CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen ap 12c RIB inzake obp Stationsomgeving Rijen

Raadscommissie Ruimte 2 november 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Ter kennisname stukken3.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BEANTWOORDING TECHNISCHE VRAGEN -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Aan Gemeenteraad Van College van burgemeester en wethouders Portefeuillehouder Wethouder Diepstraten Vragensteller PvdA, GGR, D66 Onderwerp RIB inzake o.b.p. Stationsomgeving Rijen Datum vergadering 02-11-2021 Agendapunt vergadering 12c Datum ingekomen 25-10-2021 Datum beantwoording 29-10-2021 Behandelend medewerker Miranda Pals, Bart-Jan Kouwenhoven Zaaknummer Nummer -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------PvdA 1. Kunt u ons de CROW-grafiek aanreiken met daarin de posities van: a. Onderdoorgang Julianastraat Noordzijde b. Onderdoorgang Julianastraat Zuidzijde c. Onderdoorgang Generaal Maczektunnel Noordzijde (autodek) d. Onderdoorgang Generaal Maczektunnel Zuidzijde (autodek) Het Ontwerpbestemmingsplan Spoorzone biedt planologisch en juridisch ruimte aan het fysieke ontwerp van de onderdoorgang ter plaatse van Stationsstraat en Julianastraat. De CROW-grafiek (wij vermoeden dat u hiermee de grafiek bedoelt die de verhouding tussen de hellingshoek en het hoogteverschil van de toeritten beschrijft) is besproken ten tijde van het raadsbesluit om de hellingen gemiddeld niet steiler dan 4% te laten zijn. Dit was op 17 juni 2021.

Het ontwerp wordt thans nader uitgewerkt en geoptimaliseerd. Na afronding van de planontwerpfase kunnen wij u hierover informeren. 2. Graag bij het ontwerp bestemmingsplan alle uitgevoerde onderzoeken voegen en deze ook ter beschikking stellen van de raad. Het hele bestemmingsplan is als bijlage 3 aan de RIB gevoegd. Alle onderzoeken behorende bij het bestemmingsplan zijn als bijlagen bij de plantoelichting ter inzage gelegd. De set bijlagen bij de plantoelichting is als bijlage 10 bij agendapunt 12c terug te vinden. GGR Uit de RIB blijkt dat het college geen ontwerpexploitatieplan ter inzage heeft gelegd. Hierover hebben wij de volgende vragen: Het college heeft besloten om op basis van artikel 7c lid 10 Besluit uitvoering Crisis en herstelwet (Bu Chw) af te wijken van artikel 6.12 1e en 3e lid Wro. Hiermee schuift het college de verplichting om een exploitatieplan vast te stellen door naar het moment waarop een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. De wetgever biedt deze mogelijkheid vanuit de beredenering dat een flexibel bestemmingsplan onder de Chw nog onduidelijkheden bevat over de uit te voeren activiteiten.

Daarom kan in zo’n geval ook niet verwacht worden dat hier een exploitatieplan voorgelegd moet worden. Voor onderdelen die concreet zijn, dient wel degelijk een financiële onderbouwing voorgelegd te worden. 3. Is het college op de hoogte dat de wetgever deze mogelijkheid heeft geboden voor bestemmingsplannen die flexibeler en globaler zijn dan onder de Wro? Het college is op de hoogte van de omstandigheden waarin van deze mogelijkheid gebruik gemaakt kan worden. 4. Wij constateren dat dit bestemmingsplan zo goed als geen flexibele of globale elementen bevat. Is het college het eens met deze constatering? Zo nee, kan het college dan aangeven welke flexibele of globale onderdelen zij in het bestemmingsplan ziet? Dit uitgestelde kostenverhaal is wenselijk omdat de bouwontwikkeling aan de westzijde van de Julianastraat ruimte heeft om t.z.t. ingevuld te worden qua bouwprogramma. Ter nadere toelichting: alleen voor gronden waarop een ‘aangewezen bouwplan’ als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, Wro in combinatie met artikel 6.2.1 Bro voorgenomen is en het kostenverhaal niet anderszins verzekerd is, geldt de verplichting tot het verhaal van grondexploitatiekosten via een exploitatieplan. Binnen het bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen betreft dit uitsluitend de gronden aan de westzijde van Julianastraat. 5.

