigende stof de betreffende grenswaarden in acht moeten worden genomen. Omdat grenswaarden bindend zijn, stellen ze beperkingen aan activiteiten waardoor overschrijding van de grenswaarden voor de buitenluchtkwaliteit geldt. Een toetsing aan grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer is in dit project niet aan de orde. De geringe omvang van het plan impliceert dat ‘in niet betekenende mate wordt bijgedragen’ aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De monitoring van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is als verplichting opgenomen in artikel 5.14 van de Wet Milieubeheer (Wm). Het verplicht betrokken bestuursorganen om jaarlijks aan de minister van Infrastructuur en Milieu te rapporteren over de voortgang en uitvoering van de maatregelen en projecten die in het NSL zijn opgenomen en over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit. Voor het berekenen van de effecten op de luchtkwaliteit is de Monitoringstool ontwikkeld. Dit is een website waar de invoergegevens voor de berekeningen zijn verzameld.

De kaart van de Monitoringstool toont de informatie van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het kader van de Monitoringstool zijn rekenpunten gedefinieerd langs wegen. Zo ook langs wegen binnen de gemeente Gilze en Rijen. Het rekenpunt dat het meest nabij het plangebied is gelegen, betreft rekenpunt met identificatienummer 16025557. Dit rekenpunt is rood omcirkeld weergegeven in figuur 5.7. Het rekenpunt is gelegen ten noordoosten van de planlocatie, aan de Rijksweg N282. De Rijksweg is een van de hoger belaste verkeerswegen in de omgeving. Aannemelijk is dat de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het rekenpunt, in de nabijheid van de drukke verkeersweg, hoger zijn dan de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van de planlocatie aan de Kapelstraat. Uit de kaart van de Monitoringstool volgt per rekenpunt de te verwachten luchtkwaliteit, rekening houden met onder andere achtergrondconcentraties en bijdragen van omliggende bronnen zoals wegverkeer. In figuur 5.8 is de luchtkwaliteit gepresenteerd voor het rekenpunt met identificatienummer 16025557 voor de jaren 2020 en 2030.

Legenda

Figuur 5.7: NSL kaarten 2020 (links) en 2030 (rechts), planlocatie zwart omcirkeld

46

Vastgesteld bestemmingsplan “Kapelstraat te Molenschot” - 19 december 2022

Figuur 5.8: NSL monitoring gegevens 2020 (boven) en 2030 (onder)

Aannemelijk is dat de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het rekenpunt, in de nabijheid van de drukke verkeersweg, hoger zijn dan de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van de planlocatie. Uit figuur 5.8 (eerste rij: Totale concentratie [µg/m³] ) volgt dat de concentraties aan NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots lager liggen dan de hiervoor geldende grenswaarden van respectievelijk 40 [µg/m³], 40 [ µg/m³] en 25 µg/m³]. Daarmee kan er geconcludeerd worden dat de huidige luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Niet in betekenende mate bijdragen In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die Niet in Betekenende Mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (specifiek gekwantificeerde bedrijfsactiviteiten of het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties in een maximale omvang). Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van in betekenende mate (IBM) projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is in het Besluit NIBM een anti-cumulatieartikel opgenomen. In de Handreiking NIBM is de toepassing van het Besluit NIBM en de Regeling NIBM toegelicht en uitgewerkt. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12139288/1