Is het college op de hoogte van het feit dat gebruik maken van artikel 7c lid 10 niet betekent dat u ook ontslagen bent van het geven van voldoende inzicht in de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan? (zoals ook benoemd in de uitspraak van Raad van State, RvS 2020:2004, zaaknummer 201906673/1/R1) Zeker. 6. Waarom is er dan toch gekozen om het exploitatieplan door te schuiven naar de aanvraag omgevingsvergunning? Het verzekeren van verhaal van grondexploitatiekosten voor een aangewezen bouwplan op gronden binnen het plangebied en het uitstellen daarvan, moet worden onderscheiden van het geven van voldoende inzicht in het kader van de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Wij constateren dat het bestemmingsplan onvoldoende financieel inzicht geeft in de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan (Paragraaf 6.3 toelichting ontwerp bestemmingsplan). 7. Deelt het college deze constatering en zo niet, waarom niet. Deze constatering wordt niet gedeeld. In de toelichting van het bestemmingsplan hoeft geen volledige exploitatiebegroting te worden opgenomen. De economische uitvoerbaarheid is in een bestemmingsplan voldoende toegelicht als wordt gemotiveerd dat de raad er in redelijkheid van kan uit gaan dat het plan binnen de planperiode uitvoerbaar zal zijn.

Gelet op de gemaakte afspraken in de bestuursovereenkomst en de beschikbaar gestelde gelden en de geraamde kosten, is aannemelijk dat de uitvoering van het bestemmingsplan binnen de planperiode kan worden gerealiseerd. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure vinden nadere ontwerpwerkzaamheden ten behoeve van de uitvoeringsfase plaats. Daarmee wordt op meer detailniveau inzicht verkregen in de kostenraming van het project met de bedoeling evt. financiële tekorten of optimalisaties gedetailleerder inzichtelijk te maken en de onzekerheidsmarge te verkleinen om hierop vervolgens te sturen.

In de 15e tranche besluit uitvoering Chw is het bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen opgenomen. In deze tranche is ook de volgende bepaling opgenomen: in aanvulling op artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden geweigerd als de exploitatieopzet als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, een tekort bevat, dat niet is gedekt; Deze bepaling geeft aan dat een omgevingsvergunning geweigerd zal worden wanneer de dekking onvoldoende is. 8. Wat is het voordeel vanuit de gemeente gezien om het financiële inzicht toch door te schuiven naar de omgevingsvergunning als alsnog de vergunning geweigerd zal worden als de dekking onvoldoende mocht blijken te zijn? Dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd als het verhaal van de grondexploitatiekosten niet gedekt is, beschermt de gemeente: het zorgt er voor dat de gemeente geen medewerking moet verlenen aan een bouwplan en zelf met een deel van de grondexploitatiekosten voor dat bouwplan blijft zitten. Het gaat erom dat de grondexploitatiekosten voor ‘aangewezen bouwplannen’, dus in dit geval uitsluitend het bouwplan aan de westzijde van de Julianastraat, door de gemeente worden verhaald op degene die op die grond een bouwplan wil realiseren.

De keuze voor uitgesteld kostenverhaal gaat uitsluitend om het verhaal van die grondexploitatiekosten. Om het kostenverhaal op moment van vaststelling bestemmingsplan juridisch te borgen (op dat moment zal de gemeente mogelijk nog niet eigenaar zijn van alle gronden), is in het plan opgenomen dat het kostenverhaal moet zijn verzekerd op het moment van afgifte van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De verwachting is gerechtvaardigd dat op het moment dat hier een bouwplan wordt ontwikkeld, de gemeente eigenaar zal zijn van alle gronden; dat dus kostenverhaal anderszins (via gronduitgifte) zal zijn verzekerd, en dat aldus nooit een exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. D66 9. Het is mogelijk dat een bemaling noodzakelijk is waarvoor een vergunning vereist is op basis van de keur. Wanneer, onder welke omstandigheden, is een bemaling noodzakelijk? Voor de realisatie van de onderdoorgang wordt gekozen voor een gesloten damwandkuip met een waterdichte vloer (van bijvoorbeeld onderwaterbeton). Hiermee wordt voorkomen dat grote hoeveelheden grondwater aan de omgeving worden onttrokken. Bij de uitvoering van het project wordt bepaald of bemaling noodzakelijk is en in hoeveel m³ er opgepompt gaat worden. 10. Wanneer is bekend of er een bemaling noodzakelijk is? Voorafgaand aan het moment van vergunningaanvraag ten behoeve van de realisatie van de onderdoorgang.

Zie ook antwoord bij vraag 9. 11. Indien er een gemaal noodzakelijk is welke vergunning(en) zijn dan hier voor noodzakelijk? We veronderstellen dat “bemaling” wordt bedoeld. Voor bemaling is een watervergunning bij het waterschap noodzakelijk wanneer er meer dan 50.000 m³ per maand onttrokken wordt én er langer dan 6 maanden onttrokken wordt. Bij een bemaling in totaal van meer dan 300.000 m³ zal dus een vergunning aangevraagd moeten worden.

12. Op welke manier wordt het BP geactualiseerd als er een bemaling geplaatst moet worden? Het bestemmingsplan hoeft niet te worden geactualiseerd als er een bemaling geplaatst moet worden. Dit betreft een uitvoeringsaspect. 13. Welk gevolg heeft het stellen van de waarde van maximaal 68 dB(A) voor de reeds bestaande woningen in dit gebied? Geen enkel gevolg. Het besluit hogere waarde voor spoorweglawaai ziet uitsluitend op de nieuw te bouwen woningen. Het is niet zo dat door dit besluit méér spoorweglawaai in het gebied mogelijk wordt gemaakt. 14. Om inzicht te krijgen in deze mogelijke kosten is op basis van het voorontwerpbestemmingsplan een planschade- en nadeelcompensatierisicoanalyse uitgevoerd. Graag ontvangen wij deze inclusief de mogelijke kosten inzicht zoals u zelf aangeeft. De risicoanalyse wordt hierbij verstrekt. 15. Graag ontvangen wij per omgaande het gedetailleerd financiële inzicht op alle gemaakte kosten voor de Stationsomgeving gemaakt tot en met Q2 2021. Een gecombineerde kwartaalrapportage voor Q2 en Q3 2021 is in voorbereiding. Deze zal na vrijgave door het college van B&W aan de gemeenteraad worden gezonden en toegelicht. 16.

Zijn de resultaten van het onderzoek naar de Gilze-Rijen breuk al bekend? Graag ontvangen wij deze Een nadere toelichting met betrekking tot de Gilze-Rijen breuk is aan het bestemmingsplan toegevoegd als bijlage 15 bij de toelichting. In het kader van het bestemmingsplan is relevant dat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voldoende aannemelijk is. Met de eventuele risico’s vanwege de kenmerken van de Gilze-Rijenbreuk kan in de uitvoering rekening worden gehouden. Hoe dit exact gebeurt, is een uitvoeringsaspect, dat het detailniveau van het bestemmingsplan te boven gaat. 17. Welke (nieuwe) aanpassingen aan o.a. de constructie van de tunnel zijn noodzakelijk i.r.t. de Gilze-Rijen breuk? Wat zijn de financiële gevolgen hiervan? Vooralsnog zijn geen aanpassingen aan de fundatie van de onderdoorgang berekend of bepaald. De gegevens van uitgevoerde grondonderzoeken worden op dit moment geëvalueerd en meegenomen in het verdere ontwerp van de spoorzone. Dit raakt het bestemmingsplan inhoudelijk niet. 18. U geeft aan (m.e.r.) dat “Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde is”. Ten westen van Rijen wordt ook een grote spoortunnel aangelegd. In en in de nabijheid van dit project wordt een snelfietsroute aangelegd. Bent u het met ons eens dat er dus wel degelijk sprake is van cumulatie met andere projecten. zo nee waarom niet? De uitgevoerde vormvrije m.e.r.

voor het stationsgebied onderzoekt de milieueffecten van het project. De milieueffecten van de aanleg van een deel van de snelfietsroute binnen het plangebied zijn hierin ook meegenomen. Voor het project N631 is een afzonderlijke vormvrije m.e.r. uitgevoerd. De milieueffecten van beide projecten zijn beperkt en blijven beperkt tot de directe omgeving, leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen en liggen op zodanige afstand van elkaar dat zij elkaar niet versterken, waardoor er geen sprake is van cumulatie. Ook worden beide projecten niet gelijktijdig uitgevoerd, maar na elkaar.

19. Er moet mogelijk een bemaling komen. Als die er moet komen wordt daarvoor een zelfstandig m.e.r. traject opgelopen. Ben u het u met ons eens dat er dan juist nog meer sprake is van cumulatie met andere projecten? zo nee, waarom niet? Naar aanleiding van indicatieve bemalingsberekeningen wordt voor de onderdoorgang in het stationsgebied gekozen voor een gesloten damwandkuip met een waterdichte vloer (van bijvoorbeeld onderwaterbeton). Hiermee wordt voorkomen dat grote hoeveelheden grondwater aan de omgeving worden onttrokken. Hierdoor wordt verwacht dat de activiteit ruimschoots onder de drempelwaarde (voor een m.e.r. beoordeling) van 1,5 miljoen m³ blijft voor wat betreft het onttrekken van grondwater (categorie D15.2). Wanneer in de uitvoering blijkt dat er meer water onttrokken moet worden dan de 1,5 miljoen m³ zal bij de aanvraag van de watervergunning alsnog een MER uitgevoerd worden ofwel – wanneer onder deze drempelwaarde gebleven wordt – een afzonderlijke m.e.r. beoordeling om te bepalen wat de milieueffecten zijn van deze onttrekking. Ter illustratie/vergelijk: voor het project N631 is er ook voor gekozen om bij het bouwen met een waterdichte constructie te werken. Hiervoor is een bemalingsadvies opgesteld om inzicht gegeven in kengetallen van het worst-case scenario. Hieruit blijkt dat het totaal waterbezwaar worst case 166.000 m³ bedraagt.

Ook dit is ruimschoots onder de drempelwaarde die vanuit de wetgeving is opgenomen. In de daarvoor uitgevoerde vormvrije m.e.r. is geoordeeld dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. Het bemalingsadvies voor het project N631 bevestigt de verwachting dat het onttrekken van grondwater, bij een onderdoorgang, ruimschoots onder de drempelwaarde van 1,5 miljoen m³ blijft. 20. In bijlage 3 geeft u aan dat: bij het aanleggen en bouwen van het project zal een beperkte hoeveelheid afvalstoffen zal ontstaan. Kunt u aangeven hoeveel dit is (in volume) en wat de norm waarde van deze afvalstroom is wanneer er wel een compleet m.e.r. onderzoek uitgevoerd moet worden? Een MER/m.e.r. toetst niet aan normen, maar brengt de milieueffecten van bepaalde activiteiten in beeld. Voor bepaalde activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen in het Besluit m.e.r.; voor de activiteiten die relevant zijn voor deze ontwikkeling is in beeld gebracht wat daarvan de mogelijke milieu effecten zijn in de vormvrije m.e.r. beoordeling. Er is in dit geval geen sprake van een activiteit met de behandeling, het onderbrengen en/of het verwijderen of verbranden van gevaarlijke afvalstoffen, hierbij moet worden gedacht aan een vuilverbrandingsinstallatie. Activiteiten die hier wel betrekking op hebben, zijn vanaf een aanzienlijke capaciteit (vanaf 50 ton per dag) m.e.r.-plichtig.

Voor afvalstromen (de productie/het vrijkomen van afvalstoffen) die bij de uitvoering van elk project kunnen ontstaan, zoals bijvoorbeeld afgewerkte olie of boorspoeling, zijn geen drempelwaarden of activiteiten opgenomen. Een M.E.R./m.e.r. is voor deze activiteit dan ook niet aan de orde. Vrijgekomen afvalstoffen kunnen worden hergebruikt of worden afgevoerd naar een erkende verwerker. 21. Uit de RIB blijkt dat het college geen ontwerpexploitatieplan ter inzage heeft gelegd. Het college heeft besloten om op basis van artikel 7c lid 10 Besluit uitvoering Crisis en herstelwet (Bu Chw) af te wijken van artikel 6.12 1e en 3e lid Wro. Hierover hebben wij de volgende vragen. a) De wetgever biedt de mogelijkheid voor deze afwijking vanuit de redenering dat een flexibel bestemmingsplan onder de Chr nog onduidelijkheden bevat over de uit te voeren activiteiten. Maar de vraag is of dat deze situatie geldt voor dit bestemmingsplan, waarvan de activiteiten (wat we willen realiseren) wel degelijk bekend is. Kunt u aangeven welke flexibele en/of globale elementen dit bestemmingsplan bevat?

Dit uitgestelde kostenverhaal is wenselijk, omdat de bouwontwikkeling aan de westzijde van de Julianastraat ruimte heeft om t.z.t. ingevuld te worden qua bouwprogramma. Ter nadere toelichting: alleen voor gronden waarop een ‘aangewezen bouwplan’ als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, Wro in combinatie met artikel 6.2.1 Bro voorgenomen is, geldt de verplichting tot verhaal van grondexploitatiekosten. Binnen het bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen betreft dit uitsluitend de gronden aan de westzijde van Julianastraat. Om het kostenverhaal op moment van vaststelling bestemmingsplan juridisch te borgen (op dat moment zal de gemeente mogelijk nog niet eigenaar zijn van alle gronden) is in het plan opgenomen dat het kostenverhaal moet zijn verzekerd op het moment van afgifte van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De verwachting is gerechtvaardigd dat op het moment dat hier een bouwplan wordt ontwikkeld, de gemeente eigenaar zal zijn van alle gronden; dat dus kostenverhaal anderszins (via gronduitgifte) zal zijn verzekerd, en dat aldus nooit een exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.

b) Op welke manier en wanneer gaat het college voldoende inzicht geven in de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan? (zoals ook benoemd in de uitspraak van Raad van State, RvS 2020:2004, zaaknummer 201906673/1/R1) De financiële haalbaarheid is in een bestemmingsplan voldoende toegelicht als wordt gemotiveerd dat de raad er in redelijkheid van kan uit gaan dat het plan binnen de planperiode uitvoerbaar zal zijn. Gelet op de gemaakte afspraken in de bestuursovereenkomst en de beschikbaar gestelde gelden en de geraamde kosten, is aannemelijk dat de uitvoering van het bestemmingsplan binnen de planperiode kan worden gerealiseerd. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure vinden nadere ontwerpwerkzaamheden ten behoeve van de uitvoeringsfase plaats. Daarmee wordt op meer detailniveau inzicht verkregen in de kostenraming van het project met de bedoeling evt. financiële tekorten of optimalisaties gedetailleerder inzichtelijk te maken en de onzekerheidsmarge te verkleinen om hierop vervolgens te sturen. c) Is paragraaf 6.3 (toelichting bestemmingsplan) het enige inzicht wat er op dit moment is omtrent de haalbaarheid van het bestemmingsplan? Zo nee, kunt u een complete financiële onderbouwing (stand van zaken per 1 okt. jl.) per omgaande verstrekken? Verwezen wordt naar de reactie op vraag 21 (b). Een gecombineerde kwartaalrapportage voor Q2 en Q3 2021 is in voorbereiding.

Deze zal na vrijgave door het college van B&W aan de gemeenteraad worden gezonden en toegelicht. d) In aanvulling op artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden geweigerd als de exploitatieopzet als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, een tekort bevat, dat niet is gedekt. Wat is het gevolg als later de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd wordt omdat er bijvoorbeeld een tekort in de financiële dekking is? Dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd als het verhaal van de grondexploitatiekosten voor dat bouwplan niet gedekt is, beschermt de gemeente: het zorgt er voor dat de gemeente geen medewerking moet verlenen aan een bouwplan en zelf met een deel van de grondexploitatiekosten voor dat bouwplan blijft zitten.

Ter toelichting: het gaat erom dat de grondexploitatiekosten voor ‘aangewezen bouwplannen’, dus in dit geval uitsluitend het bouwplan aan de westzijde van de Julianastraat, door de gemeente worden verhaald op degene die op die grond een bouwplan wil realiseren. De keuze voor uitgesteld kostenverhaal gaat uitsluitend om het verhaal van die grondexploitatiekosten. e) Als later blijkt dat er een tekort aan dekking is waardoor de omgevingsvergunning geweigerd wordt hoeveel kosten zijn er tot dan al gemaakt? Wat zijn de huidige kosten die nu al gemaakt zijn door de gemeente, wat is de financiële planning (kosten overzicht) tot het moment dat de omgevingsvergunning definitief gesteld wordt? Zie de reactie op vraag 21 (d). In het theoretische geval dat een omgevingsvergunning zou worden geweigerd omdat het verhaal van grondexploitatiekosten voor deze gronden niet gedekt zou worden, dan zal een initiatiefnemer met een ander ontwikkelvoorstel moeten komen. Dit geval is theoretisch, omdat de gemeente uiteindelijk eigenaar zal zijn van alle gronden binnen deze ontwikkelingslocatie. Kostenverhaal voor het gedeelte waarop het bouwplan wordt gerealiseerd, vindt dan plaats via de gronduitgifte. f)

op welk moment wordt er een exploitatieplan gemaakt en wanneer is dat volgens de huidige planning (maand-jaartal)? De verwachting is gerechtvaardigd dat op het moment dat ter plaatse van de gronden aan de westkant van de Julianastraat een bouwplan wordt ontwikkeld, de gemeente eigenaar zal zijn van alle gronden binnen deze ontwikkelingslocatie; dat dus verhaal van de grondexploitatiekosten anderszins (via gronduitgifte) zal zijn verzekerd, en dat dus nooit een exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10720269/1